Opvattingen over arbeidsmigranten

Over deze publicatie

In het CBS-opinieonderzoek Belevingen zijn volwassenen in 2025 geïnterviewd over hun opvattingen over arbeidsmigranten in de samenleving, op de arbeidsmarkt en in de gezondheids- en welzijnszorg. De uitkomsten van het onderzoek staan centraal in deze publicatie.

Samenvatting

Meerderheid is voor begrensd toelaten van arbeidsmigranten

De meeste volwassenen (68 procent) vinden dat Nederland arbeidsmigranten moet toelaten, maar met een maximum aantal. Minder dan 1 op de 5 (17 procent) zou alle arbeidsmigranten willen toelaten. De rest is van mening dat Nederland zo weinig mogelijk (12 procent) of geen (3 procent) arbeidsmigranten moet toelaten. Vooral mensen van 45 jaar of ouder en mensen met (v)mbo- of een vergelijkbaar diploma geven dat aan. 

De meeste mensen die voor (begrensde) toelating van arbeidsmigranten zijn, vinden dat zowel laagbetaalde als hoogbetaalde arbeidsmigranten in Nederland mogen komen werken. Ook maakt het voor de meerderheid niet uit of arbeidsmigranten uit de EU komen of niet, en kan het gezin wat hen betreft meekomen. De meningen over waar arbeidsmigranten zouden moeten werken zijn verdeeld. Bijna de helft geeft aan dat ze alleen in bepaalde bedrijfstakken, met bijvoorbeeld een personeelstekort, mogen werken.  

Drie kwart denkt dat arbeidsmigratie personeelstekorten oplost

Volgens drie kwart (75 procent) van de volwassenen kan arbeidsmigratie personeelstekorten in bepaalde bedrijfstakken oplossen. Ook denkt ongeveer de helft dat arbeidsmigranten de economie kunnen versterken en dat hun komst kennis en ervaring met zich meebrengt. Onder hbo- en wo-geschoolden zijn die percentages hoger. Tegelijkertijd denkt de meerderheid van de volwassenen (62 procent) dat er minder woningen beschikbaar zullen zijn voor inwoners van Nederland wonen (verder kortweg: Nederlanders). Vooral jongeren van 18 tot 25 jaar geven dit aan. Ook denkt een kwart dat de komst van arbeidsmigranten gepaard gaat met meer overlast en criminaliteit en minder banen voor Nederlanders. 

Meesten vinden dat arbeidsmigranten Nederlands moeten leren…

Ruim 90 procent van de 18-plussers vindt dat arbeidsmigranten de Nederlandse taal moeten leren. Twee derde (66 procent) vindt dat ze dat zo snel mogelijk moeten doen en 27 procent binnen een paar jaar. Vooral 45-plussers, (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden en mensen met een Nederlandse herkomst zijn van mening dat arbeidsmigranten zo snel mogelijk Nederlands moeten leren.

Of arbeidsmigranten op het werk Nederlands zouden moeten spreken, hangt af van hun werk.  Vrijwel iedereen (ongeveer 95 procent) vindt dit (heel) belangrijk als zij als leerkracht op een middelbare school werken, als klantenservicemedewerker van een bank of als ze in de zorg werken. Voor arbeidsmigranten die als buschauffeur of in de horecabediening werken, ligt dit aandeel lager (85 procent). Voor arbeidsmigranten in de landbouw vindt de helft Nederlands spreken belangrijk.

…en zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur

85 procent van de volwassenen is van mening dat arbeidsmigranten zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Over het behouden van de eigen cultuur zijn de meningen verdeeld. De helft van volwassenen vindt dat arbeidsmigranten hun eigen cultuur moeten kunnen behouden. De andere helft heeft geen voorkeur of vindt van niet. Bij jongeren tot 25 jaar en mensen van buitenlandse herkomst geeft twee derde aan dat arbeidsmigranten hun eigen cultuur moeten kunnen behouden. Voor deze groepen is het ook minder van belang dat arbeidsmigranten zich aanpassen aan de Nederlandse cultuur. 

8 op de 10 positief over inzetten van arbeidsmigranten in landbouw

De meeste volwassenen zien in arbeidsmigranten een oplossing voor personeelstekorten, maar niet in elk beroep. Zo vindt bijna de helft dat arbeidsmigranten met de juiste ervaring en diploma’s kunnen werken als leerkracht op een middelbare school of als medewerker van de klantenservice van een bank. Meer animo is er voor beroepen als buschauffeur, bediener in de horeca, landbouwarbeider, en zorgberoepen als arts of verpleegkundige (70 à 80 procent). In de situatie dat er te weinig verpleegkundigen zouden zijn, geven bijna 7 van de 10 mensen de voorkeur aan een arbeidsmigrant, terwijl dat voor ruim 1 op de 10 een zorgrobot is. Bijna 2 op de 10 hebben geen voorkeur in zo’n situatie. 

Drie kwart vindt aanvullend zorgdiploma wenselijk 

Van elke 20 volwassenen vinden 15 het (heel) belangrijk dat arbeidsmigranten in de zorg een aanvullend zorgdiploma in Nederland behalen, staan 4 mensen hier neutraal in en zegt 1 het (heel) onbelangrijk te vinden. Vrouwen vinden het iets vaker van belang dan mannen, 65-plussers vaker dan jongere leeftijdsgroepen en mensen met een Nederlandse herkomst vaker dan mensen met een buitenlandse herkomst. Hbo- en wo-geschoolden hechten juist minder belang aan een aanvullend zorgdiploma dan vmbo-, mbo- of vergelijkbaar geschoolden.

Zelfde salaris en arbeidsvoorwaarden voor arbeidsmigranten

Arbeidsmigranten en Nederlandse werknemers in eenzelfde functie en met dezelfde werkervaring moeten volgens 84 procent van de volwassenen hetzelfde salaris krijgen. Ongeveer evenveel volwassenen vinden dat ook de arbeidsvoorwaarden en de werkomstandigheden dan gelijk moeten zijn. De percentages zijn bij hbo- en wo-geschoolden nog wat hoger. In het onderzoek is niet vastgesteld of mensen die zeggen dat salaris, arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden mogen verschillen (bijna 5 procent), vinden of dit wel of niet in het voordeel van arbeidsmigranten moet zijn.

Ruim helft wil geen belastingvermindering voor arbeidsmigranten

Een kleine meerderheid van de 18-plussers (55 procent) vindt niet dat arbeidsmigranten minder belasting zouden hoeven betalen om het voor hen aantrekkelijker te maken in Nederland te komen werken (de zogenoemde expatregeling). Een derde (34 procent) vindt van wel en volgens de helft van deze groep zou de regeling dan voor zowel laag- als hoogbetaalde arbeidsmigranten moeten gelden. Mensen die niet van de regeling gehoord hebben, vinden vaker dat de regeling alleen voor laagbetaalde arbeidsmigranten zou moeten zijn. Mensen die de regeling wel kennen, vinden juist vaker dat alleen hoogbetaalde arbeidsmigranten er recht op hebben.

Arbeidsmigranten niet altijd welkom na afloop contract

Bijna de helft van de mensen vindt dat arbeidsmigranten na afloop van hun contract in Nederland mogen blijven. Dit mag van 42 procent pas na een paar jaar werken in Nederland, van 6 procent mag dit altijd. Daar is 37 procent het niet mee eens. Zij vinden dat arbeidsmigranten na contractbeëindiging weer naar hun thuisland moeten terugkeren. De overige 15 procent weet het niet of heeft geen mening. Vooral mensen geboren in het buitenland, mensen tot 45 jaar en hbo- en wo-geschoolden vinden dat arbeidsmigranten kunnen blijven na afloop van hun contract (als zij langer dan een paar jaar in Nederland hebben gewerkt). 

1. Inleiding

Migratie houdt de politieke en maatschappelijke gemoederen flink bezig. De laatste twee kabinetten (Rutte IV en Schoof) vielen door onenigheid over het migratiebeleid. En onlangs stemde de Eerste Kamer tegen de Asielnoodmaatregelenwet, waarin het kabinet Jetten een strenger asielbeleid beoogde. Ook in de maatschappij zijn de meningen over migratie verdeeld. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat veel mensen zorgen hebben over de omvang van de migratie en de gevolgen voor de woningmarkt en de Nederlandse identiteit. Tegelijkertijd ziet een deel van de mensen culturele diversiteit juist als een verrijking van de samenleving en vinden de meesten dat er ruimte moet zijn voor bijvoorbeeld oorlogsvluchtelingen (SCP, 2025). 

Ook arbeidsmigratie is regelmatig onderwerp van maatschappelijke discussie. Arbeidsmigranten kunnen bijdragen aan de economische groei en aan het oplossen van personeelstekorten. Er is echter ook kritiek op de woon- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten en vaak worden zij geconfronteerd met lage lonen, baanonzekerheid en sociale discriminatie (Universiteit Leiden, 2024). Hoewel mensen de migratie naar Nederland meestal willen beperken, hebben ze volgens SCP-onderzoek minder moeite met arbeidsmigranten die nodig zijn om personeelstekorten op te vangen en met arbeidsmigranten die hier tijdelijk verblijven (Coenders en Dagevos, 2024). 

In het beleid rondom arbeidsmigratie is het streven om minder arbeidsmigranten naar Nederland te laten komen en te zorgen dat de mensen die wel komen dezelfde woon- en werkomstandigheden hebben als iedereen (Rijksoverheid, 2025). Daartoe neemt de overheid diverse maatregelen. Zo moeten uitzendbureaus die arbeidsmigranten willen inzetten vanaf 2027 aan strengere eisen voldoen om uitbuiting te voorkomen. Ook zet de overheid in op betere registratie van arbeidsmigranten in de Basisregistratie Personen (BRP). Door registratie hebben migranten recht op overheidsvoorzieningen en dat maakt toezicht op hun woonsituatie eenvoudiger. Verder bouwt de overheid aan een landelijk netwerk voor informatie, hulp en dienstverlening. Het doel is om arbeidsmigranten in hun eigen taal te ondersteunen. Omdat arbeidsmigranten zowel bijdragen aan de economie als druk leggen op maatschappelijke voorzieningen, probeert de overheid een balans te vinden tussen economische voordelen en draagkracht van de samenleving. Voor maatschappelijke steun van het beleid is het belangrijk om te weten hoe de bevolking denkt over arbeidsmigranten. Vinden mensen arbeidsmigratie wel of niet goed voor de maatschappij, de arbeidsmarkt en de economie?

Het CBS peilde opvattingen van de bevolking over arbeidsmigratie in het onderzoek Belevingen 2025. In het onderzoek kwamen de volgende vragen aan bod:

  • Vinden mensen het wel of niet goed dat migranten naar Nederland komen om te werken?
  • Zijn arbeidsmigranten altijd welkom of maakt het uit waar ze vandaan komen, welke opleiding ze hebben en in welke bedrijfstak ze gaan werken?
  • Zouden arbeidsmigranten en Nederlandse werknemers dezelfde arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden moeten hebben?
  • Zouden arbeidsmigranten na afloop van hun contract in Nederland mogen blijven?
  • Zouden arbeidsmigranten op hun werk Nederlands moeten spreken en moeten ze zich aanpassen aan de Nederlandse cultuur?
  • In hoeverre zien mensen arbeidsmigratie als oplossing voor personeelstekort, in het bijzonder in de gezondheidszorg?

De antwoorden op deze en andere vragen van het onderzoek Belevingen staan in de hoofdstukken 3 tot en met 6. Daarbij worden ook verschillen tussen bevolkingsgroepen (zie Bijlage) in kaart gebracht. Hoofdstuk 2 gaat in op de omvang van de groep arbeidsmigranten in Nederland. 

2. Hoeveel arbeidsmigranten telt Nederland?

Het antwoord op de vraag hoeveel arbeidsmigranten er zijn in Nederland is niet eenduidig. Het hangt af van wie als arbeidsmigrant wordt gezien. Zo kan een rol spelen hoe lang geleden iemand geïmmigreerd is, of werk de reden was om naar Nederland te komen, of iemand meteen bij aankomst aan het werk ging, of iemand op het moment van telling werk heeft, of iemand ingeschreven staat in een gemeentelijk bevolkingsregister, en natuurlijk op welk moment de telling plaatsvindt. Eerdere publicaties hierover laten uiteenlopende cijfers zien. 

Op StatLine, de databank van het CBS, staan cijfers over alle immigranten die vanaf 1999 naar Nederland zijn gekomen, uitgesplitst naar migratiemotief (StatLine, 2025a; b). De cijfers gaan alleen over immigranten die bij een Nederlandse gemeente zijn ingeschreven. Eind 2023 werkten er in Nederland bijna 910 duizend mensen die bij hun immigratie niet de Nederlandse nationaliteit hadden; 850 duizend van hen werkten in loondienst (StatLine 2025c; d). Voor 30 procent van hen was werk de reden om naar Nederland te komen. Van de rest gaf het merendeel gezinshereniging of studie als reden. De meeste immigranten die van buiten Europa voor werk naar Nederland kwamen, zijn kennismigranten (StatLine, 2025b, 2025d; Van Gaalen et al., 2025). De Migrantenmonitor van het CBS (2025a) bevat ook cijfers over niet bij een gemeente ingeschreven immigranten en komt uit op 1,6 miljoen immigranten die eind 2023 als werknemer in Nederland werkten. 

Deze cijfers over immigranten met werk houden - los van telling vanaf 1999 - geen rekening met de verblijfsduur in Nederland. Dit is wel gedaan in een onderzoek van de Stichting Economisch Onderzoek (SEO), dat uitging van immigranten die maximaal vijf jaar in Nederland waren en binnen drie maanden na aankomst aan het werk waren. Het onderzoek kwam uit op bijna 700 duizend arbeidsmigranten in 2023 (Ruit, Bussink & Heyma, 2025; 2026). Wanneer in de StatLinetabellen de verblijfsduur wordt beperkt tot maximaal vijf jaar, komt het aantal werkende immigranten eind 2023 op 406 duizend, waarvan 402 duizend werknemers. Het verschil komt vooral doordat SEO ook migranten meetelt die niet bij een gemeente staan ingeschreven en kijkt of mensen op enig moment in het peiljaar werken. In de StatLinecijfers doen alleen ingeschreven migranten mee en is het peilmoment voor werk het einde van het jaar. De Migrantenmonitor komt uit op 720 duizend migranten in loondienst wanneer immigranten met een verblijfsduur boven vijf jaar buiten beschouwing blijven.   

In het Belevingenonderzoek 2025 gaf bijna 7 procent van de mensen van 18 jaar of ouder aan zelf arbeidsmigrant te zijn. Dat zijn naar schatting 960 duizend arbeidsmigranten. 

3. Komst en toelating van arbeidsmigranten

In dit hoofdstuk staan de opvattingen van mensen over de komst en toelating van arbeidsmigranten centraal. Vinden mensen het een goed of slecht idee dat arbeidsmigranten in Nederland komen werken? En welke gevolgen denken ze dat de komst van arbeidsmigranten heeft voor Nederland? Hoeveel arbeidsmigranten zou Nederland moeten toelaten? Uit welke landen mogen deze arbeidsmigranten komen en in welke bedrijfstakken moeten ze gaan werken? En mogen ze hun gezin meenemen? Deze en andere vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord.

3.1 Wat vinden mensen van de komst van arbeidsmigranten?

Ruim de helft is vóór komst arbeidsmigranten

Een kleine meerderheid van de volwassen bevolking, namelijk 56 procent, vindt het een (heel) goed idee dat arbeidsmigranten in Nederland komen werken. Iets minder dan een derde (31 procent) vindt dit niet goed, maar ook niet slecht. Een tiende (10 procent) vindt het een (heel) slecht idee en de rest (3 procent) zegt het niet te weten.

Mannen (59 procent) vinden het iets vaker een (heel) goed idee dat arbeidsmigranten in Nederland komen werken dan vrouwen (54 procent). Ook onderwijsniveau en herkomst spelen een rol, waarbij hbo’ers en universitair geschoolden (66 procent) dit vaker een (heel) goed idee vinden dan (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden (48 procent) en mensen geboren in het buitenland (72 procent) vaker dan mensen geboren in Nederland (ongeveer 55 procent). Ten slotte speelt ook het contact met arbeidsmigranten een rol (zie tabel 3.1 van de tabellenset). Mensen die in de afgelopen twaalf maanden maandelijks of vaker contact hadden met arbeidsmigranten, staan vaker positief tegenover de komst van arbeidsmigranten (61 procent) dan mensen die weinig of geen contact hadden met arbeidsmigranten (53 procent).

3.1.1 Komst van arbeidsmigranten, 2025
 (Heel) goed (% van 18-plussers)Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers)(Heel) slecht (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Totaal56,330,710,02,9
Geslacht
Mannen58,927,910,62,6
Vrouwen53,733,59,53,3
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo148,233,912,95,0
Havo, vwo, mbo2-448,536,313,61,6
Hbo, wo66,325,86,01,9
Herkomst
Geboren in Nederland,
ouders geboren in Nederland
52,333,811,72,2
Geboren in Nederland,
ouder(s) geboren in het buitenland
56,132,27,83,9
Geboren in het buitenland71,718,34,55,5

Drie kwart denkt dat arbeidsmigratie personeelstekorten oplost

In het onderzoek werd gevraagd of mensen denken dat de komst van arbeidsmigranten bepaalde gevolgen heeft voor Nederland. Van de voorgelegde gevolgen beamen de meesten het oplossen van het personeelstekort in bepaalde bedrijfstakken, doordat er meer personeel beschikbaar is. Drie kwart (75 procent) denkt dat arbeidsmigratie personeelstekorten kan oplossen en 17 procent denkt dat dit misschien kan. Jongeren van 18 tot 25 jaar (84 procent), hbo’ers en universitair geschoolden (85 procent) en mensen in huishoudens met de hoogste welvaart (82 procent) zien arbeidsmigratie vaker als een oplossing voor het personeelstekort dan mensen in de andere leeftijdsgroepen, (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden en mensen in huishoudens met een lagere welvaart (zie tabel 3.3 van de tabellenset).

Ook minder woningen beschikbaar voor Nederlanders (62 procent ja; 25 procent misschien), het versterken van de Nederlandse economie (51 procent ja; 33 procent misschien) en het binnenhalen van meer kennis en ervaring (47 procent ja; 35 procent misschien) zijn voor relatief veel mensen een gevolg van arbeidsmigratie. Jongeren tot 25 jaar geven met 70 procent het vaakst aan dat er door arbeidsmigratie minder woningen beschikbaar zullen zijn voor Nederlanders. In de andere leeftijdsgroepen is dat ongeveer 60 procent. Starters op de woningmarkt zijn overigens vaker immigranten die voor werk of studie naar Nederland komen dan jongeren die uit huis gaan (CBS, 2026c). Hbo’ers en universitair geschoolden denken relatief vaak (59 procent) dat de komst van arbeidsmigranten meer kennis en ervaring oplevert, vergeleken met (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden (rond 37 procent).

Kwart voorziet minder banen voor Nederlanders en meer overlast en criminaliteit

Minder banen beschikbaar voor Nederlanders en meer overlast en criminaliteit zien mensen minder snel gebeuren door de komst van arbeidsmigranten. Een kwart voorziet deze gevolgen, iets meer mensen denken dat ze misschien zullen plaatsvinden. Mensen met een uitkering geven met 37 procent relatief vaak aan dat door arbeidsmigratie minder banen beschikbaar zullen zijn voor Nederlanders (zie tabel 3.5 van de tabellenset).

3.1.2 Gevolgen van arbeidsmigratie, 2025
 Ja (% van 18-plussers)Misschien (% van 18-plussers)Nee (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Oplossen van het personeelstekort74,817,05,82,3
Minder woningen voor Nederlanders61,825,19,33,7
Versterken van de economie50,832,611,15,5
Binnenhalen van kennis en ervaring47,435,313,33,9
Minder banen voor Nederlanders25,830,038,85,4
Meer overlast en criminaliteit24,535,930,29,3

3.2 Hoe denken mensen over het toelaten van arbeidsmigranten?

Meerderheid is voor begrensd toelaten van arbeidsmigranten

Van de volwassen bevolking vindt ongeveer een zesde (17 procent) dat Nederland alle arbeidsmigranten moet toelaten. Een meerderheid (68 procent) vindt dat Nederland arbeidsmigranten moet toelaten, maar met een maximum aantal. Iets meer dan een tiende (12 procent) is van mening dat Nederland zo weinig mogelijk arbeidsmigranten moet toelaten en de rest (3 procent) zegt dat Nederland helemaal geen arbeidsmigranten moet toelaten. 

Hbo’ers en universitair geschoolden vinden met 24 procent ruim 2 keer zo vaak dat Nederland alle arbeidsmigranten moet toelaten dan (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden (11 procent). Ook in zeer sterk stedelijke gemeenten verwelkomen meer mensen alle arbeidsmigranten dan in minder stedelijke gemeenten. Hetzelfde geldt voor mensen geboren in het buitenland vergeleken met mensen geboren in Nederland (zie tabel 3.8 in de tabellenset). 

Over het toelaten van een maximum aantal arbeidsmigranten verschillen vooral welvaartsgroepen van mening. Mensen met de laagste welvaart (59 procent) vinden minder vaak dat Nederland begrensd arbeidsmigranten moet toelaten dan mensen met een hogere welvaart (ongeveer 70 procent). Ten slotte vinden vooral mensen van 45 jaar of ouder (15 procent) dat Nederland zo weinig mogelijk arbeidsmigranten moet toelaten, tegen ongeveer 8 procent van de mensen tot 45 jaar.

3.2.1 Toelaten van arbeidsmigranten, 2025
 Alle (% van 18-plussers)Maximum aantal (% van 18-plussers)Zo weinig mogelijk (% van 18-plussers)Helemaal geen (% van 18-plussers)
Totaal17,267,712,52,6
Leeftijd
18 tot 25 jaar13,976,77,61,7
25 tot 45 jaar21,067,79,22,0
45 tot 65 jaar16,365,115,23,3
65 jaar of ouder15,067,215,12,6
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo111,365,718,34,7
Havo, vwo, mbo2-411,470,914,82,8
Hbo, wo23,868,07,50,7
Financiële welvaart
1e 20%-groep (laagst)21,858,714,15,5
2e 20%-groep12,469,215,13,3
3e 20%-groep15,666,914,92,5
4e 20%-groep16,270,510,92,4
5e 20%-groep (hoogst)17,471,010,41,2

Zowel laag- als hoogbetaalde arbeidsmigranten zijn welkom

Veruit de meeste volwassenen die positief zijn over het toelaten van arbeidsmigranten, vinden dat zowel laagbetaalde arbeidsmigranten (die bijvoorbeeld in de landbouw of in de bouw werken) als hoogbetaalde arbeidsmigranten (die bijvoorbeeld bij technologiebedrijven of aan universiteiten werken) in Nederland mogen komen werken, namelijk 82 procent. Hbo’ers en universitair geschoolden vinden dit vaker dan (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden. Maar een klein deel van de volwassenen vindt dat alleen laagbetaalde arbeidsmigranten (3 procent) of alleen hoogbetaalde arbeidsmigranten (7 procent) in Nederland mogen komen werken, en de rest (8 procent) zegt het niet te weten.

Arbeidsmigranten uit zowel EU als niet-EU zijn welkom

Een meerderheid van de volwassenen die vinden dat arbeidsmigranten in Nederland mogen komen werken, is van mening dat arbeidsmigranten zowel uit landen binnen als buiten de Europese Unie (EU) mogen komen (63 procent). Vooral mensen tot 45 jaar (bijna 70 procent) geven dit aan, tegen ongeveer 60 procent van de mensen in de andere leeftijdsgroepen. Iets meer dan een kwart (28 procent) vindt dat arbeidsmigranten alleen uit EU-landen mogen komen. Minder dan 1 procent vindt dat arbeidsmigranten alleen uit landen buiten de EU mogen komen. Ten slotte zegt iets minder dan een tiende (9 procent) het niet te weten.

Opvattingen over gezinshereniging verdeeld 

Een kleine meerderheid van de volwassenen die arbeidsmigranten willen toelaten in Nederland, vindt dat zij hun gezinnen mee mogen nemen (58 procent). Iets minder dan een kwart (24 procent) vindt van niet en 18 procent zegt het niet te weten. Vooral in het buitenland geboren mensen zijn voor gezinshereniging (bijna 70 procent). Zie ook tabel 3.12 in de tabellenset.

Iets minder dan de helft van de volwassen die arbeidsmigranten willen toelaten, vindt dat zij alleen in bepaalde bedrijfstakken - bijvoorbeeld waar een personeelstekort is - mogen komen werken (48 procent). Een ongeveer even groot deel (46 procent) vindt dat arbeidsmigranten in alle bedrijfstakken mogen komen werken. De rest (6 procent) zegt het niet te weten. Vooral mensen in de laagste welvaartsgroep en mensen geboren in het buitenland vinden dat arbeidsmigranten in alle bedrijfstakken mogen werken.

3.2.2 Welke migranten zijn welkom en waar? 2025
  (% instemmers van 18-plussers die arbeidsmigranten willen toelaten)
Zowel laag- als hoogbetaalde arbeidsmigranten82,3
Zowel arbeidsmigranten uit EU als niet-EU63,3
Gezinsleden van arbeidsmigranten57,8
In alle bedrijfstakken45,9

4. Arbeidsmigranten in de maatschappij

Moeten arbeidsmigranten de Nederlandse taal leren? Maakt het beroep dat arbeidsmigranten uitoefenen verschil als het gaat om Nederlands spreken? Mogen arbeidsmigranten hun eigen cultuur behouden of moeten ze zich juist aanpassen aan de Nederlandse cultuur? Dit hoofdstuk laat zien hoe de bevolking deze en andere vragen beantwoordt.

4.1 Vinden mensen dat arbeidsmigranten de Nederlandse taal moeten leren?

Elkaar door taalbarrières niet begrijpen, kan problemen geven. Zo zegt ruim een derde van de werknemers dat meertaligheid op de werkvloer tot misverstanden leidt (CBS, 2025b). Dat is vooral zo in de bouw, landbouw en industrie, bedrijfstakken waar veel arbeidsmigranten werken (Van Gaalen et al., 2025). 

Twee derde vindt dat arbeidsmigranten zo snel mogelijk Nederlands moeten leren

Ruim 90 procent van de 18-plussers vindt dat arbeidsmigranten de Nederlandse taal moeten leren. Twee derde (65 procent) vindt dat ze dat zo snel mogelijk moeten doen en ruim een kwart (27 procent) binnen een paar jaar. Mannen, 18- tot 45-jarigen en mensen met een hbo- of wo-diploma vinden het vaakst dat arbeidsmigranten er een paar jaar over mogen doen om de Nederlandse taal te leren. Vrouwen, 65-plussers en mensen met een (v)mbo- of vergelijkbaar diploma vinden juist vaker dat ze zo snel mogelijk Nederlands moeten leren. 

4.1.1 Nederlandse taal leren door arbeidsmigranten, 2025
 Ja, zo snel mogelijk (% van 18-plussers)Ja, binnen een paar jaar (% van 18-plussers)Nee (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Totaal66,226,83,73,3
Geslacht
Mannen62,929,54,13,4
Vrouwen69,424,13,33,1
Leeftijd
18 tot 25 jaar49,039,88,13,2
25 tot 45 jaar53,836,45,74,0
45 tot 65 jaar73,520,12,63,7
65 jaar of ouder80,017,50,71,8
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo176,518,82,71,9
Havo, vwo, mbo2-473,721,52,72,0
Hbo, wo56,734,84,83,7

Mensen met een niet-Nederlandse herkomst vinden vaker dan mensen met een Nederlandse herkomst dat arbeidsmigranten er een paar jaar over mogen doen om de Nederlandse taal te leren. Dat geldt voor meer dan 1 op de 3 mensen die zelf of van wie de ouders in het buitenland zijn geboren. Van de mensen die net als hun ouders in Nederland zijn geboren zeggen juist ruim 2 van de 3 dat arbeidsmigranten zo snel mogelijk Nederlands moeten leren (zie tabel 4.1 van de tabellenset).

Voor landbouwarbeiders minst belangrijk om Nederlands te spreken

Voor vijf beroepen is gevraagd hoe belangrijk het is dat arbeidsmigranten op het werk Nederlands spreken. Vrijwel iedereen vindt dit (heel) belangrijk als zij als leerkracht op een middelbare school werken (97 procent) of als klantenservicemedewerker van een bank (95 procent). Voor arbeidsmigranten die als buschauffeur of in de horecabediening werken, ligt het percentage lager. Hier zegt ongeveer 85 procent het (heel) belangrijk te vinden dat zij op het werk Nederlands spreken. Voor landbouwarbeiders ligt dit een stuk lager en vindt de helft dit belangrijk.

4.1.2 Nederlands spreken op het werk door arbeidsmigranten, 2025
 (Heel) belangrijk (% van 18-plussers)Niet belangrijk, niet onbelangrijk (% van 18-plussers)(Heel) onbelangrijk (% van 18-plussers)
Leerkracht op een middelbare school96,92,01,0
Medewerker klantenservice van een bank 95,03,21,8
Buschauffeur86,89,43,9
Medewerker bediening in de horeca83,911,94,2
Arbeider in de landbouw51,131,717,2

Voor alle vijf de beroepen geldt dat 65-plussers Nederlands spreken door arbeidsmigranten op het werk het vaakst (heel) belangrijk vinden. Mensen met basisonderwijs of een vmbo- of mbo1-diploma vinden dat relatief vaak voor medewerkers in de horecabediening en landarbeiders (zie tabellen 4.2 tot en met 4.6 van de tabellenset).

4.2 Vinden mensen dat arbeidsmigranten hun eigen cultuur kunnen behouden? 

Merendeel vindt aanpassing aan Nederlandse cultuur noodzakelijk

Van alle 18-plussers vindt 85 procent dat arbeidsmigranten zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Slechts 2 procent is het daar niet mee eens. Daarnaast geeft 12 procent aan het niet eens, maar ook niet oneens te zijn met deze opvatting. Het zijn vooral 45-plussers, mensen met een Nederlandse herkomst en mensen die in minder verstedelijkte gemeenten wonen, die vinden dat arbeidsmigranten zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur.

Tegelijkertijd vindt de helft van de 18-plussers dat arbeidsmigranten hun eigen cultuur moeten kunnen behouden. Bijna 20 procent is het daar (helemaal) niet mee eens. Vooral jongeren (18- tot 25-jarigen), hbo- en wo-geschoolden, mensen met een niet-Nederlandse herkomst en mensen die wonen in meer verstedelijkte gebieden vinden dat arbeidsmigranten hun eigen cultuur mogen behouden (zie tabel 4.8 van de tabellenset). 

4.2.1 Arbeidsmigranten moeten ..., 2025
 (Helemaal) eens (% van 18-plussers)Niet eens, niet oneens (% van 18-plussers)(Helemaal) oneens (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
... zich aanpassen aan de Nederlandse cultuur84,611,62,51,3
... hun eigen cultuur kunnen behouden50,529,317,72,4

Ruim 2 op de 5 mensen geven aan dat arbeidsmigranten zowel hun eigen cultuur moeten kunnen behouden als zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Dit zijn met name 18- tot 25-jarigen, hbo- en wo-geschoolden en mensen die wonen in meer stedelijke gemeenten. Ook mensen die zichzelf als arbeidsmigrant beschouwen of regelmatig contact hebben met arbeidsmigranten vinden dat relatief vaak.

5. Arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt

Hoe denken volwassenen in Nederland over de arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden van arbeidsmigranten? Vindt men dat arbeidsmigranten in Nederland mogen blijven na afloop van hun contract? Is het goed dat arbeidsmigranten worden ingezet om personeelstekorten in bepaalde bedrijfstakken op te vangen? En wat vinden 18-plussers van speciale regelingen die hoogbetaalde arbeidsmigranten een belastingvoordeel geven? Dit hoofdstuk gaat in op deze vragen.

5.1 Hoe denken mensen over de arbeidscondities van arbeidsmigranten?

Ruim 8 van de 10 zijn voor gelijk salaris bij gelijk werk

In eenzelfde functie en met dezelfde werkervaring vindt bijna 85 procent van de 18-plussers dat het salaris van arbeidsmigranten hetzelfde zou moeten zijn als dat van Nederlandse werknemers. Er zijn maar weinig mensen die vinden dat dit niet hoeft (5 procent). Mensen van 65 jaar of ouder vinden het vaakst dat arbeidsmigranten bij gelijke kwalificaties hetzelfde salaris moeten krijgen als Nederlandse werknemers. Hetzelfde geldt voor mensen met een hbo- of wo-diploma (zie tabel 5.1 van de tabellenset).

5.1.1 Arbeidsmigranten en Nederlandse werknemers moeten ..., 2025
 (Helemaal) eens (% van 18-plussers)Niet eens, niet oneens (% van 18-plussers)(Helemaal) oneens (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
... hetzelfde salaris krijgen83,58,74,92,9
... dezelfde arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden hebben86,56,93,92,8

Verder is ruim 85 procent van de volwassenen van mening dat arbeidsmigranten dezelfde arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden moeten hebben als Nederlandse werknemers. Mensen met een hbo- of wo-diploma vinden dit het vaakst. Het is overigens niet vastgesteld of mensen die aangeven dat salaris, arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden wel zouden moeten verschillen, vinden of dit dan meer of minder gunstig zou moeten zijn voor arbeidsmigranten.

Arbeidsmigranten niet altijd welkom om na contract te blijven

Bijna de helft van de mensen vindt dat arbeidsmigranten na afloop van hun contract in Nederland mogen blijven. Dit mag van 42 procent pas na een paar jaar werken in Nederland, van 6 procent mag dit altijd. Daar is 37 procent het niet mee eens. Zij vinden dat arbeidsmigranten na beëindiging van hun contract weer naar hun thuisland moeten terugkeren. De overige 15 procent weet het niet of heeft geen mening.

Vooral mensen geboren in het buitenland vinden dat arbeidsmigranten na hun contract in Nederland mogen blijven. Bijna 65 procent vindt dat zij mogen blijven. Van de jongeren van 18 tot 25 jaar en de mensen in de meest verstedelijkte gemeenten vindt bijna 60 procent dat. Mensen die in matig verstedelijkte gemeenten wonen, vinden dat met 40 procent juist het minst vaak.

5.1.2 Arbeidsmigranten mogen na afloop van contract in Nederland blijven, 2025
 Ja, altijd (% van 18-plussers)Ja, als ze langer dan een paar jaar in Nederland hebben gewerkt (% van 18-plussers)Nee (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Totaal5,942,136,615,4
Geslacht
Mannen6,643,337,312,7
Vrouwen5,141,035,818,1
Leeftijd
18 tot 25 jaar7,151,228,113,7
25 tot 45 jaar7,745,032,714,6
45 tot 65 jaar5,137,342,115,5
65 jaar of ouder4,040,738,117,2
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo16,941,437,913,7
Havo, vwo, mbo2-44,737,643,514,1
Hbo, wo6,046,831,615,7
Herkomst
Geboren in Nederland, ouders geboren in Nederland3,440,141,315,2
Geboren in Nederland, ouder(s) in buitenland7,443,731,817,1
Geboren in buitenland14,649,120,915,4
Stedelijkheid woongemeente
Zeer sterk stedelijk10,048,725,515,8
Sterk stedelijk4,941,339,214,7
Matig stedelijk4,335,343,117,3
Weinig stedelijk4,040,941,014,1
Niet stedelijk3,639,739,617,1

Daarnaast vinden mensen in de leeftijd van 25 tot 45 jaar, hbo- en wo-geschoolden en mensen die zelf wel maar hun ouder(s) niet in Nederland zijn geboren ook relatief vaak dat arbeidsmigranten na afloop van hun contract in Nederland mogen blijven (als zij langer dan een paar jaar in Nederland hebben gewerkt). Dat geldt ook voor mensen die regelmatig contact hebben met arbeidsmigranten (zie tabel 5.3 van de tabellenset).

Minder dan de helft kent regeling hoogbetaalde arbeidsmigranten

Nederland heeft een regeling waarbij hbo- of wo-geschoolde arbeidsmigranten onder bepaalde voorwaarden minder belasting hoeven te betalen, de zogenoemde expatregeling (zie kader). In het Belevingenonderzoek is gevraagd of mensen gehoord hebben van de regeling dat hoogbetaalde arbeidsmigranten in aanmerking kunnen komen voor minder belasting om het voor hen aantrekkelijker te maken om in Nederland te komen werken. Behalve toelichting over hoogbetaald is geen verdere uitleg over de regeling gegeven. Ruim 40 procent van de 18-plussers geeft aan van de regeling te hebben gehoord. Vooral mannen, mensen van 65 jaar of ouder, hbo- en wo-geschoolden, mensen die in sterk stedelijke gebieden wonen en mensen die regelmatig contact hebben met arbeidsmigranten weten van het bestaan van de regeling. Er is geen verschil tussen mensen die in of buiten Nederland zijn geboren. 

1 op 6 wil expatregeling voor hoog- én laagbetaalde arbeidsmigranten

De meerderheid van de 18-plussers (58 procent) vindt dat arbeidsmigranten geen recht moeten hebben op de regeling, ongeacht of zij hoog- of laagbetaald zijn. Mensen die niet van de regeling gehoord hebben, vinden dit vaker dan mensen die er wel van gehoord hebben. Ook zeggen zij vaker dan mensen die de regeling wel kennen, dat alleen laagbetaalde arbeidsmigranten recht moeten hebben op de regeling. Mensen die de regeling wel kennen, vinden juist vaker dat alleen hoogbetaalde arbeidsmigranten er recht op hebben. Mensen die buiten Nederland zijn geboren, vinden het vaakst dat zowel laag- als hoogbetaalde arbeidsmigranten van de regeling gebruik moeten kunnen maken (zie tabel 5.5 van de tabellenset).

5.1.3 Recht op expatregeling, 2025
 Alleen laagbetaalde arbeidsmigranten (% van 18-plussers)Alleen hoogbetaalde arbeidsmigranten (% van 18-plussers)Beide (% van 18-plussers)Geen van beide (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Totaal9,17,916,658,18,4
Wel van regeling gehoord7,314,318,854,84,8
Niet van regeling gehoord10,53,21560,410,9

5.2 Wat vinden mensen van het inzetten van arbeidsmigranten om personeelstekorten op te lossen?

Twee derde van de ondernemers in Nederland heeft met een personeelstekort te maken (CBS, 2025c). Het gaat dan om zowel kleine als grote bedrijven. Om daarmee om te gaan zetten de ondernemers vooral in op het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden en op (verdere) automatisering. Ongeveer 1 op de 10 geeft aan arbeidskrachten uit het buitenland te halen. Niet alleen ondernemers zien in arbeidsmigratie een manier om het personeelstekort te verminderen. Van de gehele volwassen bevolking denkt namelijk 75 procent dat arbeidsmigranten personeelstekorten in bepaalde bedrijfstakken kunnen oplossen (zie paragraaf 3.1).

Meestal positief over inzetten van arbeidsmigranten bij personeelstekort

Voor vijf specifieke beroepen is gevraagd wat 18-plussers ervan vinden om personeelstekorten op te lossen door de inzet van arbeidsmigranten met de ervaring en diploma’s die nodig zijn om het beroep uit te voeren. 80 procent ziet migranten dan als een goede oplossing voor werk als arbeider in de landbouw en ongeveer 65 procent vindt dat voor werk als buschauffeur of in de horecabediening. Relatief weinig mensen hebben bezwaar tegen arbeidsmigranten in deze drie beroepen om personeelstekorten op te lossen. Dat is anders bij de beroepen leerkracht op een middelbare school en medewerker klantenservice bij een bank. Daarvan vindt ruim een kwart de inzet van arbeidsmigranten een (heel) slecht idee. Toch ziet bijna de helft leerkracht of medewerker klantenservice wel als geschikt beroep voor gekwalificeerde arbeidsmigranten.

5.2.1 Gekwalificeerde arbeidsmigranten als oplossing personeelstekort, 2025
 (Heel) goed (% van 18-plussers)Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers)(Heel) slecht (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Arbeider in de landbouw80,312,04,92,7
Buschauffeur67,218,212,02,6
Medewerker bediening in de horeca64,120,413,22,3
Leerkracht op een middelbare school48,120,228,13,5
Medewerker klantenservice van een bank 46,422,926,64,1

Hbo- en wo-geschoolden positiever over inzetten arbeidsmigrant 

Jongeren en hbo- en wo geschoolden staan over het algemeen positiever tegenover het inzetten van arbeidsmigranten voor de genoemde beroepen. Mensen die in hun dagelijks leven regelmatig met arbeidsmigranten te maken hebben, zijn eveneens positiever. Daarentegen zijn mensen met een Nederlandse herkomst gemiddeld wat negatiever. 

In de meer stedelijke gemeenten staat men het meest positief tegenover de inzet van gekwalificeerde arbeidsmigranten als oplossing voor het personeelstekort in de beroepen leraar op een middelbare school of klantenservicemedewerker bij een bank. Ongeveer 55 procent vindt het een goed idee om arbeidsmigranten in te zetten bij deze twee beroepen (zie tabel 5.7 van de tabellenset).

6. Arbeidsmigranten in de zorg

Ruim 1,7 miljoen mensen in Nederland werken in de gezondheids- en welzijnszorg. In het laatste kwartaal van 2025 stonden in deze bedrijfstak bijna 70 duizend vacatures open, waarvan bijna een derde in de verpleging, verzorging en thuiszorg (StatLine AZW). De vraag naar zorgpersoneel is gestegen en zal door de vergrijzing de komende jaren verder toenemen (CPB, 2025). Het inzetten van arbeidsmigranten kan helpen om personeelstekorten in de zorg te verminderen. Maar wat vinden mensen hiervan? Is het een goede of slechte oplossing? En accepteren mensen een arbeidsmigrant dan eerder als arts of eerder als verpleegkundige? Wat verwachten mensen van arbeidsmigranten in de zorg? Moeten zij Nederlands spreken en de Nederlandse cultuur kennen? Of is dat niet zo belangrijk? Deze en andere vragen worden beantwoord in dit hoofdstuk.

6.1 Wat vinden mensen van het inzetten van arbeidsmigranten in de zorg?

Meesten zien in arbeidsmigranten oplossing voor personeelstekort

Ruim 7 op de 10 volwassenen vinden arbeidsmigranten met een erkend zorgdiploma een (heel) goede oplossing voor het personeelstekort in de gezondheids- en welzijnszorg. Minder dan 1 op de 10 vindt het (heel) slecht. De rest  heeft geen mening of weet het niet. Vooral hbo- en universitair geschoolden zien in arbeidsmigranten een oplossing voor het personeelstekort in de zorg. Bijna 8 op de 10 vinden dit een (heel) goed idee. Van de mensen met een vmbo-, mbo- of daarmee vergelijkbaar diploma onderschrijven 7 van de 10 het idee. Verder vinden in het buitenland geboren mensen het vaker dan gemiddeld een goed idee. 

6.1.1 Gediplomeerde arbeidsmigranten als oplossing personeelstekort zorg, 2025
 (Heel) goed (% van 18-plussers)Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers)(Heel) slecht (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Totaal72,318,17,12,6
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo168,321,07,83,0
Havo, vwo, mbo2-469,120,08,92,0
Hbo, wo78,515,04,91,6
Herkomst
Geboren in Nederland,
ouders geboren in Nederland
70,819,87,61,8
Geboren in Nederland,
ouder(s) in het buitenland
73,515,37,14,2
Geboren in het buitenland77,212,95,14,8
Contact met arbeidsmigrant
Niet of soms69,319,87,83,0
Minstens een keer per maand78,714,25,51,6

Mannen en vrouwen zien evenveel heil in arbeidsmigranten als oplossing voor het personeelstekort in de zorg. Tussen leeftijdsgroepen is er wel verschil. Mensen in de leeftijd van 45 tot 65 jaar zien arbeidsmigranten wat minder vaak als oplossing voor het tekort in de zorg dan andere leeftijdsgroepen. Zie tabel 6.1 van de tabellenset.  

Bijna drie kwart ziet arbeidsmigrant als arts zitten

Er is net iets meer animo om een arbeidsmigrant met een erkend zorgdiploma in te zetten als verpleegkundige, verzorgende of huishoudelijke hulp (respectievelijk 77, 78 en 80 procent) dan als arts (74 procent). Vooral hbo- en universitair geschoolden vinden de inzet van gediplomeerde arbeidsmigranten in de vier zorgberoepen een (heel) goed idee. Dat geldt ook voor mensen die in het buitenland zijn geboren, behalve als het om een arts gaat. Daarin verschillen zij niet van mening met  mensen die in Nederland geboren zijn (zie tabellen 6.2 tot en met 6.5 van de tabellenset). 

6.1.2 Inzet gediplomeerde arbeidsmigranten in zorgberoepen, 2025
 (Heel) goed (% van 18-plussers)Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers)(Heel) slecht (% van 18-plussers)Weet niet (% van 18-plussers)
Arts73,614,29,52,7
Verpleegkundige77,612,67,82,0
Verzorgende78,812,56,91,8
Huishoudelijke hulp79,912,55,81,8

Liever arbeidsmigrant dan zorgrobot als verpleegkundige

In de situatie dat er te weinig verpleegkundigen in een ziekenhuis zouden zijn en er minder patiënten opgenomen kunnen worden, verkiezen mensen de inzet van gediplomeerde arbeidsmigranten boven die van zorgrobots (69 tegen 12 procent). Bijna 20 procent heeft geen voorkeur. Vrouwen zien in zo’n situatie iets liever een arbeidsmigrant dan mannen. In de leeftijdsgroepen tot 65 jaar vinden mensen een zorgrobot acceptabeler dan mensen van 65 jaar of ouder. Andere uitkomsten van het Belevingenonderzoek 2025 lieten ook al zien dat 65-plussers toepassingen van kunstmatige intelligentie (AI) in de zorg het minst ziet zitten (CBS, 2026b). Jongeren van 18 tot 25 jaar hebben even vaak als 65-plussers een voorkeur voor verpleegkundige hulp van een arbeidsmigrant. Jongeren maken sowieso vaker een keuze voor hetzij een arbeidsmigrant, hetzij een zorgrobot, terwijl de andere leeftijdsgroepen vaker aangeven geen voorkeur te hebben voor een van beide. 

6.1.3 Oplossing bij te weinig verpleegkundigen, 2025
 Arbeidsmigrant (% van 18-plussers)Zorgrobot (% van 18-plussers)Geen voorkeur (% van 18-plussers)
Totaal68,611,619,8
Geslacht
Mannen65,913,920,3
Vrouwen71,29,419,3
Leeftijd
18 tot 25 jaar71,513,415,2
25 tot 45 jaar67,112,620,3
45 tot 65 jaar66,813,020,2
65 jaar of ouder71,57,920,6

Hbo- en wo-geschoolden iets vaker voorkeur voor zorgrobot 

Ruim 1 op de 7 hbo- en wo-geschoolden (14 procent) zou kiezen voor een zorgrobot als er te weinig verpleegkundigen zouden zijn. Bij (v)mbo’ers of vergelijkbaar geschoolden is dat ongeveer 10 procent. Dat sluit aan bij de bevinding dat vooral hbo- en wo-geschoolden de inzet van AI in de zorg een goed idee vinden (CBS, 2026b). Op elk onderwijsniveau zien de meesten echter liever een arbeidsmigrant dan een zorgrobot. 

De voorkeur van mensen met een Nederlandse herkomst en mensen met een buitenlandse herkomst – al dan niet geboren in Nederland – komt vrijwel overeen. Alleen spreken mensen met een Nederlandse herkomst zich iets vaker uit voor een zorgrobot dan de andere twee herkomstgroepen. Of mensen veel of weinig contact hebben met arbeidsmigranten, maakt niet uit voor hun voorkeur maar wel of ze zelf arbeidsmigrant zijn (zie tabel 6.6 van de tabellenset). 

6.2 Wat verwachten mensen van arbeidsmigranten in de zorg?

Vrijwel iedereen vindt dat arbeidsmigranten Nederlands moeten spreken

Net als voor andere beroepen (zie hoofdstuk 4) vinden vrijwel alle volwassenen (ruim 95 procent) het (heel) belangrijk dat arbeidsmigranten die in de zorg werken Nederlands spreken. Ook in alle onderscheiden bevolkingsgroepen geeft een ruime meerderheid dat aan (zie tabel 6.7 van de tabellenset), al zijn er kleine verschillen. Zo vinden jongeren tot 25 jaar het net wat minder van belang dan 65-plussers (94 en 98 procent) en mensen met een buitenlandse herkomst net wat minder dan mensen met een Nederlandse herkomst (92 en 97 procent). 

Ook kennis van Nederlandse cultuur belangrijk geacht

Volgens 84 procent van alle volwassenen zouden arbeidsmigranten die in de zorg werken, kennis moeten hebben van de Nederlandse cultuur. Op dit punt verschillen bevolkingsgroepen sterker van mening dan over Nederlands spreken door arbeidsmigranten. Zo vindt bijna 70 procent van de jongeren tot 25 jaar het (heel) belangrijk dat arbeidsmigranten in de zorg kennis van de cultuur hebben. Bij 25- tot 45-jarigen is dat ruim 80 procent en bij 45-plussers bijna 90 procent. Ook hechten mensen met een Nederlandse herkomst er meer belang aan dan mensen met een buitenlandse herkomst. 

6.2.1 Kennis van Nederlandse cultuur voor arbeidsmigranten in zorg, 2025
 (Heel) belangrijk (% van 18-plussers)Niet belangrijk, niet onbelangrijk (% van 18-plussers)(Heel) onbelangrijk (% van 18-plussers)
Totaal84,412,72,9
Leeftijd
18 tot 25 jaar69,022,68,4
25 tot 45 jaar82,514,33,2
45 tot 65 jaar88,210,31,5
65 jaar of ouder88,59,61,9
Herkomst
Geboren in Nederland,
ouders geboren in Nederland
87,410,52,1
Geboren in Nederland,
ouder(s) in het buitenland
74,220,35,5
Geboren in het buitenland77,817,74,5

Drie kwart vindt aanvullend zorgdiploma wenselijk 

Iets minder eensgezind zijn volwassen over het belang van een aanvullend zorgdiploma in Nederland. Van elke 20 volwassenen vinden 15 dit (heel) belangrijk voor arbeidsmigranten werkzaam in de zorg, staan 4 mensen er neutraal in en zegt 1 het (heel) onbelangrijk te vinden. Vrouwen vinden het iets vaker (heel) belangrijk dan mannen (77 tegen 72 procent), 65-plussers vaker dan jongere leeftijdsgroepen en mensen met een Nederlandse herkomst vaker dan mensen met een buitenlandse herkomst. Hbo- en wo-geschoolden hechten met 65 procent juist minder belang aan een aanvullend zorgdiploma dan vmbo-, mbo- of vergelijkbaar geschoolden (ruim 80 procent). 

6.2.2 Aanvullend zorgdiploma voor arbeidsmigranten in zorg, 2025
 (Heel) belangrijk (% van 18-plussers)Niet belangrijk, niet onbelangrijk (% van 18-plussers)(Heel) onbelangrijk (% van 18-plussers)
Totaal74,520,84,7
Leeftijd
18 tot 25 jaar67,823,19,2
25 tot 45 jaar69,424,16,5
45 tot 65 jaar75,621,03,4
65 jaar of ouder82,315,62,1
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo183,812,63,6
Havo, vwo, mbo2-480,916,62,5
Hbo, wo65,227,96,9
Herkomst
Geboren in Nederland,
ouders geboren in Nederland
75,920,23,9
Geboren in Nederland,
ouder(s) in het buitenland
70,123,07,0
Geboren in het buitenland71,122,16,8

Bijlage Onderzoeksbeschrijving

In deze bijlage worden de opzet en uitvoering van het onderzoek Belevingen 2025 beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  1. Dataverzameling
  2. Vragenlijst
  3. Analysemethoden
  4. Gebruikte achtergrondkenmerken.

1. Dataverzameling

Doel en doelpopulatie

Doel van het onderzoek Belevingen (CBS, 2026a) is om aan de hand van opvattingen en percepties van inwoners van Nederland een beter beeld te krijgen van gevoelens en standpunten over onderwerpen die leven in de samenleving. In 2025 was het onderzoek gericht op arbeidsmigratie en kunstmatige intelligentie (AI). De doelpopulatie bestaat uit alle in Nederland wonende personen van 18 jaar of ouder, die geregistreerd zijn in de Basisregistratie Personen (BRP) en die deel uitmaken van een particulier huishouden. Personen in inrichtingen, instellingen of tehuizen behoren niet tot de doelpopulatie.

Enquêtering en onderzoeksdesign

Niet elke volwassene in de doelpopulatie is benaderd voor het onderzoek. Er is een steekproef getrokken van 9 549 mensen. De dataverzameling (ook wel veldwerk genoemd) vond plaats van 23 januari tot en met 30 juni 2025. Personen in de steekproef ontvingen bij aanvang van de veldwerkperiode een aanschrijfbrief (met inloggegevens) met daarin het verzoek om via internet deel te nemen aan het onderzoek. Deelname aan het onderzoek bestond uit het invullen van een vragenlijst en nam ongeveer 25 minuten in beslag. 

Twee weken na de aanschrijfbrief verstuurde het CBS een eerste rappelbrief met daarin opnieuw het verzoek om via internet deel te nemen aan het onderzoek. Deze brief is alleen verstuurd aan steekproefpersonen waarvan geen respons is ontvangen. Twee weken daarna is een tweede rappelbrief verstuurd aan de steekproefpersonen die op dat moment de internetvragenlijst nog niet hadden ingevuld. Een deel van de mensen die uiteindelijk niet via internet hebben gerespondeerd, is door interviewers aan huis benaderd met het verzoek alsnog deel te nemen. Dit waren vooral mensen uit groepen met relatief lage internetdeelname, om een betere weerspiegeling van de doelpopulatie in de totale respons te krijgen. 

Om de respons te verhogen is er in overeenstemming met CBS-beleid gebruikgemaakt van een incentive. Dat wil zeggen dat respondenten kans hadden om een Apple Watch of een VVV-cadeaubon te winnen.

Respons

In totaal namen 3 834 personen van 18 jaar of ouder deel aan Belevingen 2025. De respons bedroeg 40,2 procent. Uit de responsanalyse is gebleken dat er sprake is van selectiviteit. Zo nemen vrouwen iets minder vaak deel dan mannen, jongeren minder dan ouderen, mensen in minder welvarende huishoudens minder dan mensen in welvarende huishoudens, en paren zonder kinderen vaker dan mensen in een ander huishoudtype. In andere CBS-onderzoeken en ook in eerdere edities van Belevingen was sprake van een vergelijkbare selectiviteit. 

De selectiviteit in de respons is door weging gecorrigeerd, zodat de deelnemers aan het onderzoek een zo representatief mogelijke vertegenwoordiging vormen van de doelpopulatie. Respondenten in minder goed vertegenwoordigde groepen in de steekproef tellen in de analyse zwaarder mee. Er is gewogen naar geslacht, leeftijd, huishoudenstype, welvaartspositie, herkomst en (vooral voor het thema arbeidsmigratie) regionale indelingen. 

2. Vragenlijst

Inhoud

De vragenlijst van Belevingen 2025 peilt opvattingen over arbeidsmigratie en kunstmatige intelligentie (AI). De helft van de respondenten kreeg eerst de vragen over AI en daarna de vragen over arbeidsmigratie. Voor de andere helft is deze volgorde omgedraaid. Er is voor deze tweedeling gekozen om eventuele contexteffecten op de uitkomsten te beperken. Het deel van de vragenlijst over arbeidsmigratie bevat de volgende blokken:

  • Contacten met arbeidsmigranten
  • Toelating van arbeidsmigranten 
  • Gevolgen voor samenleving 
  • Nederlandse taal en cultuur
  • Arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt
  • Arbeidsmigranten in de gezondheidszorg.

Aan het einde van de vragenlijst – na de vragen over AI en arbeidsmigratie – volgt een blok waarin de twee onderwerpen zijn gecombineerd. Hier wordt respondenten voor verschillende bedrijfstakken gevraagd of zij het personeelstekort in een bedrijfstak liever zouden oplossen door inzet van arbeidsmigranten of met AI.

Kwaliteit

Bij het ontwikkelen van de vragenlijst is veel aandacht besteed aan de kwaliteit, betrouwbaarheid en validiteit van de vraagstellingen. Zo is er gestreefd naar een neutrale, niet-sturende formulering van vragen en gebalanceerde antwoordschalen. Ook zijn stellingen afwisselend positief en negatief geformuleerd om respondenten te stimuleren stil te staan bij elk afzonderlijk item. Daarnaast is zoveel mogelijk het B1‑taalniveau gehanteerd; dit is in alle vragenlijsten van het CBS het geval.

De vragenlijst voor Belevingen 2025 is door het CBS in een kwalitatief onderzoek getest in een face-to-face setting, met proefrespondenten die behoren tot de doelgroep. Op deze manier is onderzocht hoe de vraagstellingen overkomen op verschillende typen respondenten. Indien een vraagstelling te ingewikkeld bleek, is deze aangepast.

3. Analysemethoden

De analysemethoden waarvan in deze publicatie gebruik is gemaakt, worden hieronder kort toegelicht.

Bivariate analyses

In bivariate analyses is de relatie tussen twee variabelen bekeken, in dit geval de relatie tussen enerzijds de opvattingen over arbeidsmigratie en anderzijds de achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd en onderwijsniveau. Met behulp van significantietoetsing is bepaald of het verband in de populatie statistisch significant is op basis van het steekproefresultaat.

Betrouwbaarheidsmarges

Belevingen 2025 is een steekproefonderzoek. Dit betekent dat de gepresenteerde cijfers schattingen zijn die een bepaalde mate van onzekerheid hebben. De onzekerheid wordt weergegeven door een onder- en bovengrens. Deze grenzen zijn berekend met een betrouwbaarheidsinterval van 95 procent. Bij dit betrouwbaarheidsniveau is de kans waarmee in een nieuwe steekproef de berekende onder- en bovengrens de echte waarde bevat ten minste 95 procent. De betrouwbaarheidsmarges behorende bij de in dit rapport gepresenteerde cijfers zijn opgenomen in de tabellenset. Bij kleine groepen zijn de marges groter. In het rapport en de tabellenset zijn alleen cijfers weergegeven voor groepen met minimaal 100 waarnemingen.

4. Gebruikte achtergrondkenmerken

Om na te gaan of opvattingen over arbeidsmigratie verschillen tussen bevolkingsgroepen, zijn onderstaande uitsplitsingen gemaakt.

Geslacht

Het gaat hier om mannen en vrouwen.

Leeftijd

Leeftijdsgroepen zijn ingedeeld op basis van de leeftijd van de respondent op het moment van enquêteren.

Onderwijsniveau

Het onderwijsniveau is in de meeste gevallen het hoogst behaalde (zelf gerapporteerde) onderwijsniveau. Bij mensen die een opleiding volgen, is het niveau van die opleiding als hoogst behaalde onderwijsniveau genomen. Het onderwijsniveau bestaat uit drie categorieën: (1) basisonderwijs, vmbo of mbo1, (2) havo, vwo of mbo2-4 en (3) hbo of wo.

Herkomst

Herkomst wordt vastgesteld op basis van registerinformatie over of iemand en diens ouders wel of niet in Nederland zijn geboren. In deze publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen mensen met een Nederlandse herkomst (zelf en beide ouders in Nederland geboren), mensen die zelf in Nederland geboren zijn maar hun ouder(s) niet (tweede generatie) en mensen die in het buitenland geboren zijn (migranten).

Financiële welvaart 

De welvaart van een huishouden (en de huishoudensleden) is gebaseerd op een combinatie van het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen en het vermogen. Op grond daarvan zijn huishoudens geordend van laag naar hoog en in vijf gelijke groepen (20-procentsgroepen) ingedeeld. Huishoudens in de laagste welvaartsgroep hebben een laag inkomen én een laag vermogen. Naarmate het inkomen of het vermogen hoger is, wordt een huishouden in een hogere groep ingedeeld. Huishoudens in de hoogste welvaartsgroep hebben een hoog inkomen én een hoog vermogen. Alle mensen in een huishouden behoren tot dezelfde 20-procentsgroep als dat van hun huishouden.

Sociaaleconomische categorie

De sociaaleconomische categorie is vastgesteld op basis van iemands voornaamste inkomstenbron. De volgende categorieën worden onderscheiden:

  1. Werkzaam: inkomen uit arbeid of inkomen als zelfstandige is de voornaamste inkomstenbron. 
  2. Uitkeringsontvanger: een werkloosheids-, ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering, of een uitkering uit een sociale voorziening (zoals bijstand) is de voornaamste inkomstenbron. 
  3. Pensioenontvanger: een pensioenuitkering is de voornaamste inkomstenbron. 
  4. Scholier, student of geen eigen inkomen

    Scholier of student: voltijdonderwijs is de belangrijkste activiteit, en het inkomen uit een mogelijke bijbaan ligt onder de lage inkomensgrens. Bij een hoger inkomen wordt deze persoon ingedeeld in de categorie werkzaam.

Stedelijkheidsgraad 

De indeling van gemeenten naar stedelijkheid is gebaseerd op de omgevingsadressendichtheid van de gemeente. Allereerst is voor ieder adres binnen een gemeente de adressendichtheid vastgesteld van een gebied met een straal van 1 km rondom dat adres. De omgevingsadressendichtheid van een gemeente is de gemiddelde waarde hiervan voor alle adressen binnen die gemeente. De vijf stedelijkheidsklassen zijn gebaseerd op klassegrenzen van 2 500, 1 500, 1 000 en 500 adressen per km². De volgende klassen worden onderscheiden:

  • Zeer sterk stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 2 500 of meer)
  • Sterk stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 1 500 tot 2 500)
  • Matig stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 1 000 tot 1 500)
  • Weinig stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 500 tot 1 000)
  • Niet-stedelijk (omgevingsadressendichtheid van minder dan 500).

Literatuur

CBS (2025a) Migrantenmonitor 2024. CBS-webpublicatie, 24 oktober.

CBS (2025b). Bij meertaligheid vaakst misverstanden in bouw, landbouw en industrie. CBS-nieuwsbericht, 15 april.

CBS (2025c). Twee derde van de ondernemers ervaart personeelstekort | CBS. CBS-nieuwsbericht, 30 mei.

CBS (2026a). Belevingen. Korte onderzoeksbeschrijving.

CBS (2026b). AI in de samenleving: ervaringen en opinies. CBS-longread, 25 februari.

CBS (2026c). Minder starters op woningmarkt; 25- tot 35-jarigen wonen vaker thuis. CBS-nieuwsbericht, 24 april.

Coenders, M. en J. Dagevos (2024). Asiel en migratie. In: Vermeij, L., Y. de Kluizenaar, M. Reijnders en M. Coenders (red.). Koersen op kwaliteit van de samenleving. Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2024 (p. 104-120). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

CPB (2025). Middellangetermijnraming zorg 2027-2033. Rapport van het Centraal Planbureau, februari.

Gaalen, R. van,  M. de Mooij, F. de Vries, V. Bras en A. Zorlu (2025). Komen en gaan van arbeidsmigranten in de periode 2005-2021 | CBS. Statistische Trends, 8 januari.

Rijksoverheid (2025). Bouwstenen voor doordachte sturing op arbeidsmigratie. Geraadpleegd op 26 maart 2026.

Ruit, R., H. Bussink en A. Heyma (2025). Arbeidsmigranten in de uitzendsector. Onderzoek naar omvang en kenmerken. SEO - Economisch onderzoek, eindrapport. 

Ruit, R., H. Bussink en A. Heyma (2026). Aantal arbeidsmigranten beweegt mee met arbeidsvraag - ESB. Economisch Statistische Berichten, 20 maart.

SCP (2025). Migratie als spiegel van maatschappijbeelden Een onderzoek naar opvattingen in de bevolking over migratie, nationale identiteit, samenleving en politiek. SCP-rapport, april.

StatLine (2025a). Bevolking op 31 december, immigranten EU/EFTA, afgeleid migratiedoel. Geraadpleegd op 24 maart 2026.

StatLine (2025b). Bevolking op 31 december, immigranten niet-EU/EFTA, migratiemotief. Geraadpleegd op 24 maart 2026.

StatLine (2025c). Werknemers op 31 december; immigranten EU/EFTA, afgeleid migratiedoel.  Geraadpleegd op 30 maart 2026.

StatLine (2025d). Werknemers op 31 december, immigranten niet-EU/EFTA, migratiemotief. Geraadpleegd op 30 maart 2026.

Universiteit Leiden (2024). ‘De voor- en nadelen van arbeidsmigratie zijn ongelijk verdeeld’ - Universiteit Leiden, 14 november.