2. Data en methode
Dit artikel maakt een vergelijking van de koopkracht, het vermogen en de woonsituatie van de volgende zes geboortecohorten:
- Geboren voor 1945 (stille generatie)
- Geboren van 1945 tot 1955 (babyboomers)
- Geboren van 1955 tot 1970 (generatie X, ook wel verloren generatie)
- Geboren van 1970 tot 1985 (pragmaten)
- Geboren van 1985 tot 2000 (millennials, ook wel generatie Y)
- Geboren van 2000 tot 2015 (generatie Z)
Hiermee wordt aangesloten bij een gangbare indeling, te vinden bij bijvoorbeeld Generations Inc. (2026). Overigens bestaat er in de wetenschappelijke literatuur geen volledige consensus over de exacte indeling en de naamgeving van geboortegeneraties.
De vergelijking van de financiële welvaart van deze generaties gebeurt telkens op dezelfde leeftijd in het volwassen leven. Dat geeft antwoord op de vraag of de ene generatie als twintiger, dertiger enzovoort financieel beter of slechter af was dan andere generaties op dezelfde leeftijd.
Alleen mensen die deel uitmaken van de kern van een huishouden – de hoofdkostwinner en de eventuele partner – behoren tot de onderzoekspopulatie. De koopkracht, het vermogen (zie paragraaf 2.1) en het eigenwoningbezit van de geboortegeneraties worden vergeleken op de leeftijden tussen 20 en 90 jaar oud. Voor andere aspecten van de woonsituatie (zie paragraaf 2.2), zoals het woningtype en de woonlasten, ontbreken daartoe in de tijd vergelijkbare gegevens en is de vergelijking per leeftijdsgroep steeds beperkt tot twee opeenvolgende generaties.
2.1 Koopkracht en vermogen
De gegevens over de koopkracht en het vermogen komen uit het Inkomenspanelonderzoek (IPO) en het Integraal inkomens- en vermogensonderzoek (IIV) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze onderzoeken geven inzicht in de samenstelling en verdeling van het inkomen en vermogen van de bevolking van Nederland. De gegevens zijn voornamelijk afkomstig van de Belastingdienst.
Het IPO is een panel(steekproef)onderzoek dat voor vrijwel alle jaren van 1977 tot en met 2014 beschikbaar is: tot 1989 om de vier jaar, van 1989 tot en met 2014 jaarlijks. Het IPO bestaat jaarlijks uit ongeveer 100 duizend huishoudens, waarbij alle huishoudensleden tot de steekproef behoren. Ieder jaar werd het panel aangevuld met pasgeborenen en immigranten om uitval door sterfte of emigratie te compenseren. Vanaf 1993 bevat het IPO naast inkomensgegevens ook vermogensgegevens. Het IIV verving het IPO vanaf 2011 en bevat integrale gegevens tot en met 2024, waaronder jaarlijkse inkomens- en vermogensgegevens van alle huishoudens(leden) die in Nederland wonen. De cijfers over 2024 zijn voorlopig, wat verder aangegeven is met een sterretje (*).
De inkomensgegevens uit de IPO-steekproef zijn aangepast aan de integrale IIV-gegevens, zodat alle jaren onderling vergelijkbaar zijn. Alleen in 2001 is een kleine breuk, die niet helemaal weggenomen kon worden. Ook in de overgang van het IPO op het IIV (van 2010 op 2011) zit een kleine breuk (zie UL/CBS, 2021). De vermogensgegevens zijn, anders dan het inkomen, niet vergelijkbaar gemaakt in de tijd. Ook hier is een breuk in 2011, maar deze staat een vergelijking tussen generaties niet in de weg.
Koopkracht
De koopkracht is het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen uitgedrukt in prijzen van 2024, het recentste IIV-jaar. Tot het besteedbaar inkomen van een huishouden behoren:
- inkomen uit loon als werknemer;
- inkomen uit eigen onderneming als zelfstandige;
- inkomen uit financieel vermogen;
- inkomen uit aanmerkelijk belang;
- inkomen uit onroerend goed;
- uitkeringen (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioen of bijstand);
- huur- en zorgtoeslag;
- kinderbijslag en kindgebonden budget;
- studiefinanciering;
- ontvangen partneralimentatie.
Betaalde rente op schulden (onder andere de hypotheekrente), betaalde partneralimentatie en premies (waaronder voor de basiszorgverzekering), het verplichte eigen risico en belastingen worden van het inkomen afgetrokken.
Om huishoudens onderling te kunnen vergelijken, wordt het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor omvang en samenstelling van het huishouden. Het zo verkregen gestandaardiseerd inkomen wordt voor de jaren 1977-2023 met de consumentenprijsindex (CPI) omgerekend naar het prijspeil van 2024 en als koopkracht toegekend aan de leden van de geboortegeneraties. Zo hoort bij een babyboomer geboren in 1950 op 40-jarige leeftijd de koopkracht van 1990, en op 65-jarige leeftijd die in 2015.
Vermogen
Het vermogen van een huishouden is opgebouwd uit het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen omvatten bank- en spaartegoeden, effecten, eigen woning en ander onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en overige bezittingen. De schulden betreffen de hypotheekschuld voor de eigen woning, studieschulden en overige schulden. De hypotheekschuld is de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via spaar- en beleggingshypotheken worden in mindering gebracht op de hypotheekschuld. Pensioenaanspraken worden niet tot het vermogen gerekend.
In de tijd vergelijkbare vermogensgegevens zijn er voor 1993-2010 (IPO) en 2011-2024 (IIV). Het vermogen is de stand op 1 januari van het jaar. Dit wordt met de CPI omgerekend naar het prijspeil van eind december 2023 (oftewel begin 2024). Het mediane (doorsnee) vermogen wordt voor alle geboortegeneraties op diverse leeftijden vergeleken. De mediaan is het middelste vermogen wanneer de vermogens van een generatie op een bepaalde leeftijd van laag naar hoog gerangschikt zijn. De helft van de generatie in die leeftijd heeft meer, de andere helft minder vermogen dan de mediaan. Omdat het vermogen niet gestandaardiseerd is, doen alleen hoofdkostwinners mee bij het vergelijken van generaties. Dat komt neer op het vergelijken van het vermogen van huishoudens.
2.2 Woonsituatie
Het eigenwoningbezit staat geregistreerd in het IPO en IIV. Andere gegevens over de woonsituatie komen uit de Woonbase, die het CBS maakt op verzoek van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, en uit het Woononderzoek. De Woonbase geeft inzicht in de relatie tussen personen, huishoudens en woningen en bevat naast kenmerken van de bevolking informatie over de woonruimte, de betaalbaarheid en de energie-aspecten van het wonen.
In dit artikel komen van de geboortegeneraties het woningtype en de woonlasten (woonquote) aan bod. In de tijd vergelijkbare gegevens hierover zijn er vanaf 2015. Dit betekent dat per leeftijdsgroep de woonsituatie van twee opeenvolgende generaties vergeleken kan worden.
De woonquote is het percentage van het besteedbaar huishoudensinkomen dat netto besteed wordt aan woonlasten, inclusief onderhoudskosten. Het gaat hier om het besteedbaar huishoudensinkomen zonder woonposten. Die woonposten zijn de huurtoeslag, koopsubsidie, hypotheekrente-aftrek en eigenwoningforfait met daaraan gekoppeld belastingvoordeel. De woonlasten bestaan uit netto huur- of hypotheeklasten (dus verrekend met hypotheekrente-aftrek of huurtoeslag) inclusief de bijkomende woonuitgaven zoals onroerendezaakbelasting, premies voor woonverzekeringen, rioolrechten, gas, water en elektra. Vrijwillige of verplichte aflossingen tellen niet mee in de netto woonlasten, maar beschouwt het CBS als vermogensopbouw.