Auteur(s): Noortje Pouwels-Urlings, Zef Janssen en Marion van den Brakel
Van babyboomers tot gen Z: financiële welvaart van generaties

3. Resultaten

3.1 Koopkracht

Koopkracht steeg tussen 1977 en 2024

De gemiddelde koopkracht van de bevolking was in 2024 bijna 72 procent hoger dan in 1977. Vergeleken met 1985 – een historisch dieptepunt na de oliecrises in de jaren zeventig – was de stijging in koopkracht 88 procent. Ook in andere perioden van economische teruggang, zoals de crisis in 2009-2013, nam de koopkracht af. De achteruitgang van de koopkracht in 2022 had te maken met de hoge inflatie in dat jaar. 

Behalve economische crises hadden de vergrijzing en de toename van het aantal alleenwonenden een dempende werking op de koopkracht. Dat de koopkracht de afgelopen vijftig jaar toch groeide, komt voor een belangrijk deel door de stijging van de arbeidsdeelname van vrouwen (zie ook UL/CBS, 2021).   

3.1.1 Gemiddelde koopkracht bevolking
JaarKoopkracht (1 000 euro, in prijzen van 2024)
197726,3
198126,2
198524,1
198928,5
199029,8
199129,8
199229,5
199329,2
199429,2
199529,7
199629,7
199729,8
199830,1
199930,1
200032,0
200134,5
200234,3
200333,6
200434,2
200534,4
200635,5
200737,7
200837,5
200937,4
201037,1
201137,4
201236,7
201336,1
201437,8
201537,4
201638,9
201739,8
201839,6
201941,6
202041,8
202142,8
202242,5
202344,5
2024*45,3
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Jongere generaties hebben meer koopkracht 

Doordat de koopkracht in de periode 1977-2024 steeg, is op vrijwel elke leeftijd de koopkracht van de jongere generaties hoger dan die van oudere. Zo is op 45-jarige leeftijd de koopkracht van de generatie pragmaten (geboren in 1970-1984) bijna anderhalf keer zo groot als die van de babyboomgeneratie. Tot ongeveer 25-jarige leeftijd zijn de jongste generaties echter minder goed af dan oudere generaties. Hier speelt mee dat jongeren steeds langer doorleren.

Hoe ouder, hoe meer koopkracht

Het koopkrachtverloop in de leeftijd van 20 tot 90 jaar is in de onderscheiden generaties min of meer hetzelfde. Op jonge leeftijd is de koopkracht het laagst, maar deze stijgt snel als de opleiding is afgerond en mensen hun eerste baan vinden. De koopkracht groeit daarna door arbeidservaring en meer loon. Rond 55- à 60-jarige leeftijd daalt de koopkracht, doordat mensen minder gaan werken of stoppen. Ook zijn er dan in verhouding meer mensen arbeidsongeschikt of werkloos. Vanaf de AOW-leeftijd hangt de koopkracht vooral af van de ontwikkeling van de AOW-uitkering en het aanvullend pensioen. Voor de babyboomers en de generatie X betekent dat een terugloop, omdat pensioenen lange tijd niet of nauwelijks geïndexeerd werden.   

De economische recessie van begin jaren tachtig ging bij de babyboomers – die toen twintiger of dertiger waren - gepaard met een terugval in hun koopkracht. In de stille generatie, die tijdens die recessie veertigers waren, bleef de koopkracht min of meer gelijk. Bij babyboomers speelde behalve de economische crisis begin jaren tachtig ook dat vrouwen veelal minder gingen werken of stopten zodra er kinderen kwamen. In de generaties daarna gebeurde dat steeds minder en kwamen er ook steeds meer tweeverdieners (zie CBS StatLine, 2026a; UL/CBS, 2021), waardoor de koopkracht wel groeide als ze dertiger waren, het meest bij de millennials. 

3.1.2 Gemiddelde koopkracht geboortegeneraties
LeeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
2018,112,712,813,9
2119,415,815,917,6
2221,118,819,621,5
2323,022,023,325,9
2425,724,524,827,330,2
2525,325,427,230,8
2625,226,529,433,5
2724,927,431,435,8
2824,928,232,737,4
2924,628,433,638,6
3024,528,534,239,6
3124,328,534,740,3
3223,828,835,140,9
3323,728,935,441,3
3425,023,529,235,841,8
3524,924,029,336,442,2
3625,224,529,737,042,8
3725,125,530,237,842,8
3825,426,430,638,543,3
3925,527,131,539,144,1
4025,927,532,439,9
4126,128,133,440,6
4225,929,434,641,4
4326,129,935,542,2
4426,630,836,543,2
4527,131,437,644,1
4628,532,338,745,2
4729,833,239,846,4
4830,934,640,847,5
4931,535,841,748,7
5032,236,942,849,6
5132,338,044,051,0
5232,739,045,052,4
5332,939,845,954,1
5432,941,046,754,8
5532,841,647,4
5632,542,447,4
5732,542,447,8
5832,442,447,7
5932,342,247,5
6032,141,747,0
6131,941,546,6
6231,440,945,6
6331,240,144,7
6431,240,144,0
6532,340,243,1
6631,839,643,9
6731,939,243,3
6831,538,643,3
6931,238,542,8
7030,938,2
7130,737,7
7230,437,4
7330,236,8
7430,136,4
7530,035,9
7629,936,2
7729,836,1
7829,836,6
7930,036,5
8030,1
8129,9
8229,7
8329,5
8429,5
8529,3
8629,1
8728,9
8828,9
8929,0

3.2 Vermogen

Vermogen steeg tussen 1993 en 2024

Het doorsnee vermogen van de bevolking was in 2024 bijna vijf keer zo groot als in 1993. Wanneer de eigen woning buiten beschouwing blijft, is het vermogen ruim twee keer zo groot. 

Het doorsnee vermogen is tussen 1993 en 2008 sterk gegroeid, van 28 duizend euro naar 66 duizend euro. De invloed van de economische crisis in 2009-2013 op de vermogensontwikkeling is groot geweest. Het doorsnee vermogen was in 2014 met 22 duizend euro 66 procent lager dan in 2008. Dit kwam vooral door de dalende huizenprijzen. Met het economisch herstel in 2014 nam ook het vermogen weer toe, tot in doorsnee 136 duizend euro in 2022. De achteruitgang in 2023 had te maken met de hoge inflatie.

3.2.1 Doorsnee vermogen van huishoudens1)
JaarVermogen (1 000 euro, in prijzen van 2024)Vermogen exclusief eigen woning (1 000 euro, in prijzen van 2024)
199328,49,4
199431,010,2
199534,311,2
199638,112,1
199740,413,2
199834,811,8
199939,913,5
200043,112,9
2001
200252,820,0
200357,720,3
200454,219,5
200558,820,3
200656,720,4
200763,120,4
200868,520,9
200959,420,3
201046,820,8
201143,818,6
201233,816,8
201322,514,1
201422,214,0
201526,716,4
201629,816,5
201738,017,2
201848,917,5
201963,717,7
202077,318,6
2021103,723,1
2022153,424,1
2023137,022,4
2024*135,523,0
1)vermogenscijfers over 2001 zijn niet beschikbaar *de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Jongere generaties meer vermogen dan hun voorgangers

Op een vergelijkbare leeftijd hebben jongere generaties doorgaans een hoger vermogen dan voorgaande generaties. Tot de leeftijd van 25 jaar is er nog weinig verschil in doorsnee vermogen van de generaties geboren vanaf 1955. Het doorsnee vermogen ligt onder de 4 duizend euro. Jongeren hebben nog weinig vermogen, dat wordt pas in de loop der jaren opgebouwd. 

Vanaf 2014 is het doorsnee vermogen toegenomen en in 2023 afgenomen (figuur 3.2.1). Dit is bij de millennials, de pragmaten, de generatie X en de babyboomers terug te zien op telkens een andere leeftijd. Bij de millennials is dat bijvoorbeeld van 30 tot 40 jaar, bij de pragmaten van 45 tot 55 jaar, bij de generatie X tussen 60 en 70 jaar, en bij de babyboomers vanaf 70 jaar. De groei van het vermogen die millennials als dertiger meemaakten, is veel sterker dan die van oudere generaties in die leeftijd. 

Bij de stille generatie liep het vermogen in de leeftijd van 70 tot 75 jaar terug. Bij de babyboomers gebeurde dat toen ze 60 tot 65 jaar waren. Dat viel samen met de crisis van 2009-2013. De generatie X werd hier minder sterk door getroffen en bij de nog jongere generaties groeide het vermogen ook nog in de crisis, maar minder hard dan erna. Op elke leeftijd is het vermogen van de vooroorlogse stille generatie lager. Dit hangt samen met het lagere eigenwoningbezit in deze generatie; op elke leeftijd heeft minstens de helft een huurwoning. Huurders hebben doorgaans een lager doorsnee vermogen dan woningeigenaren (zie CBS, 2026a).

3.2.2 Doorsnee vermogen geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
201,70,80,1
211,70,50,0
221,80,30,0
231,90,10,0
243,12,20,10,2
253,52,80,3
264,73,60,6
276,74,31,3
2811,05,02,6
2913,25,45,0
3018,25,69,0
3122,06,515,2
3227,47,424,3
3333,17,636,3
3439,59,151,2
3546,210,870,3
3651,013,792,0
3756,517,3111,7
3860,922,0112,5
3940,768,926,6118,2
4048,377,532,5
4153,082,136,7
4256,687,241,6
4362,690,648,8
4464,291,660,4
4571,588,174,1
4675,187,589,9
4779,191,5108,0
4886,092,7127,1
4968,098,795,0147,5
5066,9109,998,2168,6
5173,7122,5104,2191,8
5280,1134,2113,0212,5
5378,3150,2122,8213,6
5486,1164,4131,1221,4
5589,3174,8138,9
5695,3181,1145,1
5786,4186,2150,9
5895,5188,3158,8
59100,0181,6170,6
60101,2177,1183,0
61104,7173,7196,2
62107,8170,4209,8
63108,4165,1223,0
64102,7161,9237,0
65105,1166,9250,9
66106,3171,7269,3
67106,9177,5282,9
68105,2188,2275,8
6995,9201,1277,8
7092,8215,3
7181,9223,0
7279,2231,5
7372,2241,3
7472,5251,3
7568,8260,5
7670,2269,3
7768,9279,0
7868,7271,2
7967,4276,8
8068,5
8164,7
8263,2
8359,3
8455,9
8553,9
8653,7
8751,4
8849,5
8948,5

Exclusief eigen woning iets kleiner vermogensverschil

Wanneer de eigen woning (en de daarop rustende hypotheekschuld) buiten beschouwing blijft, liggen de vermogens van de generaties iets dichter bij elkaar. Tot 35 jaar en vooral van 45 tot 55 jaar is het doorsnee vermogen exclusief de eigen woning van pragmaten hoger dan dat van oudere en jongere generaties. De oudste generaties hebben zonder de eigen woning de laagste vermogens. Het vermogen exclusief de woning van de stille generatie neemt vanaf 75 jaar nog wel toe. 

3.2.3 Doorsnee vermogen excl. eigen woning van geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
201,60,80,1
211,70,60,0
221,80,40,0
232,00,40,0
242,62,40,50,1
252,23,10,7
262,94,01,1
273,34,71,7
284,25,72,5
294,96,63,5
305,67,44,5
316,18,35,6
326,79,06,8
337,59,48,0
348,99,99,4
3510,110,310,9
3610,411,112,6
3711,712,113,5
3812,512,914,1
395,613,613,815,1
406,814,714,7
417,515,915,4
428,817,416,3
4310,218,217,4
4410,819,318,8
4512,619,720,3
4612,920,721,7
4714,521,423,3
4816,621,724,8
4914,918,922,626,6
5014,620,523,028,5
5116,622,523,630,9
5218,024,524,932,2
5319,026,426,032,8
5419,527,926,834,7
5520,429,727,6
5622,431,428,2
5721,532,029,0
5824,733,130,0
5924,033,531,6
6025,733,133,3
6126,833,634,8
6227,333,136,3
6327,033,137,7
6426,632,239,0
6529,333,940,6
6630,134,442,3
6730,134,542,8
6830,034,841,6
6929,235,341,7
7029,635,8
7129,935,9
7230,136,1
7329,736,6
7429,837,1
7530,037,6
7630,738,6
7730,739,1
7831,238,8
7931,740,6
8032,2
8132,5
8232,6
8332,4
8432,5
8532,9
8633,3
8733,3
8832,7
8933,0

3.3 Woonsituatie

Eigenwoningbezit oudste generaties laagst

Sinds 1970 is de woningvoorraad verschoven van vooral huurwoningen naar vooral koopwoningen (Brand, 2024). Dat is terug te zien in het eigenwoningbezit van de generaties. Meestal is dat bij jongere generaties hoger dan bij oudere. Toch is dat niet op elke leeftijd zo. Tot 25 jaar hebben de generaties geboren tussen 1955 en 2000 ongeveer even vaak een eigen woning, terwijl de jongste generatie Z hierin wat achterblijft (zie ook CBS, 2025a). Dat heeft te maken met het woningtekort en de voor hen vaak te hoge huizenprijzen. 

Van 25 tot 45 jaar springt het eigenwoningbezit van de pragmaten er uit. Zo heeft 72 procent van deze generatie op 39-jarige leeftijd een eigen woning. Dat is bij de generatie X en de millennials ongeveer 65 procent. Bij de babyboomers en vooral de stille generatie is het nog lager. Vanaf 45 jaar ontlopen pragmaten en de generatie X elkaar niet meer. Het eigenwoningbezit in de stille generatie is gedurende hun leven een stuk lager dan in de andere generaties en neemt na pensionering relatief sterk af.   

3.3.1 Eigenwoningbezit geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (%)1945 tot 1955 (babyboomers) (%)1955 tot 1970 (generatie X) (%)1970 tot 1985 (pragmaten) (%)1985 tot 2000 (millennials) (%)2000 tot 2015 (generatie Z) (%)
206,95,86,24,5
2110,010,210,46,7
2213,416,415,610,1
2317,423,221,114,5
2426,821,929,926,620,0
2529,226,035,231,6
2631,629,941,837,0
2734,735,047,541,5
2839,539,852,346,0
2941,944,156,749,9
3043,647,659,553,4
314550,662,356,5
3248,153,464,859,0
3349,155,866,361,0
3443,652,857,767,962,7
3544,554,159,369,164,1
3643,955,160,870,265,1
3742,056,062,370,965,7
3848,858,063,871,466,0
3946,458,764,871,866,4
4046,459,065,871,9
4144,958,867,372,2
4248,859,768,172,3
4347,160,469,272,5
4445,360,469,872,6
4544,660,970,172,8
4647,661,670,572,8
4749,261,870,872,9
4848,962,671,273,0
4949,363,271,673,0
5049,763,871,973,1
5150,064,472,073,1
5250,164,772,373,2
5350,365,172,473,1
5449,865,472,273,2
5549,765,872,2
5649,466,372,0
5749,267,171,7
5849,167,371,7
5948,667,671,4
6048,567,671,2
6148,367,570,9
6247,867,570,7
6347,367,370,4
6446,767,270,1
6546,666,869,9
6646,366,469,5
6746,966,469,1
6846,066,368,8
6945,566,168,5
7044,965,8
7144,265,3
7243,564,8
7343,064,3
7442,463,7
7541,863,1
7641,362,5
7740,862,0
7840,461,3
7939,960,9
8039,7
8138,4
8237,4
8336,4
8435,5
8534,5
8633,6
8732,7
8832,1
8931,3

7 op de 10 gen Z’ers wonen in appartement 

De meeste jongeren uit generatie Z die een eigen huishouden hebben, wonen in een appartement (70 procent). Bijna 18 procent woont in een tussenwoning en de overige 12 procent heeft een tussen-, halfvrijstaande of vrijstaande woning. Wonen in een appartement komt vooral bij pragmaten en de generatie X veel minder voor. Zij – en ook de babyboomers – wonen in verhouding juist vaak vrijstaand. Van de stille generatie woont een relatief groot deel in een appartement.  

3.3.2 Type woning van geboortegeneraties, 2024*
GeboortegeneratieAppartement (%)Tussenwoning (%)Hoekwoning (%)Twee-onder-een-kap (%)Vrijstaand (%)
Voor 1945 (stille generatie)41,320,811,110,716,1
1945 tot 1955 (babyboomers)27,624,612,315,520,1
1955 tot 1970 (generatie X)21,127,912,717,221,1
1970 tot 1985 (pragmaten) 18,032,614,115,619,7
1985 tot 2000 (millennials)32,232,913,511,59,9
2000 tot 2015 (generatie Z)70,517,86,02,82,9
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Jongere generaties vaker in appartement

Tot 55 jaar wonen jongere generaties vaker in een appartement dan oudere. Van de millennials woonde 65 procent als begin-twintiger in een appartement. De overige 35 procent woonde toen in een eengezinswoning. Zo’n woning komt bij de 20- tot 25-jarigen van de generatie Z met 30 procent minder voor. Bij zestigers en zeventigers is het anders. De babyboomers en de generatie X wonen als zestiger even vaak in een appartement. Als zeventiger woont de babyboomgeneratie net iets minder vaak in een appartement dan de stille generatie als zeventiger tien jaar eerder. 

3.3.3 Wonen in appartement door geboortegeneraties, 2015 en 2024*
LeeftijdVoor 1945 (stille generatie) (%)1945 tot 1955 (babyboomers) (%)1955 tot 1970 (generatie X) (%)1970 tot 1985 (pragmaten) (%)1985 tot 2000 (millennials) (%)2000 tot 2015 (generatie Z) (%)
70 tot 80 jaar30,227,6
60 tot 70 jaar21,221,1
45 tot 55 jaar16,418,0
30 tot 40 jaar29,732,2
20 tot 25 jaar64,670,5
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Woonquote gedaald

Hoe jonger, hoe meer inkomen doorgaans opgaat aan woonlasten (CBS, 2024b). Doordat het inkomen sterker steeg dan de woonlasten, is de woonquote gemiddeld wel lager geworden (CBS, 2025b). Bij het vergelijken van twee opeenvolgende generaties in dezelfde leeftijd vertaalt zich dat in een lagere woonquote van de jongste van beide generaties. Het verschil in woonquote is het kleinst tussen de millennials en gen Z als begin twintiger.

3.3.4 Woonquote geboortegeneraties, 2015 en 2024*
LeeftijdVoor 1945 (stille generatie) (%)1945 tot 1955 (babyboomers) (%)1955 tot 1970 (generatie X) (%)1970 tot 1985 (pragmaten) (%)1985 tot 2000 (millennials) (%)2000 tot 2015 (generatie Z) (%)
70 tot 80 jaar26,320,9
60 tot 70 jaar24,919,3
45 tot 55 jaar25,219,1
30 tot 40 jaar28,722,5
20 tot 25 jaar31,929,4
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig