Sociale problematiek en bevolkingsdynamiek in de focusgebieden

2. Data en methode

2.1 Afbakening en bronnen

Dit onderzoek richt zich op drie groepen: personen met een lage financiële welvaart, (ex-) geregistreerde verdachten en personen die geneesmiddelen voor psychische aandoeningen hebben ontvangen. Voor de analyse zijn registers gebruikt die beschikbaar zijn in het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) van het CBS. Het SSB is samengesteld uit een set van integrale overheidsregisters gecombineerd met enquêtes (Bakker, Van Rooijen en Van Toor, 2014).

De cijfers zijn gebaseerd op personen van 12 jaar of ouder. Hiermee wordt aangesloten bij de publicatie van cijfers over geregistreerde verdachten. Omdat het aantal verdachten van criminaliteit één van de drie onderzochte thema’s is, wordt dezelfde leeftijdsgrens ook toegepast voor lage financiële welvaart en verstrekking van psychofarmaca. De resultaten worden uitgesplitst naar focusgebieden, overige gebieden binnen de betreffende gemeente en gemeenten.

De cijfers per regio hebben betrekking op twee verschillende stromen: instromers en uitstromers. Instromers en uitstromers zijn personen die zich op enig moment in het betreffende peiljaar in de betreffende regio vestigen, respectievelijk uit de betreffende regio vertrekken volgens de Basisregistratie Personen. Personen die binnen hetzelfde jaar in- en uitstromen, zijn niet meegerekend als in- en uitstromer (zie par. 2.2). Personen woonachtig in een instelling worden niet gerekend tot de bevolking van de betreffende regio. Personen die vanuit of naar een instelling verhuizen worden als instromer respectievelijk uitstromer gerekend.

De analyses hebben betrekking op de periode 1 januari 2014 t/m 1 januari 2025. De stromen worden weergegeven vanaf 2014, de prevalentiecijfers vanaf 2015. De cijfers worden onderscheiden naar focusgebied en gemeente. De tekst richt zich voornamelijk op de focusgebieden. De situatie voor gemeenten wordt kort beschreven. Alle cijfers zijn (ook voor alle gemeenten) te vinden in de bijbehorende tabellen

2.2 Kernbegrippen en operationalisatie

Focusgebieden

In twintig stedelijke gebieden die onder het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid vallen,komen problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid samen die elkaar versterken. Deze stedelijke gebieden zijn verspreid over 19 gemeenten. Het programma beoogt de leefbaarheid en veiligheid in 20 gebieden in Nederland structureel te verbeteren en bij te dragen aan een beter perspectief voor de bewoners. 

De cijfers die hier zijn gepresenteerd gaan terug tot 2014 en houden voor alle jaren de gebiedsindeling (buurten en postcodes van de focusgebieden) aan zoals bekend in 2022. In 2025 is een nieuwe gebiedsindeling vastgesteld. Deze nieuwe indeling is niet verwerkt in de gepresenteerde cijfers.

Gemeente

Voor de vergelijkbaarheid tussen de jaren zijn alle cijfers weergegeven volgens de gemeentelijke indeling die geldt op 1 januari 2025. In de overzichten kunnen dus gemeenten voorkomen die in het betreffende peiljaar nog niet bestonden. Een persoon die bijvoorbeeld in 2015 in de toenmalige gemeente Groesbeek woonde (een gemeente die is opgegaan in de gemeente Berg en Dal) is voor peiljaar 2015 ook gerekend als inwoner van de gemeente Berg en Dal.

Instromers

Personen die zich in de regio hebben gevestigd in een particulier huishouden, geoperationaliseerd als personen die op 1 januari van het verslagjaar niet in de regio staan ingeschreven, maar wél op 1 januari van het daaropvolgende jaar. Personen die uit een instelling komen worden gerekend als instromers, ook als het instituut in de betreffende regio gevestigd was.

Uitstromers

Personen die vanuit een particulier huishouden uit de regio zijn vertrokken, geoperationaliseerd als personen die op 1 januari van het verslagjaar in de regio staan ingeschreven, maar niet meer op 1 januari van het daaropvolgende jaar. Personen die naar een instituut verhuizen worden gerekend als uitstromers. Personen die zijn overleden worden niet gerekend als uitstromers.

Blijvers

Personen die in de regio zijn gebleven, geoperationaliseerd als personen die zowel op 1 januari van het verslagjaar als op 1 januari van het daaropvolgende jaar in de regio staan ingeschreven.

Lage welvaart

Dit betreft de financiële welvaart van een particulier huishouden, welke is gebaseerd op het vermogen op 1 januari van het verslagjaar en het gestandaardiseerde jaarinkomen van het huishouden in dat jaar (CBS, 2025). De gegevens zijn afkomstig van onder andere administraties van de Belastingdienst. In dit onderzoek wordt de financiële welvaart als “laag” beschouwd indien het huishouden behoort tot de 10 procent huishoudens in Nederland met de laagste financiële welvaart (inclusief studentenhuishoudens, exclusief de institutionele bevolking). Deze indicator geeft dus voor ieder jaar afzonderlijk de welvaart relatief weer ten opzichte van de rest van Nederland.

Uitwonende studenten vormen een bijzondere groep: ze hebben vrijwel allemaal een lage welvaart, en als ze verhuizen is dat hoofdzakelijk voor hun studie naar studentensteden. Omdat deze groep niet tot de doelgroep van het NPLV behoort zijn diegenen die aan het begin óf aan het einde van het peiljaar student waren niet meegenomen in de resultatenparagraaf over welvaart in deze publicatie. De cijfers voor de totale populatie inclusief de uitwonende studenten zijn wel opgenomen in de tabellenbijlage.   

Verdacht van een misdrijf

Persoon die door de politie als verdachte van een misdrijf is geregistreerd. Het betreft de personen die geregistreerd zijn in het Nederlandse registratiesysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH) van de politie. Een misdrijf is een strafbaar feit van de zwaardere soort, dat als zodanig is aangeduid in de strafwetten. Overige strafbare feiten (overtredingen) worden dus buiten beschouwing gelaten. De verschillende soorten misdrijven zijn: vermogensmisdrijven, vernielingen, gewelds- en seksuele misdrijven, verkeersmisdrijven, drugsmisdrijven, vuurwapenmisdrijven en overige misdrijven. Deze worden in deze analyse ook afzonderlijk bekeken, waarbij over de categorie ‘overig’ niet afzonderlijk wordt gepubliceerd. Een persoon die verdacht is geweest van verschillende soorten misdrijven wordt bij ieder misdrijf meegeteld. Bij het totaal komt iedere verdachte slechts één keer voor, ongeacht hoe vaak hij verdacht is geweest en van hoeveel verschillende soorten misdrijven. 

In deze analyse is berekend of iemand in het peiljaar of de vier jaren daaraan voorafgaand verdacht is geweest van een misdrijf. De periode van vijf jaar sluit aan bij de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarin ervanuit wordt gegaan dat iemand die minstens vijf jaar geen misdrijven heeft gepleegd, heeft laten zien dat hij/zij zich houdt aan de rechtsorde (IND, 2025).

Psychofarmaca gekregen

Als indicator voor psychische problemen is gekeken of een persoon op enig moment in het peiljaar psychofarmaca verstrekt heeft gekregen behorende tot de psycholeptica (ATC N05), antidepressiva (N06A) of middelen bij verslaving (N07B). De data zijn afkomstig van Zorginstituut Nederland en worden gebruikt bij de risicoverevening. Het betreft door apothekers verstrekte medicijnen die vergoed zijn door de basisverzekering, exclusief verstrekkingen door ziekenhuizen en verpleeghuizen (Wet langdurige zorg), inclusief verstrekkingen door poliklinische ziekenhuisapotheken.

Omdat gegevens over 2024 op het moment van deze analyse nog niet beschikbaar waren is 2023 het meest recente peiljaar voor deze indicator. 

De indicatoren voor lage welvaart, verdenking van een misdrijf en psychische problemen zijn niet onafhankelijk. Er zijn personen die aan geen enkele indicator voldoen: ze hebben geen lage welvaart, zijn niet verdacht van een misdrijf en hebben ook geen psychofarmaca ontvangen. Daarnaast zijn er personen die voldoen aan slechts één indicator. Zij hebben bijvoorbeeld een lage welvaart, maar zijn niet verdacht van een misdrijf en hebben ook geen psychofarmaca ontvangen. Ook zijn er personen die aan twee of alle drie de indicatoren voldoen. De percentages in de resultatenparagrafen hebben betrekking op de totale groep personen die voldoet aan een indicator, dus ongeacht de twee overige indicatoren. De omvang van de overlap tussen de drie indicatoren komt aan de orde in de discussie van dit artikel en in bijlage 2.

 

2.3 De stromen en berekening van hun effect op de prevalentiecijfers per regio

In deze analyse staan verschillende stromen centraal. Deze worden voor de focusgebieden en de overige gebieden van de betreffende gemeenten, en ook voor alle gemeenten apart, per peiljaar in de bijlagetabellen onderscheiden, waarover bij ieder thema de cijfers gegeven worden.

Het gaat om het aantal inwoners dat op 31 december van het peiljaar 12 jaar of ouder is en:

  1. het hele jaar in de regio heeft gewoond (blijvers)
  2. is ingestroomd vanuit een andere regio in Nederland
  3. is ingestroomd vanuit het buitenland
  4. is uitgestroomd naar een andere regio in Nederland
  5. is uitgestroomd naar het buitenland

De stromen 1, 2 en 3 tellen op tot het aantal inwoners van 12 jaar of ouder aan het einde van het peiljaar. Deze stand geldt als benadering van het aantal 12-plussers per 1 januari van het daaropvolgende jaar; personen die op 1 januari zelf 12 werden, zijn hierin niet meegenomen.

Voor iedere stroom is het aantal personen berekend dat voldoet aan het kenmerk (lage welvaart, verdacht geweest of psychofarmaca gekregen). Het prevalentiepercentage aan het einde van het peiljaar wordt bepaald door het aantal personen in de stromen 1, 2 en 3 dat voldoet aan het kenmerk. De ontwikkeling van het prevalentiecijfer in een jaar is onder andere afhankelijk van het aantal personen met het kenmerk in de instroom, uitstroom en blijvers en de omvang van deze groepen. In deze analyse is de afzonderlijke bijdrage van de instromers (instroomeffect) en uitstromers (uitstroomeffect) binnen het peiljaar in kaart gebracht (zie bijlage 1 voor berekeningswijze). Bij de ontwikkeling van jaar op jaar speelt ook de ontwikkeling van het kenmerk in de bevolking mee.