Materiaalvoorradenmonitor 2020, 2022 en 2024

1. Inleiding – waarom meten we materiaalvoorraden?

Het kabinet streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Het Werkprogramma Monitoring en Sturing Circulaire Economie heeft als doel om de door het kabinet uitgezette koers naar 2050 te kunnen monitoren en te evalueren en de overheid te voorzien van de kennis die nodig is voor de vormgeving of bijsturing van beleid (PBL, 2025a).

De winning van primaire grondstoffen en de verwerking tot producten dragen bij aan milieuveranderingen zoals broeikasgasemissies (PBL, 2025b). Om de transitie naar een circulaire economie te kunnen monitoren, is het van belang om te weten welke materiaalvoorraden er in de maatschappij zijn en hoe die zich ontwikkelen. In een circulaire economie wordt de inzet van primaire grondstoffen zo veel mogelijk door gebruik van secundaire materialen vervangen, die bijvoorbeeld gewonnen worden uit bestaande materiaalvoorraden, de zogenoemde urban mine (de stedelijke mijn). Denk hierbij aan de gebouwen, infrastructuur, transportmiddelen en consumentenproducten die aanwezig zijn in de economie en een bepaalde levensduur hebben. Dit rapport geeft inzicht in de urban mine van Nederland en daarmee de toekomstige beschikbaarheid voor het gebruik van secundaire materialen.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft het CBS gevraagd de Materiaalvoorradenmonitor samen te stellen ten behoeve van de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) en in het kader van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE). Dit onderzoek bouwt voort op de eerste editie van de Materiaalvoorradenmonitor (CBS, 2024a). Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft het onderzoek toen overgenomen van het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden (CML) en verder ontwikkeld.

De Materiaalvoorradenmonitor laat de omvang van de materialen - in miljarden kilogrammen -zien en geeft hiermee een nauwkeurig en volledig beeld van hoeveel materialen zich in de urban mine bevinden. Vervolgens zijn de veranderingen in de voorraden tussen 2020 en 2024 onderzocht inclusief bij welke materialen de mutaties plaatsvinden. Buiten de scope van dit onderzoek valt de vraag in hoeverre er al gebruik wordt gemaakt van de potentie van de urban mine. Er is een bepaalde hoeveelheid materialen opgeslagen in de maatschappij, hoe goed en wanneer wordt dit ingezet als secundair materiaal?

De focus van dit onderzoek ligt op de materiaalvoorraden in Nederland. Het doel is niet een internationale vergelijking mogelijk te maken. Hierbij zou je beter willen aansluiten op methoden van andere landen. De monitoring vindt elke twee jaar plaats om een goed beeld van de veranderingen in de voorraden te hebben. Met de nieuwste cijfers (2022, 2024) kan nu een (bescheiden) tijdreeks worden getoond voor de periode 2020-2024. Daarnaast is de methode verbeterd en zijn er onderdelen aangevuld voor een zo compleet mogelijk beeld van de materiaalvoorraden. De resultaten laten zien waar in Nederland welke materialen zijn opgeslagen, zoals hout in gebouwen, beton in bruggen, ijzer in auto’s, kritieke materialen in zonnepanelen, textiel in meubels en biobased materialen in consumentengoederen.

Naast de materiaalvoorraden meet het CBS ook de materiaalstromen in de zogeheten Materiaalmonitor. Dit zijn de materialen en goederen die in een jaar worden gebruikt door de Nederlandse maatschappij (Delahaye et al, 2023). Deze stromen worden geconsumeerd, geëxporteerd, worden afval of komen terecht in de voorraden. Daarnaast komen er ook materialen vrij uit de voorraden. De gegevens uit de Materiaalvoorradenmonitor en Materiaalmonitor (stromen) worden naast elkaar gelegd en geanalyseerd.

De opzet van dit rapport is als volgt. Eerst wordt uitgelegd hoe de materiaalvoorraden tot stand komen (hoofdstuk 2), daarna wordt de omvang en samenstelling van de materiaalvoorraden gepresenteerd (hoofdstuk 3), vervolgens wordt het verband tussen materiaalvoorraden en materiaalstromen gelegd (hoofdstuk 4) en tot slot volgt de conclusie over de resultaten en worden aanbevelingen gedaan (hoofdstuk 5).