2. Data en methoden – hoe worden materiaalvoorraden gemeten?
In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe de omvang en samenstelling van de materiaalvoorraden in Nederland gemeten worden. Eerst wordt de indeling van producten en materialen, de twee toegepaste benaderingen, de focus van de databronnen en de verslagjaren toegelicht (2.1). Daarna wordt per categorie - gebouwen, infrastructuur, energiesysteem, transport en consumentengoederen – de databronnen en methoden toegelicht (2.2-2.6).
2.1 Classificaties, benaderingen en vergelijkbaarheid
Classificaties van producten en materialen
De materialenvoorraad in deze monitor is ingedeeld in verschillende categorieën producten en materialen.
Classificatie producten:
1. Gebouwen
- Woningen
- Niet-woningen
2. Infrastructuur
- Wegen
- Spoor
- Bruggen, tunnels en viaducten
- Niet-asfaltverharding
- Gemalen en sluizen
- Kustverdediging
- Waterproductie-installaties
- Waterleidingen
- Riolering, rioolgemalen en kolken
- Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI)
3. Energiesysteem
- Cv-ketels
- Elektriciteitscentrales
- Elektriciteitsinfrastructuur
- Gasinfrastructuur
- Gasinstallaties
- Windturbines
- Zonnepanelen
4. Transportmiddelen
- Auto's
- Fietsen en bromfietsen
- Motorfietsen
- Landbouwvoertuigen
- Schepen
- Treinen
- Vliegtuigen
- Vrachtwagens en bussen
5. Consumentengoederen
- Textiel
- Consumentenelektronica
- Elektrische apparaten en machines
- Overige consumentengoederen
Classificatie materialen:
1. Constructiematerialen
- Beton
- Baksteen
- Asfalt
- Grind, zand, klei, grond,
- Gips
- (Kalkzand) steen
- Recyclinggranulaat en industriële reststoffen
- Overige constructiemineralen
- Overige constructiematerialen
2. Metalen
- IJzer en staal
- Zink
- Lood
- Legeringselementen (niet kritiek)
- Overige metalen
3. Biobased materialen
- Hout
- Overige biobased materialen
4. Kritieke materialen
Al, Au, Ce, Co, Cu, Dy, Ga, Ge, Graphite, Hf, In, La, Li, Mg, Nb, Nd, Ni, Pd, Pr, Pt, Si, Ta, Tb, Ti, V, W, Y en ‘onbekend’
5. Overige materialen
- Kunststoffen
- Isolatiemateriaal
- Glas
- Keramiek
- Textiel, ongespecificeerd
- Overige materialen
De kritieke materialen (critical raw materials, CRM) zijn geclassificeerd conform de (inter)nationale richtlijnen van kritieke materialen (Raad van de EU, z.d.). De afkortingen van de kritieke materialen zijn uitgeschreven in bijlage 7.1. De indelingen en categorieën in dit onderzoek zijn gelijk aan die van de vorige Materiaalvoorradenmonitor om vergelijkingen in de tijd mogelijk te maken (CBS, 2024a). Her-categorisering is mogelijk als dit wenselijk is, aangezien de cijfers weer zijn opgebouwd uit gedetailleerde onderliggende gegevens. Denk aan het indelen van de producten naar de productgroepanalyses (PGA) van het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE), het samenvoegen van de nutsvoorzieningen ‘water’ en ‘energie’ of de materialen indelen naar de categorieën van de Materiaalstroommonitor: biomassa, metaal, mineraal en fossiel.
Twee methoden voor het meten van materiaalvoorraden
Er zijn twee methoden toegepast om de materiaalvoorraden te bepalen. De eerste gaat uit van de bestaande hoeveelheden, zoals aantallen of lengtes (van wegen) in combinatie met de materiaalsamenstelling. Deze methode wordt de stock-based methode genoemd. De hoeveelheid van het product wordt gekoppeld en vermenigvuldigd met de materialen in dit product. Bijvoorbeeld, het aantal auto’s wordt vermenigvuldigd met de kilogrammen ijzer per auto. Dit wordt gedaan met alle soorten auto’s en alle materiaalsoorten om een compleet beeld te krijgen. Deze methode is toegepast bij de berekening van de materiaalvoorraden in gebouwen, infrastructuur, transport en (grotendeels) het energiesysteem.
De tweede benadering is de put-on-market methode (POM-methode). Hierbij wordt gekeken naar de hoeveelheid product dat op de markt komt door de productie en import minus de export te nemen, in combinatie met informatie over levensduur. Deze methode is toegepast bij de berekening van de voorraden in consumentengoederen en gedeeltelijk bij het energiesysteem. Uitgebreide toelichting over de POM-methode is te vinden in hoofdstuk 2.6 over consumentengoederen.
Vergelijking door de tijd en internationaal
Dit onderzoek richt zich op de verslagjaren 2020, 2022 en 2024. De vorige editie van de materiaalvoorradenmonitor bevatte alleen 2020. De 2020-gegevens zijn gereviseerd zodat ze aansluiten bij de nieuwe jaren en een consistente vergelijking mogelijk is. Voor sommige producten konden echter geen cijfers over 2024 gemaakt worden omdat de brongegevens nog niet beschikbaar zijn. Waar dit speelt zijn data uit 2022 ingezet (zie de methodebeschrijving 2.2-2.6).
In de materiaalvoorradenmonitor zijn zo gedetailleerd mogelijke databronnen ingezet, met als voorwaarde hoge kwaliteit en de mogelijkheid van regelmatige actualisatie. Door het inzetten van gedetailleerde Nederlandse databronnen en registraties wordt er een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de omvang en samenstelling van de materiaalvoorraden in Nederland weergegeven. Dit is van belang voor nationale beleidsmakers van CE-beleid en de aansluiting met de Materiaalmonitor, daar waar dit onderzoek op focust. Tegelijkertijd zorgt dit er wel voor dat Internationale vergelijking lastiger wordt aangezien andere landen andere databronnen en methoden kunnen inzetten, met een ander detailniveau of andere uitsplitsingen. Als internationale vergelijking wenselijk is, is afstemming nodig over een geharmoniseerde aanpak.
2.2 Gebouwen
Met gebouwen worden zowel woningen (appartementen, vrijstaande woningen en rijtjeshuizen) als niet-woningen bedoeld. Niet-woningen, oftewel utiliteitsgebouwen, zijn gebouwen met een commerciële, industriële of maatschappelijke functie.
2.2.1 Methode
Voor de raming van de materiaalvoorraad in gebouwen is dezelfde stock-based methode gebruikt als in de vorige editie van de monitor (CBS, 2024a). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), waarin per gebouw informatie beschikbaar is over onder meer gebruiksoppervlakte, bouwjaar en gebruiksfunctie.
De materiaalsamenstelling per vierkante meter verschilt zowel naar functie als naar bouwperiode. De gebouwvoorraad in de BAG wordt op basis van deze kenmerken ingedeeld in cohorten (combinaties van functie en bouwperiode), die aansluiten bij de indeling van de beschikbare materiaalsamenstellingsgegevens. Op deze manier kan aan elk cohort een materiaalsamenstelling per vierkante meter worden gekoppeld.
BAG hanteert het principe van gebruiksoppervlakte (GO) per gebouw. GO is de oppervlakte van de ruimtes binnen een gebouw die daadwerkelijk kunnen worden gebruikt door de bewoners of gebruikers. Het omvat bijvoorbeeld de oppervlakte van de kamers, keukens, woonkamers, kantoren, enzovoort. Gangen, trappenhuizen en technische ruimtes worden niet meegerekend in de gebruiksoppervlakte, omdat deze ruimtes niet direct bruikbaar zijn.
Voor het berekenen van de totale oppervlakte van gebouwen is echter het bruto vloeroppervlakte nodig (BVO). BVO is de totale oppervlakte van alle verdiepingen van een gebouw, gemeten tussen de buitenmuren. Het omvat alle ruimtes, inclusief gangen, trappenhuizen, technische ruimtes, enzovoort. BVO omvat ook de muren en eventuele andere structurele elementen die tot het gebouw behoren. Daarom moet GO worden omgezet naar BVO, omdat anders een gedeelte van de gebouwen niet wordt meegenomen. Ook worden materiaalsamenstellingen doorgaans uitgedrukt per vierkante meter BVO.
De GO wordt omgerekend naar BVO met behulp van zogenoemde vormfactoren. Deze conversiefactoren verschillen per gebouwcohort en worden toegepast door de GO te delen door de bijbehorende vormfactor.
De BAG bevat informatie over onder meer oppervlakte, bouwjaar en gebruiksfunctie van gebouwen. De gebouwen met onbekende oppervlakte, 0,1 procent van het aantal gebouwen, zijn niet meegenomen in de berekening. Wanneer een gebouw meerdere functies heeft, wordt één dominante functie toegekend. Hiervoor hanteert het CBS de volgende voorkeursvolgorde van de BAG-functies:
- Woonfunctie, uitgesplitst naar verschillende woningtypes:
- Vrijstaande woning
- Twee-onder-een-kapwoning
- Hoekwoning– Tussenwoning
- Meergezinswoning
- Onbekend
- Gezondheidszorg
- Onderwijs
- Industrie
- Winkel
- Kantoor
- Bijeenkomst
- Logies
- Sport
- Cel
- Overig
Deze 11 functies van gebouwen zijn gekoppeld aan de gegevens over materiaalsamenstelling per gebouwtype.
Veranderingen ten opzichte van vorige editie
Voor de berekening van de materiaalvoorraden in gebouwen is dezelfde methodiek toegepast als in de vorige editie. De vormfactoren waarmee de gebruiksoppervlakte uit de BAG wordt omgerekend naar bruto vloeroppervlak zijn daarbij ongewijzigd gebleven. Wel zijn er ten opzichte van de vorige editie drie veranderingen: de BAG-gegevens zijn geactualiseerd, de materiaalsamenstellingen zijn vernieuwd en in de oppervlakteraming is een correctie doorgevoerd voor een foutieve dubbeltelling. Deze aanpassingen leiden tot bijgestelde resultaten.
De BAG wordt regelmatig geactualiseerd, onder meer doordat gemeenten en andere dataleveranciers wijzigingen niet gelijktijdig aanleveren. Daardoor kan het totale gebruiksoppervlak voor 2020 licht afwijken van de vorige rapportage. Ten tijde van deze berekening waren nog geen BAG-gegevens voor 2024 beschikbaar. Daarom zijn de berekeningen uitgevoerd voor 2020 en 2022, waarbij voor de totaalresultaten in 2024 (hoofdstuk 3.1) gebruik is gemaakt van de gegevens uit 2022.
Recent hebben het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) en Structural Collective nieuwe materiaalsamenstellingen gepubliceerd (EIB & Structural Collective, 2026). Deze data kunnen worden beschouwd als een update van de eerder gebruikte EIB- en Metabolic-gegevens. De nieuwe materiaalsamenstellingen sluiten grotendeels aan op dezelfde gebouwtypen en bouwjaarcohorten als in de vorige raming. Wel is binnen onderwijs onderscheid gemaakt tussen kleine en grote gebouwen, en zijn voor hoekwoningen en logies aparte materiaalsamenstellingen beschikbaar. De cohorten lopen tot en met bouwjaar 2018; voor gebouwen die na 2018 zijn gerealiseerd, is daarom eveneens het cohort tot en met 2018 toegepast.
Tabel 2.2.1 toont de koppeling naar gebouwtypen tussen de gehanteerde vormfactoren (EIB & Metabolic, 2020; zie ook vorige materiaalvoorradenmonitor) en de vernieuwde categorieën voor de materiaalsamenstellingen.
| Gebouwtype materiaalsamenstelling | Gebouwfunctie en grootte in BAG | Vormfactor |
|---|---|---|
| kantoor_klein | Bijeenkomst <1.000 m2 | 0,95 |
| kantoor_groot | Bijeenkomst 1.000–10.000 m2 | 0,91 |
| kantoor_groot | Bijeenkomst >10.000 m2 | 0,92 |
| zorg | Cel | 0,88 |
| zorg | Gezondheidszorg | 0,9 |
| hoekwoning | Hoekwoning | 0,67 |
| Industrie (samenstelling van gebouwtypen bedrijfshal en distributie) | Industrie | 0,97 |
| kantoor_klein | Kantoor <1.000 m2 | 0,92 |
| kantoor_groot | Kantoor 1.000–10.000 m2 | 0,9 |
| kantoor_groot | Kantoor >10.000 m2 | 0,89 |
| logies | Logies | 0,91 |
| appartement | Meergezinswoning | 0,92 |
| onderwijs_klein | Onderwijs <1.000 m2 | 0,92 |
| onderwijs_groot | Onderwijs >1.000 m2 | 0,93 |
| overig_klein (samenstelling van gebouwtypen kleine niet-woningen) | Overig <1.000 m2 | 0,91 |
| overig_groot (samenstelling van gebouwtypen grote niet-woningen) | Overig >1.000 m2 | 0,91 |
| woning_overig (samenstelling van gebouwtypen vrijstaand, serieel, appartement en hoekwoning) | Overige woningen | 0,74 |
| kantoor_klein | Sport <1.000 m2 | 0,9 |
| bedrijfshal | Sport >1.000 m2 | 0,97 |
| serieel | Tussenwoning | 0,69 |
| vrijstaand | Twee-onder-een-kapwoning | 0,75 |
| vrijstaand | Vrijstaande woning | 0,67 |
| winkel | Winkel | 0,91 |
Bij de eerder gebruikte materiaalsamenstellingen was het niet altijd duidelijk welke onderdelen precies waren meegenomen (zoals specifieke bouwlagen of producten). Met de nieuwe levering is het wel duidelijk welke bouwelementen binnen de materiaalsamenstellingen vallen. In de nieuwe dataset kan ook onderscheid gemaakt worden naar functionele lagen binnen gebouwen. Dit zijn de volgende functielagen: funderingen, ruwbouw, afbouw, afwerkingen, installaties (elektrotechnisch en werktuigbouwkundig) en vaste voorzieningen. Hierdoor kan onderscheid worden gemaakt tussen relatief permanente materialen, zoals funderingen en ruwbouw, en meer vervangbare onderdelen, zoals installaties en andere onroerende goederen. Dit biedt nieuwe mogelijkheden om in beeld te brengen welke materialen op kortere termijn potentieel beschikbaar kunnen komen vanuit de urban mine.
In deze materiaalsamenstellingen van gebouwen zijn enkele elementen opgenomen die ook al worden meegenomen in de onderdelen energiesystemen (zonnepanelen, cv-ketels) en consumentengoederen (warmtepompen). Hiervoor is een correctie toegepast door de voorraden van deze productgroepen in mindering te brengen op de totale materiaalvoorraad van gebouwen.
Verbouwingen en aanpassingen die in de loop der tijd plaatsvinden, zijn in de toegepaste materiaalsamenstellingen niet meegenomen. In bijlage 7.2 wordt verkend op welke wijze deze in toekomstige ramingen kunnen worden bijgesteld.
2.3 Infrastructuur
Grond-, weg- en waterbouw (GWW)
De grond-, weg- en waterbouw (GWW) omvat alle fysieke structuren en systemen die nodig zijn voor vervoer; wegen, spoor, bruggen, tunnels, viaducten en voetpaden en andere niet-asfaltverharding. En alle fysieke structuren en systemen die nodig zijn voor waterbeheer; gemalen, sluizen en kustverdediging.
In de vorige editie van de materiaalvoorradenmonitor zijn de materiaalvoorraden van de infrastructuur van GWW overgenomen uit de studie van het Centrum voor Milieuwetenschappen (CML) (CBS, 2024a). De koppeling tussen aantallen uit het Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en materialen van Metabolic kan niet goed gemaakt worden (EIB & Metabolic, 2022). Deze twee databronnen hebben namelijk een andere indeling. De meest recente inzichten uit het nieuwste rapport ‘Materiaalstromen en milieubelasting in de bouw en infra’ (EIB & Structural Collective, 2026) verschenen vrijwel gelijktijdig met deze publicatie en worden daarom niet meegenomen. Om toch een actualisatie te maken van de materialen in de GWW, zijn ontwikkelingen in de tijd ingezet om de trends te kunnen weergeven.
De ontwikkeling van de lengte van wegen is gezet op wegen, bruggen, niet-asfaltverharding, tunnels en viaducten. Deze kan als proxy dienen. De databron voor de lengte van de wegen is StatLine (CBS, 2026a).
De ontwikkeling van het spoor is ingezet op het spoor. De databron voor de lengte van het spoor is StatLine (CBS, 2025a).
De aanname is gedaan dat de aantallen gemalen, sluizen en kustverdediging gelijk blijven in de periode 2020-2024. De materiaalsamenstelling van infrastructuur is in dit onderzoek niet geactualiseerd.
Waterinfrastructuur
Waterinfrastructuur betreft de systemen en installaties die nodig zijn voor de productie, distributie, afvoer en zuivering van water. Dit omvat zowel de Waterproductie-installaties en waterleidingen voor het drinkwater, als de riolering, rioolgemalen, kolken en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) voor het afvalwater. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van waterinfrastructuur te bepalen.
Waterproductie-installaties
Nederland heeft tien drinkwaterbedrijven die elk hun eigen gebied voorzien van drinkwater, uit onttrokken en gezuiverd grondwater en oppervlaktewater. Hun waterproductie-installaties produceren het drinkwater dat door huishoudens en bedrijven wordt gebruikt. Voor het bereken van de materiaalvoorraden van de waterproductie-installaties is een gemiddelde materiaalsamenstelling ingezet op elke installatie. De databron voor dit gemiddelde is CML, op basis van verschillende life cycle analyses (LCA) studies (CML & CBS, 2022). Er zijn 216 waterproductie-installaties in 2018 (RIVM 2020). Er wordt vanuit gegaan dat dit aantal constant is gebleven.
Waterleidingen
Het geproduceerde drinkwater van de waterproductie-installaties wordt vervoerd naar de gebruikers via waterleidingen. De materiaalvoorraad van deze waterleidingen is berekend uit de verhouding materiaal per kilometer waterleiding (Vewin, 2022). Vervolgens zijn deze percentages verrekend met het gemiddelde gewicht per kilometer waterleiding, rekening houdend met verschillende soorten pijpleidingen en diameters (van der Bent, 2022). Deze materiaalsamenstelling wordt vermenigvuldigd met de lengte van de waterleidingen per jaar. De lengte van de waterleidingen is in de onderzochte jaren stapsgewijs gestegen van 120 naar 122 duizend kilometer (Vewin, 2020, 2022, 2024).
Riolering
Na gebruik van het drinkwater door huishoudens en bedrijven stroomt het water in de riolering. Riolering is een systeem van leidingen en buizen dat het afvalwater en regenwater vanuit huizen, gebouwen en straten afvoert naar een centrale zuiveringsinstallatie of een lozingspunt. De materiaalvoorraad van riolering wordt als volgt berekend: de materiaalsamenstelling per kilometer (van der Bent, 2022) wordt vermenigvuldigd met de rioollengte in kilometers (RIONED, 2025).
Rioolgemalen
Een rioolgemaal is een installatie die wordt gebruikt om afvalwater van een lager naar een hoger gelegen gebied in het rioleringsstelsel te pompen. Deze zijn in het beheer van gemeenten en waterschappen. De materiaalsamenstelling per rioolgemaal (van der Bent, 2022) wordt vermenigvuldigd met het aantal rioolgemalen. Het aantal rioolgemalen is bekend voor de jaren 2016 en 2024. Om de tussenliggende jaren te berekenen is uitgegaan van een lineaire stijging. Rioolgemalen in beheer van gemeenten (RIONED, 2025) en in het beheer van waterschappen (Unie van Waterschappen, z.d.) worden beide meegenomen voor een volledig beeld.
Kolken
Kolken zijn de putten op straat: de inlaatconstructies die zijn ontworpen om overtollig water van de stedelijke oppervlakten te verzamelen en te transporteren. De materiaalsamenstelling van kolken wordt vermenigvuldigd met het aantal kolken (van der Bent, 2022). Er is één datapunt, namelijk 7 miljoen kolken in 2012. Om het aantal kolken tot en met 2024 te berekenen is er gerekend met het aantal kolken per kilometer riolering in 2012. Vervolgens is de lengte van de riolering voor de desbetreffende jaren ingezet en daarmee het aantal kolken ingeschat.
Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s)
Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) zuiveren het rioolwater waarna het wordt geloosd op het oppervlaktewater zoals kanalen, beken en plassen. De RWZI’s worden beheerd door de waterschappen. Ze ontvangen het stedelijk afvalwater via de riolering van gemeenten, maar grote bedrijven kunnen ook direct op een RWZI zijn aangesloten. De materiaalsamenstelling per RWZI (STOWA, 2022) wordt vermenigvuldigd met het aantal RWZI’s (CBS, 2025b).
2.4 Energiesysteem
Het energiesysteem bestaat uit het elektriciteitssysteem en het warmtesysteem. Het elektriciteitssysteem is opgedeeld in windturbines, zonnepanelen, elektriciteitscentrales, elektriciteitskabels en -lijnen, hoogspanningsmasten, substations en transformers. Onder het warmtesysteem vallen cv-ketels, gasinfrastructuur en gasinstallaties. Airconditioners en warmtepompen worden meegenomen bij de berekening van de consumentengoederen, beschreven in hoofdstuk 2.6. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van het energiesysteem te bepalen.
Electriciteitssysteem
Windturbines
De afgelopen jaren groeit het aantal windturbines (windmolens) in Nederland. In 2024 telde Nederland 3.187 windturbines, in 2014 waren dit er 2.124 (CBS, 2026b). De groei komt voornamelijk door het aantal windturbines op zee. Deze zijn in sinds 2014 toegenomen van 96 tot 670 in 2024.
De gebruikte materialen voor windturbines op zee verschillen met die op land. Ook heeft het soort aandrijving, direct drive of gearbox, invloed op de materialen. De verdeling van windturbines op land, op zee, direct drive en gearbox is te zien in tabel 2.4.1 en is gebaseerd op eerder onderzoek (Van Oorschot, 2020).
| Gearbox | Direct drive | |
|---|---|---|
| Op land | 47 | 53 |
| Op zee | 100 | 0 |
De materiaalsamenstelling van de vier verschillende type windturbines is bepaald bij een eerder onderzoek uitgevoerd door CML en het CBS (Van Oorschot, 2020). Dit is, net als in de materiaalvoorradenmonitor 2024, overgenomen in het huidige onderzoek (CBS, 2024a). De materiaalsamenstelling is bekend per megawatt aan opgesteld vermogen. Het totaal aan opgesteld vermogen aan windturbines is bekend bij het CBS voor zowel windturbines op land als op zee (CBS, 2026b). Tabel 2.4.1 is vervolgens gebruikt om het totaal opgesteld vermogen aan windturbines met gearbox en direct drive aandrijving te bepalen.
Om tot de materiaalvoorraad te komen is het totaal aan megawatt opgesteld vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.
Zonnepanelen
De materiaalvoorraad aan zonnepanelen is op twee verschillende manieren berekend. De eerste is volgens de stock-based methode: het totale opgestelde vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. De tweede is gebaseerd op de POM-methode, die ook werd gebruikt voor het berekenen van de materiaalvoorraad aan consumentengoederen (hoofdstuk 2.6). Samengevat: de instromen van materialen voor zonnepanelen zijn bekend, de uitstromen worden geschat met behulp van de verwachte levensduur van zonnepanelen, en het verschil daartussen wordt toegevoegd aan de voorraad. Door het optellen van alle ‘net-additions-to-stock’, wordt een inschatting gemaakt van de materiaalvoorraad aan zonnepanelen.
In het vorige rapport is de voorraad zonnepanelen berekend volgens de stock-based methode (CBS, 2024a). In het huidige onderzoek is besloten dat te herhalen en de stock-based methode als uitgangspunt te nemen. De materiaalvoorraad aan zonnepanelen is vervolgens ook berekend via de POM-methode en gebruikt om de uitkomst mee te vergelijken (zie hoofdstuk 3.4.1).
Voor het berekenen van de voorraad zonnepanelen met de stock-based methode is het opgesteld vermogen nodig. Dit is te vinden op StatLine (CBS, 2026b). Hieruit blijkt dat de hoeveelheid elektriciteit opgewekt door zonnepanelen de afgelopen jaren fors is gegroeid. In 2014 was het opgesteld vermogen 1.007 megawatt aan zonnepanelen. In 2024 was dit 24.772 megawatt van in totaal ruim 3,1 miljoen installaties (CBS, 2026b).
Er zijn verschillende soorten zonnepanelen en de materiaalsamenstelling verschilt per type. In dit onderzoek wordt er onderscheid gemaakt tussen vier verschillende soorten zonnepanelen: c-Si, a-Si, CdTe en CIGS. De verhouding van het marktaandeel van deze type zonnepanelen staat in tabel 2.4.2 en is gebaseerd op eerder onderzoek (CML & CBS., 2022, Carrara et al., 2022, Viebahn et al., 2015)
| Aandeel | |
|---|---|
| c-Si | 89 |
| a-Si | 3 |
| CdTe | 0 |
| CIGS | 8 |
De materiaalsamenstelling van de vier verschillende type zonnepanelen is bepaald bij een eerder onderzoek uitgevoerd door CML en CBS (Van Oorschot, 2020). Dit is, net als in de materiaalvoorradenmonitor 2024, overgenomen in het huidige onderzoek (CBS, 2024a). De materiaalsamenstelling is bekend per megawatt aan opgesteld vermogen. Het totale opgestelde vermogen zonnepalen is bekend bij het CBS (CBS, 2026b). Tabel 2.4.2 is vervolgens gebruikt om het totaal vermogen van type c-Si, a-Si, CdTe en CIGS te bepalen.
Om tot de materiaalvoorraad te komen, is het totaal aan megawatt opgesteld vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.
Elektriciteitscentrales
Er zijn verschillende typen elektriciteitscentrales die elk een andere materiaalsamenstelling hebben. In dit onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen biomassa & afval, kolen, gas, kernenergie en waterkracht. In Nederland zijn nog geen werkende waterstofcentrales, waardoor deze achterwege zijn gelaten.
Het werk van Sullivan et al. (2012), Moss et al. (2013) en de database van ecoinvent (Wernet et al., 2016) zijn gebruikt om het aantal kilogram materiaal per megawatt aan opgesteld vermogen aan elektriciteitscentrales te berekenen. Hierin is aangenomen dat de materiaalsamenstelling van afvalelektriciteitscentrales vergelijkbaar is met de biomassa-elektriciteitscentrales. Er was geen literatuur beschikbaar over de hoeveelheden kritieke metalen in biomassa- en elektriciteitscentrales. Hiervoor zijn dezelfde hoeveelheden genomen als die van kolencentrales.
Het totaal opgesteld vermogen aan elektriciteitscentrales komt uit de volgende bronnen:
- Biomassa & afvalelektriciteitscentrales: StatLine - Hernieuwbare elektriciteit; productie en vermogen (cbs.nl) (CBS, 2026b)
- Kolencentrales: CBS-data die worden opgesteld voor PBL voor de Klimaat- en Energieverkenning (KEV). Binnenkort ook beschikbaar via een tabel op StatLine.
- Gascentrales: CBS-data die worden opgesteld voor PBL (KEV). Binnenkort ook beschikbaar via een tabel op StatLine.
- Kerncentrales: StatLine - Elektriciteit; productie en productiemiddelen (cbs.nl) (CBS, 2026c)
- Waterkrachtcentrales: StatLine - Hernieuwbare elektriciteit; productie en vermogen (cbs.nl) (CBS, 2026b)
- Waterstofcentrales: Er zijn op dit moment nog geen waterstofcentrales in Nederland.
Om tot de materiaalvoorraad te komen is het totaal aan megawatt opgesteld vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.
Elektriciteitsinfrastructuur
Elektriciteitsinfrastructuur bestaat uit kabels en lijnen, hoogspanningsmasten en substations en transformers. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van het electriciteitsinfrastructuur te bepalen.
Elektriciteitskabels en –lijnen
Elektriciteitskabels en -lijnen zijn essentieel om elektriciteit te transporteren van de elektriciteitscentrales naar woningen, bedrijven en industrie. De materiaalsamenstelling van kabels en lijnen voor het transporteren van hoogspanning, middenspanning en laagspanning verschilt en is apart bepaald in een eerder onderzoek (Van Oorschot, 2020). De materiaalsamenstelling is bepaald in het aantal kilogram materiaal per kilometer kabel en lijn. Het aantal kilometer aan elektriciteitskabels en -lijnen komt van Netbeheer Nederland (Publicaties | Netbeheer Nederland). Om tot de totale materiaalvoorraad te komen is vervolgens het aantal kilometer aan elektriciteitskabels en -lijnen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per kilometer. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024.
Hoogspanningsmasten
In Nederland zijn vier typen hoogspanningsmasten, voor kabels van 110kV, 150kV, 220kV en 380kV. Deze verschillen van grootte en daarom van materiaalsamenstelling. In het werk van Harrison et al. (2010) is de materiaalsamenstelling vastgesteld van drie type masten, die voor kabels van 132kV, 275-400kV en 400 kV. De verhouding tussen deze masten is geschat op basis van de verhoudingen tussen 110, 150, 220 en 380 kV masten in Nederland die vastgesteld zijn in documentatie van Netbeheer Nederland (geraadpleegd maart 2024). Voor het kwantificeren van de aantallen hoogspanningsmasten is gebruik gemaakt van openbare ruimtelijke data van Tennet via ArcGIS (2019). Om tot de materiaalvoorraad te komen is vervolgens het totaal aantal hoogspanningsmasten vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling van één hoogspanningsmast. Dit is gedaan voor 2020 en 2022. Van 2024 was nog geen data beschikbaar over het aantal hoogspanningsmasten en is hetzelfde aantal genomen als in 2022.
Substations en transformers
Het werk van Harrison et al. (2010) en ruimtelijke data van Tennet (ArcGis, 2019) zijn gebruikt voor het bepalen van het aantal kilo materiaal per substation en transformer.
Het aantal substations en transformers is berekend op basis van het aantal kilometer elektriciteitskabel (tabel 2.4.3), afkomstig uit Van Oorschot et al. (2020). Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024.
| aantal/km | Hoogspanning | Middenspanning | Laagspanning |
|---|---|---|---|
| Bron | Harrison et al., 2010 | Turconi et al., 2014 | Turconi et al., 2015 |
| Substation | 0,0289 | 0,012 | 0,726 |
| Transformer | 0,0486 | 0,019 | 0,726 |
Warmtesysteem
Cv-ketels
Een groot deel van de huishoudens verwarmt de woning met een cv-ketel. In 2022 ging het om 82% van de woningen (CBS, 2024a). Om tot het aantal cv-ketels te komen is het aantal huishoudens vermenigvuldigd met het aantal woningen met een cv-ketel. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt:
- StatLine - Woningen; hoofdverwarmingsinstallaties, regio 2017-2022 (CBS, 2024b)
- Huishoudens; grootte, samenstelling, positie in het huishouden, 1 januari | CBS (CBS, 2025c)
De materiaalsamenstelling van cv-ketels komt uit het werk van Oliver-Solà et al. (2009).
Om tot de materiaalvoorraad te komen is vervolgens het aantal cv-ketels vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per cv-ketel. Dit is gedaan voor 2020 en 2022. Van 2024 waren nog geen data beschikbaar over het aandeel huishoudens dat de woning verwarmt met een cv-ketel. Daarom is het percentage genomen uit 2022.
Gasinfrastructuur
Het aantal kilometer aan leidingen in de gasinfrastructuur van 2020 komt uit GIS-data van 7 van de 9 Nederlandse netbeheerders. De informatie voor het berekenen van de materiaalsamenstelling van de Nederlandse aardgasinfrastructuur komt van netbeheerder Enexis (diameter en geometrie) en van gasleiding fabrikant Walraven (wanddikte). Om de doorsnede van de buis te berekenen is de volgende formule gebruikt:
\(Pijpleiding\:doorsnede\:(m^2)\:=\:(\pi\:*\:r^2)\:-\:(\pi\:*\:(r\:-\:wanddikte)^2)\)
Het soortelijk gewicht voor alle genoemde materialen is gebruikt om de massa van de materialen in het netwerk te berekenen. Hiervoor is de volgende formule gebruikt:
\(Massa\:pijp\:(kg)=doorsnede\:pijp\:(m^2)\:*\:lengte\:(m)\:*\:specifiek\:gewicht\:\left(\frac{kg}{m^3}\right)\)
Voor 2022 en 2024 zijn dezelfde data voor het aantal kilometer in de gasinfrastructuur gebruikt als voor 2020.
Gasinstallaties
De jaarlijkse aardgasproductie van Nederland, afkomstig van de Rijksoverheid, wordt gebruikt om de totale voorraad materiaal in gasinstallaties te bepalen. De hoeveelheid kilo materiaal per Nm3 aan aardgasproductie voor de gasinstallaties is afkomstig uit de ecoinvent 3.8 database (Wernet et al., 2016).
Warmtenetten zijn vooralsnog niet meegenomen in de voorraden van deze studie, wel is hier recentelijk een verkenning naar gedaan door EIB Structural Collective (EIB & Structural Collective, 2026).
2.5 Transport
De materiaalvoorraden van de transportmiddelen in Nederland bestaan uit fietsen, auto’s, motorfietsen, brom- en snorfietsen, vrachtwagens, bussen, landbouwvoertuigen, treinen, schepen en vliegtuigen inclusief luchtballonnen. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van transport te bepalen.
Fietsen
De materiaalvoorraden in fietsen zijn berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal fietsen (BOVAG-RAI, 2025). Beide databronnen geven een uitsplitsing van reguliere en elektrische fietsen en zijn ook op deze manier aan elkaar gekoppeld.
Auto’s, motorfietsen, brom- en snorfietsen
De materiaalvoorraden in auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen zijn berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen (CBS, 2026d, 2026e en 2026f). De materiaalsamenstelling van auto’s is opgesplitst in brandstof, hybride en elektrische auto’s en de aantallen zijn opgesplitst in brandstofauto’s enerzijds en hybride en elektrisch anderzijds. De materiaalsamenstelling van elektrische auto’s is aan de groep hybride en elektrische auto’s gekoppeld. Om de omvang van materialen in motorfietsen te berekenen is de materiaalsamenstelling van bromfietsen ingezet, aangezien aparte informatie over materiaalsamenstellingen voor motorfietsen ontbreekt. Bij motorfietsen wordt geen uitsplitsing naar elektrisch gemaakt. Bij brom- en snorfietsen zijn de materiaalsamenstelling en de aantallen beiden opgesplitst in brandstof en elektrisch en worden ze zo gekoppeld.
Voor auto’s, motorfietsen en bromfietsen worden in deze voorradenmonitor nu ook alle niet-verzekerde voertuigen meegenomen, dit gaat om respectievelijk 2 procent, 10 procent en 10 procent van hun totalen. StatLine bevat informatie over de actieve auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen die zijn geregistreerd en mogen deelnemen aan het verkeer op de openbare weg, maar is exclusief auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen die niet verzekerd zijn. De aantallen worden daarom aangevuld met niet-verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen, waarvoor informatie tot en met 2022 beschikbaar is (CBS, 2022). Om het verslagjaar 2024 te berekenen voor de niet verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen is de verhouding van wel/niet verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen in 2022 ingezet. Ook is deze informatie zonder de uitsplitsing naar elektrische auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen. De aanname is daarbij gedaan dat alle niet-verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen niet elektrisch zijn. Voor het totale gewicht van elektrische bromfietsen is de waarde van een reguliere bromfiets genomen.
Vrachtwagens en bussen
De materiaalvoorraden in vrachtwagens en bussen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal vrachtwagens en bussen (CBS, 2026e). De gegevens over de materiaalsamenstelling van vrachtwagens zijn uitgesplitst in light commercial vehicle (LCV), medium freight truck (MFT) en heavy freight truck (HFT). De gegevens over het aantal vrachtwagens zijn niet uitgesplitst op deze categorieën; daarom is ervoor gekozen om de materiaalsamenstelling van MFT te nemen, dit scheelt maximaal 7% ten opzichte van de materiaalsamenstelling van LCV en HFT.
Landbouwvoertuigen
De materiaalvoorraden in landbouwvoertuigen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal landbouwvoertuigen (CBS, 2025d). Gegevens over aantallen landbouwvoertuigen bestaat uit tractoren, aanhangers en mobiele machines. Alleen het verslagjaar 2025 is bekend, dit is ingezet voor de jaren 2020, 2022 en 2024 zonder aanpassingen.
Treinen
De materiaalvoorraden in treinen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal treinen (Treinenweb, z.d.). De gegevens over de materiaalsamenstelling bestaat uit fracties per materiaalsoort en het gewicht van een gemiddelde locomotief en verschillende treinsoorten zoals Thalys. De databron over aantallen treinen is echter van lage kwaliteit en zonder duidelijke actualisatie van de gegevens. De gegevens over het aantal treinen worden uitgesplitst naar treinen ‘in gebruik’ en ‘afgevoerd’ en ook afgevoerde treinen zijn meegenomen in de berekening van de omvang van de materiaalvoorraden voor een completer beeld.
Schepen
De materiaalvoorraden in schepen zijn berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal schepen. Voor schepen hebben we informatie over zeeschepen (NML, 2023) en de binnenvaart (CBS, 2026g). Zowel in de materiaalsamenstelling als in de aantallen kan dit onderscheid gemaakt worden. Gegevens over het aantal zeevaartschepen in 2024 zijn nog niet beschikbaar; daarom zijn 2022-data ingezet. Eventuele verdere daling van het aantal zeevaartschepen in 2024 zit daarom niet in de cijfers, wegens ontbrekende brondata. De databron wordt niet meer voortgezet, aanbeveling is om een nieuwe databron te verkennen om daze datalacune te vullen.
Het aantal schepen in de zeevaart is gedaald van 1.220 in 2020 naar 1.146 in 2022. Het aantal schepen in de binnenvaart is ook gedaald, namelijk van 4.866 in 2020 naar 4.890 in 2022 naar 4.614 in 2024. Dit geeft is een daling van 5 procent. Sinds 2011 daalt het aantal geleidelijk. Er vindt schaalvergroting plaats, de schepen worden groter. Het aandeel grote binnenvaartschepen is daarmee toegenomen, maar aangezien er geen uitsplitsing is in de materiaalsamenstelling kan dit onderscheid niet gemaakt worden om de materiaalvoorraden te berekenen. In de afgelopen jaren spelen ook internationale politieke spanningen een rol. Sommige binnenvaartscheepseigenaren kiezen er daarom voor hun binnenvaartschip niet meer onder Nederlandse vlag te registreren, maar in een ander land. Daarnaast worden de eisen aan binnenvaartschepen op het gebied van duurzaamheid en techniek steeds strenger. Hierdoor verdwijnen sommige oudere binnenvaartschepen uit de Nederlandse vloot. Samen zorgt dit ervoor dat het aantal binnenvaartschepen onder Nederlandse vlag afneemt (NML, 2025).
Vliegtuigen
De materiaalvoorraden in vliegtuigen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal vliegtuigen (CBS, 2026h). De modeltypen die zijn meegenomen zijn A330, B747, B767, B777, B787 en luchtballonnen.
2.6 Consumentengoederen
Consumentengoederen zijn verdeeld in vier verschillende categorieën: consumentenelektronica, elektrische machines, textiel en overige consumentengoederen.
In bijlage 7.3 staan de producten die vallen onder deze categorieën. De materiaalvoorraad van de consumentengoederen is bepaald aan de hand van de POM-methode. De methode wordt in de volgende paragrafen beschreven. De materiaalvoorraad van de consumentengoederen is berekend voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.
Algemene methodiek stroombenadering voorraden
De voorraad van de hierboven genoemde productgroepen is bepaald op basis van de POM-methode. De stromen van materialen en producten worden gevolgd door de gehele levenscyclus, vanaf productie en gebruik tot aan het moment van afvalverwijdering of recycling.
In studies waarin voorraden worden ingeschat op basis van stromen, wordt gerekend met een net-addition-to-stock. Instromen zijn bekend, uitstromen worden ingeschat met behulp van een geschatte levensduur, en het verschil daartussen wordt geacht te worden toegevoegd aan de voorraad. Als de tijdreeksen maar lang genoeg zijn, kan door het optellen van alle net-additions-to-stock een inschatting worden verkregen van de voorraad zelf (zie o.a. Krausmann et al., (2017)). Hieruit volgt dat voor een stroombenadering een tijdreeks nodig is die minimaal zo lang is als de levensduur van de toepassingen. De stroom kan gedefinieerd zijn in massa (kg), in kilogram van een bepaald materiaal, of in termen van een product of dienst. In het laatste geval is nog een vertaalslag nodig om vandaar tot een inschatting van de materiaalvoorraad te komen.
CBS-methode put-on-market
In de afgeleide methode die het CBS hanteert voor de stroombenadering worden de consumptie, de hoeveelheid afval die vrijkomt per jaar en levensduur berekend om zo de voorraad te bepalen (figuur 2.6.1). De data zijn beschikbaar vanaf 2007 en zijn teruggerekend tot 1980. Per productgroep wordt een tijdreeks gemaakt van de op de markt gebrachte producten.
Figuur 2.6.1 De materiaalvoorraad van consumentengoederen is berekend via de consumptie, afval en levensduur van goederen. De consumptie van goederen bestaat uit productie plus import minus export. De consumptie samen met de levensduur van producten geeft de productie van afval. De consumptie samen met afval heeft invloed op de urban mine. De urban mine is de materiaalvoorraad van consumentengoederen bij huishoudens, bedrijven en overheden.
De volgende productcategorieën worden niet onderzocht omdat ze leiden tot dubbeltellingen, niet-relevante materialen bevatten of geen gegevens hierover beschikbaar zijn:
- Producten met korte levensduren (minder dan 12 maanden)
- Grondstoffen
- Halffabricaten
- Onderdelen van producten
- Infrastructuur
- Chemische industrie
De consumptie is bepaald door de productie op te tellen bij de import en daar vervolgens de export van af te trekken. Deze methode is een afgeleide van de methodiek van het ProSUM project (ProSUM, 2019) waaraan het CBS eerder heeft meegedaan (Van Straalen et al, 2016). In het ProSUM project zijn internationale datasets van Eurostat gebruikt. Deze bevatten voornamelijk bij de productiecijfers soms lege cellen om onthulling van vertrouwelijke data tegen te gaan.
Bij de categorie consumentenelektronica is de hoeveelheid afval afgeleid met een tijdreeks van consumptiecijfers (verkoop van goederen) in combinatie met de levensduurprofielen. Het verschil tussen deze consumptiecijfers en de hoeveelheid afval is de voorraad.
Berekening consumptie
De brondata zijn de Internationale Handel (IH) en Productie (Prodcom) statistieken afkomstig van het CBS. In tegenstelling tot het ProSUM project wordt gebruik gemaakt van de onderliggende beveiligde en meer gedetailleerde gegevens die enkel binnen het CBS beschikbaar zijn, waardoor de kwaliteit beter is. De IH-data zijn al beschikbaar in gewicht, dus er hoeft niet van stuks naar gewicht omgerekend te worden, wat wel nodig is bij de Eurostatdata die bij ProSUM worden ingezet. De Nederlandse IH-data zijn echter pas vanaf 2004 beschikbaar. Voor 1995 t/m 2003 wordt daarom gebruik gemaakt van de Nederlandse IH-data zoals gepubliceerd bij Eurostat. Voor deze jaren moeten stuks wel omgerekend worden naar gewicht.
Conversietabellen zijn nodig om de goederenclassificaties uit deze bronnen om te zetten naar de Materiaalmonitor codes voor overige producten. Hieronder worden alle hulptabellen die nodig zijn geweest om consistente cijfers te krijgen kort besproken (tabellen zijn niet bijgevoegd bij het rapport, indien gewenst kan het worden opgevraagd).
- Tabel A Conversiefactoren IH met gewicht per unit (rapportage eenheid, meestal stuks) en waarde in euro’s per kg. Data zijn afkomstig uit de internationale handelsdata.
- Tabel B Conversiefactoren prodcom met gewicht per unit (rapportage eenheid, meestal stuks) en waarde in euro’s per kg.
- Tabel C Stage of production. Deze tabel is afkomstig van Eurostat en bevat naast de IH-codes, de productfase. De
volgende 3 codes worden onderscheiden:
- [SM_FIN] Stage of Manufacturing - finished products
- [SM_RAW] Stage of Manufacturing - raw products
- [SM_SFIN] Stage of Manufacturing - semi-finished products
- Tabel D Levensduur op de markt gebrachte goederen per Materiaalmonitor goederengroep. Deze lijst bevat de gemiddelde levensduur die nodig is om de op de markt gebrachte goederen als afval te verdelen over de volgende jaren voor de publicatie van de Materiaalmonitor. Deze verdeling gaat op basis van een normaalverdeling. Als standaarddeviatie wordt steeds de gemiddelde levensduur gedeeld door 2,5 aangehouden.
- Tabel E Conversiefactoren naar materialen en elementen:
De materiaalsamenstelling van producten wordt gebruikt zoals door CML samengesteld, waarbij een keuze is gemaakt uit vijf verschillende bronnen (Van Straalen et al., 2022).
Berekening levensduurprofielen
Voor elke categorie consumentengoederen volgens de Materiaalmonitorindeling is een gemiddelde levensduur nodig. Deze is bepaald door te kijken welke goederencodes uit de IH-data bij deze categorieën horen, want de Materiaalmonitor-goederengroepen zijn te geaggregeerd om levensduren te bepalen. Van de IH-goederencodes zijn de codes geselecteerd waarvan de importwaarden samen minstens 80 % uitmaken van de totale importwaarde van de Materiaalmonitor-goederengroep waaronder ze vallen. Via bronnen op internet (onder andere Consumentenbond en lijsten van verzekeringen) is voor deze selectie opgezocht wat de gemiddelde levensduur is. Door de hoeveelheid importen als weegfactor mee te nemen kon daarna de gemiddelde levensduur per Materiaalmonitorgoederengroep berekend worden. Uitzondering zijn de overige goederen. De gemiddelde levensduren van de producten in deze categorieën zijn, behalve de medische instrumenten en apparaten, geschat door experts van CML, PBL en het CBS.
Voor textiel en elektrische machines zijn de levensduurprofielen bepaald tijdens de studie van Van Oorschot et al. (2020). Voor de categorie consumentengoederen is dit bij de studie van Verhagen et al. (2022) bepaald.
Materiaalsamenstelling consumentengoederen
Net als bij de andere productgroepen, wordt naast een overzicht van de voorraden per productgroep ook de materiaalsamenstelling van de voorraden berekend. De materiaalsamenstelling van goederen wordt gekoppeld aan de berekende voorraad.
De methode om de materialen van de voorraad te berekenen bevat de volgende stappen:
Stap 1: Inputdata verzamelen
Het gaat dan om producthoeveelheden uit eerdere rapporten en conversietabellen die producten naar materialen omzetten. De conversietabellen komen uit verschillende bronnen, zoals de PANORAMA-database en ecoinvent, en worden gekoppeld aan Materiaalmonitor-groepen via een door het CBS gemaakte koppeltabel.
Stap 2: Bewerkingen uitvoeren
Aggregeren van fracties: voor elk product worden de verschillende materiaalfracties van productgroepen die samen onder één Materiaalmonitor groep vallen, geaggregeerd om gewogen gemiddelde fracties per Materiaalmonitor groep te berekenen. Dit gebeurt op basis van import- en exportgewichten over een vijfjaarlijkse periode.
Keuze van de bron: uit de samengestelde fracties wordt per Materiaalmonitorgroep de meest betrouwbare bron gekozen, gebaseerd op een vooraf bepaalde volgorde van betrouwbaarheid van de bronnen.
Stap 3: Resultaatberekening
De geselecteerde fracties per Materiaalmonitorgroep worden vervolgens vermenigvuldigd met de hoeveelheden van producten in de voorraad, instroom en uitstroom. Dit resulteert in de geschatte hoeveelheden van materialen.