Meer vrouwen, minder mannen vakbondslid

26-10-2017 02:00
Het aantal mensen dat is aangesloten bij een vakbond blijft teruglopen. De daling gaat de laatste jaren wel minder snel. Onder de vrouwen neemt het aantal vakbondsleden toe. Dit meldt het CBS op grond van nieuwe cijfers.

Eind maart 2017 waren 1,7 miljoen mensen aangesloten bij een vakbond, 15 duizend minder dan in 2016. Het ledental daalt al enige tijd, de laatste toename was in 2011. De laatste jaren gaat de afname wel minder snel. In 2016 nam het ledental af met 17 duizend, in 2015 was dat nog 28 duizend.

Ondanks deze afname stijgt het aantal vakbondsleden onder vrouwen. Die ontwikkeling is al vier jaar gaande. Eind maart waren er ruim 650 duizend vrouwelijke vakbondsleden, 8 duizend meer dan vorig jaar. Het aantal mannelijke leden nam af met bijna 23 duizend tot bijna 1,1 miljoen.

Stijging bij vrouwen van 45-plus

In 2017 nam het aantal vakbondsleden in bijna alle leeftijdsgroepen af. De grootste afname (9 duizend), deed zich voor bij de 25- tot 45-jarigen. Alleen bij de 65-plussers bleef het aantal leden gelijk. De stijging onder de vrouwelijke leden vindt plaats bij de groep van 45 jaar en ouder. Dit is ook de enige leeftijdsgroep waar het aantal vrouwen in de beroepsbevolking toeneemt.

Meeste vakbonden lid van vakcentrale

Verreweg de meeste vakbonden zijn aangesloten bij een vakcentrale. Het gezamenlijke ledental van deze overkoepelende organisaties (87 procent van de vakbondsleden), is in 2017 met 14 duizend toegenomen tot ruim 1,5 miljoen. Het ledental van de niet aangesloten bonden daalde met 29 duizend tot 229 duizend.

Vakbond wordt het vaakst belangrijk gevonden door beroepsgroepen uit de twee laagste beroepsniveaus

Een meerderheid van alle werknemers (60 procent) vindt het bestaan van vakbonden belangrijk of heel belangrijk. Hoeveel waarde ze hieraan hechten, verschilt niet alleen naar geslacht, leeftijd en opleiding, maar ook naar beroepsniveau en beroepsgroep. Daarbij geldt: hoe hoger het beroepsniveau, hoe minder belangrijk de vakbonden worden gevonden. Op het hoogste beroepsniveau, waartoe onder meer algemeen directeuren en managers behoren, vindt minder dan de helft van de werknemers het bestaan van vakbonden (heel) belangrijk. Op het laagste beroepsniveau is dit bijna 70 procent.

Drie kwart van de directeuren vindt vakbonden niet belangrijk

In de twintig beroepsgroepen die het bestaan van vakbonden het belangrijkst vinden, werken veel mensen uit de twee laagste beroepsniveaus. Het gaat bijvoorbeeld om buschauffeurs en trambestuurders, politie en brandweer, verzorgenden, schoonmakers en bouwvakkers. Verpleegkundigen en leerkrachten in het basisonderwijs zijn de enige beroepen uit de hoogste beroepsniveaus (3 en 4) in deze top 20. De beroepsgroep die het bestaan van vakbonden het minst belangrijk vindt, is die van de algemeen directeuren. Van hen vindt drie kwart het bestaan van vakbonden niet belangrijk.

De gegevens over het belang van vakbonden zijn ontleend aan de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA), die CBS en TNO samen uitvoeren.

Relevante links