Sociale problematiek en bevolkingsdynamiek in de focusgebieden

7. Samenvatting en conclusie

7.1 Samenvatting

In 2025 woonden 1,0 miljoen personen van 12 jaar of ouder in een van de twintig focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, waar sinds 2022 extra aandacht wordt besteed aan de leefbaarheid en de situatie van de bevolking. Dit onderzoek beschrijft de ontwikkeling van enkele indicatoren voor de financiële welvaart, criminaliteit en gezondheid van de bewoners van deze gebieden in de periode 1 januari 2014 t/m 1 januari 2025. Hierbij zijn de focusgebieden onderling vergeleken, maar ook met de overige gebieden in de betreffende gemeente. Tevens is de bijdrage van de in- en uitstroom van bewoners op de ontwikkeling van deze indicatoren in kaart gebracht. De cijfers over deze indicatoren hebben in dit artikel steeds betrekking op de bevolking van 12 jaar of ouder.

Financiële welvaart

De financiële welvaart is afgemeten aan het (gestandaardiseerd) besteedbaar huishoudensinkomen en het vermogen van het huishouden. Van de inwoners die op 1 januari 2025 in een focusgebied woonden had 12,6 procent van de inwoners in 2024 een lage financiële welvaart. Dat betekent dat hun huishouden behoorde tot de minst welvarende 10 procent van alle huishoudens in Nederland. Dat is ruim twee keer zo veel als het percentage van 5,4 in de totale bevolking.

In alle focusgebieden is de financiële welvaart van de inwoners ook lager dan in de overige gebieden van hun gemeente. Dit verschil met de rest van de gemeente is in de focusgebieden in Arnhem en Schiedam in de periode 2014 tot 2025 wel duidelijk kleiner geworden. De meeste focusgebieden hadden tot 2023 een vrij stabiel aandeel bewoners met een lage welvaart, met een verbetering in de laatste twee jaren. Daarentegen was er in de focusgebieden in Heerlen, Den Haag, Groningen, Tilburg en Leeuwarden in de periode 2015 tot 2023 juist een toename van het percentage, maar vanaf 2023 is dit weer afgenomen. Zowel instromers als uitstromers van de focusgebieden hadden over het algemeen een lagere financiële welvaart dan de zittende bevolking. De grootste verschillen in financiële welvaart tussen de jaren werden in het algemeen veroorzaakt door ontwikkelingen in de bevolking. De combinatie van de in- en uitstroom van bewoners speelde een beperkte rol. 

Verdenking van criminaliteit

Voor de criminaliteit in focusgebieden is uitgegaan van het aandeel geregistreerde verdachten van misdrijven. 5,0 procent van de inwoners die op 1 januari 2025 in een van de focusgebieden woonden is in de periode 2020 tot en met 2024 verdacht geweest van een misdrijf. In de bevolking van Nederland was dat gemiddeld 2,8 procent. In alle focusgebieden wonen meer verdachten van criminaliteit dan in de overige gebieden van de betreffende gemeenten. Dit geldt voor alle typen misdrijven. In Den Haag, Amsterdam en Heerlen was dit verschil in 2025 het grootst, in Eindhoven en Delft was het verschil het kleinst. In de meeste gemeenten (waaronder Amsterdam, Arnhem, Schiedam en Utrecht) is het percentage verdachten in de focusgebieden sterker gedaald dan in de rest van de gemeente, waardoor de verschillen kleiner werden. In enkele andere gemeenten, waaronder Heerlen, Rotterdam en Vlaardingen, bleef het verschil tussen focus- en niet-focusgebied ongeveer even groot.

Zowel de instromers als de uitstromers van de focusgebieden waren over het algemeen vaker verdacht van een misdrijf dan de zittende bevolking. Bij nagenoeg alle focusgebieden is in vrijwel ieder jaar het effect van de uitstroom op de ontwikkeling van het percentage verdachten ongeveer gelijk aan (of maar weinig groter) dan het instroomeffect. Dit geeft aan dat de dalende trend van het percentage verdachten, die zich vooral voordeed in de eerste jaren van de onderzochte periode een weerspiegeling is van het algemeen dalende geregistreerde criminaliteitscijfer en/of ontwikkelingen binnen de bevolking.

Gezondheid

Voor het thema gezondheid is naar verstrekkingen van psychofarmaca gekeken als indicatie van de psychische gezondheid. Van de inwoners die op 1 januari 2024 in een focusgebied woonden kreeg 10,1 procent in 2023 psychofarmaca verstrekt. In de totale bevolking van Nederland was dat 9,2 procent. Bij deze indicator is het verschil dus minder groot dan bij de indicatoren voor lage welvaart en verdenking van criminaliteit. Aan de inwoners in focusgebieden worden over het algemeen wel vaker psychofarmaca verstrekt dan aan de inwoners in de overige gebieden binnen de gemeente, met als uitzonderingen Amsterdam Zuidoost en Schiedam Nieuwland en Oost waar dit vrijwel de gehele beschouwde periode andersom was. In de meeste focusgebieden is het percentage inwoners dat deze middelen verstrekt kreeg, in de afgelopen tien jaar vrijwel gelijk gebleven. In de focusgebieden in Eindhoven, Schiedam en de vier grootste gemeenten is het percentage gedaald. In Arnhem, Delft, Dordrecht en Groningen is het juist gestegen. Heerlen-Noord had de gehele periode het hoogste percentage inwoners dat psychofarmaca verstrekt kreeg, maar ook in Dordrecht-West was dit de laatste jaren (vrijwel even) hoog. Zowel de nieuwe bewoners als de vertrekkende bewoners in focusgebieden kregen over het algemeen minder vaak psychofarmaca dan de zittende bewoners. De instroom zorgde in ieder jaar in ieder focusgebied voor een afname van het percentage dat psychofarmaca verstrekt kreeg. Deze afname was over het algemeen groter dan de toename door de uitstroom, waardoor de doorstroom van de bevolking voor een daling in mensen met psychofarmaca zorgde. Ontwikkelingen in de bevolking zorgden er echter voor dat de prevalentie over de jaren in de meeste gebieden gelijk bleef.

7.2 Discussie

Het onderzoek in dit artikel geeft inzicht in de financiële welvaart, verdenking van criminaliteit en de psychische gezondheid van inwoners van de focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Daarbij zijn de focusgebieden onderling vergeleken en met de overige gebieden in hun gemeenten. Ook zijn de ontwikkelingen in de prevalentie van de gemeten indicatoren in de afgelopen tien jaar beschreven en is nagegaan in hoeverre verhuizingen naar en vanuit deze gebieden een rol speelden bij deze ontwikkelingen.

In de resultatenparagrafen van dit artikel is geen aandacht besteed aan de overlap tussen de gemeten indicatoren. Bijlage 2 geeft een indicatie van het aandeel personen dat op 1 januari 2024 in een focusgebied woonde en voldeed aan minstens één van de drie indicatoren. De cijfers tonen dat 25 procent voldeed aan minstens één indicator. Daarbij voldeed (afgerond) 22 procent aan slechts één indicator, en was bij (afgerond) 4 procent sprake van een combinatie van lage welvaart, verdenking van criminaliteit of verstrekte psychofarmaca.

Het onderzoek kent evenwel een aantal beperkingen.

Zo is een analyse van kenmerken van in- en uitstromers in focusgebieden alleen goed mogelijk met behulp van gegevens uit registers. Daarop is de keuze van de indicatoren gebaseerd, maar ze hebben elk hun eigen beperkingen. 

Voor de financiële welvaart is een relatieve maatstaf gebruikt, waarbij personen in een bepaald jaar worden vergeleken met de overige inwoners van Nederland in dat jaar. Een relatieve verbetering van de financiële welvaartspositie hoeft daardoor niet per se ook een absolute toename van de materiële welvaart te betekenen. Als er bijvoorbeeld vanuit het buitenland veel mensen met een lage welvaart instromen in de bevolking, dan kan dat ervoor zorgen dat de relatieve positie van de zittende bevolking verbetert terwijl hun bestedingsmogelijkheden feitelijk gelijk blijven.

Het aantal van een misdrijf verdachte inwoners van een gebied geeft enige indicatie van de criminaliteit in dat gebied. Uit onderzoek blijkt immers dat plegers van misdrijven vaak in hun eigen woonomgeving actief zijn (NSCR, 2016) en dat armoede, gebrek aan sociale steun, en blootstelling aan geweld in de buurt de kans op recidive vergroot (Baysal, 2023). Voor dit artikel is echter niet bepaald waar de misdrijven waar men van verdacht is zijn gepleegd en ook is niet nagegaan of de verdachten uiteindelijk zijn veroordeeld. Het is daarnaast niet uitgesloten dat verschillen in het aantal verdachten tussen regio’s samenhangen met verschillen in de opsporingspraktijk van de politie. Verder is weinig bekend over eventuele criminele activiteiten die instromers in het verleden in het buitenland hebben uitgevoerd. Maar gezien het gegeven dat burgers geen ernstige of actuele dreiging voor de openbare orde en nationale veiligheid mogen vormen om zich in Nederland te mogen vestigen (Rijksoverheid, 2000; Immigratie- en naturalisatiedienst, 2025), zal de onderschatting van het aantal immigranten dat recent een misdrijf heeft gepleegd naar verwachting beperkt zijn. 

Tenslotte geeft de verstrekking van psychofarmaca maar een globale indicatie van de prevalentie van psychische problemen. Niet iedereen met dergelijke problemen gebruikt immers medicatie en omgekeerd kunnen medicijnen er juist voor zorgen dat mensen geen psychische problemen meer ervaren. Ook is niet bekend of de geselecteerde psychofarmaca daadwerkelijk voor psychische problemen werden voorgeschreven. De middelen kunnen ook (off label) voor andere aandoeningen worden gebruikt (Farmacotherapeutisch Kompas, 2025). Daarbij kunnen regionale verschillen in verstrekte psychofarmaca beïnvloed worden door regionale verschillen in het voorschrijfgedrag door artsen. Tot slot ontbreekt informatie over psychofarmacaverstrekking aan bepaalde groepen immigranten, zoals asielzoekers en Oekraïners, omdat zij niet allemaal een reguliere basisverzekering hebben (Rijksoverheid, 2025a, 2025b).

In dit onderzoek konden alleen de personen die ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen worden meegenomen. In gebieden waar veel illegalen of kortverblijvende arbeidsmigranten verblijven of in-, of uitstromen kan de situatie dus afwijken van wat hier gevonden is.

De indicatoren in dit artikel betreffen de thema’s armoede, veiligheid en gezondheid van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Daarnaast is ook onderwijs een thema waarop het  programma zich richt. Gegevens over het onderwijsniveau zijn echter niet voor alle inwoners van Nederland via registers beschikbaar en dit thema is dan ook niet in kaart gebracht.

Ook in andere opzichten bieden de gegevens mogelijkheden voor vervolgonderzoek. Zo is vooralsnog niet nagegaan in hoeverre verschillen tussen regio’s verband houden met bijvoorbeeld de leeftijdsopbouw van regio’s. Jongeren zijn immers minder welvarend, vaker verdacht van een misdrijf en gebruiken minder vaak psychofarmaca. En tot slot zou in vervolgonderzoek ook preciezer kunnen worden nagegaan op welke momenten de financiële welvaart, de verdenking van een misdrijf en de verstrekking van psychofarmaca veranderen in relatie tot het moment waarop mensen verhuizen. Dat kan nog beter zicht geven op het effect van de verhuizing naar en uit bepaalde regio’s.