Auteur(s): Noortje Pouwels-Urlings, Zef Janssen en Marion van den Brakel
Van babyboomers tot gen Z: financiële welvaart van generaties

1. Inleiding

Iedere generatie maakt andere economische tijden mee. Mensen geboren voor de Tweede Wereldoorlog beleefden de crisisjaren dertig en hadden in de oorlogsjaren te maken met schaarste, rantsoenering, werkloosheid en inflatie. Ook de babyboomgeneratie – geboren na de oorlog – groeide veelal in armoede op, maar profiteerde na de wederopbouw van groeiende welvaart, betaalbare woningen en veel werkgelegenheid (zie bijvoorbeeld CBS, 2012). De oliecrisis van de jaren zeventig gooide roet in het eten en mondde uit in een naoorlogs economisch dieptepunt in 1985 met hoge werkloosheid, een teruggelopen koopkracht en sterk gegroeide begrotingstekorten. 

De generatie X – geboren tussen 1955 en 1970 en ook wel ‘de verloren generatie’ genoemd – had vooral bij de start van hun loopbaan met de gevolgen van die laagconjunctuur te maken. De zogenoemde ‘pragmatische generatie’ daarna, geboren in de jaren zeventig, betrad de arbeidsmarkt na het herstel van de economie in de jaren negentig. Voor hen was het, nog meer dan voor hun voorgangers, normaal om als tweeverdiener te werken. Dat was wel in een steeds verder flexibiliserende arbeidsmarkt, waarin een vaste baan minder gewoon werd. De jongste generaties – de millennials en generatie Z – begonnen hun studie of loopbaan in de coronaperiode. Zij hebben relatief vaak te maken met flinke studieschulden, flexcontracten, woningnood en hoge woonlasten (zie bijvoorbeeld Trouw, 2024; Generations Inc., 2026).

De economische situatie heeft invloed op de financiële welvaart van een generatie en die van hun nakomelingen. Zo wordt vaak gedacht dat babyboomers een flink vermogen hebben en grote huizen met ruime tuinen bezitten (zie bijvoorbeeld NOS, 2025). Maar is dat zo? Heeft vooral de babyboomgeneratie profijt gehad van de sterk gestegen huizenprijzen? Of is dat ook zo in andere generaties? En hoe zit het met de koopkracht van de generaties? Uit de baanonzekerheid in de jongere generaties zich in minder koopkracht? Volgens UL/CBS (2021) zijn jongere generaties doorgaans juist beter af dan oudere, maar geldt dat ook voor millennials en generatie Z? En zijn zij kleiner behuisd en meer kwijt aan woonlasten dan hun voorgangers? Dit artikel vergelijkt de financiële welvaart van de vooroorlogse generatie en de opeenvolgende naoorlogse generaties.

Onderzoeksvragen

Specifiek komen de volgende vragen aan bod:

  • Hoeveel verschilt de koopkracht tijdens de levensloop tussen generaties? 
  • Hoe zit dat met het vermogen? En als de eigen woning niet meetelt in het vermogen?
  • Bezitten oudere generaties eerder in hun leven, en vaker, een eigen woning dan jongere? En is een appartement als starterswoning tegenwoordig gebruikelijker dan vroeger?
  • Besteden oudere generaties een kleiner deel van hun inkomen aan woonlasten dan jongere?