Materiaalvoorradenmonitor 2020, 2022 en 2024

Over deze publicatie

Dit rapport richt zich op het monitoren van de omvang en samenstelling van materiaalvoorraden in Nederland. Het is opgesteld in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in het kader van het Werkprogramma Monitoring en Sturing Circulaire Economie. In dit rapport worden gegevens voor de jaren 2020, 2022 en 2024 gepresenteerd. De materiaalvoorraden worden gecategoriseerd naar gebouwen, infrastructuur, transport, energiesysteem en consumentengoederen. De materialen worden gecategoriseerd naar constructiematerialen, metalen, biobased materialen, kritieke materialen en overige materialen. Daarnaast wordt in dit rapport de koppeling gelegd tussen de materiaalvoorraden en de materiaalstromen.

Samenvatting

Het kabinet streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Om deze transitie te monitoren, is inzicht nodig in de materiaalvoorraden in de Nederlandse economie, de zogenoemde urban mine. De omvang van de voorraden geeft de potentiële secundaire grondstoffen weer, en de veranderingen in de voorraad is een indicatie voor de transitie naar een circulaire economie. De Materiaalvoorradenmonitor van het CBS, opgesteld in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), brengt deze materiaalvoorraden in kaart. In combinatie met informatie over materiaalstromen biedt dit belangrijke inzichten voor beleid gericht op grondstoffengebruik en de verdere transitie naar een circulaire economie. In de voorraden bevinden zich vooral mineralen en metalen ten opzichte van de materiaalstromen met relatief veel biomassa en fossiel. Aanbeveling voor vervolgonderzoek is analyse van het gebruik van de potentie van de urban mine.

De materiaalvoorraad in Nederland is licht toegenomen van 7103 miljard kilogram in 2020 naar 7194 miljard kilogram in 2024, hiermee lag de materiaalvoorraad 1,3 procent hoger dan in 2020. De grootste materiaalvoorraden bevinden zich in gebouwen en infrastructuur, die samen het grootste deel van de materialen in de economie bevatten, namelijk 7093 miljard kilogram in 2024 . De groei is vooral bij constructiematerialen in gebouwen. Daarnaast zijn er toenames zichtbaar in onderdelen van het energiesysteem, met name door de uitbreiding van windturbines en zonnepanelen. Consumentengoederen laten eveneens een lichte groei zien, terwijl de materiaalvoorraad in de scheepvaart afneemt.

1. Inleiding – waarom meten we materiaalvoorraden?

Het kabinet streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Het Werkprogramma Monitoring en Sturing Circulaire Economie heeft als doel om de door het kabinet uitgezette koers naar 2050 te kunnen monitoren en te evalueren en de overheid te voorzien van de kennis die nodig is voor de vormgeving of bijsturing van beleid (PBL, 2025a).

De winning van primaire grondstoffen en de verwerking tot producten dragen bij aan milieuveranderingen zoals broeikasgasemissies (PBL, 2025b). Om de transitie naar een circulaire economie te kunnen monitoren, is het van belang om te weten welke materiaalvoorraden er in de maatschappij zijn en hoe die zich ontwikkelen. In een circulaire economie wordt de inzet van primaire grondstoffen zo veel mogelijk door gebruik van secundaire materialen vervangen, die bijvoorbeeld gewonnen worden uit bestaande materiaalvoorraden, de zogenoemde urban mine (de stedelijke mijn). Denk hierbij aan de gebouwen, infrastructuur, transportmiddelen en consumentenproducten die aanwezig zijn in de economie en een bepaalde levensduur hebben. Dit rapport geeft inzicht in de urban mine van Nederland en daarmee de toekomstige beschikbaarheid voor het gebruik van secundaire materialen.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft het CBS gevraagd de Materiaalvoorradenmonitor samen te stellen ten behoeve van de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) en in het kader van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE). Dit onderzoek bouwt voort op de eerste editie van de Materiaalvoorradenmonitor (CBS, 2024a). Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft het onderzoek toen overgenomen van het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden (CML) en verder ontwikkeld.

De Materiaalvoorradenmonitor laat de omvang van de materialen - in miljarden kilogrammen -zien en geeft hiermee een nauwkeurig en volledig beeld van hoeveel materialen zich in de urban mine bevinden. Vervolgens zijn de veranderingen in de voorraden tussen 2020 en 2024 onderzocht inclusief bij welke materialen de mutaties plaatsvinden. Buiten de scope van dit onderzoek valt de vraag in hoeverre er al gebruik wordt gemaakt van de potentie van de urban mine. Er is een bepaalde hoeveelheid materialen opgeslagen in de maatschappij, hoe goed en wanneer wordt dit ingezet als secundair materiaal?

De focus van dit onderzoek ligt op de materiaalvoorraden in Nederland. Het doel is niet een internationale vergelijking mogelijk te maken. Hierbij zou je beter willen aansluiten op methoden van andere landen. De monitoring vindt elke twee jaar plaats om een goed beeld van de veranderingen in de voorraden te hebben. Met de nieuwste cijfers (2022, 2024) kan nu een (bescheiden) tijdreeks worden getoond voor de periode 2020-2024. Daarnaast is de methode verbeterd en zijn er onderdelen aangevuld voor een zo compleet mogelijk beeld van de materiaalvoorraden. De resultaten laten zien waar in Nederland welke materialen zijn opgeslagen, zoals hout in gebouwen, beton in bruggen, ijzer in auto’s, kritieke materialen in zonnepanelen, textiel in meubels en biobased materialen in consumentengoederen.

Naast de materiaalvoorraden meet het CBS ook de materiaalstromen in de zogeheten Materiaalmonitor. Dit zijn de materialen en goederen die in een jaar worden gebruikt door de Nederlandse maatschappij (Delahaye et al, 2023). Deze stromen worden geconsumeerd, geëxporteerd, worden afval of komen terecht in de voorraden. Daarnaast komen er ook materialen vrij uit de voorraden. De gegevens uit de Materiaalvoorradenmonitor en Materiaalmonitor (stromen) worden naast elkaar gelegd en geanalyseerd.

De opzet van dit rapport is als volgt. Eerst wordt uitgelegd hoe de materiaalvoorraden tot stand komen (hoofdstuk 2), daarna wordt de omvang en samenstelling van de materiaalvoorraden gepresenteerd (hoofdstuk 3), vervolgens wordt het verband tussen materiaalvoorraden en materiaalstromen gelegd (hoofdstuk 4) en tot slot volgt de conclusie over de resultaten en worden aanbevelingen gedaan (hoofdstuk 5).

2. Data en methoden – hoe worden materiaalvoorraden gemeten?

In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe de omvang en samenstelling van de materiaalvoorraden in Nederland gemeten worden. Eerst wordt de indeling van producten en materialen, de twee toegepaste benaderingen, de focus van de databronnen en de verslagjaren toegelicht (2.1). Daarna wordt per categorie - gebouwen, infrastructuur, energiesysteem, transport en consumentengoederen – de databronnen en methoden toegelicht (2.2-2.6).

2.1 Classificaties, benaderingen en vergelijkbaarheid

Classificaties van producten en materialen

De materialenvoorraad in deze monitor is ingedeeld in verschillende categorieën producten en materialen.

Classificatie producten:
1. Gebouwen
  • Woningen
  • Niet-woningen
2. Infrastructuur
  • Wegen
  • Spoor
  • Bruggen, tunnels en viaducten
  • Niet-asfaltverharding
  • Gemalen en sluizen
  • Kustverdediging
  • Waterproductie-installaties
  • Waterleidingen
  • Riolering, rioolgemalen en kolken
  • Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI)
3. Energiesysteem
  • Cv-ketels
  • Elektriciteitscentrales
  • Elektriciteitsinfrastructuur
  • Gasinfrastructuur
  • Gasinstallaties
  • Windturbines
  • Zonnepanelen
4. Transportmiddelen
  • Auto's
  • Fietsen en bromfietsen
  • Motorfietsen
  • Landbouwvoertuigen
  • Schepen
  • Treinen
  • Vliegtuigen
  • Vrachtwagens en bussen
5. Consumentengoederen
  • Textiel
  • Consumentenelektronica
  • Elektrische apparaten en machines
  • Overige consumentengoederen
Classificatie materialen:
1. Constructiematerialen
  • Beton
  • Baksteen
  • Asfalt
  • Grind, zand, klei, grond,
  • Gips
  • (Kalkzand) steen
  • Recyclinggranulaat en industriële reststoffen
  • Overige constructiemineralen
  • Overige constructiematerialen
2. Metalen
  • IJzer en staal
  • Zink
  • Lood
  • Legeringselementen (niet kritiek)
  • Overige metalen
3. Biobased materialen
  • Hout
  • Overige biobased materialen
4. Kritieke materialen

Al, Au, Ce, Co, Cu, Dy, Ga, Ge, Graphite, Hf, In, La, Li, Mg, Nb, Nd, Ni, Pd, Pr, Pt, Si, Ta, Tb, Ti, V, W, Y en ‘onbekend’

5. Overige materialen
  • Kunststoffen
  • Isolatiemateriaal
  • Glas
  • Keramiek
  • Textiel, ongespecificeerd
  • Overige materialen

De kritieke materialen (critical raw materials, CRM) zijn geclassificeerd conform de (inter)nationale richtlijnen van kritieke materialen (Raad van de EU, z.d.). De afkortingen van de kritieke materialen zijn uitgeschreven in bijlage 7.1. De indelingen en categorieën in dit onderzoek zijn gelijk aan die van de vorige Materiaalvoorradenmonitor om vergelijkingen in de tijd mogelijk te maken (CBS, 2024a). Her-categorisering is mogelijk als dit wenselijk is, aangezien de cijfers weer zijn opgebouwd uit gedetailleerde onderliggende gegevens. Denk aan het indelen van de producten naar de productgroepanalyses (PGA) van het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE), het samenvoegen van de nutsvoorzieningen ‘water’ en ‘energie’ of de materialen indelen naar de categorieën van de Materiaalstroommonitor: biomassa, metaal, mineraal en fossiel.

Twee methoden voor het meten van materiaalvoorraden

Er zijn twee methoden toegepast om de materiaalvoorraden te bepalen. De eerste gaat uit van de bestaande hoeveelheden, zoals aantallen of lengtes (van wegen) in combinatie met de materiaalsamenstelling. Deze methode wordt de stock-based methode genoemd. De hoeveelheid van het product wordt gekoppeld en vermenigvuldigd met de materialen in dit product. Bijvoorbeeld, het aantal auto’s wordt vermenigvuldigd met de kilogrammen ijzer per auto. Dit wordt gedaan met alle soorten auto’s en alle materiaalsoorten om een compleet beeld te krijgen. Deze methode is toegepast bij de berekening van de materiaalvoorraden in gebouwen, infrastructuur, transport en (grotendeels) het energiesysteem.

De tweede benadering is de put-on-market methode (POM-methode). Hierbij wordt gekeken naar de hoeveelheid product dat op de markt komt door de productie en import minus de export te nemen, in combinatie met informatie over levensduur. Deze methode is toegepast bij de berekening van de voorraden in consumentengoederen en gedeeltelijk bij het energiesysteem. Uitgebreide toelichting over de POM-methode is te vinden in hoofdstuk 2.6 over consumentengoederen.

Vergelijking door de tijd en internationaal

Dit onderzoek richt zich op de verslagjaren 2020, 2022 en 2024. De vorige editie van de materiaalvoorradenmonitor bevatte alleen 2020. De 2020-gegevens zijn gereviseerd zodat ze aansluiten bij de nieuwe jaren en een consistente vergelijking mogelijk is. Voor sommige producten konden echter geen cijfers over 2024 gemaakt worden omdat de brongegevens nog niet beschikbaar zijn. Waar dit speelt zijn data uit 2022 ingezet (zie de methodebeschrijving 2.2-2.6).

In de materiaalvoorradenmonitor zijn zo gedetailleerd mogelijke databronnen ingezet, met als voorwaarde hoge kwaliteit en de mogelijkheid van regelmatige actualisatie. Door het inzetten van gedetailleerde Nederlandse databronnen en registraties wordt er een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de omvang en samenstelling van de materiaalvoorraden in Nederland weergegeven. Dit is van belang voor nationale beleidsmakers van CE-beleid en de aansluiting met de Materiaalmonitor, daar waar dit onderzoek op focust. Tegelijkertijd zorgt dit er wel voor dat Internationale vergelijking lastiger wordt aangezien andere landen andere databronnen en methoden kunnen inzetten, met een ander detailniveau of andere uitsplitsingen. Als internationale vergelijking wenselijk is, is afstemming nodig over een geharmoniseerde aanpak.

2.2 Gebouwen

Met gebouwen worden zowel woningen (appartementen, vrijstaande woningen en rijtjeshuizen) als niet-woningen bedoeld. Niet-woningen, oftewel utiliteitsgebouwen, zijn gebouwen met een commerciële, industriële of maatschappelijke functie.

2.2.1 Methode

Voor de raming van de materiaalvoorraad in gebouwen is dezelfde stock-based methode gebruikt als in de vorige editie van de monitor (CBS, 2024a). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), waarin per gebouw informatie beschikbaar is over onder meer gebruiksoppervlakte, bouwjaar en gebruiksfunctie.

De materiaalsamenstelling per vierkante meter verschilt zowel naar functie als naar bouwperiode. De gebouwvoorraad in de BAG wordt op basis van deze kenmerken ingedeeld in cohorten (combinaties van functie en bouwperiode), die aansluiten bij de indeling van de beschikbare materiaalsamenstellingsgegevens. Op deze manier kan aan elk cohort een materiaalsamenstelling per vierkante meter worden gekoppeld.

BAG hanteert het principe van gebruiksoppervlakte (GO) per gebouw. GO is de oppervlakte van de ruimtes binnen een gebouw die daadwerkelijk kunnen worden gebruikt door de bewoners of gebruikers. Het omvat bijvoorbeeld de oppervlakte van de kamers, keukens, woonkamers, kantoren, enzovoort. Gangen, trappenhuizen en technische ruimtes worden niet meegerekend in de gebruiksoppervlakte, omdat deze ruimtes niet direct bruikbaar zijn.

Voor het berekenen van de totale oppervlakte van gebouwen is echter het bruto vloeroppervlakte nodig (BVO). BVO is de totale oppervlakte van alle verdiepingen van een gebouw, gemeten tussen de buitenmuren. Het omvat alle ruimtes, inclusief gangen, trappenhuizen, technische ruimtes, enzovoort. BVO omvat ook de muren en eventuele andere structurele elementen die tot het gebouw behoren. Daarom moet GO worden omgezet naar BVO, omdat anders een gedeelte van de gebouwen niet wordt meegenomen. Ook worden materiaalsamenstellingen doorgaans uitgedrukt per vierkante meter BVO.

De GO wordt omgerekend naar BVO met behulp van zogenoemde vormfactoren. Deze conversiefactoren verschillen per gebouwcohort en worden toegepast door de GO te delen door de bijbehorende vormfactor.

De BAG bevat informatie over onder meer oppervlakte, bouwjaar en gebruiksfunctie van gebouwen. De gebouwen met onbekende oppervlakte, 0,1 procent van het aantal gebouwen, zijn niet meegenomen in de berekening. Wanneer een gebouw meerdere functies heeft, wordt één dominante functie toegekend. Hiervoor hanteert het CBS de volgende voorkeursvolgorde van de BAG-functies:

  1. Woonfunctie, uitgesplitst naar verschillende woningtypes:
    • Vrijstaande woning
    • Twee-onder-een-kapwoning
    • Hoekwoning– Tussenwoning
    • Meergezinswoning
    • Onbekend
  2. Gezondheidszorg
  3. Onderwijs
  4. Industrie
  5. Winkel
  6. Kantoor
  7. Bijeenkomst
  8. Logies
  9. Sport
  10. Cel
  11. Overig

Deze 11 functies van gebouwen zijn gekoppeld aan de gegevens over materiaalsamenstelling per gebouwtype.

Veranderingen ten opzichte van vorige editie

Voor de berekening van de materiaalvoorraden in gebouwen is dezelfde methodiek toegepast als in de vorige editie. De vormfactoren waarmee de gebruiksoppervlakte uit de BAG wordt omgerekend naar bruto vloeroppervlak zijn daarbij ongewijzigd gebleven. Wel zijn er ten opzichte van de vorige editie drie veranderingen: de BAG-gegevens zijn geactualiseerd, de materiaalsamenstellingen zijn vernieuwd en in de oppervlakteraming is een correctie doorgevoerd voor een foutieve dubbeltelling. Deze aanpassingen leiden tot bijgestelde resultaten.

De BAG wordt regelmatig geactualiseerd, onder meer doordat gemeenten en andere dataleveranciers wijzigingen niet gelijktijdig aanleveren. Daardoor kan het totale gebruiksoppervlak voor 2020 licht afwijken van de vorige rapportage. Ten tijde van deze berekening waren nog geen BAG-gegevens voor 2024 beschikbaar. Daarom zijn de berekeningen uitgevoerd voor 2020 en 2022, waarbij voor de totaalresultaten in 2024 (hoofdstuk 3.1) gebruik is gemaakt van de gegevens uit 2022.

Recent hebben het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) en Structural Collective nieuwe materiaalsamenstellingen gepubliceerd (EIB & Structural Collective, 2026). Deze data kunnen worden beschouwd als een update van de eerder gebruikte EIB- en Metabolic-gegevens. De nieuwe materiaalsamenstellingen sluiten grotendeels aan op dezelfde gebouwtypen en bouwjaarcohorten als in de vorige raming. Wel is binnen onderwijs onderscheid gemaakt tussen kleine en grote gebouwen, en zijn voor hoekwoningen en logies aparte materiaalsamenstellingen beschikbaar. De cohorten lopen tot en met bouwjaar 2018; voor gebouwen die na 2018 zijn gerealiseerd, is daarom eveneens het cohort tot en met 2018 toegepast.

Tabel 2.2.1 toont de koppeling naar gebouwtypen tussen de gehanteerde vormfactoren (EIB & Metabolic, 2020; zie ook vorige materiaalvoorradenmonitor) en de vernieuwde categorieën voor de materiaalsamenstellingen.

2.2.1. Koppeling gebouwtype en vormfactor aan categorieën voor materiaalsamenstelling
Gebouwtype materiaalsamenstellingGebouwfunctie en grootte in BAGVormfactor
kantoor_kleinBijeenkomst <1.000 m20,95
kantoor_grootBijeenkomst 1.000–10.000 m20,91
kantoor_grootBijeenkomst >10.000 m20,92
zorgCel0,88
zorgGezondheidszorg0,9
hoekwoningHoekwoning0,67
Industrie (samenstelling van
gebouwtypen bedrijfshal en distributie)
Industrie0,97
kantoor_kleinKantoor <1.000 m20,92
kantoor_grootKantoor 1.000–10.000 m20,9
kantoor_grootKantoor >10.000 m20,89
logiesLogies0,91
appartementMeergezinswoning0,92
onderwijs_kleinOnderwijs <1.000 m20,92
onderwijs_grootOnderwijs >1.000 m20,93
overig_klein (samenstelling
van gebouwtypen kleine niet-woningen)
Overig <1.000 m20,91
overig_groot (samenstelling
van gebouwtypen grote niet-woningen)
Overig >1.000 m20,91
woning_overig (samenstelling
van gebouwtypen vrijstaand, serieel,
appartement en hoekwoning)
Overige woningen0,74
kantoor_kleinSport <1.000 m20,9
bedrijfshalSport >1.000 m20,97
serieelTussenwoning0,69
vrijstaandTwee-onder-een-kapwoning0,75
vrijstaandVrijstaande woning0,67
winkelWinkel0,91

Bij de eerder gebruikte materiaalsamenstellingen was het niet altijd duidelijk welke onderdelen precies waren meegenomen (zoals specifieke bouwlagen of producten). Met de nieuwe levering is het wel duidelijk welke bouwelementen binnen de materiaalsamenstellingen vallen. In de nieuwe dataset kan ook onderscheid gemaakt worden naar functionele lagen binnen gebouwen. Dit zijn de volgende functielagen: funderingen, ruwbouw, afbouw, afwerkingen, installaties (elektrotechnisch en werktuigbouwkundig) en vaste voorzieningen. Hierdoor kan onderscheid worden gemaakt tussen relatief permanente materialen, zoals funderingen en ruwbouw, en meer vervangbare onderdelen, zoals installaties en andere onroerende goederen. Dit biedt nieuwe mogelijkheden om in beeld te brengen welke materialen op kortere termijn potentieel beschikbaar kunnen komen vanuit de urban mine.

In deze materiaalsamenstellingen van gebouwen zijn enkele elementen opgenomen die ook al worden meegenomen in de onderdelen energiesystemen (zonnepanelen, cv-ketels) en consumentengoederen (warmtepompen). Hiervoor is een correctie toegepast door de voorraden van deze productgroepen in mindering te brengen op de totale materiaalvoorraad van gebouwen.

Verbouwingen en aanpassingen die in de loop der tijd plaatsvinden, zijn in de toegepaste materiaalsamenstellingen niet meegenomen. In bijlage 7.2 wordt verkend op welke wijze deze in toekomstige ramingen kunnen worden bijgesteld. 

2.3 Infrastructuur

Grond-, weg- en waterbouw (GWW)

De grond-, weg- en waterbouw (GWW) omvat alle fysieke structuren en systemen die nodig zijn voor vervoer; wegen, spoor, bruggen, tunnels, viaducten en voetpaden en andere niet-asfaltverharding. En alle fysieke structuren en systemen die nodig zijn voor waterbeheer; gemalen, sluizen en kustverdediging.

In de vorige editie van de materiaalvoorradenmonitor zijn de materiaalvoorraden van de infrastructuur van GWW overgenomen uit de studie van het Centrum voor Milieuwetenschappen (CML) (CBS, 2024a). De koppeling tussen aantallen uit het Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en materialen van Metabolic kan niet goed gemaakt worden (EIB & Metabolic, 2022). Deze twee databronnen hebben namelijk een andere indeling. De meest recente inzichten uit het nieuwste rapport ‘Materiaalstromen en milieubelasting in de bouw en infra’ (EIB & Structural Collective, 2026) verschenen vrijwel gelijktijdig met deze publicatie en worden daarom niet meegenomen. Om toch een actualisatie te maken van de materialen in de GWW, zijn ontwikkelingen in de tijd ingezet om de trends te kunnen weergeven.

De ontwikkeling van de lengte van wegen is gezet op wegen, bruggen, niet-asfaltverharding, tunnels en viaducten. Deze kan als proxy dienen. De databron voor de lengte van de wegen is StatLine (CBS, 2026a).

De ontwikkeling van het spoor is ingezet op het spoor. De databron voor de lengte van het spoor is StatLine (CBS, 2025a).

De aanname is gedaan dat de aantallen gemalen, sluizen en kustverdediging gelijk blijven in de periode 2020-2024. De materiaalsamenstelling van infrastructuur is in dit onderzoek niet geactualiseerd.

Waterinfrastructuur

Waterinfrastructuur betreft de systemen en installaties die nodig zijn voor de productie, distributie, afvoer en zuivering van water. Dit omvat zowel de Waterproductie-installaties en waterleidingen voor het drinkwater, als de riolering, rioolgemalen, kolken en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) voor het afvalwater. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van waterinfrastructuur te bepalen.

Waterproductie-installaties

Nederland heeft tien drinkwaterbedrijven die elk hun eigen gebied voorzien van drinkwater, uit onttrokken en gezuiverd grondwater en oppervlaktewater. Hun waterproductie-installaties produceren het drinkwater dat door huishoudens en bedrijven wordt gebruikt. Voor het bereken van de materiaalvoorraden van de waterproductie-installaties is een gemiddelde materiaalsamenstelling ingezet op elke installatie. De databron voor dit gemiddelde is CML, op basis van verschillende life cycle analyses (LCA) studies (CML & CBS, 2022). Er zijn 216 waterproductie-installaties in 2018 (RIVM 2020). Er wordt vanuit gegaan dat dit aantal constant is gebleven.

Waterleidingen

Het geproduceerde drinkwater van de waterproductie-installaties wordt vervoerd naar de gebruikers via waterleidingen. De materiaalvoorraad van deze waterleidingen is berekend uit de verhouding materiaal per kilometer waterleiding (Vewin, 2022). Vervolgens zijn deze percentages verrekend met het gemiddelde gewicht per kilometer waterleiding, rekening houdend met verschillende soorten pijpleidingen en diameters (van der Bent, 2022). Deze materiaalsamenstelling wordt vermenigvuldigd met de lengte van de waterleidingen per jaar. De lengte van de waterleidingen is in de onderzochte jaren stapsgewijs gestegen van 120 naar 122 duizend kilometer (Vewin, 2020, 2022, 2024).

Riolering

Na gebruik van het drinkwater door huishoudens en bedrijven stroomt het water in de riolering. Riolering is een systeem van leidingen en buizen dat het afvalwater en regenwater vanuit huizen, gebouwen en straten afvoert naar een centrale zuiveringsinstallatie of een lozingspunt. De materiaalvoorraad van riolering wordt als volgt berekend: de materiaalsamenstelling per kilometer (van der Bent, 2022) wordt vermenigvuldigd met de rioollengte in kilometers (RIONED, 2025).

Rioolgemalen

Een rioolgemaal is een installatie die wordt gebruikt om afvalwater van een lager naar een hoger gelegen gebied in het rioleringsstelsel te pompen. Deze zijn in het beheer van gemeenten en waterschappen. De materiaalsamenstelling per rioolgemaal (van der Bent, 2022) wordt vermenigvuldigd met het aantal rioolgemalen. Het aantal rioolgemalen is bekend voor de jaren 2016 en 2024. Om de tussenliggende jaren te berekenen is uitgegaan van een lineaire stijging. Rioolgemalen in beheer van gemeenten (RIONED, 2025) en in het beheer van waterschappen (Unie van Waterschappen, z.d.) worden beide meegenomen voor een volledig beeld.

Kolken

Kolken zijn de putten op straat: de inlaatconstructies die zijn ontworpen om overtollig water van de stedelijke oppervlakten te verzamelen en te transporteren. De materiaalsamenstelling van kolken wordt vermenigvuldigd met het aantal kolken (van der Bent, 2022). Er is één datapunt, namelijk 7 miljoen kolken in 2012. Om het aantal kolken tot en met 2024 te berekenen is er gerekend met het aantal kolken per kilometer riolering in 2012. Vervolgens is de lengte van de riolering voor de desbetreffende jaren ingezet en daarmee het aantal kolken ingeschat.

Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s)

Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) zuiveren het rioolwater waarna het wordt geloosd op het oppervlaktewater zoals kanalen, beken en plassen. De RWZI’s worden beheerd door de waterschappen. Ze ontvangen het stedelijk afvalwater via de riolering van gemeenten, maar grote bedrijven kunnen ook direct op een RWZI zijn aangesloten. De materiaalsamenstelling per RWZI (STOWA, 2022) wordt vermenigvuldigd met het aantal RWZI’s (CBS, 2025b).

2.4 Energiesysteem

Het energiesysteem bestaat uit het elektriciteitssysteem en het warmtesysteem. Het elektriciteitssysteem is opgedeeld in windturbines, zonnepanelen, elektriciteitscentrales, elektriciteitskabels en -lijnen, hoogspanningsmasten, substations en transformers. Onder het warmtesysteem vallen cv-ketels, gasinfrastructuur en gasinstallaties. Airconditioners en warmtepompen worden meegenomen bij de berekening van de consumentengoederen, beschreven in hoofdstuk 2.6. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van het energiesysteem te bepalen.

Electriciteitssysteem

Windturbines

De afgelopen jaren groeit het aantal windturbines (windmolens) in Nederland. In 2024 telde Nederland 3.187 windturbines, in 2014 waren dit er 2.124 (CBS, 2026b). De groei komt voornamelijk door het aantal windturbines op zee. Deze zijn in sinds 2014 toegenomen van 96 tot 670 in 2024.

De gebruikte materialen voor windturbines op zee verschillen met die op land. Ook heeft het soort aandrijving, direct drive of gearbox, invloed op de materialen. De verdeling van windturbines op land, op zee, direct drive en gearbox is te zien in tabel 2.4.1 en is gebaseerd op eerder onderzoek (Van Oorschot, 2020).

2.4.1 verdeling windturbines met een gearbox of direct drive aandrijving (%)
GearboxDirect drive
Op land4753
Op zee1000

De materiaalsamenstelling van de vier verschillende type windturbines is bepaald bij een eerder onderzoek uitgevoerd door CML en het CBS (Van Oorschot, 2020). Dit is, net als in de materiaalvoorradenmonitor 2024, overgenomen in het huidige onderzoek (CBS, 2024a). De materiaalsamenstelling is bekend per megawatt aan opgesteld vermogen. Het totaal aan opgesteld vermogen aan windturbines is bekend bij het CBS voor zowel windturbines op land als op zee (CBS, 2026b). Tabel 2.4.1 is vervolgens gebruikt om het totaal opgesteld vermogen aan windturbines met gearbox en direct drive aandrijving te bepalen.

Om tot de materiaalvoorraad te komen is het totaal aan megawatt opgesteld vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.

Zonnepanelen

De materiaalvoorraad aan zonnepanelen is op twee verschillende manieren berekend. De eerste is volgens de stock-based methode: het totale opgestelde vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. De tweede is gebaseerd op de POM-methode, die ook werd gebruikt voor het berekenen van de materiaalvoorraad aan consumentengoederen (hoofdstuk 2.6). Samengevat: de instromen van materialen voor zonnepanelen zijn bekend, de uitstromen worden geschat met behulp van de verwachte levensduur van zonnepanelen, en het verschil daartussen wordt toegevoegd aan de voorraad. Door het optellen van alle ‘net-additions-to-stock’, wordt een inschatting gemaakt van de materiaalvoorraad aan zonnepanelen.

In het vorige rapport is de voorraad zonnepanelen berekend volgens de stock-based methode (CBS, 2024a). In het huidige onderzoek is besloten dat te herhalen en de stock-based methode als uitgangspunt te nemen. De materiaalvoorraad aan zonnepanelen is vervolgens ook berekend via de POM-methode en gebruikt om de uitkomst mee te vergelijken (zie hoofdstuk 3.4.1).

Voor het berekenen van de voorraad zonnepanelen met de stock-based methode is het opgesteld vermogen nodig. Dit is te vinden op StatLine (CBS, 2026b). Hieruit blijkt dat de hoeveelheid elektriciteit opgewekt door zonnepanelen de afgelopen jaren fors is gegroeid. In 2014 was het opgesteld vermogen 1.007 megawatt aan zonnepanelen. In 2024 was dit 24.772 megawatt van in totaal ruim 3,1 miljoen installaties (CBS, 2026b).

Er zijn verschillende soorten zonnepanelen en de materiaalsamenstelling verschilt per type. In dit onderzoek wordt er onderscheid gemaakt tussen vier verschillende soorten zonnepanelen: c-Si, a-Si, CdTe en CIGS. De verhouding van het marktaandeel van deze type zonnepanelen staat in tabel 2.4.2 en is gebaseerd op eerder onderzoek (CML & CBS., 2022, Carrara et al., 2022, Viebahn et al., 2015)

2.4.2 verdeling naar soort zonnepaneel, 2020 (%)
Aandeel
c-Si89
a-Si3
CdTe0
CIGS8

De materiaalsamenstelling van de vier verschillende type zonnepanelen is bepaald bij een eerder onderzoek uitgevoerd door CML en CBS (Van Oorschot, 2020). Dit is, net als in de materiaalvoorradenmonitor 2024, overgenomen in het huidige onderzoek (CBS, 2024a). De materiaalsamenstelling is bekend per megawatt aan opgesteld vermogen. Het totale opgestelde vermogen zonnepalen is bekend bij het CBS (CBS, 2026b). Tabel 2.4.2 is vervolgens gebruikt om het totaal vermogen van type c-Si, a-Si, CdTe en CIGS te bepalen.

Om tot de materiaalvoorraad te komen, is het totaal aan megawatt opgesteld vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.

Elektriciteitscentrales

Er zijn verschillende typen elektriciteitscentrales die elk een andere materiaalsamenstelling hebben. In dit onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen biomassa & afval, kolen, gas, kernenergie en waterkracht. In Nederland zijn nog geen werkende waterstofcentrales, waardoor deze achterwege zijn gelaten.

Het werk van Sullivan et al. (2012), Moss et al. (2013) en de database van ecoinvent (Wernet et al., 2016) zijn gebruikt om het aantal kilogram materiaal per megawatt aan opgesteld vermogen aan elektriciteitscentrales te berekenen. Hierin is aangenomen dat de materiaalsamenstelling van afvalelektriciteitscentrales vergelijkbaar is met de biomassa-elektriciteitscentrales. Er was geen literatuur beschikbaar over de hoeveelheden kritieke metalen in biomassa- en elektriciteitscentrales. Hiervoor zijn dezelfde hoeveelheden genomen als die van kolencentrales.

Het totaal opgesteld vermogen aan elektriciteitscentrales komt uit de volgende bronnen:

Om tot de materiaalvoorraad te komen is het totaal aan megawatt opgesteld vermogen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per megawatt aan opgesteld vermogen. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.

Elektriciteitsinfrastructuur

Elektriciteitsinfrastructuur bestaat uit kabels en lijnen, hoogspanningsmasten en substations en transformers. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van het electriciteitsinfrastructuur te bepalen.

Elektriciteitskabels en –lijnen

Elektriciteitskabels en -lijnen zijn essentieel om elektriciteit te transporteren van de elektriciteitscentrales naar woningen, bedrijven en industrie. De materiaalsamenstelling van kabels en lijnen voor het transporteren van hoogspanning, middenspanning en laagspanning verschilt en is apart bepaald in een eerder onderzoek (Van Oorschot, 2020). De materiaalsamenstelling is bepaald in het aantal kilogram materiaal per kilometer kabel en lijn. Het aantal kilometer aan elektriciteitskabels en -lijnen komt van Netbeheer Nederland (Publicaties | Netbeheer Nederland). Om tot de totale materiaalvoorraad te komen is vervolgens het aantal kilometer aan elektriciteitskabels en -lijnen vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per kilometer. Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024.

Hoogspanningsmasten

In Nederland zijn vier typen hoogspanningsmasten, voor kabels van 110kV, 150kV, 220kV en 380kV. Deze verschillen van grootte en daarom van materiaalsamenstelling. In het werk van Harrison et al. (2010) is de materiaalsamenstelling vastgesteld van drie type masten, die voor kabels van 132kV, 275-400kV en 400 kV. De verhouding tussen deze masten is geschat op basis van de verhoudingen tussen 110, 150, 220 en 380 kV masten in Nederland die vastgesteld zijn in documentatie van Netbeheer Nederland (geraadpleegd maart 2024). Voor het kwantificeren van de aantallen hoogspanningsmasten is gebruik gemaakt van openbare ruimtelijke data van Tennet via ArcGIS (2019). Om tot de materiaalvoorraad te komen is vervolgens het totaal aantal hoogspanningsmasten vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling van één hoogspanningsmast. Dit is gedaan voor 2020 en 2022. Van 2024 was nog geen data beschikbaar over het aantal hoogspanningsmasten en is hetzelfde aantal genomen als in 2022.

Substations en transformers

Het werk van Harrison et al. (2010) en ruimtelijke data van Tennet (ArcGis, 2019) zijn gebruikt voor het bepalen van het aantal kilo materiaal per substation en transformer.

Het aantal substations en transformers is berekend op basis van het aantal kilometer elektriciteitskabel (tabel 2.4.3), afkomstig uit Van Oorschot et al. (2020). Dit is gedaan voor 2020, 2022 en 2024.

2.4.3 aantal substations en transformers per kilometer elektriciteitskabel voor hoog-, midden-, en laagspanning
aantal/kmHoogspanningMiddenspanningLaagspanning
BronHarrison et al., 2010Turconi et al., 2014Turconi et al., 2015
Substation0,02890,0120,726
Transformer0,04860,0190,726

Warmtesysteem

Cv-ketels

Een groot deel van de huishoudens verwarmt de woning met een cv-ketel. In 2022 ging het om 82% van de woningen (CBS, 2024a). Om tot het aantal cv-ketels te komen is het aantal huishoudens vermenigvuldigd met het aantal woningen met een cv-ketel. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt:

De materiaalsamenstelling van cv-ketels komt uit het werk van Oliver-Solà et al. (2009).

Om tot de materiaalvoorraad te komen is vervolgens het aantal cv-ketels vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling per cv-ketel. Dit is gedaan voor 2020 en 2022. Van 2024 waren nog geen data beschikbaar over het aandeel huishoudens dat de woning verwarmt met een cv-ketel. Daarom is het percentage genomen uit 2022.

Gasinfrastructuur

Het aantal kilometer aan leidingen in de gasinfrastructuur van 2020 komt uit GIS-data van 7 van de 9 Nederlandse netbeheerders. De informatie voor het berekenen van de materiaalsamenstelling van de Nederlandse aardgasinfrastructuur komt van netbeheerder Enexis (diameter en geometrie) en van gasleiding fabrikant Walraven (wanddikte). Om de doorsnede van de buis te berekenen is de volgende formule gebruikt:

\(Pijpleiding\:doorsnede\:(m^2)\:=\:(\pi\:*\:r^2)\:-\:(\pi\:*\:(r\:-\:wanddikte)^2)\)

Het soortelijk gewicht voor alle genoemde materialen is gebruikt om de massa van de materialen in het netwerk te berekenen. Hiervoor is de volgende formule gebruikt:

\(Massa\:pijp\:(kg)=doorsnede\:pijp\:(m^2)\:*\:lengte\:(m)\:*\:specifiek\:gewicht\:\left(\frac{kg}{m^3}\right)\)

Voor 2022 en 2024 zijn dezelfde data voor het aantal kilometer in de gasinfrastructuur gebruikt als voor 2020.

Gasinstallaties

De jaarlijkse aardgasproductie van Nederland, afkomstig van de Rijksoverheid, wordt gebruikt om de totale voorraad materiaal in gasinstallaties te bepalen. De hoeveelheid kilo materiaal per Nm3 aan aardgasproductie voor de gasinstallaties is afkomstig uit de ecoinvent 3.8 database (Wernet et al., 2016).

Warmtenetten zijn vooralsnog niet meegenomen in de voorraden van deze studie, wel is hier recentelijk een verkenning naar gedaan door EIB Structural Collective (EIB & Structural Collective, 2026).

2.5 Transport

De materiaalvoorraden van de transportmiddelen in Nederland bestaan uit fietsen, auto’s, motorfietsen, brom- en snorfietsen, vrachtwagens, bussen, landbouwvoertuigen, treinen, schepen en vliegtuigen inclusief luchtballonnen. De stock-based methode is toegepast om de materiaalvoorraden van transport te bepalen.

Fietsen

De materiaalvoorraden in fietsen zijn berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal fietsen (BOVAG-RAI, 2025). Beide databronnen geven een uitsplitsing van reguliere en elektrische fietsen en zijn ook op deze manier aan elkaar gekoppeld.

Auto’s, motorfietsen, brom- en snorfietsen

De materiaalvoorraden in auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen zijn berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen (CBS, 2026d, 2026e en 2026f). De materiaalsamenstelling van auto’s is opgesplitst in brandstof, hybride en elektrische auto’s en de aantallen zijn opgesplitst in brandstofauto’s enerzijds en hybride en elektrisch anderzijds. De materiaalsamenstelling van elektrische auto’s is aan de groep hybride en elektrische auto’s gekoppeld. Om de omvang van materialen in motorfietsen te berekenen is de materiaalsamenstelling van bromfietsen ingezet, aangezien aparte informatie over materiaalsamenstellingen voor motorfietsen ontbreekt. Bij motorfietsen wordt geen uitsplitsing naar elektrisch gemaakt. Bij brom- en snorfietsen zijn de materiaalsamenstelling en de aantallen beiden opgesplitst in brandstof en elektrisch en worden ze zo gekoppeld.

Voor auto’s, motorfietsen en bromfietsen worden in deze voorradenmonitor nu ook alle niet-verzekerde voertuigen meegenomen, dit gaat om respectievelijk 2 procent, 10 procent en 10 procent van hun totalen. StatLine bevat informatie over de actieve auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen die zijn geregistreerd en mogen deelnemen aan het verkeer op de openbare weg, maar is exclusief auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen die niet verzekerd zijn. De aantallen worden daarom aangevuld met niet-verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen, waarvoor informatie tot en met 2022 beschikbaar is (CBS, 2022). Om het verslagjaar 2024 te berekenen voor de niet verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen is de verhouding van wel/niet verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen in 2022 ingezet. Ook is deze informatie zonder de uitsplitsing naar elektrische auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen. De aanname is daarbij gedaan dat alle niet-verzekerde auto’s, motorfietsen en brom- en snorfietsen niet elektrisch zijn. Voor het totale gewicht van elektrische bromfietsen is de waarde van een reguliere bromfiets genomen.

Vrachtwagens en bussen

De materiaalvoorraden in vrachtwagens en bussen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal vrachtwagens en bussen (CBS, 2026e). De gegevens over de materiaalsamenstelling van vrachtwagens zijn uitgesplitst in light commercial vehicle (LCV), medium freight truck (MFT) en heavy freight truck (HFT). De gegevens over het aantal vrachtwagens zijn niet uitgesplitst op deze categorieën; daarom is ervoor gekozen om de materiaalsamenstelling van MFT te nemen, dit scheelt maximaal 7% ten opzichte van de materiaalsamenstelling van LCV en HFT.

Landbouwvoertuigen

De materiaalvoorraden in landbouwvoertuigen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal landbouwvoertuigen (CBS, 2025d). Gegevens over aantallen landbouwvoertuigen bestaat uit tractoren, aanhangers en mobiele machines. Alleen het verslagjaar 2025 is bekend, dit is ingezet voor de jaren 2020, 2022 en 2024 zonder aanpassingen.

Treinen

De materiaalvoorraden in treinen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal treinen (Treinenweb, z.d.). De gegevens over de materiaalsamenstelling bestaat uit fracties per materiaalsoort en het gewicht van een gemiddelde locomotief en verschillende treinsoorten zoals Thalys. De databron over aantallen treinen is echter van lage kwaliteit en zonder duidelijke actualisatie van de gegevens. De gegevens over het aantal treinen worden uitgesplitst naar treinen ‘in gebruik’ en ‘afgevoerd’ en ook afgevoerde treinen zijn meegenomen in de berekening van de omvang van de materiaalvoorraden voor een completer beeld.

Schepen

De materiaalvoorraden in schepen zijn berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal schepen. Voor schepen hebben we informatie over zeeschepen (NML, 2023) en de binnenvaart (CBS, 2026g). Zowel in de materiaalsamenstelling als in de aantallen kan dit onderscheid gemaakt worden. Gegevens over het aantal zeevaartschepen in 2024 zijn nog niet beschikbaar; daarom zijn 2022-data ingezet. Eventuele verdere daling van het aantal zeevaartschepen in 2024 zit daarom niet in de cijfers, wegens ontbrekende brondata. De databron wordt niet meer voortgezet, aanbeveling is om een nieuwe databron te verkennen om daze datalacune te vullen.

Het aantal schepen in de zeevaart is gedaald van 1.220 in 2020 naar 1.146 in 2022. Het aantal schepen in de binnenvaart is ook gedaald, namelijk van 4.866 in 2020 naar 4.890 in 2022 naar 4.614 in 2024. Dit geeft is een daling van 5 procent. Sinds 2011 daalt het aantal geleidelijk. Er vindt schaalvergroting plaats, de schepen worden groter. Het aandeel grote binnenvaartschepen is daarmee toegenomen, maar aangezien er geen uitsplitsing is in de materiaalsamenstelling kan dit onderscheid niet gemaakt worden om de materiaalvoorraden te berekenen. In de afgelopen jaren spelen ook internationale politieke spanningen een rol. Sommige binnenvaartscheepseigenaren kiezen er daarom voor hun binnenvaartschip niet meer onder Nederlandse vlag te registreren, maar in een ander land. Daarnaast worden de eisen aan binnenvaartschepen op het gebied van duurzaamheid en techniek steeds strenger. Hierdoor verdwijnen sommige oudere binnenvaartschepen uit de Nederlandse vloot. Samen zorgt dit ervoor dat het aantal binnenvaartschepen onder Nederlandse vlag afneemt (NML, 2025).

Vliegtuigen

De materiaalvoorraden in vliegtuigen is berekend door de materiaalsamenstelling (van der Zaag, 2020) te vermenigvuldigen met het aantal vliegtuigen (CBS, 2026h). De modeltypen die zijn meegenomen zijn A330, B747, B767, B777, B787 en luchtballonnen.  

2.6 Consumentengoederen

Consumentengoederen zijn verdeeld in vier verschillende categorieën: consumentenelektronica, elektrische machines, textiel en overige consumentengoederen.

In bijlage 7.3 staan de producten die vallen onder deze categorieën. De materiaalvoorraad van de consumentengoederen is bepaald aan de hand van de POM-methode. De methode wordt in de volgende paragrafen beschreven. De materiaalvoorraad van de consumentengoederen is berekend voor 2020, 2022 en 2024, waarbij het in 2024 gaat om voorlopige cijfers.

Algemene methodiek stroombenadering voorraden

De voorraad van de hierboven genoemde productgroepen is bepaald op basis van de POM-methode. De stromen van materialen en producten worden gevolgd door de gehele levenscyclus, vanaf productie en gebruik tot aan het moment van afvalverwijdering of recycling.

In studies waarin voorraden worden ingeschat op basis van stromen, wordt gerekend met een net-addition-to-stock. Instromen zijn bekend, uitstromen worden ingeschat met behulp van een geschatte levensduur, en het verschil daartussen wordt geacht te worden toegevoegd aan de voorraad. Als de tijdreeksen maar lang genoeg zijn, kan door het optellen van alle net-additions-to-stock een inschatting worden verkregen van de voorraad zelf (zie o.a. Krausmann et al., (2017)). Hieruit volgt dat voor een stroombenadering een tijdreeks nodig is die minimaal zo lang is als de levensduur van de toepassingen. De stroom kan gedefinieerd zijn in massa (kg), in kilogram van een bepaald materiaal, of in termen van een product of dienst. In het laatste geval is nog een vertaalslag nodig om vandaar tot een inschatting van de materiaalvoorraad te komen.

CBS-methode put-on-market

In de afgeleide methode die het CBS hanteert voor de stroombenadering worden de consumptie, de hoeveelheid afval die vrijkomt per jaar en levensduur berekend om zo de voorraad te bepalen (figuur 2.6.1). De data zijn beschikbaar vanaf 2007 en zijn teruggerekend tot 1980. Per productgroep wordt een tijdreeks gemaakt van de op de markt gebrachte producten.

2.6.1 De materiaalvoorraad van consumentengoederenDe materiaalvoorraad van consumentengoederen is berekend via de consumptie, afval en levensduur van goederen. De consumptie van goederen bestaat uit productie plus import minus export. De consumptie samen met de levensduur van producten geeft de productie van afval. De consumptie samen met afval heeft invloed op de urban mine. De urban mine is de materiaalvoorraad van consumentengoederen bij huishoudens, bedrijven en overheden. L e v ensduur C onsumptie v an goede r en (P r oductie + Impo r t − Expo r t) Urban Mine: in gebrui k sfase bij huishoudens , bedrij v en en o v erheden A f v al 2.6.1 De materiaalvoorraad van consumentengoederen

Figuur 2.6.1 De materiaalvoorraad van consumentengoederen is berekend via de consumptie, afval en levensduur van goederen. De consumptie van goederen bestaat uit productie plus import minus export. De consumptie samen met de levensduur van producten geeft de productie van afval. De consumptie samen met afval heeft invloed op de urban mine. De urban mine is de materiaalvoorraad van consumentengoederen bij huishoudens, bedrijven en overheden. 

De volgende productcategorieën worden niet onderzocht omdat ze leiden tot dubbeltellingen, niet-relevante materialen bevatten of geen gegevens hierover beschikbaar zijn:

  • Producten met korte levensduren (minder dan 12 maanden)
  • Grondstoffen
  • Halffabricaten
  • Onderdelen van producten
  • Infrastructuur
  • Chemische industrie

De consumptie is bepaald door de productie op te tellen bij de import en daar vervolgens de export van af te trekken. Deze methode is een afgeleide van de methodiek van het ProSUM project (ProSUM, 2019) waaraan het CBS eerder heeft meegedaan (Van Straalen et al, 2016). In het ProSUM project zijn internationale datasets van Eurostat gebruikt. Deze bevatten voornamelijk bij de productiecijfers soms lege cellen om onthulling van vertrouwelijke data tegen te gaan.

Bij de categorie consumentenelektronica is de hoeveelheid afval afgeleid met een tijdreeks van consumptiecijfers (verkoop van goederen) in combinatie met de levensduurprofielen. Het verschil tussen deze consumptiecijfers en de hoeveelheid afval is de voorraad.

Berekening consumptie

De brondata zijn de Internationale Handel (IH) en Productie (Prodcom) statistieken afkomstig van het CBS. In tegenstelling tot het ProSUM project wordt gebruik gemaakt van de onderliggende beveiligde en meer gedetailleerde gegevens die enkel binnen het CBS beschikbaar zijn, waardoor de kwaliteit beter is. De IH-data zijn al beschikbaar in gewicht, dus er hoeft niet van stuks naar gewicht omgerekend te worden, wat wel nodig is bij de Eurostatdata die bij ProSUM worden ingezet. De Nederlandse IH-data zijn echter pas vanaf 2004 beschikbaar. Voor 1995 t/m 2003 wordt daarom gebruik gemaakt van de Nederlandse IH-data zoals gepubliceerd bij Eurostat. Voor deze jaren moeten stuks wel omgerekend worden naar gewicht.

Conversietabellen zijn nodig om de goederenclassificaties uit deze bronnen om te zetten naar de Materiaalmonitor codes voor overige producten. Hieronder worden alle hulptabellen die nodig zijn geweest om consistente cijfers te krijgen kort besproken (tabellen zijn niet bijgevoegd bij het rapport, indien gewenst kan het worden opgevraagd).

  • Tabel A Conversiefactoren IH met gewicht per unit (rapportage eenheid, meestal stuks) en waarde in euro’s per kg. Data zijn afkomstig uit de internationale handelsdata.
  • Tabel B Conversiefactoren prodcom met gewicht per unit (rapportage eenheid, meestal stuks) en waarde in euro’s per kg.
  • Tabel C Stage of production. Deze tabel is afkomstig van Eurostat en bevat naast de IH-codes, de productfase. De volgende 3 codes worden onderscheiden:
    • [SM_FIN] Stage of Manufacturing - finished products
    • [SM_RAW] Stage of Manufacturing - raw products
    • [SM_SFIN] Stage of Manufacturing - semi-finished products
    Alleen IH-codes die finale producten bevatten worden meegenomen in de berekeningen, omdat deze in de voorraden terechtkomen. Er wordt verondersteld dat ruwe en halffabricaten alleen worden ingezet voor het maken van andere producten.
  • Tabel D Levensduur op de markt gebrachte goederen per Materiaalmonitor goederengroep. Deze lijst bevat de gemiddelde levensduur die nodig is om de op de markt gebrachte goederen als afval te verdelen over de volgende jaren voor de publicatie van de Materiaalmonitor. Deze verdeling gaat op basis van een normaalverdeling. Als standaarddeviatie wordt steeds de gemiddelde levensduur gedeeld door 2,5 aangehouden.
  • Tabel E Conversiefactoren naar materialen en elementen:
    De materiaalsamenstelling van producten wordt gebruikt zoals door CML samengesteld, waarbij een keuze is gemaakt uit vijf verschillende bronnen (Van Straalen et al., 2022).

Berekening levensduurprofielen

Voor elke categorie consumentengoederen volgens de Materiaalmonitorindeling is een gemiddelde levensduur nodig. Deze is bepaald door te kijken welke goederencodes uit de IH-data bij deze categorieën horen, want de Materiaalmonitor-goederengroepen zijn te geaggregeerd om levensduren te bepalen. Van de IH-goederencodes zijn de codes geselecteerd waarvan de importwaarden samen minstens 80 % uitmaken van de totale importwaarde van de Materiaalmonitor-goederengroep waaronder ze vallen. Via bronnen op internet (onder andere Consumentenbond en lijsten van verzekeringen) is voor deze selectie opgezocht wat de gemiddelde levensduur is. Door de hoeveelheid importen als weegfactor mee te nemen kon daarna de gemiddelde levensduur per Materiaalmonitorgoederengroep berekend worden. Uitzondering zijn de overige goederen. De gemiddelde levensduren van de producten in deze categorieën zijn, behalve de medische instrumenten en apparaten, geschat door experts van CML, PBL en het CBS.

Voor textiel en elektrische machines zijn de levensduurprofielen bepaald tijdens de studie van Van Oorschot et al. (2020). Voor de categorie consumentengoederen is dit bij de studie van Verhagen et al. (2022) bepaald.

Materiaalsamenstelling consumentengoederen

Net als bij de andere productgroepen, wordt naast een overzicht van de voorraden per productgroep ook de materiaalsamenstelling van de voorraden berekend. De materiaalsamenstelling van goederen wordt gekoppeld aan de berekende voorraad.

De methode om de materialen van de voorraad te berekenen bevat de volgende stappen:

Stap 1: Inputdata verzamelen

Het gaat dan om producthoeveelheden uit eerdere rapporten en conversietabellen die producten naar materialen omzetten. De conversietabellen komen uit verschillende bronnen, zoals de PANORAMA-database en ecoinvent, en worden gekoppeld aan Materiaalmonitor-groepen via een door het CBS gemaakte koppeltabel.

Stap 2: Bewerkingen uitvoeren

Aggregeren van fracties: voor elk product worden de verschillende materiaalfracties van productgroepen die samen onder één Materiaalmonitor groep vallen, geaggregeerd om gewogen gemiddelde fracties per Materiaalmonitor groep te berekenen. Dit gebeurt op basis van import- en exportgewichten over een vijfjaarlijkse periode.

Keuze van de bron: uit de samengestelde fracties wordt per Materiaalmonitorgroep de meest betrouwbare bron gekozen, gebaseerd op een vooraf bepaalde volgorde van betrouwbaarheid van de bronnen.

Stap 3: Resultaatberekening

De geselecteerde fracties per Materiaalmonitorgroep worden vervolgens vermenigvuldigd met de hoeveelheden van producten in de voorraad, instroom en uitstroom. Dit resulteert in de geschatte hoeveelheden van materialen.

1) Normaal kubieke meter, aanduiding voor een kubieke meter aardgas bij 0 graden Celcius

3. Resultaten – wat is de omvang van materiaalvoorraden?

Dit hoofdstuk presenteert de omvang en samenstelling van de materiaalvoorraden van de Nederlandse maatschappij. De fysieke maatschappij is onderverdeeld in vijf categorieën: infrastructuur, gebouwen, consumentengoederen, transport en het energiesysteem. Daarnaast zijn de materialen ingedeeld naar materiaaltype: constructiematerialen, metalen, biobased materialen, critical raw materials en overige materialen, zoals kunststoffen. Waar relevant worden verdere uitsplitsingen gepresenteerd. De resultaten zijn tevens beschikbaar in de maatwerktabel die bij dit rapport hoort.

3.1 Omvang van materiaalvoorraden in Nederland

De materiaalomvang in Nederland is gestegen van 7103 miljard kilogram in 2020, naar 7167 miljard kilogram in 2022 en vervolgens naar 7194 miljard kilogram in 2024. Een stijging van 1,3 procent over deze hele periode. De stijging komt voornamelijk door de constructiematerialen in gebouwen. Infrastructuur en gebouwen hebben het meeste gewicht aan materiaal opgeslagen. Voor gebouwen kon geen omvang voor 2024 worden berekend; daarom is voor 2024 uitgegaan van de omvang in 2022. Figuur 3.1.1 laat de materiaalvoorraad in miljarden kilogrammen zien per materiaalsoort, gesorteerd van groot naar klein. Kritieke materialen zijn uitgedrukt in kilogrammen de kleinste materiaalcategorie, maar hebben wat betreft afhankelijkheid en milieu-impact een grotere rol. Hoe kritieke materialen in de urban mine zitten komt later in dit hoofdstuk naar voren.

3.1.1 Materiaalvoorraad
Categories1Categories2Infra-
structuur (mld. kg)
Gebouwen (mld. kg)Consumenten-
goederen (mld. kg)
Transport (mld. kg)Energiesysteem (mld. kg)
Constructie-
materialen
20204973,51841,62,20,65,2
Constructie-
materialen
202249861886,42,20,56,5
Constructie-
materialen
20245010,41886,42,10,57,3
Metalen202022,872,819,832,23,3
Metalen202222,974,320,131,74
Metalen202423,174,320,531,44,9
Overige materialen20201,942,213,73,61
Overige materialen202224314,13,71,3
Overige materialen20242,14313,93,81,7
Biobased
materialen
20200,151,76,90,30
Biobased
materialen
20220,152,47,30,30
Biobased
materialen
20240,152,47,50,30
Critical
Raw materials
20200,112,92,51,1
Critical
Raw materials
20220,10,93,12,71,2
Critical
Raw materials
20240,10,93,331,3

Aangezien in dit totaalbeeld constructiematerialen zwaar overheersend zijn, is dezelfde figuur ook exclusief constructiematerialen weergegeven (figuur 3.1.2).

3.1.2 Materiaalvoorraad (exclusief constructiematerialen)
Categories1Categories2Gebouwen (mld. kg)Consumenten-
goederen (mld. kg)
Transport (mld. kg)Infrastructuur (mld. kg)Energiesysteem (mld. kg)
Metalen202072,819,832,222,83,3
Metalen202274,320,131,722,94
Metalen202474,320,531,423,14,9
Overige
materialen
202042,213,73,61,91
Overige
materialen
20224314,13,721,3
Overige
materialen
20244313,93,82,11,7
Biobased
materialen
202051,76,90,30,10
Biobased
materialen
202252,47,30,30,10
Biobased
materialen
202452,47,50,30,10
Critical
Raw materials
202012,92,50,11,1
Critical
Raw materials
20220,93,12,70,11,2
Critical
Raw materials
20240,93,330,11,3

Figuur 3.1.3 laat de materiaalvoorraad per categorie zien en per materiaalsoort. Als alle materialen worden meegenomen in het totaaloverzicht zijn constructiematerialen, zoals beton, overheersend.

3.1.3 Materiaalvoorraad
Categories1Categories2Biobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Infra-
structuur
20200,14973,50,122,81,9
Infra-
structuur
20220,149860,122,92
Infra-
structuur
20240,15010,40,123,12,1
Gebouwen202051,71841,6172,842,2
Gebouwen202252,41886,40,974,343
Gebouwen202452,41886,40,974,343
Consumenten-
goederen
20206,92,22,919,813,7
Consumenten-
goederen
20227,32,23,120,114,1
Consumenten-
goederen
20247,52,13,320,513,9
Transport20200,30,62,532,23,6
Transport20220,30,52,731,73,7
Transport20240,30,5331,43,8
Energie-
systeem
202005,21,13,31
Energie-
systeem
202206,51,241,3
Energie-
systeem
202407,31,34,91,7

Om een beeld te geven van de andere materiaalcategorieën zijn constructiematerialen in figuur 3.1.4 weer weggelaten. Dan zijn de meeste materialen in gebouwen opgeslagen, voornamelijk metalen, maar ook biobased en overige materialen. Na gebouwen is het meeste metaal opgeslagen in transportmiddelen. Over het algemeen is een stijgende lijn te zien.

3.1.4 Materiaalvoorraad (exclusief constructiematerialen)
Categories1Categories2Biobased materialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Gebouwen202051,7172,842,2
Gebouwen202252,40,974,343
Gebouwen202452,40,974,343
Consumenten-
goederen
20206,92,919,813,7
Consumenten-
goederen
20227,33,120,114,1
Consumenten-
goederen
20247,53,320,513,9
Transport20200,32,532,23,6
Transport20220,32,731,73,7
Transport20240,3331,43,8
Infra-
structuur
20200,10,122,81,9
Infra-
structuur
20220,10,122,92
Infra-
structuur
20240,10,123,12,1
Energie-
systeem
202001,13,31
Energie-
systeem
202201,241,3
Energie-
systeem
202401,34,91,7

Als alle categorieën en materiaalsoorten worden meegenomen in het totaaloverzicht zijn infrastructuur en gebouwen overheersend. Om een beeld te geven van de andere categorieën zijn infrastructuur en gebouwen in figuur 3.1.5 weggelaten. 

3.1.5 Materiaalvoorraad (exclusief gebouwen en infrastructuur)
Categories1Categories2Biobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Consumenten-
goederen
20206,92,22,919,813,7
Consumenten-
goederen
20227,32,23,120,114,1
Consumenten-
goederen
20247,52,13,320,513,9
Transport20200,30,62,532,23,6
Transport20220,30,52,731,73,7
Transport20240,30,5331,43,8
Energie-
systeem
202005,21,13,31
Energie-
systeem
202206,51,241,3
Energie-
systeem
202407,31,34,91,7

3.2 Gebouwen

Voor gebouwen is de omvang berekend voor 2020 en 2022. Gebouwen (woningen en utiliteitsbouw) maken, op weginfrastructuur na, de grootste massa uit van de totale beschikbare urban mine. Gebouwen bevatten bijna 30 procent van alle in kaart gebrachte voorraden op massabasis voor zowel 2020 als 2022.

3.2.1. Materiaalvoorraad gebouwen
Categories1Categories2Biobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Totaal202051,71842172,842,2
Totaal202252,41886,90,974,443
Woningen202040,51342,40,63531,9
Woningen202241,21378,40,635,832,5
Niet-woningen202011,2499,70,437,810,4
Niet-woningen202211,2508,50,338,510,5

Figuur 3.2.1 toont de materiaalvoorraad van gebouwen in 2020 en 2022. De totale materiaalvoorraad in gebouwen is tussen 2020 en 2022 met 2,4 procent toegenomen. Binnen de categorie niet-woningen bedraagt de stijging 1,8 procent, terwijl de materiaalvoorraad in woningen met 2,6 procent is gegroeid. Deze stijging hangt samen met de mutatie aan oppervlakte in de BAG. Bij alle type woningen vindt er toevoeging plaats tussen 2020 en 2022, maar bij niet-woningen vindt de meeste toevoeging plaats bij industriegebouwen. De toename per materiaalgroep is relatief gelijkmatig en ligt tussen circa 1 en 2 procent, met uitzondering van de kritieke materialen, waarvoor een afname van 6 procent wordt waargenomen. Deze daling hangt samen met de correctie voor zonnepanelen, warmtepompen en cv-ketels. Omdat de onderliggende dubbeltellingen op verschillende wijze zijn berekend, kan deze correctie tot een lichte vertekening leiden. De materiaalsamenstellingen zijn beperkt tot bouwjaarcohorten tot en met 2018, waardoor toepassingen van recente bouwinnovaties in deze vergelijking niet zijn meegenomen.

3.3 Infrastructuur

Grond-, weg- en waterbouw (GWW)

Vrijwel alle materialen, meer dan 99 procent, in de grond-, weg en -waterbouw bestaan uit constructiematerialen (zie figuur 3.3.1). Binnen deze categorie hebben wegen de meeste materialen opgeslagen, gevolgd door dijken (kustverdediging).

3.3.1 Materiaalvoorraad GWW
Categories1Categories2Biobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Wegen202002462,70,10,30,2
Wegen202202470,70,10,30,2
Wegen202402486,30,10,30,2
Kust-
verdediging
202001172,2000
Kust-
verdediging
202201172,2000
Kust-
verdediging
202401172,2000
Bruggen, tunnels
en viaducten
20200818,9018,40
Bruggen, tunnels
en viaducten
20220821,6018,50
Bruggen, tunnels
en viaducten
20240826,8018,60
Niet-
asfalt-
verharding
20200453,7000
Niet-
asfalt-
verharding
20220455,2000
Niet-
asfalt-
verharding
20240458000
Spoor2020040,201,80
Spoor2022040,201,80
Spoor2024040,201,80
Gemalen
en sluizen
20200700,70
Gemalen
en sluizen
20220700,70
Gemalen
en sluizen
20240700,70

De constructiematerialen in de GWW bestaan grotendeels uit grind, zand, grond en klei dat dient als ophogingsmateriaal. Daarnaast worden bij de wegenbouw gerecyclede materialen en reststoffen ingezet (zie figuur 3.3.2).

3.3.2 Materiaalvoorraad GWW - constructiemateriaal
Categories1Categories2Asfalt (mld. kg)Baksteen (mld. kg)Beton (mld. kg)Grind, zand, grond, klei (mld. kg)Overige constructiematerialen (mld. kg)Recyclinggranulaat & industriële reststoffen (mld. kg)
Wegen2020253,100,41753,90455,4
Wegen2022253,900,41759,60456,9
Wegen2024255,500,41770,60459,7
Kust-
verdediging
20200016,81155,400
Kust-
verdediging
20220016,81155,400
Kust-
verdediging
20240016,81155,400
Bruggen,
tunnels
en viaducten
202002,6178,4637,200,8
Bruggen,
tunnels
en viaducten
202202,6179639,300,8
Bruggen,
tunnels
en viaducten
202402,6180,1643,300,8
Niet-
asfalt-
verharding
202004,963269,40116,4
Niet-
asfalt-
verharding
202204,963,2270,30116,8
Niet-
asfalt-
verharding
202404,963,62720117,5
Spoor20200012,22800
Spoor20220012,22800
Spoor20240012,22800
Gemalen
en sluizen
2020006,20,700
Gemalen
en sluizen
2022006,20,700
Gemalen
en sluizen
2024006,20,700

Waterinfrastructuur

De materiaalvoorraad waterinfrastructuur bestaat voornamelijk uit constructiematerialen (zie figuur 3.3.3). Ook zijn overige materialen (kunststof) en metalen aanwezig. Het gros van de materialen zit in riolering, waterproductie-installaties en RWZi’s. Ook is er een stijgende trend te zien in 2020, 2022 en 2024. Er is in deze periode meer riolering aangelegd.

3.3.3 Materiaalvoorraad waterinfrastructuur
Categories1Categories2Constructiematerialen (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Riolering20205,801,4
Riolering20225,901,5
Riolering20246,301,6
Water-
productie-
installaties
20205,800
Water-
productie-
installaties
20225,800
Water-
productie-
installaties
20245,800
Riool-
waterzuiverings-
installaties
20204,10,70
Riool-
waterzuiverings-
installaties
20224,10,70
Riool-
waterzuiverings-
installaties
20244,10,70
Riool-
gemalen
20201,50,20
Riool-
gemalen
20221,70,20
Riool-
gemalen
202420,20
Kolken20201,40,30
Kolken20221,50,30
Kolken20241,60,40
Water-
leidingen
20200,30,40,2
Water-
leidingen
20220,30,40,2
Water-
leidingen
20240,30,40,2

3.4 Energiesysteem

Elektriciteitssysteem

Figuur 3.4.1 toont de voorraad van het elektriciteitssysteem in 2020, 2022 en 2024. Er is een groei te zien van 9,5 miljard kg materiaal in 2020 naar 14 miljard kg materiaal in 2024. De groei komt voornamelijk door de groei in windturbines en zonnepanelen (zie figuur 3.4.2 en 3.4.5). De hoeveelheid materiaal in elektriciteitscentrales en de elektriciteitsinfrastructuur is nagenoeg gelijk gebleven (zie figuur 3.4.3 en 3.4.4). De constructiematerialen en metalen bepalen het grootste deel van het gewicht in het elektriciteitssysteem.

De materiaalvoorraad van zonnepanelen is berekend met twee verschillende methodes; met de stock-based methode en de POM-methode (figuur 3.4.5 en 3.4.6). De totale materiaalvoorraad zonnepanelen in 2024, berekend met de stock-based methode en de POM-methode, is respectievelijk 4,9 en 2,4 miljard kg. Een deel van dit verschil is te verklaren doordat bij de stock-based methode constructiematerialen mee zijn genomen en bij de POM-methode niet. De voorraad constructiematerialen bedroeg in 2024 1,5 miljard kg, waardoor er een verschil van 1,1 miljard kg overblijft tussen beide methodes. De aanbeveling is om een nadere analyse uit te voeren naar deze verschillen.

3.4.1 Materiaalvoorraad elektriciteitssysteem
JaarBiobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,05,21,02,60,6
20220,06,41,13,31,0
20240,07,21,34,21,4

3.4.2 Materiaalvoorraad windturbines
JaarBiobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,01,70,00,80,0
20220,02,60,01,10,0
20240,02,90,11,50,0

3.4.3 Materiaalvoorraad elektriciteitscentrales
JaarBiobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,02,10,00,70,0
20220,02,10,00,70,0
20240,02,00,00,60,0

3.4.4. Materiaalvoorraad elektriciteitsinfrastructuur
JaarBiobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,00,70,80,30,0
20220,00,80,80,40,0
20240,00,80,80,40,0

3.4.5 Materiaalvoorraad zonnepanelen (stock based methode)
JaarBiobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,00,70,20,80,6
20220,01,10,31,21,0
20240,01,50,41,71,4

3.4.6 Materiaalvoorraad zonnepanelen (pom methode)
Jaar (mld. kg)
20200,9
20221,6
20242,4

Warmtesysteem

Figuur 3.4.7 toont de materiaalvoorraad van het warmtesysteem in 2020, 2022 en 2024. Er is een lichte daling te zien van 1,16 miljard kg materiaal in 2020 naar 1,12 miljard kg materiaal in 2024. Hierbij moet gezegd worden dat voor cv-ketels de data van 2024 gelijk zijn aan 2022, en voor aardgasinfrastructuur de data van 2024 en 2022 gelijk zijn aan 2020 (zie figuur 3.4.8 en 3.4.9). De materiaalvoorraad van aardgasinstallaties is gedaald van 0,04 miljard kg naar 0,01 miljard kg (zie figuur 3.4.10). Dit komt voornamelijk door de afgenomen aardgaswinning in Nederland.

3.4.7 Materiaalvoorraad warmtesysteem
JaarConstructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,00,10,70,4
20220,00,10,70,4
20240,00,10,70,4

3.4.8 Materiaalvoorraad cv-ketels
JaarConstructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
202000,0562981140,1884646380,069748001
202200,0563320710,1885783150,069790072
202400,0563320710,1885783150,069790072

3.4.9 Materiaalvoorraad aardgasinfrastructuur
JaarConstructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,00151676100,4873042760,317622124
20220,00151676100,4832042760,317622124
20240,00151676100,4781582760,317622124

3.4.10 Materiaalvoorraad aardgasinstallaties
JaarConstructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,015862700,02884560
20220,010397400,01890720
20240,00367108200,0066756960

3.5 Transport

Figuur 3.5.1 toont de voorraad van de transportmiddelen in 2020, 2022 en 2024. Transportmiddelen bestaan grotendeels uit metalen. Landbouwvoertuigen zijn in deze editie van de Materiaalvoorradenmonitor ook meegenomen en laten een relatief groot deel van de materialen zien. Opvallend is de afnemende trend in het gewicht van de schepen. Schepen in de zeevaart en binnenvaart zijn afgenomen door schaalvergroting (minder schepen), scheepseigenaren varen minder onder Nederlandse vlag en oudere schepen verdwijnen uit de Nederlandse vloot door de strenge duurzaamheids- en technische eisen (NML, 2025). Het aantal brandstof-auto’s daalt in de periode 2020-2024, maar de stijging in het aantal elektrische en hybride auto’s is sterker waardoor de materiaalvoorraden in auto’s toenemen.

3.5.1 Materiaalvoorraad transport
Categories1Categories2Biobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Schepen20200,30,60,520,10,5
Schepen20220,30,50,519,40,5
Schepen20240,30,50,518,90,4
Auto's2020001,792,5
Auto's2022001,99,12,6
Auto's2024002,19,32,7
Landbouw-
voer-
tuigen
2020000,12,60,5
Landbouw-
voer-
tuigen
2022000,12,60,5
Landbouw-
voer-
tuigen
2024000,12,60,5
Fietsen
en brom
motoren
2020000,20,30,1
Fietsen
en brom
motoren
2022000,30,30,1
Fietsen
en brom
motoren
2024000,30,30,1
Vracht-
wagens
en bussen
20200000,10,1
Vracht-
wagens
en bussen
20220000,10,1
Vracht-
wagens
en bussen
20240000,10,1
Treinen20200000,20
Treinen20220000,20
Treinen20240000,20
Vlieg-
tuigen
202000000
Vlieg-
tuigen
202200000
Vlieg-
tuigen
202400000

Figuur 3.5.2 geeft de materiaalvoorraad van transport weer exclusief schepen, auto’s en landbouwvoertuigen aangezien die het totaalbeeld overheersen. De critical raw materials in fietsen, bromfietsen en motorfietsen zijn voornamelijk aluminium.

3.5.2 Materiaalvoorraad transport (exclusief schepen, auto's en landbouwvoertuigen)
Categories1Categories2Biobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
Fietsen
en brom
motoren
2020000,23770,25840,119
Fietsen
en brom
motoren
20220,000100,25640,270,1251
Fietsen
en brom
motoren
20240,000100,26990,2740,1272
Vracht-
wagens
en bussen
2020000,01830,1350,0563
Vracht-
wagens
en bussen
2022000,01620,1260,0535
Vracht-
wagens
en bussen
2024000,01650,12770,0542
Treinen20200,010400,00880,15560,0017
Treinen20220,010400,00880,15560,0017
Treinen20240,011700,00980,17510,0019
Vlieg-
tuigen
2020000,00580,00110,0015
Vlieg-
tuigen
2022000,00440,00090,0017
Vlieg-
tuigen
2024000,00450,0010,002

3.6 Consumentengoederen

Figuur 3.6.1 toont de voorraad van de consumentengoederen in 2020, 2022 en 2024. Er is een lichte groei te zien van 45,6 miljard kg materiaal in 2020 naar 47,3 miljard kg materiaal in 2024. De voorraad van consumentengoederen bestaat voor het grootste deel uit metalen en overige materialen.2) De elektrische machines en overige consumentengoederen hebben het grootste aandeel in gewicht met respectievelijk 21,1 en 15,2 miljard kg aan materiaal (zie figuur 3.6.3 en 3.6.5).

3.6.1 Materiaalvoorraad consumentengoederen
JaarBiobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20207232014
20227232014
20248232014

3.6.2 Materiaalvoorraad consumentenelektronica
JaarBiobased materialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20200,00,02,12,5
20220,00,02,32,6
20240,00,02,32,3

3.6.3 Materiaalvoorraad elektrische machines
JaarConstructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20202,10,915,33,0
20222,00,815,23,0
20241,90,915,52,9

3.6.4 Materiaalvoorraad textiel
JaarBiobased materialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20201,21,70,42,3
20221,22,00,52,5
20241,22,10,52,5

3.6.5 Materiaalvoorraad overige consumentengoederen
JaarBiobased materialen (mld. kg)Constructiematerialen (mld. kg)Critical Raw materials (mld. kg)Metalen (mld. kg)Overige materialen (mld. kg)
20205,70,20,32,15,8
20226,10,20,32,26,1
20246,40,20,32,26,2

2) De materiaalvoorraad critical raw materials is mogelijk te hoog door de gebruikte methode voor de berekening van de productgroep ‘overige textielwaren’. Dit is opgenomen in de aanbevelingen om in een volgend onderzoek nader te onderzoeken.

4. Materiaalmonitor – hoe ligt het verband tussen voorraden en stromen van materialen?

4.1 Inleiding monitoren

De materialen die onze maatschappij in- en uitstromen kunnen vanuit twee invalshoeken bekeken worden. De eerste is de staande voorraad (stock) van de aanwezige materialen in de gebouwen, wegen en spullen om ons heen -  het onderwerp van dit rapport - de Materiaalvoorradenmonitor. Daarnaast onderzoekt het CBS de ingaande en uitgaande stromen (flows) van materialen in de maatschappij, namelijk de productie, import, consumptie, export van goederen en afvalstromen. Deze materiaalstromen worden weergegeven in de Materiaalstroommonitor (Delahaye et al., 2023). Deze laatste wordt normaal gesproken de Materiaalmonitor genoemd, maar om in deze context duidelijkheid te geven, wordt het in dit hoofdstuk de Materiaalstroommonitor genoemd. De Materiaalvoorradenmonitor en de Materiaalstroommonitor worden samen de monitoren genoemd.

Zowel de voorraad- als de stroommonitor zijn producten van het CBS in opdracht van PBL die bijdragen aan de monitoring van de transitie naar een circulaire economie. In dit hoofdstuk wordt de link gelegd tussen beide monitoren om een eenduidig beeld te geven over de materiaalvoorraden en de materiaalstromen. Ook worden de in- en uitvoer van en naar de voorraden vanuit beide monitoren vergeleken. Eerst worden de overeenkomsten en verschillen van de methodieken toegelicht (paragraaf 4.2). Daarna worden de monitoren cijfermatig en visueel samengevoegd (paragraaf 4.3).

4.2 Compatibiliteit tussen de monitoren

De Materiaalstroommonitor beschrijft de fysieke materiaalstromen naar, van en binnen de Nederlandse economie (Delahaye et al., 2023). De Materiaalstroommonitor geeft het aanbod en het gebruik van verschillende goederen in de economie weer. Alle goederen in de economie worden meegenomen en zijn onderverdeeld naar ongeveer 500 productgroepen, zoals meubels en machines, maar ook inclusief grondstoffen, energiedragers, afval en emissies. Ook zijn alle bedrijfstakken meegenomen, waarbij ongeveer 130 bedrijfstakken worden onderscheiden, zoals de landbouw, de industrie, de bouw en de overheid. Naast de bedrijfstakken zijn er huishoudens, import, export en het milieu. De methodiek van de Materiaalstroommonitor is als volgt. De aanbod- en gebruikstabellen in monetaire termen (€) worden omgezet naar fysieke termen (kg) en overschreven of aangevuld met databronnen met fysieke gegevens, namelijk internationale handel, oogstraming, afvalrekeningen, energierekeningen, emissierekeningen en de materiaalstroomrekeningen. Als laatste stap worden deze tabellen met elkaar in evenwicht gebracht.

De stromen van en naar de voorraden worden bepaald als balanspost. De instroom in de voorraden wordt berekend als de materialen die de economie binnenkomen via import, binnenlandse winning en gerecyclede materialen, minus de materialen die de economie verlaten via export, verbranding en directe consumptie (kortcyclische producten, zoals voedsel). De uitstroom uit de voorraden wordt berekend als de afvalproductie, gecorrigeerd voor de stroom van kortcyclische producten naar afval.

Het vaststellen van de voorraden als balanspost betekent dat onzekerheden in de cijfers over het aanbod en gebruik van materialen ook tot uitdrukking komen in de stromen van en naar de voorraden. De materiaalvoorraden uit de Materiaalvoorradenmonitor bieden daarom een belangrijk referentiepunt om de orde van grootte van deze balansposten te duiden en de plausibiliteit ervan te beoordelen.

De methodiek en databronnen van de Materiaalvoorradenmonitor zijn uitvoerig besproken in hoofdstuk 2 van dit rapport. Samengevat worden er twee benaderingen toegepast. De eerste is de stock-based methode waarbij de aantallen van het product wordt gekoppeld en vermenigvuldigd met de materiaalsamenstelling. Deze methode is ingezet om de gebouwen, infrastructuur, transport en -grotendeels- het energiesysteem te berekenen. De tweede benadering is de POM-methode waarbij de materiaalvoorraad is berekend door over een langere periode de productie, import minus de export per product te nemen, in combinatie met de levensduur van dat product. Op deze manier is de materiaalvoorraad van consumentengoederen bepaald.

De methodiek en databronnen van de Materiaalvoorradenmonitor zijn uitvoerig beschreven in hoofdstuk 2. Kort samengevat worden twee benaderingen toegepast om de staande voorraad te benaderen: een stock-based methode (aantallen × materiaalsamenstelling) voor onder andere gebouwen en infrastructuur, en een POM-methode (productie + import – export, gecombineerd met levensduur) voor consumentengoederen.

De Materiaalvoorradenmonitor en de Materiaalstroommonitor hangen verschillen dus in hun benadering. De Materiaalvoorradenmonitor heeft vooral een bottom-up karakter: de uitkomsten zijn opgebouwd uit afzonderlijke datasets en berekeningen voor specifieke productgroepen, zoals gebouwen, infrastructuur en consumentengoederen. De Materiaalstroommonitor heeft juist een meer top-down karakter: deze vertrekt vanuit macro-economische gegevens voor de gehele economie (de aanbod- en gebruikstabellen), die vervolgens worden omgerekend en aangevuld om materiaalstromen in fysieke eenheden te beschrijven. Daarnaast is de Materiaalvoorradenmonitor is vooral gebaseerd op fysieke gegevens over aantallen, volumes en materiaalsamenstelling, terwijl de Materiaalstroommonitor grotendeels voortkomt uit een omrekening van monetaire gegevens naar fysieke eenheden, aangevuld met fysieke databronnen waar beschikbaar.

Door het verschil in benadering geeft de Materiaalstroommonitor een vollediger beeld van de totale materiaalstromen in de economie, terwijl de Materiaalvoorradenmonitor doorgaans gedetailleerde, specifieke informatie biedt over de fysiek aanwezige materialen in de voorraden. In tabel 4.2.1 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de twee monitoren.

4.2.1 vergelijking scope tussen de Materiaalvoorradenmonitor en de Materiaalstroommonitor
MateriaalvoorradenmonitorMateriaalstroommonitor
BenaderingBottom-up, gebaseerd op
fysieke gegevens
Top-down, conversie
monetair naar fysiek
AfbakeningGehele maatschappijGehele maatschappij
ProductenEindproductenEindproducten
en halffabricaten
Indeling productenGebouwen, infrastructuur,
energiesysteem, transport
en consumentengoederen
Nationale rekeningen
goederengroepen
MateriaalgroepenConstructiematerialen, metalen,
biobased materialen, critical raw materials
en overige materialen
Biomassa, metaal,
mineraal en fossiel
Verslagjaren2020, 2022 en 20242014, 2016, 2018,
2020 en 2022

De materiaalstroommonitor is in 2026 gereviseerd en sluit daardoor nu beter aan bij de voorradenmonitor. Goederen zijn toegeschreven aan meerdere materialen om de samenstelling van de betreffende goederengroep beter te benaderen. Bijvoorbeeld een auto in de Materiaalstroommonitor is niet meer 100% metaal, maar ook deels rubber, glas en andere materialen. Door deze verfijning komen de materialen tussen de monitoren beter overeen.

4.3 Samenvoeging monitoren

In de Materiaalstroommonitor worden de goederengroepen toegewezen aan vier materiaalgroepen (biomassa, fossiel, metaal en mineraal), zodat op dit aggregatieniveau het stroomdiagram – de materialen ‘Sankey’ – kan worden opgesteld. Sankey-diagrammen worden ter visualisering van materiaalstromen gebruikt en zijn opgebouwd uit een aantal knooppunten die bepaalde processen voorstellen. De verbindingen tussen deze knooppunten zijn de stromen. Daarbij zijn de in- en uitstromen op elk knooppunt in balans. Er gaat evenveel materiaal in als uit. De breedte van de pijlen vertegenwoordigt de grootte van de stroom. De Sankey laat de efficiency, verlies en bestemming van materiaalstromen te zien.

Om de materialen uit de beide monitoren op elkaar aan te kunnen sluiten, zijn de 49 materialen uit de Materiaalvoorradenmonitor ook toegewezen aan de vier materiaalgroepen  uit de Materiaalstroommonitor. In deze indeling worden onder ‘mineralen’ alle constructiematerialen verstaan, evenals glas en keramiek, met uitzondering van zand, klei, grind en grond. Onder ‘biomassa’ vallen alle biobased materialen. Onder ‘metalen’ vallen alle metalen, inclusief kritieke grondstoffen. Onder ‘fossiel’ vallen isolatiematerialen, kunststoffen, ongespecificeerd textiel en overige materialen.

De Sankey (figuur 4.3.1) is een combinatie van de resultaten uit de twee monitoren. Hier is visueel weergegeven dat de staande materiaalvoorraden een veel groter geheel vormen dan de jaarlijkse materiaalstromen in de economie. De instroom in de voorraden en de uitstroom uit de voorraden vanuit de Materiaalstroommonitor zijn weergegeven in tabel 4.3.1.

4.3.1 Materiaalstromen en -voorraden in Nederland, miljard kilo, 20224.3.1 Materiaalstromen en -voorraden in Nederland, miljard kilo, 2022 Biomassa Fossiele energiedragers Metaal Niet-metaal mineralen 4.3.1 Materiaalstromen en -voorraden in Nederland, miljard kilo, 2022 Wederuitvoer 115 Import 376 Export 304 Legenda Winning 88 Import afval 15 401 160 Afval 64 63 49 Verlies 119 Recycling 52 Voorraden 3 221
4.3.1 Materiaalstromen en -voorraden in Nederland, miljard kilo, 2022
Van Naar Materiaal Hoeveelheid
Wederuitvoer Export Biomassa 30
Wederuitvoer Export Metaal 14
Wederuitvoer Export Niet-metaal mineralen 9
Wederuitvoer Export Fossiele energiedragers 62
Import afval Recycling Biomassa 11
Import afval Recycling Metaal 1
Import afval Recycling Niet-metaal mineralen 2
Import afval Recycling Fossiele energiedragers 1
Import Materiaalverwerking Biomassa 53
Import Materiaalverwerking Metaal 26
Import Materiaalverwerking Niet-metaal mineralen 29
Import Materiaalverwerking Fossiele energiedragers 153
Import Wederuitvoer Biomassa 30
Import Wederuitvoer Metaal 14
Import Wederuitvoer Niet-metaal mineralen 9
Import Wederuitvoer Fossiele energiedragers 62
Winning Materiaalverwerking Biomassa 43
Winning Materiaalverwerking Metaal 0
Winning Materiaalverwerking Niet-metaal mineralen 30
Winning Materiaalverwerking Fossiele energiedragers 15
Recycling Materiaalverwerking Biomassa 20
Recycling Materiaalverwerking Metaal 2
Recycling Materiaalverwerking Niet-metaal mineralen 28
Recycling Materiaalverwerking Fossiele energiedragers 1
Materiaalverwerking Energetisch gebruik Biomassa 9
Materiaalverwerking Energetisch gebruik Metaal 0
Materiaalverwerking Energetisch gebruik Niet-metaal mineralen 0
Materiaalverwerking Energetisch gebruik Fossiele energiedragers 54
Energetisch gebruik Verlies Biomassa 9
Energetisch gebruik Verlies Metaal 0
Energetisch gebruik Verlies Niet-metaal mineralen 0
Energetisch gebruik Verlies Fossiele energiedragers 54
Materiaalgebruik Kortcyclisch product Biomassa 48
Materiaalgebruik Kortcyclisch product Metaal 0
Materiaalgebruik Kortcyclisch product Niet-metaal mineralen 0
Materiaalgebruik Kortcyclisch product Fossiele energiedragers 1
Kortcyclisch product Afval Biomassa 9
Kortcyclisch product Afval Metaal 0
Kortcyclisch product Afval Niet-metaal mineralen 0
Kortcyclisch product Afval Fossiele energiedragers 0
Kortcyclisch product Verlies Biomassa 39
Kortcyclisch product Verlies Metaal 0
Kortcyclisch product Verlies Niet-metaal mineralen 0
Kortcyclisch product Verlies Fossiele energiedragers 1
Afval Verlies Biomassa 11
Afval Verlies Metaal 1
Afval Verlies Niet-metaal mineralen 2
Afval Verlies Fossiele energiedragers 3
Afval Export Biomassa 7
Afval Export Metaal 2
Afval Export Niet-metaal mineralen 1
Afval Export Fossiele energiedragers 1
Afval Recycling Biomassa 9
Afval Recycling Metaal 1
Afval Recycling Niet-metaal mineralen 26
Afval Recycling Fossiele energiedragers 1
Materiaalverwerking Export Biomassa 42
Materiaalverwerking Export Metaal 13
Materiaalverwerking Export Niet-metaal mineralen 20
Materiaalverwerking Export Fossiele energiedragers 103
Materiaalverwerking Materiaalgebruik Biomassa 65
Materiaalverwerking Materiaalgebruik Metaal 16
Materiaalverwerking Materiaalgebruik Niet-metaal mineralen 67
Materiaalverwerking Materiaalgebruik Fossiele energiedragers 13
Materiaalgebruik Voorraden Biomassa 17
Materiaalgebruik Voorraden Metaal 16
Materiaalgebruik Voorraden Niet-metaal mineralen 67
Materiaalgebruik Voorraden Fossiele energiedragers 11
Voorraden Afval Biomassa 17
Voorraden Afval Metaal 4
Voorraden Afval Niet-metaal mineralen 29
Voorraden Afval Fossiele energiedragers 4

Een opvallend verschil tussen de cijfers uit de Materiaalstroommonitor en de Materiaalvoorradenmonitor in tabel 4.3.1 is de toevoeging aan de voorraden van metaal. De toevoeging uit de Materiaalstroommonitor is veel hoger (12 miljard kilogram in 2022) dan die uit de Materiaalvoorradenmonitor (2 miljard kilogram in 2021 en 2022). Dit komt onder andere doordat de materiaalstroom naar de voorraden in de Materiaalstroommonitor een balanspost is en het feit dat ijzererts als 100 procent metaal wordt meegenomen. In de praktijk betekent dit het volgende. IJzererts gaat als metaal het verwerkingsproces in en daaruit komen ijzerproducten, zoals stalen platen, die voor een groot deel geëxporteerd worden. Het saldo tussen de invoer en de uitvoer wordt bepaald als het metaal dat de voorraden ingaat. Echter hierin zit ook het deel van het ijzererts dat geen metaal wordt maar uiteindelijk als staalslakken vrijkomt. In de Materiaalstroommonitor stroomt dit staalslak als mineraalafval uit de voorraden. Kortom, door de berekeningswijze in de Sankey lijkt de instroom van metaal naar voorraden te hoog ingeschat en is heeft de uitstroom een ander materiaal-label gekregen dan de instroom waardoor het metaal saldo te hoog uitvalt.

In theorie zou de materiaalvoorraad uit een bepaald jaar (Materiaalvoorradenmonitor) plus de toevoeging aan de voorraden door de materiaalstromen in dat jaar (Materiaalstroommonitor) de voorraad van het daarop volgende jaar moeten zijn. In de praktijk is dit lastig, want de huidige methodiek en doelstellingen van de monitoren zijn hier niet op ingericht. De toevoegingen aan de voorraden uit de Materiaalstroommonitor zijn een balanspost met de bijbehorende onzekerheden in de data. Ook wordt niet elk jaar een Materiaalstroommonitor gemaakt, maar tweejaarlijks. In bovenstaande tabel is 62 miljard kilogram toegevoegd aan de voorraden volgens de Materiaalstroommonitor, wat gaat over één jaar. De toename van de voorraden volgens de Materiaalvoorradenmonitor is 54 miljard kilogram, wat gaat over twee jaar en voor vergelijking (ongeveer) gehalveerd zou moeten worden.

Als we het totaalplaatje bekijken, liggen de resultaten wel in dezelfde orde van grootte. Ook laten beide monitoren op hoofdlijnen een vergelijkbare ontwikkeling zien in de omvang van de materiaalvoorraden. De verschillen kunnen worden verklaard door methodologische keuzes, onzekerheden in de data en verschillen in afbakening en frequentie van de metingen. Voor de materiaalgroepen fossiel en metaal zijn de verschillen in de toevoeging aan de voorraad echter aanzienlijk, wat wijst op een mogelijke onder- of overschatting in een van beide monitoren.

Het verder op elkaar laten aansluiten van beide monitoren biedt mogelijkheden voor vervolgonderzoek. Hierbij kan worden gedacht aan het verder harmoniseren van definities, het beter afstemmen van tijdreeksen en het expliciet modelleren van de relatie tussen instroom, uitstroom en voorraadveranderingen. Daarmee kan de samenhang tussen materiaalstromen en -voorraden in de toekomst nauwkeuriger in beeld worden gebracht.

5. Conclusies – wat zijn de resultaten en aanbevelingen?

5.1 Resultaten

Dit onderzoek geeft inzicht in de omvang, samenstelling en ontwikkeling van materiaalvoorraden in Nederland in 2020, 2022 en 2024. De Materiaalvoorradenmonitor draagt bij aan het monitoren van de transitie naar een circulaire economie. De informatie over de materialen in de urban mine maakt zichtbaar waar potentieel herbruikbare grondstoffen beschikbaar zijn.

De totale materiaalvoorraad in Nederland is licht gestegen van 7103 miljard kilogram in 2020 naar 7167 miljard kilogram in 2022 en 7194 miljard kilogram in 2024. Dit is een stijging van 1,3 procent in de periode 2020-2024. Deze toename wordt voornamelijk verklaard door de groei van constructiematerialen in gebouwen. De grootste materiaalvoorraden bevinden zich in gebouwen en infrastructuur, gevolgd door consumentengoederen, transportmiddelen en het energiesysteem. Over het geheel genomen laten de resultaten een stijgende trend zien.

  • Gebouwen hebben de grootste materiaalvoorraden in de maatschappij, maar binnen de gebouwenvoorraad zijn geen grote verschuivingen zichtbaar; de ontwikkeling volgt grotendeels de groei van het totale aantal vierkante meters. Het bijbouwen van woningen is groter dan de sloop van woningen, wat zorgt voor meer materialen in de voorraad.
  • In de GWW infrastructuur bestaat vrijwel de volledige materiaalvoorraad uit constructiematerialen. Wegen bevatten het grootste aandeel, gevolgd door dijken. In de waterinfrastructuur bevindt het merendeel van de materialen zich in rioleringen, Waterproductie-installaties en rioolwaterzuiveringsinstallaties, waarbij tussen 2020 en 2024 een stijgende trend zichtbaar is. Er is in deze periode meer riolering aangelegd.
  • In het energiesysteem neemt de materiaalvoorraad in het elektriciteitssysteem toe, vooral door de groei van windturbines en zonnepanelen. De voorraad in het warmtesysteem blijft nagenoeg gelijk maar dat is vooral logisch doordat voor enkele onderdelen, zoals cv-ketels en aardgasinfrastructuur, dezelfde databronnen voor meerdere jaren zijn gebruikt. Bij de berekening van de materiaalvoorraad in zonnepanelen leiden twee methoden tot verschillende uitkomsten. Het verschil bedraagt circa 2,5 miljard kilogram (ongeveer 50 procent), waarvan het grootste deel verklaard kan worden doordat bij de ene methode constructiematerialen wel zijn meegenomen en bij de andere niet.
  • De materiaalvoorraad in transportmiddelen bestaat grotendeels uit metalen. Schepen vormen de grootste categorie, gevolgd door auto’s en landbouwvoertuigen. De materiaalvoorraad in de scheepvaart neemt af, onder meer doordat schepen onder een andere vlag gaan varen of uit de vloot verdwijnen. Het aantal brandstof-auto’s daalt in de periode 2020 op 2024, maar het aantal elektrische en hybride auto’s stijgt sneller waardoor de materiaalvoorraden in auto’s per saldo toenemen.
  • De materiaalvoorraad in consumentengoederen is licht toegenomen, van 45,6 miljard kilogram in 2020 naar 47,3 miljard kilogram in 2024. Deze groei komt voornamelijk door een toename van textiel en overige consumentengoederen.

Materialen in de economie kunnen vanuit twee perspectieven worden bekeken. Enerzijds is er de bestaande materiaalvoorraad (stocks) in gebouwen, infrastructuur en producten, zoals beschreven in deze Materiaalvoorradenmonitor. Anderzijds onderzoekt het CBS de inkomende en uitgaande materiaalstromen, zoals productie, import, consumptie, export en afval, die worden weergegeven in de Materiaalstroommonitor. In de voorraden bevinden zich vooral mineralen en metalen ten opzichte van de materiaalstromen waar veel biomassa en fossiel in omloop is.

Samenvattend laten de resultaten zien dat de Nederlandse urban mine omvangrijk is en dat de grootste materiaalvoorraden zich bevinden in zoals gebouwen en infrastructuur. Tegelijkertijd zorgen ontwikkelingen zoals de energietransitie en veranderingen in transport en consumptie voor verschuivingen in specifieke materiaalvoorraden. Deze inzichten vormen een belangrijke basis voor beleid gericht op de circulaire economie en het beter benutten van bestaande materiaalvoorraden.

5.2 Aanbevelingen

Aanbevelingen voor de verbetering van cijfers, uitbreiding of toepassing van de Materiaalvoorradenmonitor worden beschreven. Eerst worden de algemene aanbevelingen beschreven, en daarna per categorie.

Algemene aanbevelingen

Toepassing

De Materiaalvoorradenmonitor laat de omvang van de materialen zien en geeft hiermee een nauwkeurig en volledig beeld van de hoeveelheid materialen die zich in de urban mine bevinden. De veranderingen in de voorraden laten zien wat de trend is en bij welke materialen de mutaties plaatsvinden. Een aanbeveling voor vervolgonderzoek is uitzoeken in hoeverre er gebruik wordt gemaakt van de potentie van de urban mine. Er is een bepaalde hoeveelheid materialen opgeslagen in de maatschappij, hoe (goed) en wanneer wordt dit ingezet als secundair materiaal? Hiervoor zijn gegevens nodig over de levensduur van materialen, het moment waarop zij vrijkomen, bijvoorbeeld bij sloop van gebouwen, en de mate waarin zij via recyclingbedrijven opnieuw als secundaire grondstof worden ingezet.

Internationale vergelijking

Voor deze Materiaalvoorradenmonitor zijn voornamelijk gedetailleerde Nederlandse databronnen en registraties gebruikt, met als doel de materiaalvoorraad in Nederland zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Wanneer internationale vergelijkingen centraal staan, wordt aanbevolen om databronnen te gebruiken die ook voor andere landen beschikbaar zijn, zodat consistente vergelijkingen mogelijk worden. Hiervoor is samenwerking met Eurostat en andere lidstaten nodig.

Volledig beeld van alle producten

Sommige producten ontbreken nog in de Materiaalvoorradenmonitor (bijlage 7.4). Aanbevolen wordt om te onderzoeken welke van deze producten alsnog kunnen worden toegevoegd. In veel gevallen ontbreekt informatie over de materiaalsamenstelling, waardoor opname in de monitor momenteel niet mogelijk is. Omdat het CBS deze gegevens doorgaans niet zelf verzamelt, is het wenselijk dat dergelijke statistieken van externe partijen beschikbaar blijven of verder worden uitgebreid.

Actualisatie

Het wordt aanbevolen de monitoring tweejaarlijks voort te zetten, zodat ontwikkelingen in de materiaalvoorraden structureel gevolgd kunnen worden. Idealiter zou de Materiaalstroommonitor jaarlijks geactualiseerd moeten worden om de materiaalvoorraden en materiaalstromen nauwkeuriger te vergelijken. De gewenste actualisatiefrequentie van de cijfers over hoeveelheden en bijbehorende materiaalsamenstelling verschilt per productgroep. Dit kan liggen aan maatschappelijke of technische ontwikkelingen of beleidsvorming op bijvoorbeeld woningbouw. In bijlage 7.5 is een overzicht weergegeven met de dynamiek per product en de huidige en gewenste update van de gegevens voor het berekenen van nauwkeurige materiaalvoorraden.

Classificaties en Materiaalstroommonitor

De indeling van de producten en materialen kan indien wenselijk aangepast worden om aan te sluiten op andere initiatieven. Bijvoorbeeld de producten indelen naar de productgroepanalyses (PGA) van het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE). Daarbij de materialen indelen naar de categorieën van de Materiaalstroommonitor, namelijk biomassa, metaal, mineraal en fossiel. Aanbeveling is om de monitoren nader tot elkaar te brengen.

Verbeteringen van de raming van voorraad per categorie

Gebouwen

Voor de gebouwenvoorraad zijn enkele specifieke verbeterpunten geïdentificeerd. Ten eerste wordt aanbevolen te onderzoeken of de cijfers over de omvang van de gebouwenvoorraad sneller kunnen worden geraamd. Dit kan bijvoorbeeld door te verkennen of gegevens eerder beschikbaar kunnen komen. Wanneer dit niet mogelijk blijkt, kan worden onderzocht of tussenliggende jaren kunnen worden gebruikt voor het opbouwen van een nowcast-reeks, of dat alternatieve indicatoren kunnen worden ingezet om recente ontwikkelingen beter te benaderen. Daarnaast wordt aanbevolen om te verkennen hoe modernere bouwtechnieken in de materiaalsamenstellingen kunnen worden meegenomen, met name voor gebouwen die na 2018 zijn gerealiseerd. Hierdoor kan de raming beter aansluiten bij recente ontwikkelingen in bouwmaterialen en bouwmethoden. Verder wordt aanbevolen prioriteit te geven aan het beter in beeld brengen van transformaties en woningsplitsingen, omdat deze binnen verbouwingen van bestaande gebouwen het meest kansrijk zijn om als expliciete toevoeging aan de materiaalvoorraad te ramen. Onderzoek naar energierenovaties en de huidige materiaalsamenstellingen van gebouwen blijft eveneens relevant, terwijl uitbreidingen en regulier onderhoud voorlopig buiten aanvullende ramingen kunnen blijven. Een nadere verkenning van mogelijke verbeteringen voor het bepalen van de materiaalvoorraad in gebouwen is opgenomen in bijlage 7.2.

Infrastructuur

Voor grond-, weg- en waterbouw (GWW) is de stock-based methode vooralsnog minder goed toepasbaar, omdat de koppeling tussen aantallen objecten en de bijbehorende materiaalsamenstellingen lastig is door verschillende indelingen. Aanbevolen wordt daarom om de relatie tussen producten en materiaalsamenstellingen verder te ontwikkelen, bijvoorbeeld in samenwerking met partijen zoals EIB en Structural Collective. Hun meest recente studie uit februari 2026 kon vanwege het moment van verschijnen nog niet in dit onderzoek worden meegenomen, maar kan mogelijk in toekomstige analyses worden benut.

Energie

Bij zonnepanelen is geconstateerd dat er een verschil bestaat tussen de materiaalvoorraad zoals berekend met de stock-based methode en de POM-methode. Deels kunnen deze verschillen verklaard worden doordat bij de stock-based methode constructiematerialen mee zijn genomen en bij de POM-methode niet. Aanbevolen wordt om in een vervolgstudie nader te onderzoeken waardoor deze verschillen ontstaan en in hoeverre zij kunnen worden verkleind of weggenomen.

Transport

De databron voor het aantal zeevaartschepen is stopgezet, aanbevolen wordt om een nieuwe databron te zoeken die deze gegevens wel verschaft.

Consumentengoederen

Voor een vervolgonderzoek is het van belang om de materiaalsamenstelling per productgroep van consumentengoederen nader te analyseren. Er zijn aanwijzingen dat bepaalde materiaalsoorten in sommige productgroepen worden over- of onderschat. Dit komt doordat niet voor alle producten in een bepaalde groep de materiaalsamenstelling beschikbaar is, waardoor de materiaalsamenstelling van een ander product in dezelfde groep wordt toegepast.

Een voorbeeld hiervan is de productgroep ‘overige textielwaren’. Momenteel wordt hiervoor de materiaalsamenstelling van uitsluitend ‘parachutes en rotochutes’ gebruikt, omdat er geen gegevens beschikbaar zijn voor de overige producten binnen deze categorie. Als gevolg hiervan is de kans groot dat aluminium in deze productgroep oververtegenwoordigd is.
Daarnaast zijn de gebruikte gegevens over materiaalsamenstellingen inmiddels vijf tot tien jaar oud. Het is mogelijk dat in de tussentijd nieuw onderzoek is uitgevoerd naar de materiaalsamenstelling van consumentengoederen. Het verdient daarom een aanbeveling om in toekomstig onderzoek na te gaan of recentere en meer representatieve data beschikbaar is.

Verder heeft de Materiaalstroommonitor recent een revisie ondergaan waardoor de codes behorend bij de producten zijn gewijzigd. In de huidige berekening van consumentengoederen is nog gebruikgemaakt van de codes vóór deze revisie. Hierdoor was het niet mogelijk om de resultaten van dit onderzoek te vergelijken met de Materiaalstroommonitor. Voor toekomstige herhaling van dit onderzoek is het van belang om de herziene codes toe te passen, zodat een vergelijking met de Materiaalstroommonitor wel mogelijk is.

6. Referenties

CBS StatLine tabellen

Infrastructuur

CBS (2025a). StatLine - Lengte van spoortrajecten; spoortrajectkenmerken, provincie

CBS (2025b) StatLine - Zuivering van stedelijk afvalwater; technische kenmerken installaties

CBS (2026a). StatLine - Lengte van wegen; wegkenmerken, regio

Energiesysteem

CBS (2024b) StatLine - Woningen; hoofdverwarmingsinstallaties, regio 2017-2022

CBS (2025c) Huishoudens; grootte, samenstelling, positie in het huishouden, 1 januari | CBS

CBS (2026b) StatLine - Hernieuwbare elektriciteit; productie en vermogen

CBS (2026c) StatLine - Elektriciteit; productie en productiemiddelen (cbs.nl)

Transport

CBS (2026d) StatLine - Personenauto's actief; voertuigkenmerken, regio's, 1 januari

CBS (2026e) StatLine - Motorvoertuigen actief; type, leeftijdsklasse, 1 januari

CBS (2026f) StatLine - Bromfietsen actief; soort voertuig, brandstof, bouwjaar, 1 januari

CBS (2026h) StatLine - Luchtvloot; omvang en samenstelling, 31 december

CBS publicaties

CBS (2022). Motorvoertuigen totaal, 2019-2022 | CBS

CBS (2024a). Materiaalvoorradenmonitor | CBS 

CBS (2025d) Bijna 700 duizend landbouwvoertuigen op kenteken | CBS

CBS (2026g) Hoeveel binnenvaartschepen zijn er in Nederland? | CBS

Externe bronnen

ArcGIS. (2019). Tennet Assets (Hoogspanning). Opgehaald van http://www.arcgis.com/home/item.html?id=646a6dee22bf485587bc4daf98da1306

van der Bent, E. (2022). Urban mining for a circular economy: A dynamic material flow analysis of the urban mine of the Dutch urban water cycle infrastructure. Urban mining for a circular economy: A dynamic material flow analysis of the urban mine of the Dutch urban water cycle infrastructure

BOVAG-RAI (2025). Mobiliteit in Cijfers Tweewielers 2024-2025. Mobiliteit-in-cijfers-tweewielers-2024-2025

Carrara, S., Alves Dias, P., Plazzotta, B., Pavel, C. (2020). Raw materials demand for wind and solar PV technologies in the transition towards a decarbonised energy system. EUR 30095 EN, Publications Office of the European Union, Luxembourg, ISBN 978-92-76-16225-4, doi:10.2760/160859, JRC119941.

CML & CBS (2022). Materiaalvoorraden in de maatschappij: overzicht van materialen in de Nederlandse stedelijke mijn. de-nederlandse-urban-mine-deel-iv-totaaloverzicht.pdf

Delahaye, R., Tunn V.S.C., Tukker, A. (2023). Developing a material flow monitor for the Netherlands from national statistical data. Journal of Industrial Ecology, 27, 408–422.. https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/jiec.13365

EIB & Metabolic (2020). Materiaalstromen, milieu-impact en energieverbruik in de woning- en utiliteitsbouw: uitgangssituatie en doorkijk naar 2030https://circulairebouweconomie.nl/wp-content/uploads/2020/02/Rapport-Materiaalstromen-in-de-woning-en-utiliteitsbouw-klein.pdf

EIB & Metabolic (2022). Materiaalstromen in de bouw en infra: Materiaalstromen, milieu-impact en CO2-emissies in 2019, 2030 en 2050. Materiaalstromen in de bouw en infra - EIB

EIB & Structural Collective (2026). Materiaalstromen en milieubelasting in de bouw en infra: Materiaalstromen, MKI en CO2-emissies in 2023, 2030 en 2050. Materiaalstromen en milieubelasting in de bouw en infra

Harrison, G. P., Maclean, E. J., Karamanlis, S., & Ochoa, L. F. (2010). Life cycle assessment of the transmission network in Great Britain. Energy Policy38(7), 3622-3631. https://doi.org/10.1016/j.enpol.2010.02.039

Krausmann, F., Wiedenhofer, D., Lauk, C., Haas, W., Tanikawa, H., Fishman, T., Miatto, A., Schandl, H. & Haberl, H. (2017). Global socioeconomic material stocks rise 23-fold over the 20th century and require half of annual resource use. Proceedings of the National Academy of Sciences, 114(8), 1880-1885.

Moss, R., L., Tzimas, E., Willis, P., Arendorf, J., Thompson, P., Chapman, A., ... & Tercero-Espinoza, L. (2013). Critical metals in the path towards the decarbonisation of the EU energy sector. Assessing rare metals as supply-chain bottlenecks in low-carbon energy technologies.  https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC82322

Nederland Maritiem Land (NML). (2023). Maritieme monitor 2023. Maritieme monitor 2023 - Nederland Maritiem Land

Nederland Maritiem Land (NML). (2025). Maritieme monitor 2025.  Maritieme Monitor 2025 | Rapport | Rijksoverheid.nl

Oliver-Solà, J., Gabarrell, X., Rieradevall, J. (2009). Environmental impacts of natural gas distribution networks within urban neighborhoods. Applied Energy, 86(10), 1915–1924

van Oorschot, J., van der Zaag, J., van der Voet, E. (2020a). Voorraden in de maatschappij: de grondstoffenbasis voor een circulaire economie: met case studies op gebied van het elektriciteitssysteem, elektronica en voertuigen. rapportage-voorraden-in-de-maatschappij-2020-final.pdf

van Oorschot, J., van der Voet, E., van Straalen, V., Tunn, V., Delahaye, R. (2020b). Voorraden in de maatschappij: de grondstoffenbasis voor een circulaire economie: met case studies op gebied van gebouwen, elektronische machines en textiel. de-nederlandse-urban-mine-deel-ii.pdf

van Oorschot, J., & van der Voet, E. (2023). Scenario’s voor materiaalvoorraden en stromen in gebouwen. scenarios-nl-urban-mine-gebouwen-aanvullend.pdf

PBL (2025a). Kennisprogramma circulaire economie 2025-2030: programmering 2025. Kennisprogramma circulaire economie 2025-2030

PBL (2025b). Integrale Circulaire Economie Rapportage 2025. Integrale Circulaire Economie Rapportage 2025 | Planbureau voor de Leefomgeving

ProSUM (2019). Opgehaald van ProSUM project results - FutuRaM

Raad van de Europese Unie (z.d.). Critical raw materials act. Critical raw materials act - Consilium

RIONED (2025). Monitor gemeentelijke watertaken. Monitor gemeentelijke watertaken

STOWA (2022). Circulair assetmanagement waterschappen. STOWA 2022 Circulair assetmanagement Waterschappen

van Straalen, V.M, Roskam, A.J., & Baldé, C.P. (2016). Waste over Time [computer software]. CBS. http://github.com/Statistics-Netherlands/ewaste

van Straalen, V. D. (2022). Voorraden project. Conversie naar materialen - Methodebeschrijving. The Hague, The Netherlands: Statistics Netherlands (CBS). Op aanvraag beschikbaar.

Sullivan, J. L., Clark, C. E., Yuan, L., Han, J., & Wang, M., (2012). Life-cycle analysis results for geothermal systems in comparison to other power systems: Part II (No. ANL/ESD/11-12). Microsoft Word - Geothermal_LCA_final_KAB_081310_vs_am2_vs_Sullivan.docx

TNO (2024). Productgroep Analyse Woningen: Deelrapport WP2 Circulaire maatregelen en toekomstbeelden. Productgroep Analyse Woningen

Treinenweb (z.d.). Materieel. Materieel - Treinenweb

Unie van Waterschappen (z.d.). Gezuiverd water – transport (WAVES dashboard). Unie van Waterschappen -Dashboard

Verhagen, T.J., Pieters, L., Voet, E. van der, Straalen, V. van, Tunn, V. (2022). Voorraden in de maatschappij: de grondstoffenbasis voor een circulaire economie: met case studies op gebied van het gassysteem, de spoorinfrastructuur en consumentengoederen. view

Vewin (2020). Kerngegevens drinkwater 2020. Kerngegevens drinkwater 2020

Vewin (2022). Drinkwaterstatistieken 2022. Vewin Drinkwaterstatistieken 2022

Vewin (2024). Kerngegevens drinkwater 2024. Vewin-Kerngegevens-Drinkwater-2024

Viebahn, P., Soukup, O., Samadi, S., Teubler, J., Wiesen, K., Ritthoff, M. (2015). Assessing the need for critical minerals to shift the German energy system towards a high proportion of renewables. Renew. Sustain. Energy Rev., 49, pp. 655-671, 10.1016/j.rser.2015.04.070

Wernet, G., Bauer, C., Steubing, B., Reinhard, J., Moreno-Ruiz, E., Weidema, B., 2016. The ecoinvent database version 3 (part I): overview and methodology. The International Journal of Life Cycle Assessment, 21(9), pp.1218–1230. http://link.springer.com/10.1007/s11367-016-1087-8

van der Zaag, J. (2020). Material stocks and flows in the circular economy, a prospective material flow analysis for vehicles in the Netherlands for 2000-2050. https://repository.tudelft.nl/islandora/object/uuid%3A7dfc5c37-8200-47dc-b413-a8be3b03d140

7. Bijlagen

7.1 Kritieke materialen

7.1.1 Kritieke materialen
AgZilver
AlAluminium
AuGoud
CeCerium
CoKobalt
CuKoper
DyDysprosium
GaGalloium
GeGermanium
HfHafnium
InIndium
LaLanthaan
LiLithium
MgMagnesium
NbNiobium
NdNeodymium
NiNikkel
PdPalladium
PrPraseodynium
PtPlatina
SiSilicium
TaTantaal
TbTerbium
TiTitanium
VVanadium
WWolfraam
YYttrium

7.2 Verkenning uitbreiding raming gebouwenvoorraad

Met de huidige methode is de omvang van de gebouwvoorraad goed in beeld op basis van gebruiksoppervlakte, maar de actuele materiaalsamenstelling minder. De gebruikte materiaalsamenstellingen kunnen verouderen door nieuwe bouwmaterialen, bouwtechnieken en aanpassingen aan bestaande gebouwen. Materiaaltoevoeging door verbouwingen en renovaties blijven nu nog grotendeels buiten beeld.

Deze verkenning richt zich daarom op de vraag hoe de methode voor gebouwen kan worden verbeterd om veranderingen in de bestaande voorraad beter mee te nemen. Daarbij worden vier typen verbouwingen onderscheiden, overgenomen van van Oorschot en van der Voet (2023):

  • toevoeging van woningen door transformatie of woningsplitsing;
  • uitbreiding van gebouwen;
  • herstel- en verbouwwerkzaamheden;
  • energierenovatie.

Per categorie is verkend: welke bronnen beschikbaar zijn voor tellingen of volumebepaling; welke informatie beschikbaar is over materiaalsamenstellingen; en in hoeverre opname in de methode robuust en haalbaar is.

Transformatie en woningsplitsing

Voor transformaties en woningsplitsingen zijn tellingen in aantallen woningen beschikbaar via CBS-bronnen over de woningvoorraad. Voor transformaties is ook aanvullende informatie over oppervlakte beschikbaar, waardoor een inschatting van het betrokken aantal m² mogelijk is. Voor woningsplitsingen is dat lastiger, en is een schatting op basis van BAG-microdata of aannames nodig.

De materiaaltoevoeging bij woningsplitsing lijkt beperkt, omdat het vaak om relatief lichte ingrepen gaat. Transformaties zijn doorgaans ingrijpender, omdat een gebouw moet worden aangepast aan woonfuncties. Voor deze categorie zijn enkele materiaalsamenstellingen beschikbaar (TNO, 2024).

Deze categorie lijkt kansrijk om verder uit te werken. Een logische vervolgstap is om het aantal m² beter te ramen en te controleren of de materiaalintensiteit per maatregel (materiaalsamenstellingen per m² transformatie/splitsen) te combineren is met de huidige materiaalsamenstellingen.

Uitbreidingen

Uitbreidingen, zoals aan- en opbouwen, leiden tot extra gebruiksoppervlakte die uiteindelijk in de BAG wordt verwerkt en daarmee al in de bestaande voorraadcijfers terechtkomt. Er zijn echter geen afzonderlijke statistieken beschikbaar voor deze uitbreidingen, en wijzigingen in BAG-oppervlakte kunnen ook administratieve correcties betreffen.

Daarnaast is onduidelijk of de effecten van op- en uitbouwen niet al impliciet in de huidige materiaalsamenstelling per m² gebruiksoppervlakte zijn opgenomen. Daardoor is afzonderlijke modellering methodologisch kwetsbaar en bestaat risico op dubbeltelling.

Voorlopig ligt het daarom voor de hand om uitbreidingen niet als aparte stroom te ramen.

Herstel- en verbouwwerkzaamheden

Herstel en verbouw hebben vaak het karakter van één-op-éénvervanging. In zulke gevallen verandert de totale massa van de voorraad doorgaans nauwelijks. Alleen wanneer vervanging plaatsvindt met een ander materiaal, verandert de samenstelling van de voorraad.

Een expliciete raming zou een POM-benadering vereisen, met gegevens over instroom, uitstroom, toepassingscontext en levensduren. Voor deze aanpak ontbreekt op dit moment een voldoende robuuste empirische basis.

Daarom ligt het voor de hand om herstel- en verbouwwerkzaamheden voorlopig niet als expliciete aanpassing van de materiaalvoorraad mee te nemen.

Energierenovatie

Binnen de huidige afbakening gaat energierenovatie vooral om glas en isolatiematerialen. Omdat glas en isolatie slechts een beperkt aandeel van de totale gebouwmassa vormen, moet de meerwaarde van verfijning worden afgewogen tegen de benodigde inspanning. Hiervoor zijn twee bronnen mogelijk bruikbaar: energielabeldata en via verkoopcijfers van isolatie en isolatieglas. Hoe deze bronnen dan kunnen worden gebruikt om isolatieglas en -materialen bij te schatten, moet nog worden verkend.

Conclusie

Niet alle verbouw- en renovatiecategorieën lenen zich in gelijke mate voor opname in de huidige methode voor gebouwen. Transformatie en mogelijk woningsplitsing lijken het meest kansrijk om als expliciete toevoeging aan de voorraad verder uit te werken. Voor energierenovatie bestaan er mogelijk bruikbare databronnen, alleen zal de extra inspanning weinig effect hebben op de totale massa. Uitbreidingen en regulier herstel en verbouw zijn voorlopig minder geschikt, omdat deze al impliciet in de voorraad kunnen zitten, onvoldoende robuust zijn te ramen, of slechts beperkt effect hebben op de totale massa.

7.3 Producten in de vier categorieën van consumentengoederen

7.3.1 Producten in de vier categorieën van consumentengoederen
Consumenten-elektronicaElektrische machinesTextielOverige consumentengoederen
Audio-/video-appar.FiltertoestelBeddengoedBedrijfsmeubelen
ComputRandapp&onderdGereedschapswerktuigBovenkleding/TruiBril/contactlenzen
Elektr.kookappar.Hh.VerwKook(nt-elek)Ov.textielwarenKeukenmeubelen
Foto-/filmapp&ond.KantoormachinesOverige kledingMatrassen
Geintegr.schakelaarsKraanKlepAfsluiterTapijtenMedische instrum/app
InfodragersMach.rein./verp.flesWeefselsMeubeldelen
Koel-/vrieskastenMach.v.landbouwWoningtextielMuziekinstrum.
Med.instrum./-app.Mach.v.ov.bedr.takk.Ov.artikelen neg
Meet-®elappar.Machine koel/klimaatOverige meubelen
Ond.v.audio/videoMech.handgereedsch.Sieraden/munten
Onderd.zendtst/telefOv.mach.v.alg.gebr.Slaapkamermeubel.
Optische artik.&ond.Pomp/compressorSpel/speelgoed
Ov.el.huish.app/ond.Takel/lier/Lift e.d.Sportartik.&-mater.
Ov.elektr.appar.edTurbine/motorTeken-/schrijfartik.
Ov.elektron.compon.Zitmeubelen

7.4 Lijst met missende producten

7.4.1 Lijst met missende producten
ProductCategorie
Schuren en garagesGebouwen
StallenGebouwen
GlastuinbouwGebouwen
LantaarnpalenGrond- en weginfrastructuur
Stoeptegels
(gemeente en achtertuinen)
Grond- en weginfrastructuur
GeluidswalGrond- en weginfrastructuur
BushokjeGrond- en weginfrastructuur
BenzinestationsGrond- en weginfrastructuur
Ondergrondse containersGrond- en weginfrastructuur
Data infrastructuur
(glasvezel, coax, telefoon)
Grond- en weginfrastructuur
Trams en metro’sTransport
Treinen voor vrachtvervoerTransport
Bepaalde modellen vliegtuigenTransport
BedrijfswagensTransport
GeothermieputtenEnergiesysteem
Kerosineleidingen naar SchipholEnergiesysteem
BliksemdraadEnergiesysteem
VloerverwarmingEnergiesysteem
WarmterotondeEnergiesysteem
Warmtenetten
DronesEnergiesysteem
Consumentengoederen

7.5 Aanbevelingen voor het actualiseren van de data

7.5.1 Aanbevelingen voor het actualiseren van de data
Huidig jaarGewenste termijn update aantalHuidig
jaar
Gewenste termijn update materialenDynamiek
Gebouwen
Woningen2022kort2025kortmiddel
Niet-woningen2022kort2025kortmiddel
GWW*
Wegen, bruggen, tunnels, viaducten2024kort2019langlaag
Spoor2024kort2019langlaag
Gemalen, sluizen, dijken2020kort2019langlaag
Water infrastructuur
Waterproductie-installaties2018kort2014langlaag
Waterleidingen2024kort2016-2021langmiddel
Riolering2024kort2008-2020middellangmiddel
Rioolgemalen2024kort2010langlaag
Kolken2012kort2022langlaag
RWZI2022kort2022langlaag
Energiesysteem
Windturbines2024kort2007-2019korthoog
Zonnepanelen2024kort2011-2019middellanghoog
Elektriciteitscentrales2024kort2007-2013langlaag
Elektriciteitsinfrastructuur2024kort2010-2019langlaag
Cv-ketels2022kort2009langlaag
Gasinfrastructuur2020kort2020langlaag
Gasinstallaties2024kort2020kortlaag
Transport
Fietsen, brom- en motorfietsen2024kort2012-2017middellangmiddel
Auto’s2024kort2012-2017langlaag
Vrachtwagens en bussen2024kort2016-2017langlaag
landbouwvoertuigen2024kort2016-2017langlaag
Treinenonbekendkort2016-2017langlaag
Schepen2022kort2001-2017langlaag
Vliegtuigen2024kort2010-2017langlaag
Consumentengoederen
Consumentenelektronica2024kort2022korthoog
Elektrische machines2024kort2022middellangmiddel
Textiel2024kort2022korthoog
Overige consumentengoederen2024kort2022korthoog
*GWW: de koppeling tussen aantallen en materialen actualiseren om beter op elkaar aan te sluiten.