Auteur(s): Noortje Pouwels-Urlings, Zef Janssen en Marion van den Brakel

Van babyboomers tot gen Z: financiële welvaart van generaties

Over deze publicatie

Hoe verschilt de koopkracht tussen voor- en naoorlogse generaties op eenzelfde leeftijd? En het vermogen? In wat voor soort woning wonen de generaties als twintiger, dertiger en in latere fases van hun leven? En hoeveel van hun inkomen gaat op aan woonlasten in die leeftijden? Dit artikel vergelijkt de financiële en woonsituatie van de vooroorlogse generatie met die van de naoorlogse generaties.

In het kort blijkt dat jongere generaties op dezelfde leeftijd:
─ doorgaans meer koopkracht en een groter vermogen hebben dan oudere generaties;
─ vaker een eigen woning bezitten en vaker in een appartement wonen;
─ een kleiner deel van hun inkomen kwijt zijn aan woonlasten.

1. Inleiding

Iedere generatie maakt andere economische tijden mee. Mensen geboren voor de Tweede Wereldoorlog beleefden de crisisjaren dertig en hadden in de oorlogsjaren te maken met schaarste, rantsoenering, werkloosheid en inflatie. Ook de babyboomgeneratie – geboren na de oorlog – groeide veelal in armoede op, maar profiteerde na de wederopbouw van groeiende welvaart, betaalbare woningen en veel werkgelegenheid (zie bijvoorbeeld CBS, 2012). De oliecrisis van de jaren zeventig gooide roet in het eten en mondde uit in een naoorlogs economisch dieptepunt in 1985 met hoge werkloosheid, een teruggelopen koopkracht en sterk gegroeide begrotingstekorten. 

De generatie X – geboren tussen 1955 en 1970 en ook wel ‘de verloren generatie’ genoemd – had vooral bij de start van hun loopbaan met de gevolgen van die laagconjunctuur te maken. De zogenoemde ‘pragmatische generatie’ daarna, geboren in de jaren zeventig, betrad de arbeidsmarkt na het herstel van de economie in de jaren negentig. Voor hen was het, nog meer dan voor hun voorgangers, normaal om als tweeverdiener te werken. Dat was wel in een steeds verder flexibiliserende arbeidsmarkt, waarin een vaste baan minder gewoon werd. De jongste generaties – de millennials en generatie Z – begonnen hun studie of loopbaan in de coronaperiode. Zij hebben relatief vaak te maken met flinke studieschulden, flexcontracten, woningnood en hoge woonlasten (zie bijvoorbeeld Trouw, 2024; Generations Inc., 2026).

De economische situatie heeft invloed op de financiële welvaart van een generatie en die van hun nakomelingen. Zo wordt vaak gedacht dat babyboomers een flink vermogen hebben en grote huizen met ruime tuinen bezitten (zie bijvoorbeeld NOS, 2025). Maar is dat zo? Heeft vooral de babyboomgeneratie profijt gehad van de sterk gestegen huizenprijzen? Of is dat ook zo in andere generaties? En hoe zit het met de koopkracht van de generaties? Uit de baanonzekerheid in de jongere generaties zich in minder koopkracht? Volgens UL/CBS (2021) zijn jongere generaties doorgaans juist beter af dan oudere, maar geldt dat ook voor millennials en generatie Z? En zijn zij kleiner behuisd en meer kwijt aan woonlasten dan hun voorgangers? Dit artikel vergelijkt de financiële welvaart van de vooroorlogse generatie en de opeenvolgende naoorlogse generaties.

Onderzoeksvragen

Specifiek komen de volgende vragen aan bod:

  • Hoeveel verschilt de koopkracht tijdens de levensloop tussen generaties? 
  • Hoe zit dat met het vermogen? En als de eigen woning niet meetelt in het vermogen?
  • Bezitten oudere generaties eerder in hun leven, en vaker, een eigen woning dan jongere? En is een appartement als starterswoning tegenwoordig gebruikelijker dan vroeger?
  • Besteden oudere generaties een kleiner deel van hun inkomen aan woonlasten dan jongere?   

2. Data en methode

Dit artikel maakt een vergelijking van de koopkracht, het vermogen en de woonsituatie van de volgende zes geboortecohorten:

  • Geboren voor 1945 (stille generatie) 
  • Geboren van 1945 tot 1955 (babyboomers)  
  • Geboren van 1955 tot 1970 (generatie X, ook wel verloren generatie) 
  • Geboren van 1970 tot 1985 (pragmaten)
  • Geboren van 1985 tot 2000 (millennials, ook wel generatie Y)  
  • Geboren van 2000 tot 2015 (generatie Z)

Hiermee wordt aangesloten bij een gangbare indeling, te vinden bij bijvoorbeeld Generations Inc. (2026). Overigens bestaat er in de wetenschappelijke literatuur geen volledige consensus over de exacte indeling en de naamgeving van geboortegeneraties.

De vergelijking van de financiële welvaart van deze generaties gebeurt telkens op dezelfde leeftijd in het volwassen leven. Dat geeft antwoord op de vraag of de ene generatie als twintiger, dertiger enzovoort financieel beter of slechter af was dan andere generaties op dezelfde leeftijd. 

Alleen mensen die deel uitmaken van de kern van een huishouden – de hoofdkostwinner en de eventuele partner – behoren tot de onderzoekspopulatie. De koopkracht, het vermogen (zie paragraaf 2.1) en het eigenwoningbezit van de geboortegeneraties worden vergeleken op de leeftijden tussen 20 en 90 jaar oud. Voor andere aspecten van de woonsituatie (zie paragraaf 2.2), zoals het woningtype en de woonlasten, ontbreken daartoe in de tijd vergelijkbare gegevens en is de vergelijking per leeftijdsgroep steeds beperkt tot twee opeenvolgende generaties. 

2.1 Koopkracht en vermogen

De gegevens over de koopkracht en het vermogen komen uit het Inkomenspanelonderzoek (IPO) en het Integraal inkomens- en vermogensonderzoek (IIV) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze onderzoeken geven inzicht in de samenstelling en verdeling van het inkomen en vermogen van de bevolking van Nederland. De gegevens zijn voornamelijk afkomstig van de Belastingdienst. 

Het IPO is een panel(steekproef)onderzoek dat voor vrijwel alle jaren van 1977 tot en met 2014 beschikbaar is: tot 1989 om de vier jaar, van 1989 tot en met 2014 jaarlijks. Het IPO bestaat jaarlijks uit ongeveer 100 duizend huishoudens, waarbij alle huishoudensleden tot de steekproef behoren. Ieder jaar werd het panel aangevuld met pasgeborenen en immigranten om uitval door sterfte of emigratie te compenseren. Vanaf 1993 bevat het IPO naast inkomensgegevens ook vermogensgegevens. Het IIV verving het IPO vanaf 2011 en bevat integrale gegevens tot en met 2024, waaronder jaarlijkse inkomens- en vermogensgegevens van alle huishoudens(leden) die in Nederland wonen. De cijfers over 2024 zijn voorlopig, wat verder aangegeven is met een sterretje (*).

De inkomensgegevens uit de IPO-steekproef zijn aangepast aan de integrale IIV-gegevens, zodat alle jaren onderling vergelijkbaar zijn. Alleen in 2001 is een kleine breuk, die niet helemaal weggenomen kon worden. Ook in de overgang van het IPO op het IIV (van 2010 op 2011) zit een kleine breuk (zie UL/CBS, 2021). De vermogensgegevens zijn, anders dan het inkomen, niet vergelijkbaar gemaakt in de tijd. Ook hier is een breuk in 2011, maar deze staat een vergelijking tussen generaties niet in de weg.

Koopkracht

De koopkracht is het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen uitgedrukt in prijzen van 2024, het recentste IIV-jaar. Tot het besteedbaar inkomen van een huishouden behoren:

  • inkomen uit loon als werknemer;
  • inkomen uit eigen onderneming als zelfstandige;
  • inkomen uit financieel vermogen;
  • inkomen uit aanmerkelijk belang;
  • inkomen uit onroerend goed;
  • uitkeringen (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioen of bijstand);
  • huur- en zorgtoeslag;
  • kinderbijslag en kindgebonden budget;
  • studiefinanciering;
  • ontvangen partneralimentatie.

Betaalde rente op schulden (onder andere de hypotheekrente), betaalde partneralimentatie en premies (waaronder voor de basiszorgverzekering), het verplichte eigen risico en belastingen worden van het inkomen afgetrokken. 

Om huishoudens onderling te kunnen vergelijken, wordt het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor omvang en samenstelling van het huishouden. Het zo verkregen gestandaardiseerd inkomen wordt voor de jaren 1977-2023 met de consumentenprijsindex (CPI) omgerekend naar het prijspeil van 2024 en als koopkracht toegekend aan de leden van de geboortegeneraties. Zo hoort bij een babyboomer geboren in 1950 op 40-jarige leeftijd de koopkracht van 1990, en op 65-jarige leeftijd die in 2015.

Vermogen

Het vermogen van een huishouden is opgebouwd uit het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen omvatten bank- en spaartegoeden, effecten, eigen woning en ander onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en overige bezittingen. De schulden betreffen de hypotheekschuld voor de eigen woning, studieschulden en overige schulden. De hypotheekschuld is de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via spaar- en beleggingshypotheken worden in mindering gebracht op de hypotheekschuld. Pensioenaanspraken worden niet tot het vermogen gerekend.

In de tijd vergelijkbare vermogensgegevens zijn er voor 1993-2010 (IPO) en 2011-2024 (IIV). Het vermogen is de stand op 1 januari van het jaar. Dit wordt met de CPI omgerekend naar het prijspeil van eind december 2023 (oftewel begin 2024). Het mediane (doorsnee) vermogen wordt voor alle geboortegeneraties op diverse leeftijden vergeleken. De mediaan is het middelste vermogen wanneer de vermogens van een generatie op een bepaalde leeftijd van laag naar hoog gerangschikt zijn. De helft van de generatie in die leeftijd heeft meer, de andere helft minder vermogen dan de mediaan. Omdat het vermogen niet gestandaardiseerd is, doen alleen hoofdkostwinners mee bij het vergelijken van generaties. Dat komt neer op het vergelijken van het vermogen van huishoudens.

2.2 Woonsituatie

Het eigenwoningbezit staat geregistreerd in het IPO en IIV. Andere gegevens over de woonsituatie komen uit de Woonbase, die het CBS maakt op verzoek van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, en uit het Woononderzoek. De Woonbase geeft inzicht in de relatie tussen personen, huishoudens en woningen en bevat naast kenmerken van de bevolking informatie over de woonruimte, de betaalbaarheid en de energie-aspecten van het wonen. 

In dit artikel komen van de geboortegeneraties het woningtype en de woonlasten (woonquote) aan bod. In de tijd vergelijkbare gegevens hierover zijn er vanaf 2015. Dit betekent dat per leeftijdsgroep de woonsituatie van twee opeenvolgende generaties vergeleken kan worden.   

De woonquote is het percentage van het besteedbaar huishoudensinkomen dat netto besteed wordt aan woonlasten, inclusief onderhoudskosten. Het gaat hier om het besteedbaar huishoudensinkomen zonder woonposten. Die woonposten zijn de huurtoeslag, koopsubsidie, hypotheekrente-aftrek en eigenwoningforfait met daaraan gekoppeld belastingvoordeel. De woonlasten bestaan uit netto huur- of hypotheeklasten (dus verrekend met hypotheekrente-aftrek of huurtoeslag) inclusief de bijkomende woonuitgaven zoals onroerendezaakbelasting, premies voor woonverzekeringen, rioolrechten, gas, water en elektra. Vrijwillige of verplichte aflossingen tellen niet mee in de netto woonlasten, maar beschouwt het CBS als vermogensopbouw.

3. Resultaten

3.1 Koopkracht

Koopkracht steeg tussen 1977 en 2024

De gemiddelde koopkracht van de bevolking was in 2024 bijna 72 procent hoger dan in 1977. Vergeleken met 1985 – een historisch dieptepunt na de oliecrises in de jaren zeventig – was de stijging in koopkracht 88 procent. Ook in andere perioden van economische teruggang, zoals de crisis in 2009-2013, nam de koopkracht af. De achteruitgang van de koopkracht in 2022 had te maken met de hoge inflatie in dat jaar. 

Behalve economische crises hadden de vergrijzing en de toename van het aantal alleenwonenden een dempende werking op de koopkracht. Dat de koopkracht de afgelopen vijftig jaar toch groeide, komt voor een belangrijk deel door de stijging van de arbeidsdeelname van vrouwen (zie ook UL/CBS, 2021).   

3.1.1 Gemiddelde koopkracht bevolking
JaarKoopkracht (1 000 euro, in prijzen van 2024)
197726,3
198126,2
198524,1
198928,5
199029,8
199129,8
199229,5
199329,2
199429,2
199529,7
199629,7
199729,8
199830,1
199930,1
200032,0
200134,5
200234,3
200333,6
200434,2
200534,4
200635,5
200737,7
200837,5
200937,4
201037,1
201137,4
201236,7
201336,1
201437,8
201537,4
201638,9
201739,8
201839,6
201941,6
202041,8
202142,8
202242,5
202344,5
2024*45,3
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Jongere generaties hebben meer koopkracht 

Doordat de koopkracht in de periode 1977-2024 steeg, is op vrijwel elke leeftijd de koopkracht van de jongere generaties hoger dan die van oudere. Zo is op 45-jarige leeftijd de koopkracht van de generatie pragmaten (geboren in 1970-1984) bijna anderhalf keer zo groot als die van de babyboomgeneratie. Tot ongeveer 25-jarige leeftijd zijn de jongste generaties echter minder goed af dan oudere generaties. Hier speelt mee dat jongeren steeds langer doorleren.

Hoe ouder, hoe meer koopkracht

Het koopkrachtverloop in de leeftijd van 20 tot 90 jaar is in de onderscheiden generaties min of meer hetzelfde. Op jonge leeftijd is de koopkracht het laagst, maar deze stijgt snel als de opleiding is afgerond en mensen hun eerste baan vinden. De koopkracht groeit daarna door arbeidservaring en meer loon. Rond 55- à 60-jarige leeftijd daalt de koopkracht, doordat mensen minder gaan werken of stoppen. Ook zijn er dan in verhouding meer mensen arbeidsongeschikt of werkloos. Vanaf de AOW-leeftijd hangt de koopkracht vooral af van de ontwikkeling van de AOW-uitkering en het aanvullend pensioen. Voor de babyboomers en de generatie X betekent dat een terugloop, omdat pensioenen lange tijd niet of nauwelijks geïndexeerd werden.   

De economische recessie van begin jaren tachtig ging bij de babyboomers – die toen twintiger of dertiger waren - gepaard met een terugval in hun koopkracht. In de stille generatie, die tijdens die recessie veertigers waren, bleef de koopkracht min of meer gelijk. Bij babyboomers speelde behalve de economische crisis begin jaren tachtig ook dat vrouwen veelal minder gingen werken of stopten zodra er kinderen kwamen. In de generaties daarna gebeurde dat steeds minder en kwamen er ook steeds meer tweeverdieners (zie CBS StatLine, 2026a; UL/CBS, 2021), waardoor de koopkracht wel groeide als ze dertiger waren, het meest bij de millennials. 

3.1.2 Gemiddelde koopkracht geboortegeneraties
LeeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
2018,112,712,813,9
2119,415,815,917,6
2221,118,819,621,5
2323,022,023,325,9
2425,724,524,827,330,2
2525,325,427,230,8
2625,226,529,433,5
2724,927,431,435,8
2824,928,232,737,4
2924,628,433,638,6
3024,528,534,239,6
3124,328,534,740,3
3223,828,835,140,9
3323,728,935,441,3
3425,023,529,235,841,8
3524,924,029,336,442,2
3625,224,529,737,042,8
3725,125,530,237,842,8
3825,426,430,638,543,3
3925,527,131,539,144,1
4025,927,532,439,9
4126,128,133,440,6
4225,929,434,641,4
4326,129,935,542,2
4426,630,836,543,2
4527,131,437,644,1
4628,532,338,745,2
4729,833,239,846,4
4830,934,640,847,5
4931,535,841,748,7
5032,236,942,849,6
5132,338,044,051,0
5232,739,045,052,4
5332,939,845,954,1
5432,941,046,754,8
5532,841,647,4
5632,542,447,4
5732,542,447,8
5832,442,447,7
5932,342,247,5
6032,141,747,0
6131,941,546,6
6231,440,945,6
6331,240,144,7
6431,240,144,0
6532,340,243,1
6631,839,643,9
6731,939,243,3
6831,538,643,3
6931,238,542,8
7030,938,2
7130,737,7
7230,437,4
7330,236,8
7430,136,4
7530,035,9
7629,936,2
7729,836,1
7829,836,6
7930,036,5
8030,1
8129,9
8229,7
8329,5
8429,5
8529,3
8629,1
8728,9
8828,9
8929,0

3.2 Vermogen

Vermogen steeg tussen 1993 en 2024

Het doorsnee vermogen van de bevolking was in 2024 bijna vijf keer zo groot als in 1993. Wanneer de eigen woning buiten beschouwing blijft, is het vermogen ruim twee keer zo groot. 

Het doorsnee vermogen is tussen 1993 en 2008 sterk gegroeid, van 28 duizend euro naar 66 duizend euro. De invloed van de economische crisis in 2009-2013 op de vermogensontwikkeling is groot geweest. Het doorsnee vermogen was in 2014 met 22 duizend euro 66 procent lager dan in 2008. Dit kwam vooral door de dalende huizenprijzen. Met het economisch herstel in 2014 nam ook het vermogen weer toe, tot in doorsnee 136 duizend euro in 2022. De achteruitgang in 2023 had te maken met de hoge inflatie.

3.2.1 Doorsnee vermogen van huishoudens1)
JaarVermogen (1 000 euro, in prijzen van 2024)Vermogen exclusief eigen woning (1 000 euro, in prijzen van 2024)
199328,49,4
199431,010,2
199534,311,2
199638,112,1
199740,413,2
199834,811,8
199939,913,5
200043,112,9
2001
200252,820,0
200357,720,3
200454,219,5
200558,820,3
200656,720,4
200763,120,4
200868,520,9
200959,420,3
201046,820,8
201143,818,6
201233,816,8
201322,514,1
201422,214,0
201526,716,4
201629,816,5
201738,017,2
201848,917,5
201963,717,7
202077,318,6
2021103,723,1
2022153,424,1
2023137,022,4
2024*135,523,0
1)vermogenscijfers over 2001 zijn niet beschikbaar *de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Jongere generaties meer vermogen dan hun voorgangers

Op een vergelijkbare leeftijd hebben jongere generaties doorgaans een hoger vermogen dan voorgaande generaties. Tot de leeftijd van 25 jaar is er nog weinig verschil in doorsnee vermogen van de generaties geboren vanaf 1955. Het doorsnee vermogen ligt onder de 4 duizend euro. Jongeren hebben nog weinig vermogen, dat wordt pas in de loop der jaren opgebouwd. 

Vanaf 2014 is het doorsnee vermogen toegenomen en in 2023 afgenomen (figuur 3.2.1). Dit is bij de millennials, de pragmaten, de generatie X en de babyboomers terug te zien op telkens een andere leeftijd. Bij de millennials is dat bijvoorbeeld van 30 tot 40 jaar, bij de pragmaten van 45 tot 55 jaar, bij de generatie X tussen 60 en 70 jaar, en bij de babyboomers vanaf 70 jaar. De groei van het vermogen die millennials als dertiger meemaakten, is veel sterker dan die van oudere generaties in die leeftijd. 

Bij de stille generatie liep het vermogen in de leeftijd van 70 tot 75 jaar terug. Bij de babyboomers gebeurde dat toen ze 60 tot 65 jaar waren. Dat viel samen met de crisis van 2009-2013. De generatie X werd hier minder sterk door getroffen en bij de nog jongere generaties groeide het vermogen ook nog in de crisis, maar minder hard dan erna. Op elke leeftijd is het vermogen van de vooroorlogse stille generatie lager. Dit hangt samen met het lagere eigenwoningbezit in deze generatie; op elke leeftijd heeft minstens de helft een huurwoning. Huurders hebben doorgaans een lager doorsnee vermogen dan woningeigenaren (zie CBS, 2026a).

3.2.2 Doorsnee vermogen geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
201,70,80,1
211,70,50,0
221,80,30,0
231,90,10,0
243,12,20,10,2
253,52,80,3
264,73,60,6
276,74,31,3
2811,05,02,6
2913,25,45,0
3018,25,69,0
3122,06,515,2
3227,47,424,3
3333,17,636,3
3439,59,151,2
3546,210,870,3
3651,013,792,0
3756,517,3111,7
3860,922,0112,5
3940,768,926,6118,2
4048,377,532,5
4153,082,136,7
4256,687,241,6
4362,690,648,8
4464,291,660,4
4571,588,174,1
4675,187,589,9
4779,191,5108,0
4886,092,7127,1
4968,098,795,0147,5
5066,9109,998,2168,6
5173,7122,5104,2191,8
5280,1134,2113,0212,5
5378,3150,2122,8213,6
5486,1164,4131,1221,4
5589,3174,8138,9
5695,3181,1145,1
5786,4186,2150,9
5895,5188,3158,8
59100,0181,6170,6
60101,2177,1183,0
61104,7173,7196,2
62107,8170,4209,8
63108,4165,1223,0
64102,7161,9237,0
65105,1166,9250,9
66106,3171,7269,3
67106,9177,5282,9
68105,2188,2275,8
6995,9201,1277,8
7092,8215,3
7181,9223,0
7279,2231,5
7372,2241,3
7472,5251,3
7568,8260,5
7670,2269,3
7768,9279,0
7868,7271,2
7967,4276,8
8068,5
8164,7
8263,2
8359,3
8455,9
8553,9
8653,7
8751,4
8849,5
8948,5

Exclusief eigen woning iets kleiner vermogensverschil

Wanneer de eigen woning (en de daarop rustende hypotheekschuld) buiten beschouwing blijft, liggen de vermogens van de generaties iets dichter bij elkaar. Tot 35 jaar en vooral van 45 tot 55 jaar is het doorsnee vermogen exclusief de eigen woning van pragmaten hoger dan dat van oudere en jongere generaties. De oudste generaties hebben zonder de eigen woning de laagste vermogens. Het vermogen exclusief de woning van de stille generatie neemt vanaf 75 jaar nog wel toe. 

3.2.3 Doorsnee vermogen excl. eigen woning van geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
201,60,80,1
211,70,60,0
221,80,40,0
232,00,40,0
242,62,40,50,1
252,23,10,7
262,94,01,1
273,34,71,7
284,25,72,5
294,96,63,5
305,67,44,5
316,18,35,6
326,79,06,8
337,59,48,0
348,99,99,4
3510,110,310,9
3610,411,112,6
3711,712,113,5
3812,512,914,1
395,613,613,815,1
406,814,714,7
417,515,915,4
428,817,416,3
4310,218,217,4
4410,819,318,8
4512,619,720,3
4612,920,721,7
4714,521,423,3
4816,621,724,8
4914,918,922,626,6
5014,620,523,028,5
5116,622,523,630,9
5218,024,524,932,2
5319,026,426,032,8
5419,527,926,834,7
5520,429,727,6
5622,431,428,2
5721,532,029,0
5824,733,130,0
5924,033,531,6
6025,733,133,3
6126,833,634,8
6227,333,136,3
6327,033,137,7
6426,632,239,0
6529,333,940,6
6630,134,442,3
6730,134,542,8
6830,034,841,6
6929,235,341,7
7029,635,8
7129,935,9
7230,136,1
7329,736,6
7429,837,1
7530,037,6
7630,738,6
7730,739,1
7831,238,8
7931,740,6
8032,2
8132,5
8232,6
8332,4
8432,5
8532,9
8633,3
8733,3
8832,7
8933,0

3.3 Woonsituatie

Eigenwoningbezit oudste generaties laagst

Sinds 1970 is de woningvoorraad verschoven van vooral huurwoningen naar vooral koopwoningen (Brand, 2024). Dat is terug te zien in het eigenwoningbezit van de generaties. Meestal is dat bij jongere generaties hoger dan bij oudere. Toch is dat niet op elke leeftijd zo. Tot 25 jaar hebben de generaties geboren tussen 1955 en 2000 ongeveer even vaak een eigen woning, terwijl de jongste generatie Z hierin wat achterblijft (zie ook CBS, 2025a). Dat heeft te maken met het woningtekort en de voor hen vaak te hoge huizenprijzen. 

Van 25 tot 45 jaar springt het eigenwoningbezit van de pragmaten er uit. Zo heeft 72 procent van deze generatie op 39-jarige leeftijd een eigen woning. Dat is bij de generatie X en de millennials ongeveer 65 procent. Bij de babyboomers en vooral de stille generatie is het nog lager. Vanaf 45 jaar ontlopen pragmaten en de generatie X elkaar niet meer. Het eigenwoningbezit in de stille generatie is gedurende hun leven een stuk lager dan in de andere generaties en neemt na pensionering relatief sterk af.   

3.3.1 Eigenwoningbezit geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (%)1945 tot 1955 (babyboomers) (%)1955 tot 1970 (generatie X) (%)1970 tot 1985 (pragmaten) (%)1985 tot 2000 (millennials) (%)2000 tot 2015 (generatie Z) (%)
206,95,86,24,5
2110,010,210,46,7
2213,416,415,610,1
2317,423,221,114,5
2426,821,929,926,620,0
2529,226,035,231,6
2631,629,941,837,0
2734,735,047,541,5
2839,539,852,346,0
2941,944,156,749,9
3043,647,659,553,4
314550,662,356,5
3248,153,464,859,0
3349,155,866,361,0
3443,652,857,767,962,7
3544,554,159,369,164,1
3643,955,160,870,265,1
3742,056,062,370,965,7
3848,858,063,871,466,0
3946,458,764,871,866,4
4046,459,065,871,9
4144,958,867,372,2
4248,859,768,172,3
4347,160,469,272,5
4445,360,469,872,6
4544,660,970,172,8
4647,661,670,572,8
4749,261,870,872,9
4848,962,671,273,0
4949,363,271,673,0
5049,763,871,973,1
5150,064,472,073,1
5250,164,772,373,2
5350,365,172,473,1
5449,865,472,273,2
5549,765,872,2
5649,466,372,0
5749,267,171,7
5849,167,371,7
5948,667,671,4
6048,567,671,2
6148,367,570,9
6247,867,570,7
6347,367,370,4
6446,767,270,1
6546,666,869,9
6646,366,469,5
6746,966,469,1
6846,066,368,8
6945,566,168,5
7044,965,8
7144,265,3
7243,564,8
7343,064,3
7442,463,7
7541,863,1
7641,362,5
7740,862,0
7840,461,3
7939,960,9
8039,7
8138,4
8237,4
8336,4
8435,5
8534,5
8633,6
8732,7
8832,1
8931,3

7 op de 10 gen Z’ers wonen in appartement 

De meeste jongeren uit generatie Z die een eigen huishouden hebben, wonen in een appartement (70 procent). Bijna 18 procent woont in een tussenwoning en de overige 12 procent heeft een tussen-, halfvrijstaande of vrijstaande woning. Wonen in een appartement komt vooral bij pragmaten en de generatie X veel minder voor. Zij – en ook de babyboomers – wonen in verhouding juist vaak vrijstaand. Van de stille generatie woont een relatief groot deel in een appartement.  

3.3.2 Type woning van geboortegeneraties, 2024*
GeboortegeneratieAppartement (%)Tussenwoning (%)Hoekwoning (%)Twee-onder-een-kap (%)Vrijstaand (%)
Voor 1945 (stille generatie)41,320,811,110,716,1
1945 tot 1955 (babyboomers)27,624,612,315,520,1
1955 tot 1970 (generatie X)21,127,912,717,221,1
1970 tot 1985 (pragmaten) 18,032,614,115,619,7
1985 tot 2000 (millennials)32,232,913,511,59,9
2000 tot 2015 (generatie Z)70,517,86,02,82,9
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Jongere generaties vaker in appartement

Tot 55 jaar wonen jongere generaties vaker in een appartement dan oudere. Van de millennials woonde 65 procent als begin-twintiger in een appartement. De overige 35 procent woonde toen in een eengezinswoning. Zo’n woning komt bij de 20- tot 25-jarigen van de generatie Z met 30 procent minder voor. Bij zestigers en zeventigers is het anders. De babyboomers en de generatie X wonen als zestiger even vaak in een appartement. Als zeventiger woont de babyboomgeneratie net iets minder vaak in een appartement dan de stille generatie als zeventiger tien jaar eerder. 

3.3.3 Wonen in appartement door geboortegeneraties, 2015 en 2024*
LeeftijdVoor 1945 (stille generatie) (%)1945 tot 1955 (babyboomers) (%)1955 tot 1970 (generatie X) (%)1970 tot 1985 (pragmaten) (%)1985 tot 2000 (millennials) (%)2000 tot 2015 (generatie Z) (%)
70 tot 80 jaar30,227,6
60 tot 70 jaar21,221,1
45 tot 55 jaar16,418,0
30 tot 40 jaar29,732,2
20 tot 25 jaar64,670,5
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig

Woonquote gedaald

Hoe jonger, hoe meer inkomen doorgaans opgaat aan woonlasten (CBS, 2024b). Doordat het inkomen sterker steeg dan de woonlasten, is de woonquote gemiddeld wel lager geworden (CBS, 2025b). Bij het vergelijken van twee opeenvolgende generaties in dezelfde leeftijd vertaalt zich dat in een lagere woonquote van de jongste van beide generaties. Het verschil in woonquote is het kleinst tussen de millennials en gen Z als begin twintiger.

3.3.4 Woonquote geboortegeneraties, 2015 en 2024*
LeeftijdVoor 1945 (stille generatie) (%)1945 tot 1955 (babyboomers) (%)1955 tot 1970 (generatie X) (%)1970 tot 1985 (pragmaten) (%)1985 tot 2000 (millennials) (%)2000 tot 2015 (generatie Z) (%)
70 tot 80 jaar26,320,9
60 tot 70 jaar24,919,3
45 tot 55 jaar25,219,1
30 tot 40 jaar28,722,5
20 tot 25 jaar31,929,4
*de cijfers van 2024 zijn voorlopig

4. Conclusie

Uit de vergelijking van de financiële welvaart van verschillende generaties op steeds dezelfde leeftijd blijkt dat jongere generaties doorgaans meer koopkracht en een groter vermogen hebben dan oudere generaties. Ook is het eigenwoningbezit in jongere generaties meestal groter, terwijl de woonquote juist lager is. Maar er zijn uitzonderingen. Zo had generatie X (geboren van 1955 tot 1970) als dertiger een hoger vermogen dan de generatie na hen, de pragmaten (geboren van 1970 tot 1985). En de babyboomers (geboren van 1945 tot 1955) hadden op hun beurt als veertiger een hoger vermogen dan de generatie X in die leeftijd. Verder wonen pragmaten vaker in een koopwoning dan de generaties na hen, de millennials (geboren van 1985 tot 2000) en de generatie Z (geboren van 2000 tot 2015). Ook woont generatie Z als begin-twintiger vaker in een appartement dan de generatie millennials. 

De financiële welvaart hangt ook samen met aspecten zoals de gezinssamenstelling, het onderwijsniveau, de arbeidspositie (werken of niet) en gezondheid en welzijn. Behalve met economische ontwikkelingen kunnen de welvaartsverschillen tussen generaties daarom te maken hebben met demografische en maatschappelijke veranderingen zoals de groei van het aantal alleenwonenden, de daling van het kindertal, de stijging van het aantal hbo- en wo-geschoolden en de toegenomen arbeidsdeelname (van vooral vrouwen) (zie bijvoorbeeld CBS, 2024c, d; Traag, 2020). Uit cijfers blijkt verder dat een hoge financiële welvaart doorgaans samengaat met een goede gezondheid en hoge mate van geluk en tevredenheid (CBS StatLine, 2026b; c). Ook toont onderzoek aan dat mentale en financiële stress steeds meer voorkomt onder jongeren (AFM, 2025; CBS, 2026b). Een nadere analyse van de factoren die verband houden met welvaartsverschillen tussen generaties viel echter buiten het bestek van dit artikel en is onderwerp van toekomstig onderzoek.

Referenties

AFM (2025). Gen Z: financiële keuzes in een veranderende wereld. Autoriteit Financiële Markten, rapport, juni.

Brand, C. (2024). Toen en nu: hoe Nederland in 50 jaar veranderde. Volkstelling 2021 vergeleken met 1971. Statistische Trends.

CBS (2012). Babyboomers. Indrukken vanuit de statistiek.

CBS (2024a). Van 20 naar 70 procent economisch zelfstandige vrouwen in 45 jaar.

CBS (2024b). Aandeel woonlasten in inkomen hoogst voor jonge alleenwonende huurders.

CBS (2024c). Nederland in cijfers. Editie 2024.

CBS (2024d). Emancipatiemonitor 2024.

CBS (2025a). Steeds minder dertigjarigen ‘gesetteld’.

CBS (2025b). Aandeel woonlasten in inkomen in de periode 2018-2023 gedaald.

CBS (2026a). Vermogen in vogelvlucht.

CBS (2026b). Monitor brede welvaart en sustainable development goals 2026.

CBS StatLine (2026a). Arbeidsdeelname; kerncijfers geboortegeneratie vanaf 1910 tot 1915.

CBS StatLine (2026b). Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken.

CBS StatLine (2026c). Welzijn in relatie met financiën; kenmerken financiën

Generations Inc. (2026). Kennis over generaties.

NOS (2025). Babyboomers laten miljarden na: millennials straks rijkste generatie ooit.

Traag, T. (2020). Opleiding en werk: twee generaties vrouwen vergeleken. Statistische Trends.

Trouw (2024). Twintigers en dertigers van nu slechter af dan eerdere generaties.

UL/CBS (2021). Inkomen verdeeld, trends 1977–2019. UnivLeiden/CBS.