4. Sport- en fitnessdiensten
In 2022 gaven Nederlandse huishoudens 4,2 miljard euro uit aan sport- en fitnessdiensten. Dit is 12 procent meer dan in 2019. De investeringen in sportaccommodaties door de overheid en de sportsector namen met 18 procent toe. De bouwnijverheid had in 2022 een aandeel van 2 procent in de toegevoegde waarde van de sporteconomie.
4.1 Bestedingen aan sport- en fitnessdiensten
De diensten geleverd door de sportverenigingen voor binnen- en buitensport, sportaccommodaties, fitnesscentra en overkoepelende sportorganen vormen een belangrijk deel van de sporteconomie. Deze diensten worden praktisch volledig geconsumeerd door huishoudens (94 procent in 2022). De uitgaven van huishoudens aan deze sport- en fitnessdiensten zijn gestegen van 3,8 miljard euro in 2019 naar 4,2 miljard euro in 2022. Dit is een toename van 12 procent. In 2022 komt dit gemiddeld neer op 520 euro per huishouden (480 euro in 2019). De diensten bestaan uit trainingen, het faciliteren van toegang tot sportfaciliteiten, maar ook uit het bieden van startplaatsen tijdens een wedstrijd of toeschouwers de toegang geven tot het bijwonen van een wedstrijd. Deze diensten worden voor het grootste deel bekostigd via contributies, les- en entreegelden. Ook het gokken op (uitslagen van) sportwedstrijden wordt tot deze goederengroep gerekend. 12)
De toename van de uitgaven aan sport- en fitnessdiensten bleef overigens iets achter bij de toename van de totale consumptie van huishoudens aan sportgoederen en -diensten (+ 17 procent).
| Huishoudens (incl. izw's) (mln euro) | Overheid (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2019 | 3770 | 140 |
| 2022 | 4210 | 260 |
Lichte toename actieve sportparticipatie; passieve sportparticipatie stabiel
In 2022 deed 52,7 procent van de bevolking van 4 jaar en ouder wekelijks aan sport. Dit is een lichte afname ten opzichte van 2019 (53,8 procent). Van de personen van zes jaar en ouder was in 2022 29 procent lid van een sportvereniging (29 procent in 2018).13) Van de sporters van 6 jaar of ouder die minimaal een keer per jaar sporten gaf 38 procent aan lid te zijn van een sportvereniging en 26 procent abonnee of lid te zijn van een commerciële sportaanbieder. Actief sporten in verenigingsverband en via commerciële sportaanbieders komt tot uiting in de uitgaven aan sport- en fitnessdiensten. Het zelf en/of in informeel verband sporten, komt hierin minder tot uiting; immers de sporter betaalt geen lidmaatschaps- of abonnementsgeld. Het zelf en/of in informeel verband sporten komt wel weer tot uiting in de uitgaven aan bijvoorbeeld sportkleding.
Ook de passieve sportparticipatie – het bezoeken van sportwedstrijden en -evenementen – behoort tot deze goederengroep. In 2022 bezocht 16 procent van de mensen van 12 jaar en ouder minstens eenmaal per maand een sportwedstrijd of -evenement. In 2020 – het eerste coronajaar – was dit teruggelopen tot 11 procent. In 2022 ligt dit aandeel wel weer hoger, maar nog niet op het niveau van voor corona (21 procent in 2018). Achter dit totaalbeeld kunnen overigens nog wel allerlei verschuivingen hebben plaatsgevonden zoals mensen die een dure sport inruilen voor een goedkopere, een tweede sport laten vallen of mensen die in plaats van eenmaal per week tweemaal per week gaan sporten. Dit wordt echter niet allemaal zichtbaar in de hier gehanteerde kernindicatoren. Ten slotte, omdat het hier vaak gaat over het percentage personen dat sport of sportevenementen bezoekt, is het goed op te merken dat de Nederlandse bevolking tussen 2019 en 2012 toenam van 17,3 naar 17,6 miljoen personen. Met andere woorden: ook bij een gelijkblijvend percentage gaat het om meer personen.
Alle bestedingen aan het sporten in georganiseerd verband bij sportverenigingen, sport- en fitnessclubs in de vorm van contributies, les- en cursusgelden of abonnementen, dragen bij aan de uiteindelijke omvang van de sporteconomie. Hetzelfde geldt voor de entreegelden die mensen betalen voor het bijwonen van een sportevenement. Verder tellen bijdragen van de (lokale) overheid mee aan sport- en fitnessdiensten, bijvoorbeeld via de bekostiging van combinatiefunctionarissen14)en buurtsportcoaches. Dit wordt gezien als uit collectieve middelen geproduceerde sportdiensten die de overheid namens de huishoudens consumeert (zie ook hoofdstuk 8).
4.2 Toegevoegde waarde sport en recreatie
Het overgrote deel van de sport- en fitnessdiensten wordt geproduceerd binnen de bedrijfstak sport en recreatie (76 procent). De aan sport gerelateerde toegevoegde waarde in deze bedrijfstak bedroeg 1,3 miljard euro in 2022. Dit is nagenoeg evenveel als in 2019. De totale toegevoegde waarde van de sporteconomie nam daarentegen wel toe (+ 11 procent). Het aandeel dat de bedrijfstak sport en recreatie hiermee inneemt binnen de totale sporteconomie nam dan ook af van 15 procent in 2019 tot 13 procent in 2022 (zie ook hoofdstuk 2). De bedrijfstak onderwijs (met een aandeel van 27 procent) en de bedrijfstak handel (met een aandeel van 18 procent) dragen meer bij aan de totale sporteconomie (zie o.a. ook hoofdstuk 10).
| toegevoegde waarde (mln euro) | |
|---|---|
| 2019 | 1300 |
| 2022 | 1300 |
4.3 Investeringen in sportaccommodaties
Zowel de overheid als bedrijven (bijvoorbeeld fitnesscentra) investeren in sportaccommodaties binnen de bedrijfstak sport. De investeringen die in deze cijfers zijn meegenomen worden met name gedaan door gemeenten, maar kunnen ook direct door sportverenigingen of door commerciële bedrijven zoals fitnesscentra, gedaan worden.15)
Om de investeringen in sportaccommodaties in kaart te brengen, is informatie gebruikt over de investeringen binnen de bedrijfstak sport en recreatie door overheid en bedrijven. De beschikbare overheidsdata beschrijven het totaal aan investeringen (dus zowel in gebouwen als in andere investeringsgoederen) in zowel sport als recreatie. Op basis van meer gedetailleerde gegevens uit de bedrijvendata is een schatting gemaakt voor de investeringen specifiek in sportaccommodaties door de overheid.
Toename investeringen in sportaccommodaties
De geschatte gezamenlijke investeringen in sportaccommodaties vanuit gemeenten, sportverenigingen en commerciële sportaanbieders bedroegen in 2022 673 miljoen euro. Dit is 18 procent meer dan in 2019 (572 miljoen euro). In het algemeen geldt wel dat investeringen jaarlijks sterk kunnen fluctueren omdat een investeringsgoed (bijvoorbeeld een gebouw) wordt aangeschaft voor een langere periode.
| Investeringen sportaccomodaties (mln euro) | Toegevoegde waarde bedrijfstak bouwnijverheid (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2019 | 570 | 160 |
| 2022 | 670 | 180 |
Het bouwen van sportaccommodaties of het levensduur verlengende groot onderhoud, wordt in de regel uitgevoerd door bedrijven uit de bouwnijverheid. De toegevoegde waarde die dat oplevert is onderdeel van de sporteconomie. De omvang van de aan sport gerelateerde toegevoegde waarde van de bouwnijverheid is dus sterk afhankelijk van de omvang van deze investeringen. Net als de investeringen in sportaccommodaties nam deze toegevoegde waarde dan ook toe met 15 procent en kwam in 2022 uit op 180 miljoen euro. Afgerond bedroeg in 2022 de bijdrage van de bouwnijverheid aan de toegevoegde waarde van de sporteconomie 2 procent, net als in 2019.
12) Deze groep bevat sportgerelateerde goederen en diensten uit recreatie en het gokwezen, waaronder bijvoorbeeld de sportweddenschappen. Het deel dat van recreatie en gokwezen komt bedraagt ongeveer 10 procent.
13) Zie: https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren
14) Een combinatiefunctionaris is een persoon die een combinatiefunctie vervult waarbij de combinatie van verschillende sectoren een hoofdrol speelt. In de praktijk zijn combinatiefunctionarissen veelal in dienst bij een gemeente en vormen ze de verbinding tussen onderwijs en sport of onderwijs en cultuur.
15)Het gaat hier vooral om investeringen in sportaccommodaties. Alleen investeringen van de bedrijfstak sport en recreatie worden meegeteld. Als een hotel bijvoorbeeld investeert in de aanleg van een tennisbaan of zwembad, dan is dat wegens gebrek aan gegevens niet opgenomen in de satellietrekening sport.