De Nederlandse sporteconomie 2022
De bijdrage van sport aan de Nederlandse economie 2006-2022Over deze publicatie
Op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft het CBS een nieuwe editie van de satellietrekening sport samengesteld. Deze satellietrekening beschrijft de bijdrage van sport aan de Nederlandse economie (bbp, werkgelegenheid, consumptie e.d.) voor de periode 2006-2022. Daarnaast schetst het een beeld van de belangrijkste sportgoederen en -diensten én bedrijfstakken binnen de sporteconomie zelf. De publicatie schetst op hoofdlijnen een beeld van de ontwikkeling van de sporteconomie versus de gehele economie voor de periode 2006-2022. Aangevuld met een wat gedetailleerder beeld van de ontwikkelingen binnen de sporteconomie zelf voor de jaren 2019 en 2022.
Samenvatting
Een samenleving zonder sport is moeilijk voor te stellen. Sport kan geassocieerd worden met gezondheid, vermaak, bloed, zweet en tranen, medailles en toejuichingen. Het kan geassocieerd worden met mooie stadions, fancy sportschoenen en voedingssupplementen. Sport kan zelfs geassocieerd worden met bier, politie en televisie kijken. Sport, met andere woorden, is een veelzijdig fenomeen dat vanuit talloze invalshoeken kan worden bekeken. De voorliggende satellietrekening sport, die in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is samengesteld, brengt al deze facetten onder één noemer, namelijk de bijdrage van sport aan de Nederlandse economie. De satellietrekening sport maakt het mogelijk de sporteconomie te vergelijken met de totale Nederlandse economie en binnen de sporteconomie zelf de bijdragen van de verschillende sportgoederen en -diensten en bedrijfstakken. De sporteconomie is hier grofweg gedefinieerd als het sporten zelf, de goederen en diensten die nodig zijn om te kunnen sporten (bijvoorbeeld sportkleding) én datgene dat voortvloeit uit het bestaan van het fenomeen sport (bijvoorbeeld sportuitzendingen op televisie).
Deze samenvatting bevat de belangrijkste conclusies over de periode 2006-2022 en beschrijft vooral de ontwikkeling op hoofdlijnen van de sporteconomie versus de totale economie. Daarnaast wordt ingegaan op de belangrijkste ontwikkelingen van 2022 ten opzichte van 2019. Deze richten zich iets meer op de ontwikkelingen binnen de sporteconomie. De cijfers in deze publicatie sluiten aan bij de laatste revisie van de nationale rekeningen (revisie 2021) en bij de nieuwe Vilnius definitie voor sport.
I. Sporteconomie: 2006-2022
Aandeel sporteconomie in totale economie in 2022 iets lager
Voor de sporteconomie als geheel geldt ruwweg dat de ontwikkeling van de belangrijkste macro-economische grootheden zoals binnenlandse productie, economische omvang (toegevoegde waarde) en werkgelegenheid, tot 2019 redelijk gelijke tred hielden met de ontwikkeling van de totale economie. In 2022 lagen de indicatoren van de sporteconomie echter iets lager dan in 2019. Het aandeel van sport in het bruto binnenlands product (bbp) bedroeg in de periode 2010 - 2019 1,2 procent, in 2022 kwam het uit op 1,1 procent. Het aandeel van sport in de werkgelegenheid was in 2022 1,6 procent. Dat is iets minder dan in 2019 (1,7 procent). Maar dit aandeel ligt sinds de start van de reeks in 2006 altijd op 1,6 of 1,7 procent. In absolute zin namen de macro-economische grootheden toe. Zo steeg de toegevoegde waarde van de sporteconomie van 6,0 miljard euro in 2006 tot 9,9 miljard euro in 2022. De werkgelegenheid nam toe van 140 duizend werkzame personen in 2006 tot 170 duizend werkzame personen in 2022.
De toename van de toegevoegde waarde van de sporteconomie werd over de gehele periode bezien in mindere mate gedragen door een toename van de sport- en fitnessdiensten zelf dan de hier aan gerelateerde goederen en diensten. Het aandeel van de bedrijfstak sport en recreatie in de sporteconomie zakte in 2022 naar 13 procent. In 2012 was het aandeel van de bedrijfstak sport en recreatie met 18 procent het hoogst.
Aandeel invoer in aanbod neemt toe
Het aanbod van sportgoederen en -diensten bestaat uit de binnenlandse productie en de invoer. In de periode 2006-2022 is het aandeel van de invoer in het aanbod toegenomen van 13 procent tot 20 procent. Een aanzienlijk deel van deze invoer is echter niet bestemd voor binnenlands gebruik, maar wordt weer uitgevoerd (wederuitvoer). Wederuitvoer betreft goederen die weliswaar door Nederland worden uitgevoerd, maar die niet in Nederland zijn geproduceerd. In de regel draagt binnenlandse productie van goederen en diensten meer bij aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid, dan wederuitvoer. Het is met name de handels- en vervoerssector die aan deze wederuitvoer verdient. Voor een deel is deze toenemende in- en wederuitvoer dan ook de verklaring voor het grote en toenemende aandeel van de handels- en vervoerssector in de sporteconomie. In 2022 was het aandeel van de bedrijfstak handel in de sporteconomie 18 procent. Hiermee was het na onderwijs de belangrijkste bedrijfstak binnen de sporteconomie.
Consumptie huishoudens en wederuitvoer aanjagers sporteconomie
Het aandeel van sport in de consumptieve bestedingen van huishoudens varieerde in de periode 2006-2022. In 2006 lag dit aandeel op 3,0 procent, in 2019 op 3,4 procent. In 2022 kwam dit aandeel weer iets lager uit op 3,3 procent. Omgerekend per huishouden kwam dit in 2022 neer op zo’n 1 780 euro per jaar. Ook het aandeel van de sporteconomie in de wederuitvoer nam in de loop van de jaren toe van 0,6 procent in 2006 tot 1,0 procent in 2022. Daar staat tegenover dat de aan sport gerelateerde consumptie van de overheid daalde en de uitvoer uit binnenlandse productie nagenoeg stabiel bleef.
| 2006 | 2015 | 2019 | 2022 | |
|---|---|---|---|---|
| Bruto binnenlands product (marktprijzen) (mln euro) | 6 610 | 8 140 | 10 140 | 11 400 |
| Aantal werkzame personen (x 1 000) | 140 | 140 | 170 | 170 |
| Arbeidsvolume werkzame personen (x 1 000 arbeidsjaren) | 110 | 110 | 130 | 130 |
| Bruto binnenlands product (marktprijzen) (bbp) (%) | 1,1 | 1,2 | 1,2 | 1,1 |
| Aantal werkzame personen (%) | 1,7 | 1,6 | 1,7 | 1,6 |
| Arbeidsvolume werkzame personen, in arbeidsjaren (%) | 1,6 | 1,5 | 1,6 | 1,6 |
| * Alle waarden over de sporteconomie (behalve de percentages) zijn afgerond op tientallen miljoenen euro's dan wel tien duizendtallen. | ||||
II. Sporteconomie: characteristic versus connected
Deze editie voor het berekenen van de sporteconomie volgt voor het eerst de vernieuwde Vilnius 3.0 definitie voor sport. Nieuw daarin is het onderscheid tussen goederen en diensten die zonder sport niet zouden bestaan, characteristic goods, en overige goederen en diensten verbonden aan sport, connected goods. In 2022 komt ruim een derde deel van de sporteconomie van goederen en diensten die niet zouden bestaan als er geen sport is.
III. Sporteconomie: 2015-2022
Sport- en fitnessdiensten belangrijk
De waarde van het totale aanbod van sportgoederen en -diensten in 2022 bedroeg 25,7 miljard euro. Hiervan bestond 17 procent in 2022 uit sport- en fitnessdiensten (18 procent in 2019). Daarna volgden de handels- en vervoersmarges (12 procent), horecadiensten (11 procent) en onderwijs (11 procent). Het grote aanbod van genoemde goederen en diensten vertaalt zich in het belang van de bedrijfstakken die deze goederen en diensten (overwegend) voortbrengen, in de sporteconomie. In 2022 was de bijdrage van de bedrijfstak onderwijs aan de sporteconomie het grootst (27 procent), gevolgd door de bedrijfstak handel (18 procent), sport en recreatie zelf (13 procent) en de horeca (11 procent). Omgekeerd betekende dit voor de horeca dat in 2022 7 procent van de toegevoegde waarde aan sport gelieerd was. Ook voor het onderwijs is de sporteconomie van meer dan marginaal belang: 6 procent van de toegevoegde waarde van het onderwijs was aan sport gerelateerd.
Bestedingen sport voor 61 procent consumptie door huishoudens
In 2022 bedroegen de uitgaven van huishoudens aan sportgoederen en -diensten 14,5 miljard euro (12,4 miljard euro in 2019). Dit was goed voor 53 procent van de totale bestedingen aan sportgoederen en -diensten (56 procent in 2019). Samen met de wederuitvoer was de consumptie van huishoudens ook de grootste aanjager van de toename van het gebruik van sportgoederen en -diensten.
De belangrijkste uitgaven van huishoudens waren de uitgaven aan sport- en fitnessdiensten, gevolgd door de uitgaven aan horecadiensten, sportartikelen en sportkleding. Onderwijs, medische diensten en logischerwijze overheidsgoederen en -diensten zelf, worden (deels) geconsumeerd door de overheid. Het betreft hier diensten die uit algemene middelen worden gefinancierd en door de overheid namens de huishoudens worden geconsumeerd. In de praktijk zijn het wel vaak ‘gewone’ personen die deze diensten daadwerkelijk consumeren, bijvoorbeeld bewegings- en sportonderwijs en aan sport gerelateerde zorg.
| Huishoudens (incl. IZW) (% van totaal sportconsumptie) | Overheid (% van totaal sportconsumptie) | |
|---|---|---|
| Diensten m.b.t. sport, fitness en recreatie | 23 | 1 |
| Horecadiensten | 16 | 0 |
| Onderwijs | 0 | 15 |
| Overheidsgoederen en -diensten | 0 | 9 |
| Sportartikelen | 7 | 0 |
| Sportkleding en ander -textiel | 5 | 0 |
| Reisbemiddeling en -verzekeringen | 5 | 0 |
| Motorbrandstoffen | 4 | 0 |
| Media, IT en R&D | 3 | 0 |
| Medische diensten | 1 | 2 |
| Sportvoeding en - drank | 2 | 0 |
| Vervoermiddelen | 2 | 0 |
| Openbaar vervoer | 2 | 0 |
| Zeepproducten | 1 | 0 |
| Land- en bosbouw | 1 | 0 |
| Reparatie van sportartikelen en - vervoermiddelen | 0 | 0 |
| Elektrotechnische apparaten en machines | 0 | 0 |
1. Inleiding
Voorliggende publicatie geeft een beschrijving van de Nederlandse sporteconomie aan de hand van de uitkomsten van de sportrekeningen. De sportrekeningen zijn gebaseerd op nationale rekeningen; de kwantitatieve beschrijving van de totale Nederlandse economie. Vanwege de aansluiting op de nationale rekeningen en de daarin gebruikte concepten en definities zijn de sportrekeningen te classificeren als een satellietrekening van de nationale rekeningen. De sportrekeningen geven de sporteconomie weer aan de hand van de belangrijkste macro-economische variabelen zoals productie, consumptie, toegevoegde waarde en werkgelegenheid. Daar de satellietrekening – zoals gezegd – gedestilleerd is uit de beschrijving van de totale Nederlandse economie kan het aandeel van sport in de verschillende macro-economische totalen worden bepaald. Daarnaast kan voor de sporteconomie zélf worden aangegeven wat de belangrijkste goederen en diensten zijn en welke bedrijfstakken een meer of minder grote rol spelen binnen de sporteconomie.
Maar wát is de sporteconomie eigenlijk? Wat betekent sport in economische zin? Sport biedt vermaak, bevordert gezondheid en welzijn en vergroot maatschappelijke betrokkenheid. Het sporten zelf kan zelfstandig of in ongeorganiseerd verband worden beoefend, maar ook in sterk georganiseerd verband of op hoog niveau in competitieverband. Voor sommigen is (top)sport zelfs hun beroep. In 2023 deed 55,6 procent van de bevolking van 4 jaar en ouder wekelijks aan sport (53,8 procent in 2019). Sporten via een sportvereniging is hierbij overigens lang niet altijd meer de overheersende wijze van sportbeoefening. In 2023 had twee derde van de wekelijkse sporters een lidmaatschap bij een sportvereniging en/of een abonnement bij een sportaanbieder. Wekelijks sportende kinderen en jongeren zijn voornamelijk lid van een sportvereniging (70 procent en 59 procent). Wekelijks sportende volwassenen en ouderen hebben vaker een abonnement bij een sportaanbieder (32 procent en 27 procent). In 2023 was fitness/conditietraining de meest beoefende sport door Nederlanders van 12 jaar en ouder. Ongeveer een kwart van de beoefende sporten door wekelijkse sporters van 12 jaar of ouder was fitness/conditietraining.
Ook het vermaak dat sport biedt varieert van een wedstrijd van de lokale club met een handjevol toeschouwers en een kort stukje in de plaatselijke krant, tot grote evenementen met duizenden toeschouwers en integraal uitgezonden wedstijden op televisie. In 2022 bezocht 16 procent van de Nederlanders van 12 jaar en ouder maandelijks of vaker een sportwedstrijd of sportevenement. Dit is meer dan in 2020, maar minder dan in eerdere meetjaren. Door de coronamaatregelen waren er in 2020 ook minder sportwedstrijden en sportevenementen, daarnaast was het aantal bezoekers per evenement dikwijls beperkt. In ‘normale’ jaren bezocht een op de vijf mensen van 12 jaar en ouder minstens eenmaal per maand een sportwedstrijd of -evenement (21 procent in 2018). In 2022 volgde 58 procent van de Nederlanders van 6 jaar en ouder minimaal wekelijks sport via media zoals (online) kranten of tijdschriften, (online) radio of podcasts, sociale media, (online) televisie, en via (sport)websites en/of apps (dit was 55 procent in 2020 en 57 procent in 2018).
De relatie tussen sport en gezondheid kent eveneens verschillende kanten. Enerzijds is er de algemene opvatting dat sport, of in ieder geval regelmatig bewegen, goed is voor de gezondheid. Dit wordt dan ook bijgehouden. Zo voldeed in 2023 45 procent van de Nederlanders van 4 jaar en ouder aan de beweegrichtlijnen. Dit is vergelijkbaar met het voorgaande jaar en het niveau van 2016, maar minder dan in de jaren 2017-2021. Aan de andere kant leidt sporten ook tot blessures. In 2023 rapporteerde 11,2 procent van de wekelijkse sporters van 4 jaar en ouder een sportblessure opgelopen te hebben in de afgelopen drie maanden. Dit aandeel in 2023 is vergelijkbaar met eerdere jaren.
Het voorgaande illustreert dat naast het sporten zelf er allerlei activiteiten zijn die daar voor nodig zijn (accommodaties, sportkleding, sportartikelen e.d.) dan wel uit voortvloeien (wedstrijdbezoek, mediagebruik, horecadiensten e.d.). In een satellietrekening sport worden al deze aan sport gerelateerde goederen en diensten samengebracht en uitgedrukt in geld. Sport wordt beschreven als een ‘gewone’ bedrijfstak die goederen en diensten produceert en daarmee een bijdrage levert aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid.
Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft een aantal kernindicatoren in het domein sport en bewegen vastgesteld.1) Deze kernindicatoren zijn door de minister benoemd om de ontwikkelingen in de sport en de daaraan gerelateerde zaken, in de tijd op hoofdlijnen te kunnen volgen. Het bevat indicatoren over de deelname aan sport, maar ook over het aanbod van sportaccommodaties en het aantal blessures zoals hiervoor al genoemd. In deze lijst van zo’n twintig kernindicatoren komen ook twee indicatoren voor die afkomstig zijn uit de satellietrekening sport, te weten het bruto binnenlands product (bbp) van de sporteconomie en de werkgelegenheid in de sporteconomie.
Wat is een satellietrekening sport?
Deze twee indicatoren – en de satellietrekening sport in zijn algemeenheid – brengen de verschillende facetten van sport onder een noemer, namelijk onder die van de nationale rekeningen. De nationale rekeningen beschrijven alle transacties in de Nederlandse economie op een consistente en boekhoudkundig sluitende wijze. Bij het samenstellen van de satellietrekening sport wordt van al deze transacties bepaald welk deel hiervan sport betreft of hieraan gerelateerd is. Met uitzondering van de werkgelegenheid, worden al deze transacties uitgedrukt in hun monetaire waarde zodat ze op het punt van waarde met elkaar en met de rest van de economie vergeleken kunnen worden.
In de satellietrekening sport wordt dus op systematische wijze voor alle goederen en diensten zoals onderscheiden in de nationale rekeningen, bepaald wat het aan sport gerelateerde deel is. Dit gebeurt voor verschillende macro-economische variabelen zoals productie, invoer, consumptie en uitvoer. Soms is dit makkelijk te bepalen omdat het aan sport gerelateerde deel apart wordt onderscheiden (bijvoorbeeld de goederengroep sportartikelen). Soms is het moeilijker te bepalen en wordt op basis van aanvullende bronnen het aan sport gerelateerde deel uit een groter geheel gefilterd (bijvoorbeeld de zorgkosten voortvloeiend uit sportblessures uit de totale zorgkosten). Het uiteindelijke resultaat is een consistente en sluitende beschrijving van de sporteconomie die vergeleken kan worden met de totale Nederlandse economie.
Om de satellietrekening sport op te kunnen stellen is een duidelijke afbakening van de sporteconomie nodig. Op EU-niveau is afgesproken wat in termen van goederen en diensten al dan niet tot de sporteconomie wordt gerekend. De uitkomsten in dit rapport volgen de meest recente richtlijnen hiervoor (Vilnius 3.0; zie hoofdstuk 3 en de Technische Toelichting).
Historie en achtergrond
De satellietrekening sport wordt in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) samengesteld. Een eerste proeve van een satellietrekening is opgesteld voor het jaar 2006 in samenwerking met de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (CBS/HAN 2012a). Dit heeft ook geresulteerd in een handboek voor het samenstellen van de satellietrekening sport (CBS/HAN 2012b). Samen met de richtlijnen voor het samenstellen van een satellietrekening sport genoemd in de Vilniusdefinitie ligt dit handboek ten grondslag aan de satellietrekening sport zoals die momenteel periodiek door het CBS wordt samengesteld. Na de eerste satellietrekening voor 2006 heeft het CBS ook voor de jaren 2008 en 2010 een satellietrekening sport gepubliceerd (CBS 2013), voor het jaar 2012 (CBS 2015), 2015 (CBS 2019) en 2019 (CBS 2021).
In het voorliggende rapport wordt de satellietrekening over 2022 gepresenteerd. Deze satellietrekening sport is gebaseerd op de definitieve nationale rekeningen van 2022.
De definitieve nationale rekeningen hebben op het gebied van de onderscheiden goederen en diensten en bedrijfstakken, het meeste detail en bieden daarom de beste aanknopingspunten om er de aan sport gerelateerde goederen en diensten uit te destilleren. Eens in de vijf jaar vindt een revisie van de nationale rekeningen plaats. 2) Bij een revisie worden veranderingen in concepten, classificaties, methoden en bronnen in één keer in de nationale rekeningen doorgevoerd. Daarbij wordt het revisiejaar opnieuw aangesloten op de niveaus en de structuur van de bronstatistieken. Ook wordt de tijdreeks gereviseerd zodat deze aansluit bij het revisiejaar en de jaren volgtijdelijk vergelijkbaar blijven. 3)
De op het eerste gezicht wat lange tijd tussen het verslagjaar en het jaar van verschijnen wordt verklaard door het feit dat de satellietrekening sport in zijn huidige opzet wordt samengesteld op basis van de definitieve cijfers uit de nationale rekeningen. In 2024 kwamen de jaarcijfers over 2022 beschikbaar ná revisie.
Zowel de revisie van de nationale rekeningen als de nieuwe afbakening van de sporteconomie volgens Vilnius 3.0 hebben een effect op de uitkomsten. Om de cijfers met eerdere jaren vergelijkbaar te houden, zijn deze effecten zo goed mogelijk teruggelegd in de tijdreeks zoals beschreven in hoofdstuk 2. Hierdoor wijken de cijfers over 2019 en eerdere jaren af van de cijfers uit eerdere publicatie over de sporteconomie. In de Technische Toelichting staat aangegeven waar de verschillen vooral een rol spelen.
Inhoud rapport
Hoofdstuk 2 begint met een vergelijking van de sporteconomie met de totale Nederlandse economie. Allereerst zal ingegaan worden op de belangrijkste macro-economische ontwikkelingen in de periode 2006-2022. De consumptieve bestedingen, de productie en de toegevoegde waarde staan hierbij centraal. Vervolgens zullen enkele structurele karakteristieken van de sporteconomie zelf worden uitgelicht aan de hand van de cijfers over het jaar 2022. Het zal zo niet alleen duidelijk worden welke producten en bedrijfstakken belangrijk zijn binnen de sporteconomie, maar ook welke bedrijfstakken het meest profiteren van het fenomeen sport. Hoofdstuk 3 gaat in op de nieuwe tweedeling volgens Vilnius 3.0 in characteristic goods en connected goods. Vervolgens wordt in de hoofdstukken 4 tot en met 10 steeds een onderdeel van de sporteconomie uitgelicht, bijvoorbeeld sportdeelname, sportbenodigdheden, onderwijs of media. In deze hoofdstukken wordt in meer detail beschreven om welke aan sport gerelateerde goederen en diensten het precies gaat en welke ontwikkelingen er zichtbaar zijn in de bestedingen en toegevoegde waarde in de periode 2019-2022. Deze hoofdstukken bieden inzicht in de ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan de macro-economische cijfers zoals gepresenteerd in hoofdstuk 2.
Deze rapportage is voorzien van een Technische Toelichting en een Tabellenbijlage. In de Technische Toelichting worden de methode en gehanteerde uitgangspunten bij het samenstellen van de voorliggende satellietrekening nader toegelicht. Ten slotte bevat de Tabellenbijlage onder andere de gedetailleerde tabellenset die ten grondslag ligt aan de cijfers en het verhaal zoals in deze publicatie gepresenteerd.
1) Zie https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren. De cijfers genoemd in deze inleiding zijn, tenzij anders vermeld, afkomstig van deze website, geraadpleegd op 21 januari 2025.
2) Zie voor meer informatie over de revisie van verslagjaar 2021: Revisiepublicatie nationale rekeningen, verslagjaar 2021 | CBS.
3) Zie voor meer informatie over revisie van de tijdreeksen: Nationale rekeningen: revisie tijdreeksen 1995-2021
2. De sporteconomie in macro-economisch perspectief
Dit hoofdstuk schetst een beeld van de sporteconomie vanuit een macro-economisch perspectief. Eerst wordt een vergelijking gemaakt met de Nederlandse economie als geheel. Daarbij wordt duidelijk dat de sporteconomie in de periode 2019-2022 iets minder groeide dan de totale Nederlandse economie. De werkgelegenheid in de sporteconomie is in absolute zin toegenomen, maar bedroeg zowel in 2022 als in 2019 1,6 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland. De tweede paragraaf gaat in op enkele meer structurele karakteristieken van de sporteconomie aan de hand van cijfers over 2022. Daaruit blijkt dat de bedrijfstak onderwijs de belangrijkste bijdrage levert aan de sporteconomie.
2.1 Sport en de Nederlandse economie
Aandeel bedrijfstak sport en recreatie in toegevoegde waarde gedaald
In 2022 bedroeg de bruto toegevoegde waarde van de sporteconomie 9,9 miljard euro. Dit is 11 procent meer dan in 2019. De toegevoegde waarde van de bedrijfstak sport en recreatie hierin bedroeg zowel in 2019 als in 2022 1,3 miljard euro en nam dus niet toe. De toename van de totale toegevoegde waarde van de sporteconomie zit hiermee volledig bij de overige bedrijfstakken (+ 13 procent). Het aandeel van de bedrijfstak sport en recreatie in de sporteconomie nam dan ook af van 15 procent in 2019 tot 13 procent in 2022. Dit aandeel was nog niet eerder zo laag. Over de gehele priode 2006-2022 bezien nam de toegevoegde waarde van de bedrijfstak sport en recreatie toe met 49 procent. Dat is minder dan van de andere bedrijfstakken (+ 66 procent). Al met al was en is het aandeel van aan sport gerelateerde goederen en diensten binnen de sporteconomie beduidend groter dan het aandeel van het primaire sporten zelf. Paragraaf 2.2 gaat meer in detail in op de verschillende bedrijfstakken.
| Sport en recreatie (mln euro) | Overige bedrijfstakken (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2006 | 870 | 5170 |
| 2008 | 1030 | 5530 |
| 2010 | 1170 | 5840 |
| 2012 | 1240 | 5790 |
| 2015 | 1160 | 6110 |
| 2019 | 1300 | 7620 |
| 2022 | 1300 | 8590 |
Sporteconomie goed voor 1,1 procent van het bbp
In 2022 was het aandeel van de sporteconomie als geheel in de totale bruto toegevoegde waarde van heel Nederland 1,1 procent. Dit is iets minder dan in 2019 (1,2 procent). Tussen 2019 en 2022 groeide de sporteconomie dus net iets minder dan de gehele economie.4) Tot 2019 lag het aandeel van de sporteconomie meestal op 1,2 procent. De groei van de sporteconomie als geheel hield dus min of meer gelijke tred met die van de totale economie. In 2022 lijkt de groei echter iets achter te blijven (zie de samenvattende tabel 2.1.5 in dit hoofdstuk). Dit kan te maken hebben met dat de coronamaatregelen een relatief grotere impact hadden op de sporteconomie. In tegenstelling tot bedrijfstakken waar thuiswerken mogelijk was, werden sommige bedrijfstakken met een bijdrage in de sporteconomie tot aan het begin van 2022 geraakt door de (gedeeltelijke) lockdown. Hierdoor konden mensen er niet op uit naar bijvoorbeeld een sportwedstrijd of naar de kantine van de sportvereniging.
Ter referentie: het aandeel in de totale economie voortvloeiend uit de satellietrekening voor toerisme is 3,5 procent in 2022.5) Ook dit aandeel ligt in 2022 lager dan vlak voor corona.
Aandeel binnenlandse productie in totale aanbod neemt af
Het totale aanbod van aan sport gerelateerde goederen en diensten in 2022 bedroeg 25,7 miljard euro. Dit is een toename van 23 procent ten opzichte van 2019. Over de gehele periode 2006-2022 nam het aanbod van sportgoederen en -diensten met 89 procent toe.
Het aanbod van goederen en diensten bestaat uit de binnenlandse productie van deze goederen en diensten en de invoer. Het aanbod uit binnenlandse productie nam van 2019 op 2022 toe met 18 procent. Deze toename werd grotendeels veroorzaakt door een toename van de sport- en fitnessdiensten, de onderwijsdiensten en de handels- en vervoersmarges. Van het totale aanbod aan sportgoederen en -diensten in 2022 kwam 80 procent uit binnenlandse productie (83 procent in 2019). Voor Nederland als geheel was dat 70 procent. Het aandeel van de binnenlandse productie in de sporteconomie is hoog omdat de sporteconomie, meer dan de gehele economie, bestaat uit diensten die nu eenmaal minder vaak worden ingevoerd dan goederen.
De invoer van aan sport gerelateerde goederen en diensten lag in 2022 43 procent hoger dan in 2019. Het aandeel van de invoer in het totale aanbod van sportgoederen en -diensten is toegenomen van 17 procent in 2019 naar 20 procent in 2022. De belangrijkste producten bij de invoer zijn sportkleding en ander -textiel, sportartikelen en vervoermiddelen (w.o. sportfietsen). Bij het gebruik van deze goederen zal blijken dat met name van de sportartikelen en de sportkleding een groot deel weer wordt uitgevoerd (wederuitvoer). Wederuitvoer is de uitvoer van goederen die niet in Nederland zijn geproduceerd. Het is voornamelijk de handels- en vervoerssector die hier geld aan verdient. De uitvoer van vervoermiddelen betreft wél substantiële uitvoer uit binnenlandse productie. Over de gehele periode 2006-2022 is het aandeel van de binnenlandse productie in het totale aanbod van sportgoederen en -diensten afgenomen van 87 procent naar 80 procent. Dit onderscheid is van belang omdat binnenlandse productie van goederen en diensten in de regel meer bijdraagt aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid dan wederuitvoer.
| Binnenlandse productie (mln euro) | Invoer (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2006 | 11840 | 1800 |
| 2008 | 12860 | 1930 |
| 2010 | 13380 | 2000 |
| 2012 | 13380 | 1870 |
| 2015 | 14240 | 2750 |
| 2019 | 17360 | 3620 |
| 2022 | 20540 | 5180 |
Consumptie huishoudens stijgt met 22 procent
Het totale gebruik van sportgoederen en -diensten in 2022 bedroeg 27,2 miljard euro. Dit is 22 procent meer dan in 2019. Het verschil in waarde tussen het totale aanbod en het totale gebruik van sportgoederen en -diensten wordt veroorzaakt door een verschil in waardering. De prijs zoals de producent die ervaart is lang niet altijd gelijk aan de prijs die de afnemer ervoor betaalt. Het verschil wordt gevormd door de productgebonden belastingen waaronder de btw (+) en subsidies (-). In 2022 was dit saldo 1,5 miljard euro.
Het gebruik van sportgoederen en -diensten bestond in 2022 voor 53 procent uit consumptie door huishoudens. In vergelijking met 2019 is deze consumptie met 17 procent toegenomen en bedroeg 14,5 miljard euro in 2022. Omgerekend per huishouden is dit ongeveer 1 780 euro per jaar (1 570 in 2019). De belangrijkste uitgaven van huishoudens aan sportgoederen en -diensten bestaan naast de uitgaven aan sport- en fitnessdiensten zelf, uit uitgaven aan horecadiensten, sportkleding en sportartikelen. Het aandeel van de consumptie van sportgoederen en -diensten in de totale consumptie van de Nederlandse huishoudens in 2022 was 3,3 procent en ligt daarmee iets lager dan in 2019 (3,4 procent).
Van het totale gebruik van sportgoederen en -diensten werd 22 procent uitgevoerd. Dit was in 2019 20 procent. Met name de uitvoer van sportkleding, sportartikelen en vervoermiddelen (w.o. sportfietsen) is toegenomen. Zoals bij de invoer reeds gememoreerd betreft de uitvoer van sportkleding en sportartikelen vooral wederuitvoer. De uitvoer van vervoermiddelen komt wel voor een substantieel uit binnenlandse productie. De totale uitvoer van sportgoederen en -diensten bestond in 2022 voor 61 procent uit wederuitvoer van goederen. Dit is veel hoger dan voor de totale economie waar de uitvoer maar voor 39 procent uit wederuitvoer van goederen bestaat. Het aandeel van sportgoederen en -diensten in de uitvoer van de totale Nederlandse economie in 2022 bedroeg 0,6 procent (0,6 procent in 2019). Voor de uitvoer uit binnenlandse productie en wederuitvoer waren deze aandelen in 2022 respectievelijk 0,4 en 1,0 procent (zie ook tabel 2.1.5 in dit hoofdstuk).
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) (mln euro) | Consumptie overheid (mln euro) | Uitvoer (mln euro) | Investeringen en voorraadverandering (mln euro) | |
|---|---|---|---|---|
| 2006 | 8100 | 3270 | 2210 | 1000 |
| 2008 | 8640 | 3660 | 2290 | 1180 |
| 2010 | 8960 | 3960 | 2290 | 1210 |
| 2012 | 8960 | 3940 | 2320 | 800 |
| 2015 | 9660 | 4170 | 3470 | 780 |
| 2019 | 12430 | 4470 | 4430 | 940 |
| 2022 | 14510 | 5240 | 6060 | 1420 |
Over de gehele periode 2006-2022 kwam de toename van de bestedingen aan sportgoederen en -diensten vooral voor rekening van de wederuitvoer van goederen. De consumptie van huishoudens en de uitvoer uit binnenlandse productie namen ongeveer evenveel toe vergeleken met 2006. De consumptie van de overheid bleef hierbij achter (zie ook tekstkader in hoofdstuk). Het aandeel van de consumptie van sportgoederen en -diensten in de totale consumptie van huishoudens nam ook toe van 3,0 procent in 2006 tot 3,3 procent in 2022.
Sporteconomie goed voor 1,6 procent van werkgelegenheid
Het aantal werkzame personen in de sporteconomie in 2022 was 170 duizend en ligt iets hoger (+2 procent) dan in 2019. Het aantal werkzame personen in de sporteconomie is hiermee goed voor een aandeel van 1,6 procent in het totale aantal werkzame personen in Nederland. In 2019 lag dat aandeel iets hoger, op 1,7 procent. Het aantal werkzame personen in de sporteconomie nam in deze periode dus iets minder toe dan het totale aantal werkzame personen in Nederland. Het aantal arbeidsjaren (of voltijdequivalenten) werkzaam in de sporteconomie lag zowel in 2019 als in 2022 op afgerond 130 duizend. Het aandeel van de sporteconomie in het totale arbeidsvolume in Nederland lag in 2022 op 1,6 procent, net zo hoog als in 2019.
Over de gehele periode 2006-2022 is het arbeidsvolume in de sport toegenomen van 110 duizend arbeidsjaren naar 130 duizend arbeidsjaren (+ 17 procent). Binnen dit arbeidsvolume van de sporteconomie is het aandeel van de werknemers in de loop der jaren iets afgenomen; van 87 procent in 2006 naar 83 procent in 2022.6) Het aandeel van de zelfstandigen (meewerkende eigenaren, zzp’ers e.d.) is dus toegenomen van 13 procent in 2006 tot 17 procent in 2022. Dit is overigens vergelijkbaar met de ontwikkeling binnen het totale arbeidsvolume in Nederland waar het aandeel van de zelfstandigen ook toenam van 15 procent in 2006 tot 17 procent in 2022 (zie ook tabel 2 in de tabellenset).
| Werknemers (x 1 000) | Zelfstandigen (x 1 000) | |
|---|---|---|
| 2006 | 100 | 10 |
| 2008 | 100 | 20 |
| 2010 | 100 | 20 |
| 2012 | 90 | 20 |
| 2015 | 90 | 20 |
| 2019 | 100 | 20 |
| 2022 | 110 | 20 |
Merk op dat de cijfers over de werkgelegenheid in de sporteconomie slechts betrekking hebben op betaalde arbeidskrachten, terwijl de arbeidsinzet in delen van de sporteconomie meer dan bij andere bedrijfstakken, beïnvloed wordt door een omvangrijke inzet van vrijwilligers (zie kader).
| 2006 | 2015 | 2019 | 2022 | |
|---|---|---|---|---|
| Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) (mln euro) | 6 030 | 7 270 | 8 920 | 9 890 |
| Bruto binnenlands product (marktprijzen) (mln euro) | 6 610 | 8 140 | 10 140 | 11 400 |
| Binnenlandse productie (mln euro) | 11 840 | 14 240 | 17 360 | 20 540 |
| Invoer (mln euro) | 1 800 | 2 750 | 3 620 | 5 180 |
| Finale bestedingen (mln euro) | 14 590 | 18 080 | 22 260 | 27 230 |
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) (mln euro) | 8 100 | 9 660 | 12 430 | 14 510 |
| Consumptie overheid (mln euro) | 3 270 | 4 170 | 4 470 | 5 240 |
| Totaal uitvoer (mln euro) | 2 210 | 3 470 | 4 430 | 6 060 |
| Uitvoer uit binnenlandse productie (mln euro) | 1 310 | 1 750 | 1 960 | 2 370 |
| Wederuitvoer goederen (mln euro) | 900 | 1 720 | 2 470 | 3 680 |
| Aantal werkzame personen (x 1 000) | 140 | 140 | 170 | 170 |
| Arbeidsvolume werkzame personen (x 1000 arbeidsjaren) | 110 | 110 | 130 | 130 |
| Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) (%) | 1,2 | 1,2 | 1,2 | 1,1 |
| Bruto binnenlands product (marktprijzen) (%) | 1,1 | 1,2 | 1,2 | 1,1 |
| Binnenlandse productie (%) | 1,1 | 1,0 | 1,1 | 1,0 |
| Invoer (%) | 0,5 | 0,5 | 0,6 | 0,6 |
| Finale bestedingen (%) | 1,6 | 1,5 | 1,5 | 1,5 |
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) (%) | 3,0 | 3,0 | 3,4 | 3,3 |
| Consumptie overheid (%) | 2,4 | 2,4 | 2,2 | 2,2 |
| Totaal uitvoer (%) | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 0,6 |
| Uitvoer uit binnenlandse productie (%) | 0,5 | 0,5 | 0,4 | 0,4 |
| Wederuitvoer goederen (%) | 0,6 | 0,9 | 1,0 | 1,0 |
| Aantal werkzame personen (%) | 1,7 | 1,6 | 1,7 | 1,6 |
| Arbeidsvolume werkzame personen (%) | 1,6 | 1,5 | 1,6 | 1,6 |
| * Alle waarden over de sporteconomie (behalve de percentages) zijn afgerond op tientallen miljoenen euro's dan wel tien duizendtallen. | ||||
2.2 Structuur van de sporteconomie
Grootste deel aanbod sporteconomie bestaat uit sport- en fitnessdiensten
In de voorgaande paragraaf is het aanbod van sportgoederen en -diensten door de jaren heen vergeleken. In figuur 2.2.1 is het aanbod van sportgoederen en -diensten voor 2022 gedetailleerd naar goederengroep en herkomst. De waarde van het totale aanbod van sportgoederen en -diensten in 2022 bedroeg zoals gezegd 25,7 miljard euro. De sport- en fitnessdiensten besloegen 17 procent (18 procent in 2019) van dit totale aanbod en waren hiermee de grootste goederengroep. Andere belangrijke categorieën binnen de sporteconomie zijn horecadiensten (11 procent) en onderwijs (bewegings- en sportonderwijs; 11 procent). Daarna volgen de sportartikelen (7 procent), overheidsgoederen en -diensten (7 procent), sportkleding en ander textiel (6 procent) en door de vervoerders geleverde diensten (4 procent).7)
Voor de goederengroepen die het karakter van diensten hebben is het aandeel van de invoer veelal gering. Dit geldt bijvoorbeeld voor de sport- en fitnessdiensten zelf, maar ook voor het onderwijs en de overheidsgoederen en -diensten op het terrein van sport. De invoer van sportgoederen en -diensten bestaat praktisch volledig uit de goederengroepen sportkleding, sportartikelen en vervoermiddelen. Ook van de zeepproducten, wat overigens een wat minder omvangrijke goederengroep is, komt een groot deel van het aanbod uit invoer. Een toename van de consumptie van bijvoorbeeld sportkleding leidt dus maar in beperkte mate tot een toename van de binnenlandse productie van sportkleding, maar vooral tot extra invoer en de daarmee gepaard gaande handels- en vervoersmarges.
| Binnenlandse productie (% van totaal sportaanbod) | Invoer (% van totaal sportaanbod) | |
|---|---|---|
| Diensten m.b.t. sport, fitness en recreatie | 17 | 0 |
| Handels- en vervoersmarges | 12 | 0 |
| Horecadiensten | 11 | 0 |
| Onderwijs | 11 | 0 |
| Sportartikelen | 0 | 7 |
| Overheidsgoederen en -diensten | 7 | 0 |
| Sportkleding en ander -textiel | 0 | 6 |
| Vervoermiddelen | 1 | 3 |
| Sportvoeding en -drank | 3 | 0 |
| Media, IT en R&D | 3 | 1 |
| Reisbemiddeling en -verzekeringen | 3 | 0 |
| Bouw-, architect- en ingenieursdiensten | 3 | 0 |
| Zeepproducten | 1 | 1 |
| Motorbrandstoffen | 2 | 0 |
| Medische diensten | 2 | 0 |
| Openbaar vervoer | 2 | 0 |
| Land- en bosbouw | 1 | 0 |
| Elektrotechnische apparaten en machines | 0 | 1 |
| Reparatie van sportartikelen en -vervoermiddelen | 0 | 0 |
Gebruik sporteconomie voor 53 procent consumptie door huishoudens
In figuur 2.2.2 zijn de belangrijkste bestedingscategorieën van de sporteconomie weergegeven. Het grootste deel van alle sportgoederen en -diensten wordt geconsumeerd door de huishoudens (53 procent), 19 procent wordt geconsumeerd door de overheid, 14 procent betreft wederuitvoer van met name sportgoederen, 9 procent betreft uitvoer uit binnenlandse productie en de resterende 5 procent zijn investeringen en voorraadverandering. Ruim 70 procent van alle sportgoederen en -diensten wordt dus geconsumeerd door ofwel de huishoudens ofwel de overheid; 22 procent wordt uitgevoerd waarbij de waarde van de wederuitvoer aanmerkelijk groter is dan de waarde van de uitvoer uit binnenlandse productie.
| 2022 (mld euro) | 2019 (mld euro) | |
|---|---|---|
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) | 14,5 | 12,4 |
| Consumptie overheid | 5,2 | 4,5 |
| Wederuitvoer goederen | 3,7 | 2,5 |
| Uitvoer uit binnenlandse productie | 2,4 | 2,0 |
| Investeringen en voorraadverandering | 1,4 | 0,9 |
Overheidsconsumptie betreft vooral onderwijs
Zoals hiervoor gememoreerd wordt 19 procent van alle sportgoederen en -diensten geconsumeerd door de overheid. Uit figuur 2.2.3 blijkt dat dit vooral speelt bij de goederengroep onderwijs (w.o. lichamelijke opvoeding), medische diensten en logischerwijze de overheidsgoederen en -diensten zelf.
| Huishoudens (incl. IZW) (% van totaal sportconsumptie) | Overheid (% van totaal sportconsumptie) | |
|---|---|---|
| Diensten m.b.t. sport, fitness en recreatie | 23 | 1 |
| Horecadiensten | 16 | 0 |
| Onderwijs | 0 | 15 |
| Overheidsgoederen en -diensten | 0 | 9 |
| Sportartikelen | 7 | 0 |
| Sportkleding en ander -textiel | 5 | 0 |
| Reisbemiddeling en -verzekeringen | 5 | 0 |
| Motorbrandstoffen | 4 | 0 |
| Media, IT en R&D | 3 | 0 |
| Medische diensten | 1 | 2 |
| Sportvoeding en - drank | 2 | 0 |
| Vervoermiddelen | 2 | 0 |
| Openbaar vervoer | 2 | 0 |
| Zeepproducten | 1 | 0 |
| Land- en bosbouw | 1 | 0 |
| Reparatie van sportartikelen en - vervoermiddelen | 0 | 0 |
| Elektrotechnische apparaten en machines | 0 | 0 |
Bijna de helft uitvoer is wederuitvoer sportkleding of sportartikelen
Van de totale uitvoer van sportgoederen en -diensten is de wederuitvoer van sportkleding met 23 procent de grootste post, daarna volgt de wederuitvoer van sportartikelen (22 procent). Van de uitvoer uit binnenlandse productie zijn de sportvoeding en -drank en de vervoermiddelen het belangrijkste. Overall bestaat de totale uitvoer van de sporteconomie voor een derde (33 procent) uit uitvoer van in Nederland geproduceerde goederen. De binnenlandse productie van goederen en diensten levert normaliter per eenheid product een grotere bijdrage aan de Nederlandse economie (toegevoegde waarde) dan de wederuitvoer van goederen diensten.
| Uitvoer uit binnenlandse productie (% van totaal sportuitvoer) | Wederuitvoer goederen (% van totaal sportuitvoer) | |
|---|---|---|
| Sportkleding en ander -textiel | 1 | 23 |
| Sportartikelen | 1 | 22 |
| Sportvoeding en -drank | 16 | 1 |
| Vervoermiddelen | 7 | 8 |
| Zeepproducten | 6 | 4 |
| Media, IT en R&D | 5 | 1 |
| Openbaar vervoer | 4 | 0 |
| Elektrotechnische apparaten en machines | 1 | 2 |
| Overige goederen en diensten | 1 | 0 |
De sporteconomie per bedrijfstak
Naast het benoemen van de belangrijkste goederen en diensten binnen de sporteconomie en binnen de belangrijkste macro-economische grootheden (productie, consumptie, uitvoer e.d.) kan de sporteconomie ook gedetailleerd worden naar de verschillende bedrijfstakken die deze goederen en diensten produceren en zo bijdragen aan de toegevoegde waarde van de (sport)economie.
| 2022 (% van totaal bruto toegevoegde waarde sporteconomie) | 2019 (% van totaal bruto toegevoegde waarde sporteconomie) | |
|---|---|---|
| Onderwijs | 27 | 24 |
| Handel | 18 | 15 |
| Sport en recreatie | 13 | 15 |
| Horeca | 11 | 13 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 11 | 11 |
| Overige diensverlening | 5 | 6 |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 4 | 4 |
| Industrie, delfstoffenwinning, energie- en watervoorziening | 3 | 4 |
| Informatie en communicatie | 3 | 3 |
| Bouwnijverheid | 2 | 2 |
| Kunst, cultuur en kansspelen | 2 | 1 |
| Vervoer en opslag | 1 | 2 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 0 | 0 |
Binnen de sporteconomie is de bedrijfstak onderwijs met een aandeel van 27 procent in de totale toegevoegde waarde van de sporteconomie, het grootste (24 procent in 2019). Het aandeel van de bedrijfstak sport en recreatie bedroeg 13 procent (15 procent in 2019). Het aandeel van de bedrijfstak handel is toegenomen van 15 procent in 2019 tot 18 procent in 2022. Dit komt door de toegenomen handel in sportkleding en sportartikelen en de daaruit voortvloeiende handelsmarges. Het aandeel van de bedrijfstak horeca in de sporteconomie nam daarentegen af van 13 procent naar 11 procent.
Omgekeerd kan nagegaan worden voor welke bedrijfstakken sport een substantieel deel bijdraagt aan de toegevoegde waarde: binnen de bedrijfstak sport en recreatie komt 46 procent van de toegevoegde waarde voort uit de productie van sportgoederen en -diensten waaronder het sporten zelf (47 procent in 2019).8) Zeven procent van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak horeca kwam voort uit aan sport en sportevenementen gerelateerde omzet. Dit is een niet te verwaarlozen aandeel. Ook voor het onderwijs is de sporteconomie van meer dan marginaal belang: zes procent van de toegevoegde waarde van het onderwijs was aan sport gerelateerd. Precies een procent van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak handel kwam voort uit aan sport gerelateerde omzet. Dus, hoewel de bedrijfstak handel wel een groot aandeel heeft binnen de sporteconomie, is sport voor de bedrijfstak handel zelf niet zo belangrijk.
| 2022 (% van bruto toegevoegde waarde) | 2019 (% van bruto toegevoegde waarde) | |
|---|---|---|
| Horeca | 6,9 | 7,4 |
| Onderwijs | 6,0 | 6,0 |
| Kunst, cultuur en kansspelen | 2,7 | 0,9 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 1,7 | 1,9 |
| Handel | 1,5 | 1,3 |
| Informatie en communicatie | 0,6 | 0,7 |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 0,5 | 0,6 |
| Bouwnijverheid | 0,4 | 0,4 |
| Vervoer en opslag | 0,3 | 0,6 |
| Industrie, delfstoffenwinning, energie- en watervoorziening | 0,2 | 0,3 |
| Overige dienstverlening | 0,2 | 0,2 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 0,1 | 0,1 |
4) Als in dit rapport over groei of toename van de macro-economische grootheden wordt geschreven betreft het de nominale groei; dit in tegenstelling tot de nationale rekeningen waar groei veelal wordt uitgedrukt als volumemutatie (dus gecorrigeerd voor prijsmutaties).
5) Bron: StatLine
6) Het aandeel sportverenigingen dat personeel in loondienst heeft was in 2021 12 procent (11 procent in 2020, 13 procent in 2018; 17 procent in 2000) (Zie: StatLine).
7) De handels- en vervoersmarges komen alleen voor aan de aanbodzijde van de sporteconomie. Aan de gebruikszijde, waar het gaat over de bestedingen, zijn de handels- en vervoersmarges verwerkt in de prijzen van de geleverde goederen en diensten.
8) De andere helft betreft de (niet aan sport gerelateerde) toegevoegde waarde van bedrijven uit sbi 93.2 zoals pretparken en kermissen en de toegevoegde waarde die genereerd is met de productie van goederen en diensten die niet binnen de Vilniusdefinitie vallen. Ten behoeve van het beeld is de bedrijfstak sport en recreatie buiten figuur 2.2.6 gelaten.
3. Sporteconomie: characteristic versus connected
De nieuwe Vilnius 3.0 definitie voor afbakening van de sporteconomie maakt een onderscheid in characteristic goods en connected goods. In 2022 komt ruim een derde van de sporteconomie van goederen en diensten die niet zouden bestaan als er geen sport is, de zogenaamde characteristic goods.
Vilnius 3.0
In internationaal verband heeft de EU working group Sport and Economics in Vilnius consensus bereikt over wat in termen van goederen en diensten tot de sporteconomie wordt gerekend. Deze definitie van de sporteconomie wordt nationaal en internationaal gehanteerd als uitgangspunt voor het samenstellen van een satellietrekening sport. De hieruit voortgekomen Vilniusdefinitie van sport is in de periode 2023-2024 door de Taskforce on harmonised sport statistics in the EU vernieuwd: Vilnius 3.0.9) Er is opnieuw vastgesteld welke producten en goederen volgens de CPA classificatie behoren tot sport of daar aan gerelateerd zijn. Daarnaast vond er een wijziging plaats binnen de afbakening van de sporteconomie, om beter aan te sluiten bij andere satellietrekeningen en de internationale standaarden hiervoor, zoals beschreven in het ESA Handbook 2010.10)
De vorige versie van de Vilniusdefinitie (versie 2.0) maakte een onderscheid tussen een kerndefinitie, een smalle en een brede definitie van de sporteconomie.11) Binnen de nieuwe Vilnius 3.0 definitie wordt er in plaats daarvan een nieuw onderscheid gemaakt, namelijk een onderscheid tussen goederen en diensten die characteristic zijn en goederen en diensten die connected zijn. Characteristic goods zijn goederen en diensten die niet zouden bestaan als er geen sport was. Voorbeelden hiervan zijn activiteiten die vallen onder sportgerelateerd onderwijs of betaalde sportlessen. De overige goederen en diensten die zijn gekenmerkt in de Vilnius-definitie en niet onder characteristic vallen, zijn de connected goods. Dit zijn goederen of diensten die ook zouden bestaan zonder sport maar wel relevant zijn voor de sporteconomie. Denk bijvoorbeeld aan sportbijlagen in kranten, sportuitzendingen en horecauitgaven van sporters en bezoekers van sportevenementen. Een van de gedachten bij het maken van het onderscheid tussen characteristic en connected goederen en diensten is dat EU-landen die niet voldoende mogelijkheden hebben om een gehele satellietrekening voor sport op te stellen, wellicht wel berekeningen kunnen maken voor het characteristic deel. Hiermee zijn internationale vergelijkingen eerder mogelijk.
Ongeveer een derde van de sporteconomie characteristic
In 2022 bedroeg de totale toegevoegde waarde van de sport volgens de nieuwe Vilnius 3.0 definitie 9,9 miljard euro. Hierin vertegenwoordigen de characteristic goods, ofwel de goederen en diensten die niet zouden bestaan als er geen sport was, 3,9 miljard euro. Dat komt neer op een aandeel van 40 procent. De finale bestedingen aan sport kwamen in 2022 uit op 27,2 miljard euro. Het characteristic deel hierin is geraamd op 6,9 miljard euro, ofwel 25 procent. In de binnenlandse productie vertegenwoordigen de characteristic goods 34 procent. Dat het aandeel binnen de finale bestedingen lager ligt, komt doordat bijvoorbeeld sportkleding en sportartikelen (connected goods) een groter aandeel in de bestedingen hebben dan in de binnenlandse productie.
Het vorige hoofdstuk liet al zien dat de toegevoegde waarde van de gehele sporteconomie 1,1 procent bedroeg van de toegevoegde waarde van de gehele Nederlandse economie. Het aandeel van alleen het characteristic deel van de sporteconomie komt uit op 0,4 procent van de toegevoegde waarde.
| Characteristic goods (mln euro) | Connected goods (mln euro) | |
|---|---|---|
| Toegevoegde waarde | 3910 | 5980 |
| Binnenlandse productie | 6890 | 13650 |
| Finale bestedingen | 6890 | 20340 |
De sportgerelateerde werkgelegenheid lag in 2022 op 170 duizend werkzame personen en 130 duizend arbeidsjaren. Het characteristic deel vertegenwoordigde hierin bijna 40 procent. De hele sporteconomie zorgde voor 1,6 procent van de werkgelegenheid in Nederland in 2022 (zie hoofdstuk 2). De characteristic goods zorgden voor 0,6 procent.
| Characteristic goods (x 1 000) | Connected goods (x 1 000) | |
|---|---|---|
| Werkzame personen | 60 | 110 |
| Arbeidsvolume (in arbeidsjaren) | 50 | 80 |
9) De werkzaamheden van deze TaskForce eindigden in december 2024. Op moment van uitkomen van deze publicatie over de Nederlandse sporteconomie in 2022 is de nieuwe Vilnius 3.0 definitie nog niet gepubliceerd. Wel is de Vilnius 3.0 definitie opgenomen in de Tabellenbijlage van deze publicatie.
10) Zie hoofdstuk 22 van European system of accounts. ESA 2010
4. Sport- en fitnessdiensten
In 2022 gaven Nederlandse huishoudens 4,2 miljard euro uit aan sport- en fitnessdiensten. Dit is 12 procent meer dan in 2019. De investeringen in sportaccommodaties door de overheid en de sportsector namen met 18 procent toe. De bouwnijverheid had in 2022 een aandeel van 2 procent in de toegevoegde waarde van de sporteconomie.
4.1 Bestedingen aan sport- en fitnessdiensten
De diensten geleverd door de sportverenigingen voor binnen- en buitensport, sportaccommodaties, fitnesscentra en overkoepelende sportorganen vormen een belangrijk deel van de sporteconomie. Deze diensten worden praktisch volledig geconsumeerd door huishoudens (94 procent in 2022). De uitgaven van huishoudens aan deze sport- en fitnessdiensten zijn gestegen van 3,8 miljard euro in 2019 naar 4,2 miljard euro in 2022. Dit is een toename van 12 procent. In 2022 komt dit gemiddeld neer op 520 euro per huishouden (480 euro in 2019). De diensten bestaan uit trainingen, het faciliteren van toegang tot sportfaciliteiten, maar ook uit het bieden van startplaatsen tijdens een wedstrijd of toeschouwers de toegang geven tot het bijwonen van een wedstrijd. Deze diensten worden voor het grootste deel bekostigd via contributies, les- en entreegelden. Ook het gokken op (uitslagen van) sportwedstrijden wordt tot deze goederengroep gerekend. 12)
De toename van de uitgaven aan sport- en fitnessdiensten bleef overigens iets achter bij de toename van de totale consumptie van huishoudens aan sportgoederen en -diensten (+ 17 procent).
| Huishoudens (incl. izw's) (mln euro) | Overheid (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2019 | 3770 | 140 |
| 2022 | 4210 | 260 |
Lichte toename actieve sportparticipatie; passieve sportparticipatie stabiel
In 2022 deed 52,7 procent van de bevolking van 4 jaar en ouder wekelijks aan sport. Dit is een lichte afname ten opzichte van 2019 (53,8 procent). Van de personen van zes jaar en ouder was in 2022 29 procent lid van een sportvereniging (29 procent in 2018).13) Van de sporters van 6 jaar of ouder die minimaal een keer per jaar sporten gaf 38 procent aan lid te zijn van een sportvereniging en 26 procent abonnee of lid te zijn van een commerciële sportaanbieder. Actief sporten in verenigingsverband en via commerciële sportaanbieders komt tot uiting in de uitgaven aan sport- en fitnessdiensten. Het zelf en/of in informeel verband sporten, komt hierin minder tot uiting; immers de sporter betaalt geen lidmaatschaps- of abonnementsgeld. Het zelf en/of in informeel verband sporten komt wel weer tot uiting in de uitgaven aan bijvoorbeeld sportkleding.
Ook de passieve sportparticipatie – het bezoeken van sportwedstrijden en -evenementen – behoort tot deze goederengroep. In 2022 bezocht 16 procent van de mensen van 12 jaar en ouder minstens eenmaal per maand een sportwedstrijd of -evenement. In 2020 – het eerste coronajaar – was dit teruggelopen tot 11 procent. In 2022 ligt dit aandeel wel weer hoger, maar nog niet op het niveau van voor corona (21 procent in 2018). Achter dit totaalbeeld kunnen overigens nog wel allerlei verschuivingen hebben plaatsgevonden zoals mensen die een dure sport inruilen voor een goedkopere, een tweede sport laten vallen of mensen die in plaats van eenmaal per week tweemaal per week gaan sporten. Dit wordt echter niet allemaal zichtbaar in de hier gehanteerde kernindicatoren. Ten slotte, omdat het hier vaak gaat over het percentage personen dat sport of sportevenementen bezoekt, is het goed op te merken dat de Nederlandse bevolking tussen 2019 en 2012 toenam van 17,3 naar 17,6 miljoen personen. Met andere woorden: ook bij een gelijkblijvend percentage gaat het om meer personen.
Alle bestedingen aan het sporten in georganiseerd verband bij sportverenigingen, sport- en fitnessclubs in de vorm van contributies, les- en cursusgelden of abonnementen, dragen bij aan de uiteindelijke omvang van de sporteconomie. Hetzelfde geldt voor de entreegelden die mensen betalen voor het bijwonen van een sportevenement. Verder tellen bijdragen van de (lokale) overheid mee aan sport- en fitnessdiensten, bijvoorbeeld via de bekostiging van combinatiefunctionarissen14)en buurtsportcoaches. Dit wordt gezien als uit collectieve middelen geproduceerde sportdiensten die de overheid namens de huishoudens consumeert (zie ook hoofdstuk 8).
4.2 Toegevoegde waarde sport en recreatie
Het overgrote deel van de sport- en fitnessdiensten wordt geproduceerd binnen de bedrijfstak sport en recreatie (76 procent). De aan sport gerelateerde toegevoegde waarde in deze bedrijfstak bedroeg 1,3 miljard euro in 2022. Dit is nagenoeg evenveel als in 2019. De totale toegevoegde waarde van de sporteconomie nam daarentegen wel toe (+ 11 procent). Het aandeel dat de bedrijfstak sport en recreatie hiermee inneemt binnen de totale sporteconomie nam dan ook af van 15 procent in 2019 tot 13 procent in 2022 (zie ook hoofdstuk 2). De bedrijfstak onderwijs (met een aandeel van 27 procent) en de bedrijfstak handel (met een aandeel van 18 procent) dragen meer bij aan de totale sporteconomie (zie o.a. ook hoofdstuk 10).
| toegevoegde waarde (mln euro) | |
|---|---|
| 2019 | 1300 |
| 2022 | 1300 |
4.3 Investeringen in sportaccommodaties
Zowel de overheid als bedrijven (bijvoorbeeld fitnesscentra) investeren in sportaccommodaties binnen de bedrijfstak sport. De investeringen die in deze cijfers zijn meegenomen worden met name gedaan door gemeenten, maar kunnen ook direct door sportverenigingen of door commerciële bedrijven zoals fitnesscentra, gedaan worden.15)
Om de investeringen in sportaccommodaties in kaart te brengen, is informatie gebruikt over de investeringen binnen de bedrijfstak sport en recreatie door overheid en bedrijven. De beschikbare overheidsdata beschrijven het totaal aan investeringen (dus zowel in gebouwen als in andere investeringsgoederen) in zowel sport als recreatie. Op basis van meer gedetailleerde gegevens uit de bedrijvendata is een schatting gemaakt voor de investeringen specifiek in sportaccommodaties door de overheid.
Toename investeringen in sportaccommodaties
De geschatte gezamenlijke investeringen in sportaccommodaties vanuit gemeenten, sportverenigingen en commerciële sportaanbieders bedroegen in 2022 673 miljoen euro. Dit is 18 procent meer dan in 2019 (572 miljoen euro). In het algemeen geldt wel dat investeringen jaarlijks sterk kunnen fluctueren omdat een investeringsgoed (bijvoorbeeld een gebouw) wordt aangeschaft voor een langere periode.
| Investeringen sportaccomodaties (mln euro) | Toegevoegde waarde bedrijfstak bouwnijverheid (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2019 | 570 | 160 |
| 2022 | 670 | 180 |
Het bouwen van sportaccommodaties of het levensduur verlengende groot onderhoud, wordt in de regel uitgevoerd door bedrijven uit de bouwnijverheid. De toegevoegde waarde die dat oplevert is onderdeel van de sporteconomie. De omvang van de aan sport gerelateerde toegevoegde waarde van de bouwnijverheid is dus sterk afhankelijk van de omvang van deze investeringen. Net als de investeringen in sportaccommodaties nam deze toegevoegde waarde dan ook toe met 15 procent en kwam in 2022 uit op 180 miljoen euro. Afgerond bedroeg in 2022 de bijdrage van de bouwnijverheid aan de toegevoegde waarde van de sporteconomie 2 procent, net als in 2019.
12) Deze groep bevat sportgerelateerde goederen en diensten uit recreatie en het gokwezen, waaronder bijvoorbeeld de sportweddenschappen. Het deel dat van recreatie en gokwezen komt bedraagt ongeveer 10 procent.
13) Zie: https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren
14) Een combinatiefunctionaris is een persoon die een combinatiefunctie vervult waarbij de combinatie van verschillende sectoren een hoofdrol speelt. In de praktijk zijn combinatiefunctionarissen veelal in dienst bij een gemeente en vormen ze de verbinding tussen onderwijs en sport of onderwijs en cultuur.
15)Het gaat hier vooral om investeringen in sportaccommodaties. Alleen investeringen van de bedrijfstak sport en recreatie worden meegeteld. Als een hotel bijvoorbeeld investeert in de aanleg van een tennisbaan of zwembad, dan is dat wegens gebrek aan gegevens niet opgenomen in de satellietrekening sport.
5. Sportbenodigdheden
Sportbenodigdheden vormen een belangrijk onderdeel van de sporteconomie. De sportbenodigdheden worden gevormd door een breed scala van voornamelijk goederen die onmisbaar zijn voor de beoefening van sport: van voetballen tot sportkleding en van racefietsen tot sportvoeding. De consumentenbestedingen aan sportbenodigdheden bedroegen 3,4 miljard euro in 2022. Sportbenodigdheden worden slechts in beperkte mate in Nederland geproduceerd, maar worden overwegend ingevoerd. De Nederlandse industrie profiteert dan ook maar zeer ten dele van een eventuele toename van de vraag naar sportbenodigdheden. Met de handel in sportbenodigdheden wordt meer verdiend.
5.1 Bestedingen aan sportbenodigdheden
Onder de brede noemer van sportbenodigdheden zijn grofweg alle goederen samengebracht die worden gekocht om mee óf in te sporten. In dit onderzoek gaat het om de goederengroepen: sportartikelen, vervoermiddelen, reparatie van sportartikelen en -vervoermiddelen, sportkleding en ander -textiel, sportvoeding en -drank én zeepproducten.16) Voorbeelden van dit soort goederen zijn tennisrackets, voetballen en snowboards, sport-(zonne)brillen, racefietsen en zeilboten, maar ook sportvoeding, speciale voedingssupplementen, douchegel, shampoo en deodorant.
De Nederlandse consument gaf in 2022 3,4 miljard euro uit aan sportbenodigdheden. Dat is 20 procent meer dan in 2019 toen deze consumptieve uitgaven 2,8 miljard euro bedroegen. Omgerekend per huishouden betekent dit dat een huishouden in 2022 gemiddeld 410 euro per jaar uitgaf aan sportbenodigdheden (350 euro in 2019). Dit is overigens beduidend minder dan de 520 euro per jaar die uitgegeven wordt aan de sport- en fitnessdiensten zelf (zie hoofdstuk 4).
Sportartikelen (mln euro) Sportkleding (mln euro) Sportvoeding en -drank (mln euro) Vervoermiddelen (mln euro) Zeepproducten (mln euro) Reparatie van sportartikelen en -vervoermiddelen (mln euro) 2019 930 1010 200 370 240 50 2022 1310 990 390 340 260 70
Consumptie sportartikelen grootste post
In 2022 werd er in Nederland het meest uitgegeven aan sportartikelen (1,3 miljard euro), gevolgd door uitgaven aan sportkleding (bijna 1,0 miljard euro). In 2019 was het beeld omgedraaid en lagen de uitgaven aan sportkleding (1,0 miljard euro) hoger dan aan sportartikelen (0,9 miljard euro). Consumenten gaven in 2022 minder uit aan sportkleding (-2 procent), maar juist meer aan sportartikelen (+40 procent) dan in 2019. Sportvoeding en -sportdrank vormden in 2022 de derde grootste uitgavencategorie binnen de sportbenodigdheden. Consumenten gaven daar 390 miljoen euro aan uit, 92 procent meer dan in 2019. Vooral de uitgaven aan sportsupplementen zijn toegenomen.
Aan vervoermiddelen werd door Nederlandse (recreatieve) sporters 340 miljoen euro uitgegeven in 2022. Dit is 7 procent minder dan in 2019. Ruim meer dan de helft van deze goederengroep bestaat uit uitgaven aan sportfietsen (racefietsen, mountainbikes en allterrainbikes). Andere vervoermiddelen die relevant zijn voor de sporteconomie zijn boten, sportauto’s en sportmotoren. De boten (kano’s, kajaks, zeilboten e.d.) vormen hiervan veruit de grootste groep.
5.2 In- en uitvoer van sportbenodigdheden
Slechts een beperkt deel van deze bestedingen aan sportbenodigdheden heeft betrekking op producten die in Nederland gemaakt zijn. In 2022 werd 18 procent van het totale aanbod aan sportbenodigdheden geproduceerd in Nederland. Dit komt overeen met een productiewaarde van 1,6 miljard euro. De invoerwaarde was veel groter: 4,6 miljard euro in 2022.17) Dit is daarmee ook gelijk goed voor 89 procent van de totale invoer binnen de sporteconomie.
Uitvoer sportkleding en -artikelen vooral wederuitvoer
De rol van de internationale handel in de sporteconomie is vele malen kleiner dan in de gehele economie. Voor de sporteconomie als geheel ligt de waarde van de invoer in dezelfde orde van grootte als de waarde van de aan sport gerelateerde uitvoer. Per categorie zijn er echter wel verschillen in het handelssaldo zichtbaar.
De invoerwaarde van de sportkleding en ander -textiel én sportartikelen was groter dan de uitvoerwaarde. Voor de vervoermiddelen, sportvoeding en -drank en de zeepproducten geldt daarentegen dat de uitvoerwaarde groter is dan de invoerwaarde. De totale uitvoerwaarde van de sportbenodigdheden is 5,3 miljard euro. Dat is 87 procent van de totale uitvoerwaarde van de sporteconomie.
Voor sportkleding en -artikelen geldt dat Nederland vooral een doorvoerland is. De invoerwaarde van deze goederen is hoog, veel hoger dan voor het binnenlands gebruik nodig is. Het grootste deel van deze goederen wordt dan ook weer uitgevoerd (wederuitvoer). Slechts een heel klein deel van de uitvoer is afkomstig uit binnenlandse productie; 5 procent van de uitgevoerde sportkleding en 2 procent van de uitgevoerde sportartikelen. In 2022 werd 65 procent van de totale handels- en vervoersmarges binnen de sporteconomie, behaald via de handel in sportkleding en ander -textiel én sportartikelen.
Voor de andere drie goederengroepen geldt het omgekeerde. Hier is de uitvoerwaarde groter dan de invoer en is het aandeel in de uitvoer van de goederen die in Nederland zijn geproduceerd, aanzienlijk. Bijvoorbeeld de uitvoer van sportvoeding en -drank is voor 96 procent afkomstig van de binnenlandse productie. Ook voor zeepproducten en vervoermiddelen is dit aandeel hoog. Voor deze goederengroepen wordt dus in belangrijke mate toegevoegde waarde gecreëerd in binnenlandse bedrijfstakken zoals de industrie en de landbouw. Bij wederuitvoer is het met name de handels- en vervoerssector die hier geld (toegevoegde waarde) aan verdient.
| Invoer (mln euro) | Uitvoer uit binnenlandse productie (mln euro) | Wederuitvoer goederen (mln euro) | |
|---|---|---|---|
| Sportartikelen | -1790 | 30 | 1340 |
| Sportkleding en ander -textiel | -1540 | 60 | 1370 |
| Vervoermiddelen | -790 | 420 | 500 |
| Sportvoeding en -drank | -110 | 950 | 40 |
| Zeepproducten | -340 | 330 | 230 |
5.3 Toegevoegde waarde vooral bij handel
Slechts een beperkt deel van de sportbenodigdheden die worden geconsumeerd of uitgevoerd, wordt geproduceerd op Nederlandse bodem. De toegevoegde waarde die de productie van sportbenodigdheden oplevert voor de industrie is dan ook relatief klein. De toegevoegde waarde van de handel is vele malen groter. Het overgrote deel van de handels- en vervoersmarges in de sporteconomie wordt ook behaald met de handel in en het vervoer van sportbenodigdheden (94 procent). De handel verdient aan zowel de binnenlandse handel als de grensoverschrijdende handel (in- en uitvoer) in sportbenodigdheden. De toegevoegde waarde van de industrie in 2022 was 295 miljoen euro en die van de handel 1,8 miljard euro. De toegevoegde waarde van de handel is hiermee goed voor 18 procent van de totale toegevoegde waarde van de sporteconomie (15 procent in 2019)
2019 (mln euro) 2022 (mln euro) Industrie 370 300 Handel 1360 1790
16) Zie de aanbod- en gebruiktabel (tabel 3) van de sporteconomie in de tabellenset. In de nieuwe Vilnius 3.0 definitie vallen levende diersoorten (paarden) buiten de sporteconomie, maar tellen zeepproducten nu wel mee in de sporteconomie, zie ook Technische Toelichting voor meer informatie over de vernieuwingen. De bestedingen aan smartwatches zijn geteld in de productgroep Elektrotechnische apparaten.
17) Merk op dat voordat de consument deze producten in handen krijgt hier nog de marges voor vervoerders, groot- en detailhandelaars bovenop komen.
6. Horeca, vervoer en sporttoerisme
Dat de economische activiteit rondom sport- en fitnessdiensten bij sportclubs, fitnesscentra en overige sportorganisaties tot de sporteconomie gerekend worden is evident. Ook in het geval van bestedingen aan sportbenodigdheden, zoals sportartikelen en sportkleding, is er sprake van een direct en duidelijk verband met sport. Bij zaken als accommodatie, vervoer, verzekering en horecagebruik van sporters en toeschouwers is de relatie met sport minder duidelijk, maar zeker niet minder relevant. Zo staan de horecadiensten qua economische omvang, na sport- en fitnessdiensten, op de tweede plaats binnen de sporteconomie.
6.1 Bestedingen aan horeca, vervoer en sporttoerisme
In 2022 werd in Nederland 4,9 miljard euro uitgegeven aan logies en accommodaties, vervoer, reisbemiddeling en -verzekering en horecagebruik van sporters, toeschouwers en sporttoeristen. Dit is gemiddeld 600 euro per huishouden. Dit is een grote toename ten opzichte van 2019 toen de uitgaven aan deze goederengroepen 4,1 miljard euro bedroegen (+ 20 procent). Het gros van deze uitgaven betreft horecadiensten. Het gaat dan vooral om eten en drinken, maar bijvoorbeeld ook om uitgaven aan logiesaccommodaties voor overnachtingen van sporters, toeschouwers en als onderdeel van sportieve vakanties. Daarnaast speelt vervoer een belangrijke rol. Voor zover er kosten worden gemaakt om sporters en toeschouwers te vervoeren naar een sportactiviteit of sportevenement, worden uitgaven aan brandstof voor eigen vervoer, reizen per taxi en openbaar vervoer gerekend tot de sporteconomie. Ten slotte worden er ook uitgaven gedaan aan reisbemiddeling en -verzekering door mensen die actieve/sportieve reizen ondernemen met name in het buitenland (sporttoerisme).
Horeca grootste uitgavenpost
In 2022 werd door sporters en toeschouwers van sportwedstrijden en -evenementen in totaal 3 miljard euro besteed aan eten, drinken en accommodaties tijdens een sportactiviteit of bezoek aan een sportevenement (2,6 miljard euro in 2019). Dit soort consumptieve uitgaven in de horeca vindt op allerlei manieren en bij tal van gelegenheden plaats, variërend van een ‘derde helft’ na het wekelijkse avondje zaalvoetbal tot een overnachting in een hotel bij bezoek aan een groot sportevenement. Het is bekend dat speciale, grote evenementen een relatief grote impact kunnen hebben op de (lokale) economie. De (lokale) horeca profiteert sterk van dit soort grote evenementen. Binnen deze groep uitgaven die aangeduid zou kunnen worden als uitgaven voortvloeiend dan wel samenhangend met het bestaan van sport in een samenleving, zijn de horeca-uitgaven verreweg het grootste. Horecadiensten worden overigens overwegend, maar niet uitsluitend verleend door de bedrijfstak horeca. Een deel van de horecadiensten wordt geleverd door de bedrijfstak sport en recreatie zelf (60 miljoen euro). Dit is de omzet van de kantine dan wel de bij de sportaccommodatie behorende (commerciële) horeca-uitbater. Daarnaast worden er ook overnachtingen aangeboden via verhuur van particuliere woningen (denk hierbij aan Airbnb; 400 miljoen euro). Deze overnachtingen vallen onder de bedrijfstak overige dienstverlening.
Negen procent van de totale uitgaven van huishoudens aan horecadiensten was in 2022 gerelateerd aan sport. Deze uitgaven bestonden voor ongeveer de helft uit eten en drinken en voor de andere helft uit logies en accommodaties. De resultaten over aan sport gerelateerde horeca-uitgaven zijn onder andere afgeleid uit informatie over bestedingen tijdens aan sport gerelateerde dagrecreatie en meerdaagse vakanties, uit het Nederlands Vrijetijdsonderzoek (NVTO) en het CBS Vakantieonderzoek (CVO).18)
| Horecadiensten (mln euro) | Reisbemiddeling en -verzekeringen (mln euro) | Motorbrandstoffen (mln euro) | Openbaar vervoer (mln euro) | |
|---|---|---|---|---|
| 2019 | 2570 | 710 | 510 | 290 |
| 2022 | 3000 | 860 | 730 | 300 |
Vervoer en sporttoerisme
Met uitzondering van thuis sporten of sport volgen op televisie of radio, is er met sport vrijwel altijd vervoer gemoeid. Dit varieert van het fietsen of brommen van en naar het sportveld tot een treinreis naar een groot sportevenement. In termen van economische bijdrage zijn niet alle vervoersbewegingen relevant. Zo leidt een fietsrit naar het voetbalveld bijvoorbeeld niet direct tot extra bestedingen. Wel is dat het geval bij een auto-, of brommerrit naar een sportactiviteit. Daarvoor moet de brandstoftank immers worden bijgevuld. Ook in het geval van een taxi- of treinrit naar een sportevenement, is sprake van uitgaven die direct gekoppeld kunnen worden aan het evenement.
Voor de satellietrekening sport is een schatting gemaakt van de brandstofuitgaven voor eigen vervoer, de uitgaven aan taxivervoer en de uitgaven aan openbaar vervoer die nodig zijn om bij een sportactiviteit te geraken en weer thuis te komen. Deze schatting omvat ook reizen met het vliegtuig.19) Op basis van het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN), het NVTO en het CVO, is voor verschillende typen vervoer, een schatting gemaakt van het aantal afgelegde kilometers met sport als motief. Deze resultaten zijn gecombineerd met het gemiddelde brandstofverbruik. Uit deze berekening blijkt dat er in 2022 730 miljoen euro werd afgerekend aan de pomp om te gaan sporten of sport te bekijken. Hiermee was in 2022 zeven procent van alle uitgaven van huishoudens aan motorbrandstoffen sport-gerelateerd.
Ook voor het openbaar vervoer is een berekening gemaakt van het aantal verplaatste kilometers met sport als motief. Zo berekend werd er in 2022 300 miljoen euro uitgegeven aan openbaar vervoer dat gerelateerd was aan sport(evenementen). Dit is drie procent van de totale uitgaven van huishoudens aan het openbaar vervoer.
Bij grote meerdaagse sportevenementen en sportvakanties (sporttoerisme) wordt, naast de sportactiviteit zelf, vaak ook geld uitgegeven aan accommodatie, reisbemiddeling en reisverzekering. Denk bijvoorbeeld aan de Nijmeegse Vierdaagse. Dit grote, meerdaagse evenement trekt jaarlijks honderdduizenden toeristen uit binnen- en buitenland. Een deel van de bezoekers overnacht in de regio van Nijmegen. Dit creëert toegevoegde waarde voor de lokale economie. Een andere belangrijke vorm van Nederlands sporttoerisme is wintersport. Jaarlijks reizen zo’n 1,5 miljoen Nederlanders af naar een wintersportgebied voor een korte of lange skivakantie. Veel van deze toeristen boeken een arrangement bij een Nederlandse reisbemiddelaar en sluiten een bijbehorende reisverzekering af.20)
Om een waarde toe te kennen aan de bestedingen aan reisbemiddeling en reisverzekering die te maken hebben met sportieve en actieve vakanties, is op basis van Continu Vakantie Onderzoek berekend welk deel van de vakanties van de inwoners van Nederland een sportief of actief motief had. Vervolgens is dit gerelateerd aan de totale bestedingen in Nederland aan reisbemiddeling en –verzekering.21) Uiteindelijk resulteert dit in 860 miljoen euro aan uitgaven voor reisbemiddeling- en verzekering in 2022. Dit is 21 procent meer dan in 2019. Van de totale uitgaven van huishoudens aan reisbemiddeling en -verzekering in 2022 was twee procent gerelateerd aan sport.
6.2 Toegevoegde waarde horeca, overige dienstverlening en vervoer en opslag
Tegenover de sport-gerelateerde bestedingen van huishoudens aan horeca, vervoer en reisbemiddeling en -verzekering staat de productie en toegevoegde waarde van de bedrijven die deze diensten aanbieden. Het gaat hier in het bijzonder om de bedrijfstakken horeca, vervoer en opslag en overige dienstverlening waar de reisbemiddeling en -verzekering en de verhuur van particuliere woningen in zitten.22) De toegevoegde waarde van de horeca binnen de sporteconomie is van 2022 op 2019 met 4 procent afgenomen. De bijdrage van de horeca aan de sporteconomie nam dan ook af van 13 procent in 2019 tot 11 procent in 2022. Het belang van sport voor de bedrijfstak horeca bleef tussen 2019 en 2022 gelijk en bedroeg zeven procent. Dit is na de bedrijfstak sport en recreatie zelf, het grootste aandeel (zie ook hoofdstuk 2). De toegevoegde waarde van de bedrijfstakken overige dienstverlening en vervoer en opslag zijn vele malen kleiner. Ook het belang van de sport-gerelateerde goederen en diensten is voor deze bedrijfstakken zelf niet zo groot.
| 2019 (mln euro) | 2022 (mln euro) | |
|---|---|---|
| Horeca | 1150 | 1110 |
| Overige dienstverlening | 540 | 530 |
| Vervoer en opslag | 200 | 140 |
18) Bron: Inzichten uit het Nederlandse Vrijetijdsonderzoek - NBTC en Continu Vakantie Onderzoek (CVO), vanaf 2017 | CBS
19) In de nieuwe Vilniusdefinitie zijn vervoerskosten voor een sportactiviteit uitgebreid met reiskosten gerelateerd aan vervoer door de lucht. Zie Technische Toelichting voor verdere informatie over de veranderingen.
20) Horeca-uitgaven van Nederlandse toeristen tijdens sportvakanties of sportevenementen in het buitenland zijn niet meegeteld.
21) Binnen de categorie verzekeringen is hier ook een bedrag opgenomen voor de bestedingen aan verzekering van sportfietsen, - auto’s en paarden. Tezamen hebben deze uitgaven een omvang van enkele tientallen miljoen euro.
22) De bestedingen aan brandstof voor vervoer van en naar sportactiviteiten vallen binnen de bedrijfstak industrie. Omdat de industrie binnen de sporteconomie voornamelijk sportbenodigdheden produceert, is deze bedrijfstak in hoofdstuk 5 besproken.
7. Media en IT
Sport is al lang niet meer weg te denken uit dagbladen, tijdschriften, televisie, radio en internet. Veel dagbladen hebben een eigen sportkatern en op televisie zijn er specifieke sportkanalen. Steeds meer mensen gebruiken een smartwatch om hun sportactiviteiten te volgen. De totale bestedingen aan sport-gerelateerde media- en IT-producten zijn in de periode 2019-2022 met 25 procent toegenomen tot 960 miljoen euro.
7.1 Bestedingen aan sport in de media en IT nemen toe
Veel mensen volgen graag sport en dan met name topsport. De vraag van de Nederlandse consument naar informatie over sport is dan ook groot. In 2022 volgde 58 procent van de Nederlanders van 6 jaar en ouder minimaal wekelijks sport via media zoals (online) kranten of tijdschriften, (online) radio of podcasts, sociale media, (online) televisie, en via (sport)websites en/of apps (dit was 55 procent in 2020 en 57 procent in 2018). In 2022 was (online) televisie het meest gebruikte medium om te sport te volgen (44 procent). Onder de Nederlanders die aangeven wekelijks sport te volgen via de media doet 35 procent dit via (online) kranten of tijdschriften, 31 procent via sociale media, 23 procent via (sport)websites en/of -apps en 17 procent via (online) radio of podcasts.23)
De bestedingen aan sport gerelateerde media en IT bedroegen in 2022 960 miljoen euro (770 miljoen euro in 2019).24) Dit is een toename van 25 procent ten opzichte van 2019. Van de totale bestedingen aan sport-gerelateerd media- en IT-gebruik in 2022 werd 522 miljoen euro geconsumeerd door de huishoudens. Omgerekend per huishouden is dit een bedrag van 64 euro per jaar (55 euro in 2019).
Binnen de sport-gerelateerde bestedingen aan media & IT gaat het om bestedingen aan audiovisuele media (film, radio, tv, video, streamingdiensten e.d.) , (online) geschreven media (boeken, kranten, tijdschriften e.d.) en computerspellen. Maar ook IT-goederen en -diensten, zoals speciaal ontwikkelde software en onderhoud van web portals voor sportapps tellen mee. De bestedingen aan sport gerelateerd mediagebruik namen toe in de periode 2019-2022. De bestedingen aan sport gerelateerde IT-goederen en diensten bleven volgens de eerste schattingen ongeveer gelijk.25)
Televisie- en radiozenders besteden naast professionele sport ook aandacht aan regionale amateursport. Maar de professionele sport en grote sportevenementen trekken landelijk verreweg de meeste aandacht. In de top 100 van best bekeken tv-programma’s in 2022 staan 61 sportprogramma’s die 263 miljoen van de 407 miljoen kijkers trokken. Dus meer dan de helft van de top 100 van best bekeken tv-programma’s is sport en die hadden een ‘marktaandeel’ van iets meer dan de helft (65 procent) van de kijkers van deze top-100.
Het best bekeken programma van 2022 was de kwartfinale van het WK-voetbal Nederland tegen Argentinië met bijna 8,9 miljoen kijkers. Daarnaast vonden in 2022 de Olympische winterspelen in Peking plaats en werden de schaatswedstrijden goed bekeken.
Van de top-100 van meest bekeken televisie-uitzendingen in 2019 was bijna de helft een sportprogramma. In absolute zin keken een 129 miljoen mensen naar deze tv-uitzendingen. Dit was dus beduidend minder dan in 2022. Het aandeel sportprogramma’s in het totaal aantal radio- en tv-programma’s en het absolute aantal kijkers is dan ook nogal gevoelig voor het al dan niet voorkomen van grote sportevenementen in een bepaald jaar zoals een WK-voetbal of een Olympische Spelen.
De economische bijdrage van sport via radio en televisie wordt berekend op basis van jaarlijkse kijk- en luistercijfers van Stichting Kijkonderzoek en onderzoeksbureau Intomart GFK. In combinatie met cijfers van publieke omroepen over de verdeling van gelden tussen radio en televisie is een sportaandeel in geld berekend. De berekening van het economische belang van sport binnen de commerciële radio en tv is, net als bij de publieke media, mede gebaseerd op kijk- en luistercijfers. Deze gegevens zijn gecombineerd met cijfers over de uitgaven aan televisieabonnementen om de monetaire bijdrage van sport uit te kunnen drukken.
7.2 Toegevoegde waarde informatie en communicatie
Het grootste deel van de economische activiteit met betrekking tot de producten media en IT vindt plaats in de bedrijfstak informatie en communicatie, met onder meer de grote mediabedrijven en uitgeverijen. Evenals de toename van de bestedingen aan sportmedia is de toegevoegde waarde die dit oplevert voor de bedrijfstak informatie en communicatie in de periode 2019-2022 toegenomen van 227 naar 288 miljoen euro of wel met 27 procent. De bijdrage van de bedrijfstak informatie en communicatie aan de sporteconomie is hiermee 3 procent.
(mln euro) 2019 230 2022 290
23) Zie https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren
24) In de tabellenset in de Tabellenbijlage staat deze groep goederen en diensten weergegeven als ‘Media, IT en R&D’. Het R&D-deel hierin is echter minimaal (minder dan 1 procent) en wordt niet apart beschreven in dit hoofdstuk.
25) De IT-goederen en -diensten tellen voor het eerst mee in de sporteconomie met de introductie van de nieuwe Vilnius 3.0-definitie voor sport. De eerste schattingen gemaakt voor 2022 en 2019 hebben een grote marge van onzekerheid. Zie ook Technische Toelichting.
8. Overheidsdiensten
De overheid is een belangrijke pijler van de sporteconomie vanuit haar rol sportbeoefening te faciliteren en te stimuleren. Tussen 2019 en 2022 zijn de aan sport gerelateerde overheidsbestedingen iets toegenomen. De bijdrage van de overheid aan de sporteconomie in 2022 kwam hiermee uit op 11 procent.
8.1 Overheidsdiensten binnen de sporteconomie
Binnen de sporteconomie bestaan de overheidsdiensten uit alle taken van het openbaar bestuur om sport te faciliteren. De belangrijkste en meest concrete hiervan zijn de exploitatie van gemeentelijke zwembaden en sporthallen, het onderhouden van sportaccommodaties, het uitvoeren van sportstimuleringsprojecten, het mede-organiseren van topsportevenementen en het leveren van politie-inzet bij sportwedstrijden. De bijdragen van de overheid aan de sporteconomie worden voornamelijk op gemeenteniveau geleverd. Tussen 2019 en 2022 namen de uitgaven van de overheid aan diensten ten behoeve van sport toe van 1,6 miljard euro naar 1,7 miljard euro.
Overheidsgoederen en -diensten (mln euro) 2019 1600 2022 1700
Deze gegevens over de overheidsuitgaven aan sport zijn grotendeels afkomstig uit de administratie van onder andere de gemeenten.26) Om het beeld compleet te maken zijn deze gegevens aangevuld met informatie uit de Ketenvoorziening Voetbal (KVV) over de politie-inzet tijdens voetbalwedstrijden.27) Deze politie-inzet lag in 2022 lager dan in 2019. Door de coronamaatregelen zijn in seizoen 2021/2022 nog niet alle wedstrijden met publiek gespeeld. Daarnaast is ook gekeken naar de uitgaven van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan sport en bewegen.28) Al met al was 2 procent van de overheidsuitgaven in 2022 gerelateerd aan sport.
8.2 Toegevoegde waarde openbaar bestuur en overheidsdiensten
In 2022 zorgde de overheid voor een aan sport gerelateerde toegevoegde waarde van 1,1 miljard euro.29) Dat is 6 procent meer dan in 2019 (1,0 miljard euro). De toegevoegde waarde van de totale sporteconomie nam in de periode 2019-2022 met 11 procent toe. De bijdrage van de overheid aan de totale toegevoegde waarde van de sporteconomie lag in beide jaren op 11 procent.
| (mln euro) | |
|---|---|
| 2019 | 1010 |
| 2022 | 1080 |
26) Bron: Mulier Instituut
27) Bron: Factsheet voetbal & veiligheid seizoen 2022/2023 | Publicatie | Openbaar Ministerie
28)Bron: Jaarverslag en Slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2022
29) Onder overheid verstaan we in dit hoofdstuk de bedrijfstak openbaar bestuur en overheidsdiensten (dus geen zorg en onderwijs).
9. Medische diensten
Sport en bewegen hebben doorgaans een positief effect op de volksgezondheid. Maar sporten brengt ook risico’s met zich mee, bijvoorbeeld de kans op sportblessures. Het klinkt dan ook enigszins vreemd om te zeggen dat sportblessures bijdragen aan de sporteconomie. Immers, wanneer iemand als gevolg van sport (tijdelijk) arbeidsongeschikt raakt, heeft dat ook nadelige gevolgen voor de productiviteit. Dit productieverlies wordt niet meegenomen in de berekening van de sporteconomie.30) Wat wel wordt meegenomen is de economische waarde van het extra zorggebruik in verband met sport.31)
9.1 Sportgerelateerde kosten in de zorg
In 2022 rapporteerde 10,8 procent van de wekelijkse sporters van 4 jaar en ouder een sportblessure opgelopen te hebben in de afgelopen drie maanden (11,7 procent in 2019).32) In 2022 raakten naar schatting 3,9 miljoen sporters in Nederland geblesseerd tijdens het uitoefenen van hun sport. Gezamenlijk liepen zij rond de 5,1 miljoen blessures op, wat overeenkomt met 2,4 blessures per duizend uur sport. Ruim de helft van de blessures (56 procent) werd medisch behandeld, vooral door een fysiotherapeut. Van de meest voorkomende blessures werden knieblessures en blessures aan de rug of rugwervels het vaakst medisch behandeld, ruim twee derde deel (68 procent). In 2022 vonden naar schatting 104 duizend bezoeken aan een Spoedeisende Hulp (SEH) plaats in verband met een sportblessure. Dit komt overeen met 0,053 SEH-bezoeken per duizend sporturen. Ruim de helft van de blessures werd als ernstig geclassificeerd. Veldvoetbal, bewegingsonderwijs en paardensport waren hierbij de sportactiviteiten waarbij het vaakst sprake was van ernstig letsel leidend tot een bezoek aan een Spoedeisende hulppost. Ten opzichte van 2013 is het aantal SEH-bezoeken in verband met een ernstige sportblessure overigens wel met elf procent gedaald. De daling was ten tijde van de coronapandemie nog veel sterker: als gevolg van de coronamaatregelen gingen sporters meer tijd besteden aan sporttakken met een relatief laag blessurerisico (zoals wandelen, fietsen en golf). Daardoor daalde het aantal bezoeken aan de SEH van 112 duizend in 2019 naar 85 duizend in 2020 (- 17 procent). In 2022 nam het aantal SEH-behandelingen in verband met (ernstige) blessures weer toe, maar dit lag met 104 duizend nog steeds onder het niveau van 2019. 33) Al met al leidt sporten jaarlijks dus tot een flink aantal blessures die op hun beurt weer leiden tot zorgkosten. Ook op deze manier levert sport in economische zin een ‘bijdrage’ aan de economie.
560 miljoen euro aan consumptie van medische diensten
In 2022 werd in totaal voor 560 miljoen euro aan medische zorgkosten gemaakt die gerelateerd kunnen worden aan sport. Deze uitgaven zijn iets toegenomen ten opzichte van de uitgaven in 2019 (530 miljoen euro). Anderhalf procent van alle zorgkosten in Nederland is hiermee aan sport gerelateerd. Het gros van deze kosten betreft ziekenhuiszorg en paramedische zorg w.o. fysiotherapie. Daarna komen de uitgaven aan eerstelijns huisartsenzorg en preventieve zorg die betrekking hebben op sport. Zoals uit figuur 9.1.1 blijkt komt 70 procent van de consumptie van medische diensten voor rekening van de overheid. Dit komt doordat een groot aantal verzekeringen op het terrein van de gezondheidszorg verplicht is en daardoor gerekend wordt tot de collectieve middelen waarvan de overheid een deel van de – in dit geval – zorgkosten namens de bevolking consumeert. Iets vergelijkbaars is ook te zien bij onderwijs (zie hoofdstuk 10).
Huishoudens (mln euro) Overheid (mln euro) 2019 170 350 2022 170 400
Wintersport en de sporteconomie
Wintersport is een populaire, maar ook blessuregevoelige activiteit. Als er sprake is van een ongeval tijdens een wintersportvakantie kunnen de medische kosten erg hoog zijn (denk aan een gipsvlucht). De medische kosten als gevolg van wintersportongevallen zijn niet apart in kaart gebracht voor de satellietrekening sport. Een groot deel van de desbetreffende medische dienstverlening wordt ook niet in Nederland verleend, maar in het buitenland. Strikt genomen behoort het echter wel tot de consumptie van medische diensten door ingezetenen in het buitenland. Wat wel een rol speelt in de Nederlandse sporteconomie is de verzekering die Nederlanders afsluiten voor wintersportvakanties. Dit aspect is in hoofdstuk 6 behandeld onder het kopje ‘sporttoerisme’.
9.2 Toegevoegde waarde gezondheids- en welzijnszorg
De medische zorg wordt geleverd vanuit de bedrijfstak gezondheids- en welzijnszorg. De sport-gerelateerde toegevoegde waarde die dit opleverde is in de periode 2019-2022 met 0,6 procent gestegen. Dit is minder dan de groei van de gehele sporteconomie (+ 11 procent). Het aandeel van de bedrijfstak gezondheids- en welzijnszorg in de sporteconomie was hiermee vier procent. Omgekeerd was het aandeel van sport in de toegevoegde waarde van de gezondheids- en welzijnszorg maar 0,5 procent (zie ook hoofdstuk 2).
Gezondheids- en welzijnszorg (mln euro) 2019 360 2022 360
30) Ter indicatie: in 2022 bedroegen de verzuimkosten van aan sport gerelateerde letsels voor zover waargenomen via een bezoek aan een Spoedeisende hulppost 270 miljoen euro. De directe medische kosten zouden ook zo’n 220 miljoen euro bedragen. Bron: Cijferrapportage Sportblessures 2022 | VeiligheidNL
31) Volgens Vilnius 3.0 tellen geneesmiddelen en farmaceutische producten niet meer in de sporteconomie (zie ook Technische Toelichting).
32) Bron: Sportblessures | Sport en bewegen in cijfers geraadpleegd op 27 januari 2025.
33) Bron: Cijferrapportage Sport 2019 | Sportblessurepreventie | VeiligheidNL
10. Onderwijs
Zo’n 15 procent van de consumptieve bestedingen aan sport bestaat uit sportonderwijs, en bijna een kwart van de totale toegevoegde waarde binnen de sporteconomie wordt gegenereerd door de bedrijfstak onderwijs. Het sportonderwijs draagt daarmee aanzienlijk bij aan de totale omvang van de sporteconomie. De bestedingen aan sportonderwijs zijn in de periode 2019-2022 met 19 procent toegenomen.
10.1 Bestedingen sportonderwijs
De bestedingen aan sportonderwijs groeiden van 2,4 miljard euro in 2019 tot 2,9 miljard euro in 2022 (+ 19 procent). Het overgrote deel van de uitgaven aan sportonderwijs bestaat uit uitgaven door de overheid. Dit betreft het bewegingsonderwijs in het lager en voortgezet onderwijs en verder de sportopleidingen binnen het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het hoger onderwijs (hbo en wo). Naast de overheid betalen ook huishoudens mee aan sportonderwijs. Het gaat dan om enkele tientallen miljoenen euro’s aan college- en cursusgelden voor de sportopleidingen in het mbo en hoger onderwijs en om enkele tientallen miljoenen euro’s voor particulier sportonderwijs, waartoe danslessen en vlieglessen behoren. Vergeleken met de uitgaven aan gesubsidieerd onderwijs spelen de uitgaven aan particulier onderwijs slechts een marginale rol. De ontwikkeling van de uitgaven aan het sportonderwijs is dan ook sterk afhankelijk van de uitgaven aan het gesubsidieerd sportonderwijs.
Overheid (mln euro) Huishoudens (incl. IZW) (mln euro) 2019 2360 60 2022 2840 50
Om de uitgaven aan het gesubsidieerd sportonderwijs te bepalen is eerst vastgesteld hoeveel uren of jaren sport- en bewegingsonderwijs scholieren en studenten ontvangen ten opzichte van het totaal aantal lesuren of jaren onderwijs dat ze ontvangen. Vervolgens is aangenomen dat dit aandeel representatief is voor de uitgaven aan het sportonderwijs. Hierbij wordt dus impliciet aangenomen dat de kosten van een uur wiskundeles even hoog zijn als een uur gymles en de kosten van een opleiding tot gymnastiekleraar even hoog als die tot laborant(e).
Aantal uren bewegingsonderwijs stabiel
Binnen het lager en voortgezet onderwijs is de hoeveelheid (volume) sportonderwijs bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en het aantal gegeven lesuren bewegingsonderwijs.34) Tussen 2019 en 2022 daalde het aantal leerlingen in het lager onderwijs met 27 duizend.35) Tegelijk veranderde het gegeven aantal uren bewegingsonderwijs nauwelijks. Vanwege de afname van het aantal leerlingen daalde de absolute hoeveelheid bewegingsonderwijs in de periode 2019-2022. Voor het voortgezet onderwijs is op vergelijkbare wijze bepaald hoeveel bewegingsonderwijs er werd gedoceerd. Net als voor het lager onderwijs geldt dat er nauwelijks sprake was van wijzigingen in het aantal gegeven uren bewegingsonderwijs. Het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs nam in de periode 2019-2022 met 14 duizend af (-1,5 procent). Hier geldt dus ook dat onder invloed van het afgenomen aantal leerlingen de absolute hoeveelheid bewegingsonderwijs ook is afgenomen.
| 2012/'13 | 2013/'14 | 2016/'17 | 2017/'18 | 2020/'21 | 2021/'22 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Primair onderwijs - groep 1 en 2 | 121 | 113 | 119 | |||
| Primair onderwijs - groep 3 tot en met 8 | 91 | 89 | 91 | |||
| Voortgezet onderwijs - leerjaar 1 | 150 | 145 | 152 | |||
| Voortgezet onderwijs - leerjaar 2 | 125 | 125 | 126 | |||
| Voortgezet onderwijs - leerjaar 3 | 108 | 107 | 105 | |||
| Voortgezet onderwijs - leerjaar 4 | 97 | 96 | 95 | |||
| Voortgezet onderwijs - leerjaar 5 | 78 | 77 | 81 | |||
| Voortgezet onderwijs - leerjaar 6 | 58 | 59 | 63 | |||
| * Bron geraadpleegd op 29-01-2025: https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren/bewegingsonderwijs | ||||||
Studenten die een sportopleiding volgen
Om de omvang en het aandeel van het sportonderwijs binnen het mbo en het hoger onderwijs te ramen, is het aantal ingeschreven studenten dat een sportopleiding volgt gebruikt en afgezet tegen het totaal aantal studenten. In het hoger onderwijs kwam het aandeel studenten ingeschreven bij een sportopleiding uit op 1,4 procent in 2022, net als in 2019. In het mbo was in 2022 5,3 procent van alle mbo-studenten ingeschreven bij een sportopleiding (4,3 procent in 2019).36)
Zes procent van de onderwijsuitgaven gerelateerd aan sport
Al met al was in 2022 het aandeel van het sportonderwijs in de totale onderwijsuitgaven 6 procent. De uitgaven aan onderwijs kwamen in 2022 uit op 2,9 miljard euro. Deze uitgaven werden voor 98 procent door de overheid gedaan. De resterende twee procent van de uitgaven komen voor rekening van huishoudens en bestaan uit de eigen bijdrage aan het gesubsidieerd onderwijs en de kosten van particulier sportonderwijs.
10.2 Toegevoegde waarde onderwijs
De bedrijfstak onderwijs genereert de meeste toegevoegde waarde van alle bedrijfstakken die onderscheiden worden binnen de sporteconomie. Ruim een kwart (27 procent) van de totale toegevoegde waarde binnen de sporteconomie wordt gegenereerd door de bedrijfstak onderwijs (24 procent in 2019). De toegevoegde waarde van de bedrijfstak onderwijs nam toe van 2,2 miljard euro in 2019 tot 2,6 miljard euro in 2022. Omgekeerd kwam in 2022 6 procent van de totale toegevoegde waarde van de bedrijfstak onderwijs zelf voort uit bewegingsonderwijs en ander sport gerelateerd onderwijs. Met andere woorden: onderwijs levert een substantiële bijdrage aan de sporteconomie, maar sport is voor de bedrijfstak onderwijs zelf van minder belang.
toegevoegde waarde vanuit sportonderwijs (mln euro) 2019 2170 2022 2630
34) Sinds enige tijd houdt het Mulier Instituut periodiek een enquête onder scholen in het primair en het voorgezet onderwijs over de daadwerkelijk gegeven uren bewegingsonderwijs per week, zie Bewegingsonderwijs | Sport en bewegen in cijfers
35) Zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/37220/table?dl=B537B
36) Zowel voor het mbo als het ho worden uit de lijst met CREBO- en CROHO-codes de sportopleidingen geselecteerd, waarna het aantal ingeschreven studenten van deze opleidingen kan worden bepaald.
Literatuur
CBS en HAN (2012a), De bijdrage van sport aan de Nederlandse economie. Den Haag: CBS.
CBS en HAN (2012b), Methodological Manual for a Sport Satellite Account. Den Haag: CBS.
CBS (2013), Sport in beeld, de bijdrage van sport aan de Nederlandse economie 2006, 2008 en 2010. Den Haag: CBS.
CBS(2015), De Nederlandse sporteconomie. De bijdrage van sport aan de Nederlandse economie in 2006-2012. Den Haag/Heerlen/Bonaire: CBS.
CBS (2019), De Nederlandse sporteconomie. De bijdrage van sport aan de Nederlandse economie in 2006-2015. Den Haag/Heerlen/Bonaire: CBS.
CBS (2021), De Nederlandse sporteconomie 2019. De bijdrage van sport aan de Nederlandse economie 2006-2019. Den Haag/Heerlen/Bonaire: CBS.
Technische Toelichting
Theorie
Het systeem van nationale rekeningen geeft een cijfermatige beschrijving van het economische proces binnen een land en de economische relaties met het buitenland. De classificaties en definities die gebruikt worden in de nationale rekeningen volgend de richtlijnen zoals die zijn vastgelegd in het System of National Accounts (SNA 2008) en het European System of Accounts (ESA 2010). Door het volgen van deze internationale richtlijnen zijn de cijfers vergelijkbaar tussen landen. Bekende macro-economische kengetallen uit de nationale rekeningen zijn het bruto binnenlands product (bbp), de consumptieve bestedingen, het aantal werkzame personen en het aantal gewerkte arbeidsjaren (arbeidsvolume).
Aan het systeem van nationale rekeningen kunnen satellietrekeningen toegevoegd worden. Deze bieden de mogelijkheid het systeem van nationale rekeningen uit te breiden vanuit een specifieke (sociaal-)economische invalshoek. In de satellietrekeningen kunnen daartoe alternatieve of complementaire concepten en classificaties gebruikt worden. Op dit moment publiceert het CBS op reguliere basis vier satellietrekeningen, namelijk de Milieurekening (NAMEA), de groeirekeningen, de regionale rekeningen en de Satellietrekening toerisme (SRT). Daarnaast heeft het CBS een aantal keer op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een satellietrekening cultuur en media samengesteld. Omdat deze satellietrekeningen gedestilleerd zijn uit de nationale rekeningen, zijn de uitkomsten vergelijkbaar met die van de gehele economie; de bijdrage van het beschreven fenomeen aan de belangrijkste macro-economische grootheden kan dus goed beschreven worden.
Voor het samenstellen van de satellietrekening sport zijn nog geen internationale handboeken voorhanden. In het kader van de eerste oplevering van de satellietrekening sport over het verslagjaar 2006 (CBS/HAN 2012b) heeft het CBS met medewerking van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) een methodologisch handboek opgesteld (CBS/HAN 2012a). Dit methodologisch handboek volgt zoveel mogelijk de (summiere) richtlijnen die de Europese werkgroep voor sport en economie (EU working group Sport and Economics) heeft opgesteld. Een tweede belangrijke leidraad voor de satellietrekening sport is het internationale handboek voor de SRT: Tourism Satellite Account: Recommended Methodological Framework (TSA:RMF).
De Vilniusdefinitie van sport
De Europese werkgroep voor sport en economie heeft een definitie opgesteld die beter bekend staat als de Vilniusdefinitie van sport. Deze definitie van de sporteconomie wordt nationaal en internationaal gehanteerd als uitgangspunt voor de afbakening en het samenstellen van een satellietrekening sport. De Vilniusdefinitie van sport is in de periode 2023-2024 door de ‘Taskforce on harmonised sport statistics in the EU’ vernieuwd: Vilnius 3.0.37) Er is opnieuw vastgesteld welke goederen en diensten volgens de CPA classificatie behoren tot sport of daar aan gerelateerd zijn. Daarnaast vond er een wijziging plaats binnen de afbakening van de sporteconomie, om beter aan te sluiten bij andere satellietrekeningen en de internationale standaarden hiervoor, zoals beschreven in het ESA Handbook 2010.38) De vorige versie van de Vilniusdefinitie (versie 2.0) maakte een onderscheid tussen een kerndefinitie, een smalle en een brede definitie van de sporteconomie.39) Binnen de nieuwe Vilnius 3.0 definitie wordt in plaats daarvan een nieuw onderscheid gemaakt: tussen goederen en diensten die characteristic zijn en goederen en diensten die connected zijn. Characteristic goods zijn goederen en diensten die niet zouden bestaan als er geen sport was. Voorbeelden hiervan zijn activiteiten die vallen onder sportgerelateerd onderwijs of betaalde sportlessen. De overige goederen en diensten die zijn gekenmerkt in de Vilnius-definitie en niet onder characteristic vallen, zijn de connected goods. Dit zijn goederen of diensten die ook zouden bestaan zonder sport maar wel relevant zijn voor de sporteconomie. Denk bijvoorbeeld sportbijlagen in kranten, sportuitzendingen en horeca-uitgaven van sporters en bezoekers van sportevenementen.
De aan sport gerelateerde finale bestedingen staan centraal in de satellietrekening sport. Sportgerelateerde finale bestedingen zijn uitgaven van huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk en overheden aan sportgoederen en -diensten. Ook investeringen, voorraadvorming en uitvoer ten behoeve van finale consumptie vallen onder de finale bestedingen. Kapitaalgoederen die voor meer zaken dan sport alleen gebruikt kunnen worden, worden niet meegenomen in de satellietrekening sport. Zo worden het tv-toestel waarop naar de sportuitzending gekeken wordt, of de auto waarin men naar het sportveld gaat, niet gerekend tot de sporteconomie. Bij wijze van uitzondering worden investeringen in de sportinfrastructuur, dus speciaal aangelegd voor sportdoeleinden, daarentegen wel meegenomen. Sportproducten kunnen ook uitgevoerd worden om vervolgens in het buitenland geconsumeerd te worden. Om de aan sport gerelateerde finale bestedingen alsook het totale aanbod van sportgoederen en -diensten correct te kunnen bepalen, worden de aan sport gerelateerde in- en uitvoer ook in kaart gebracht in de satellietrekening.
De meeste goederen en diensten die vallen onder de Vilniusdefinitie bevatten slechts ten dele sportgoederen en -diensten. Zo bevat de productgroep ‘schoenen’ niet uitsluitend sportschoenen. Daarom moet voor deze productgroep – en zo ook voor de meeste andere productgroepen – bepaald worden wat het deel is dat aan sport gerelateerd is. Andere voorbeelden zijn T-shirts die gebruikt worden om in te sporten (ook al zijn ze niet specifiek voor dit doel gemaakt) of het treinvervoer waarvan gebruik gemaakt wordt om naar een sportevenement te gaan, maar meestal voor niet-sportrelevante doeleinden gebruikt wordt. Dit soort producten moeten slechts gedeeltelijk opgenomen worden, namelijk in zoverre ze gebruikt worden in een sportrelevante context. Voor producten als voetbalschoenen of de voetbaltoto daarentegen doet het er niet toe of ze ook gebruikt worden of niet. Deze tellen volledig mee in de sporteconomie.
In Vilnius 3.0 is opnieuw vastgesteld welke goederen en diensten volgens de CPA classificatie behoren tot sport of daar aan gerelateerd zijn. Per saldo is de lijst uitgebreider geworden, er zijn meer goederen en producten bijgekomen dan eruit gegaan. Belangrijkste verschillen met Vilnius 2.0 voor de Nederlandse sporteconomie zijn dat onder andere farmaceutische producten en een deel van de landbouwproducten (levende diersoorten) niet meer meetellen. Producten en diensten die er bij zijn gekomen, zijn bijvoorbeeld bosbouwproducten (onderhoud wandelpaden), chemische producten (zeepproducten), elektrotechnische apparaten (o.a. horloges en smartwatches), machines (w.o. turbines), vervoer (veerdiensten en vliegverkeer), IT- en informatiediensten (o.a. sportapps), architect- en ingenieursdiensten, R&D en administratieve en ondersteunende diensten (w.o. schoonmaak en verhuur/lease). Daarnaast hebben er binnen groepen producten en diensten die zowel in Vilnius 2.0 als in Vilnius 3.0 zijn opgenomen ook wijzigingen plaatsgevonden. In de Tabellenbijlage van deze publicatie staat een gedetailleerd overzicht van Vilnius 3.0.40)
Gevolgen voor de tijdreeks sporteconomie
Gevolg van deze per saldo uitbreiding van producten en diensten in de nieuwe definitie is dat het niveau van de totale sporteconomie hoger is dan met de oude definitie. Bij het toepassen van Vilnius 3.0 voor het samenstellen van de sporteconomie van 2022 zijn de veranderingen in de definitie zoveel mogelijk en waar toepasbaar, teruggelegd in de al bestaande tijdreeks. Tegelijkertijd zijn de nationale rekeningen gereviseerd. Deze revisie heeft net als de nieuwe Vilnius definitie ook een effect op het niveau van de sporteconomie. Ook dit is meegenomen in de tijdreeks. Daarnaast zijn alle goederengroepen opnieuw beoordeeld en was het soms nodig om te veranderen van bron. De uitkomsten in de tabellenset beschrijven hiermee de herziene cijfers n.a.v. de nieuwe Vilnius 3.0 definitie, de revisie van nationale rekeningen 2021 en andere gewijzigde berekeningen. Deze herziene cijfers wijken hiermee af van eerder gepubliceerde cijfers.
Verbeterpunten bij de Nederlandse uitkomsten
Er zijn producten en diensten die meetellen in de sporteconomie waarbij CBS beschikking heeft over goede en gedetailleerde bronnen om berekeningen te maken. Vanuit bijvoorbeeld de CBS-sportstatistieken, gegevens van de overheid of internationale handel. Er zijn ook producten en diensten waarvoor er geen goede gedetailleerde bronnen beschikbaar zijn. Dat geldt voor bijvoorbeeld het gebruik van zeepproducten, sportsupplementen en sportapps. In die gevallen wordt de best mogelijke schatting gemaakt op basis van wat er wel bekend is. Dat betekent dat de gepresenteerde cijfers ramingen zijn die een mate van onzekerheid omvatten.
Toepassing van de Vilniusdefinitie
De Vilniusdefinitie geeft geen sluitende definities van de begrippen ‘sport’ of ‘sporter’ en daarmee ook niet van de sport. Daarmee wordt er ruimte gelaten aan landen om een eigen invulling van deze begrippen te hanteren. Voor het samenstellen van de Nederlandse satellietrekening sport worden de volgende vuistregels gehanteerd:
- Wanneer het onduidelijk is of een bepaalde activiteit gerekend moet worden tot sport wordt de familiegelijkenis toets gebruikt. De toets is een hulpmiddel dat helpt te beslissen hoe ‘ver’ een activiteit verwijderd staat van de ‘kern’ van Olympische sporten, en daarmee of een activiteit gezien moet worden als sport of niet. Fysieke inspanning, competitie en spel vormen de drie criteria waarvan tenminste aan twee voldaan moet zijn om te kunnen spreken van een sportieve activiteit. Een voorbeeld kan dit verhelderen: men kan zich bijvoorbeeld afvragen of recreatief badmintonnen op de camping nog iets met sport te maken heeft. Volgens de familiegelijkenis toets is dit het geval. Bij het badmintonnen op een camping ontbreekt misschien het competitieve element, maar het spelelement en het element van fysieke inspanning zijn duidelijk herkenbaar.41) Merk op dat dit ertoe leidt dat veel recreatieve activiteiten op deze manier aangemerkt kunnen worden als een sportieve activiteit.
- Denksporten zoals schaken, dammen en bridge worden meegenomen in de satellietrekening sport. Ondanks dat het fysieke element bijna geheel ontbreekt bij dit soort denksporten, is er een duidelijk competitief element aanwijsbaar (er is een schaakfederatie en er zijn internationaal georganiseerde wedstrijden) en bezit het schaken een duidelijk spelelement.
- Recreatieve activiteiten worden vaak aangemerkt als sportactiviteit binnen de satellietrekening sport. Te denken valt aan wandelen, recreatief fietsen en recreatief zwemmen. Deze activiteiten voldoen aan de criteria van fysieke inspanning en spel volgens de familiegelijkenis toets. Merk op dat volgens de familiegelijkenis toets veel recreatieve activiteiten sport-gerelateerd genoemd kunnen worden.
- Opkomende sporten die zich in de toekomst mogelijk gaan ontwikkelen tot volwaardige (Olympische) sport worden in principe gerekend tot de sportactiviteiten. Denk bijvoorbeeld aan downhill ice skating. Op deze manier is de satellietrekening sport toekomstbestendig.
- Producten die hun oorsprong vinden in de sport, maar tot een modeartikel zijn geworden, worden niet tot de satellietrekening sport gerekend. Het gaat hier om producten die hun relatie tot sport (vrijwel) geheel hebben verloren, zoals sneakers.
Methodebeschrijving macro-economische indicatoren
De satellietrekening sport levert een aantal macro-economische indicatoren voor de sporteconomie in Nederland op. Deze zijn opgenomen in tabel 1 en 2 van de tabellenset behorend bij deze publicatie (zie Tabellenbijlage). De berekening van enkele van deze indicatoren behoeft een nadere toelichting.
De toegevoegde waarde (in basisprijzen42)) is gelijk aan de totale productie minus het intermediair verbruik. Binnen een bedrijfstak maakt de aan sport gerelateerde toegevoegde waarde slechts een deel uit van de totale toegevoegde waarde van die bedrijfstak. Niet alle productie van een bedrijfstak is namelijk bestemd voor aan sport gerelateerde bestedingen. Denk bijvoorbeeld aan de kledingindustrie: deze industrie produceert niet alleen kleding ten behoeve van de sport, maar ook werk- en vrijetijdskleding.
Sportrelevante toegevoegde waarde is er ook in bedrijfstakken die niet direct worden geassocieerd met sport. Als een sporter bijvoorbeeld een blessure oploopt en zich laat behandelen in het ziekenhuis zal een stukje toegevoegde waarde van de gezondheids- en welzijnszorg als relevant voor de sporteconomie worden aangemerkt. En als deze persoon de trein neemt naar een sportevenement kan een gedeelte van de toegevoegde waarde van het vervoersbedrijf worden toegeschreven aan de sporteconomie.
De aan sport gerelateerde toegevoegde waarde wordt voor elke bedrijfstak bepaald op basis van de verhouding tussen de aan sport gerelateerde en de niet-aan sport gerelateerde productie. Ditzelfde principe wordt gehanteerd voor de berekening van het aantal werkzame personen en het arbeidsvolume in de sporteconomie. Nadat de aan sport gerelateerde toegevoegde waarde (in basisprijzen) is bepaald, wordt het aan sport gerelateerde bbp (in marktprijzen) berekend door bij de toegevoegde waarde het saldo van de productgebonden belastingen, waaronder de btw, en subsidies op te tellen.
Samenstellen satellietrekening sport
Het samenstellen van de Nederlandse satellietrekening sport gebeurt met een vergelijkbare methode als het samenstellen van de nationale rekeningen. Er zijn twee fasen te onderscheiden. In de eerste fase worden de bronnen bewerkt. Daarna volgt een integratiefase waaruit een consistente set van cijfers voortvloeit.
In de eerste fase worden de gegevens in lijn gebracht met de concepten van de nationale rekeningen. Sport-economische basisgegevens worden bijvoorbeeld omgezet naar de goederengroepindeling van de nationale rekeningen. Hiervoor wordt de meest gedetailleerde goederengroepenindeling van de nationale rekeningen gebruikt. Voor sommige bronnen moeten ook andere bewerkingen, zoals correcties voor btw, op de brongegevens worden uitgevoerd.
De belangrijkste CBS-bronnen voor de satellietrekening sport zijn: de sportstatistieken (accommodaties, sportclubs e.d.), de statistiek Internationale Handel, de Productiestatistieken en de Overheidsstatistieken. Er worden echter ook andere bronnen van binnen en buiten het CBS gebruikt om inschattingen te kunnen maken van het sportrelevante deel van het brede scala aan goederen en diensten dat deel uitmaakt van de Vilniusdefinitie van sport. De lijst van gebruikte bronnen is te vinden in de Tabellenbijlage van deze publicatie.
Nadat alle bronnen zijn bewerkt, begint de integratiefase. Deze fase kent meerdere dimensies:
- Integratie bronmateriaal: soms geven twee of meer bronnen elk een andere schatting voor hetzelfde fenomeen. In dat geval wordt gekozen voor de meest betrouwbare schatting.
- Consistentie met cijfers uit de nationale rekeningen: de gegevens worden getoetst op consistentie met de nationale rekeningen. Zo kunnen de aan sport gerelateerde bestedingen aan een bepaalde dienst bijvoorbeeld niet hoger zijn dan het totale aanbod van deze dienst zoals geregistreerd in de nationale rekeningen.
In de integratiefase worden over- en onderschattingen of andere problemen in de basisgegevens geïdentificeerd. Het aanbod van aan sport gerelateerde goederen en diensten wordt per product ingepast en consistent gemaakt met de aan sport gerelateerde bestedingen. Het aanbod van een product wordt vervolgens toegewezen aan een of meer bedrijfstakken en aan de invoer vanuit het buitenland. Tot slot worden de aan sport gerelateerde toegevoegde waarde en werkgelegenheid op basis van de ingepaste aanbodtabel berekend.
Alleen de sport en de aan sport gerelateerde productie die bestemd is voor zogeheten finale bestedingen, worden meegerekend. Dat betekent dat goederen en diensten die dienen als input voor een ander (sport)product (het zogenaamde intermediair verbruik) niet meetellen. Voorbeelden van dit laatste zijn materialen voor sportschoenen of sportfietsen die onderdeel zijn van de uiteindelijke sportschoen of -fiets. Dit geldt ook voor de uitvoer; alleen de uitvoer die leidt tot een finale besteding in het buitenland wordt meegerekend.
De Tabellenbijlage van deze publicatie bevat een overzicht met een uitgebreidere uitleg en de operationalisering van welke goederen en diensten wel en niet tot de sporteconomie worden gerekend.
37) De werkzaamheden van deze TaskForce eindigden in december 2024. Op moment van uitkomen van deze publicatie over de Nederlandse sporteconomie in 2022 is de nieuwe Vilnius 3.0 definitie nog niet gepubliceerd. Wel is de Vilnius 3.0 definitie opgenomen in de Tabellenbijlage van deze publicatie.
38) Zie hoofdstuk 22 van European system of accounts. ESA 2010
39) Zie: De Nederlandse sporteconomie 2019 | CBS
40) De vorige editie, ‘De Nederlandse sporteconomie 2019’, bevat een overzicht van de oude Vilnius definitie.
41) Meer informatie over de familiegelijkenis toets is te vinden in het methodologisch handboek van de satellietrekening sport (zie CBS/HAN 2012a).
42) Meer informatie over de waardering in basisprijzen en marktprijzen is te vinden in het methodologisch handboek van de satellietrekening sport (zie CBS/HAN 2012a) en in de Gehanteerde begrippen in de Technische Toelichting van deze publicatie.
Begrippen
Gehanteerde begrippen in alfabetische volgorde
aanbodtabel
De aanbodtabel beschrijft het aanbod van goederen en diensten verbijzonderd naar productgroepen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen binnenlandse productie door de verschillende bedrijfstakken en invoer van al deze productgroepen.
arbeidsjaar
Een maatstaf voor het arbeidsvolume, die wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte) genoemd.
basisprijs
De aankoopprijs van een goed of dienst exclusief de handels- en vervoersmarges en exclusief productgebonden belastingen en subsidies.
bedrijfsklasse
Op grond van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) worden bedrijven ingedeeld naar hun voornaamste economische activiteit. Bedrijfsklasse is een aanduiding voor het 4-digit of 5-digit niveau van de SBI.
bedrijfstak
In deze publicatie wordt de term ‘bedrijfstak’ gebruikt om groepen van bedrijfsklassen aan te duiden.
bedrijfstak sport
In deze publicatie wordt de term ‘bedrijfstak sport’ gebruikt voor de bedrijfstak ‘sport, recreatie en fitness’. Dit komt overeen met sbi 93.1.
belasting (over) toegevoegde waarde (btw)
Een productgebonden belasting, die op de verschillende momenten van levering door producenten wordt geïnd en uiteindelijk volledig ten laste komt van de eindgebruikers. Producenten dragen alleen het verschil af tussen de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op hun verkopen en de btw op hun aankopen.
bruto binnenlands product (marktprijzen) (bbp)
Het eindresultaat van de productieve activiteiten van de ingezeten productie-eenheden. Het is gelijk aan de toegevoegde waarde tegen basisprijzen van alle bedrijfsklassen samen, aangevuld met enkele transacties die niet naar bedrijfsklassen worden verdeeld. De toegevoegde waarde (basisprijzen) per bedrijfsklasse is gelijk aan het verschil tussen de productie (basisprijzen) en het intermediair verbruik (aankoopprijzen). De onverdeelde transacties betreffen het saldo van productgebonden belastingen en subsidies waaronder de btw. Het bbp is ook gelijk aan de waarde van het in Nederland gevormde inkomen.
consumptie
Het verbruik van goederen en diensten voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve behoeften van leden van de gemeenschap. Ook de overheid en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens kunnen goederen en diensten consumeren. Wanneer bedrijven goederen en diensten consumeren spreken we van intermediair verbruik.
diensten
Producten die niet tastbaar zijn, zoals geproduceerd door bijvoorbeeld horeca, handel, transport, zorg, overheid.
finale bestedingen
De waarde van de geproduceerde eindproducten. Het totaal van de finale bestedingen wordt onderverdeeld naar uitvoer, consumptieve bestedingen en investeringen (inclusief voorraadmutaties). Voor de economie als geheel vormen de finale bestedingen en het intermediair verbruik samen, de totale bestedingen aan goederen en diensten.
gebruiktabel
De gebruiktabel beschrijft het gebruik van goederen en diensten verbijzonderd naar productgroepen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen intermediair verbruik door bedrijfsklassen en finale bestedingen.
goederen
Tastbare producten, zoals voedingsmiddelen, duurzame consumptieartikelen of machines.
handels- en vervoersmarges
Deze vormen letterlijk en figuurlijk de onmisbare schakel voor het bij elkaar brengen van aanbod (producent) en gebruik (afnemer) en komen daarom voor in de sportsatelliet voor zover betrekking hebbende op handel en vervoer van sport gerelateerde goederen.
intermediair verbruik
De producten die in de verslagperiode zijn verbruikt in het productieproces, gewaardeerd tegen aankoopprijzen, exclusief aftrekbare btw. Dit kunnen al of niet in de verslagperiode aangekochte grondstoffen, halffabricaten en brandstoffen zijn, maar ook diensten zoals communicatiediensten, schoonmaakdiensten en diensten van externe accountants.
producten
Goederen en diensten die het resultaat zijn van een productieproces.
productgebonden belastingen
Dit zijn belastingen die moeten worden betaald per eenheid geproduceerd of verhandeld product. Zij zijn gerelateerd aan de waarde of de hoeveelheid van het product en hebben zowel betrekking op geproduceerde als op ingevoerde producten. Productgebonden belastingen worden onderscheiden in productgebonden belastingen op productie, belastingen op invoer (exclusief btw) en de btw.
productgebonden subsidies
Deze subsidies worden uitgekeerd per eenheid geproduceerd of verhandeld product. Zij zijn gerelateerd aan de waarde of aan de hoeveelheid van het product en kunnen zowel betrekking hebben op geproduceerde als op ingevoerde producten. Productgebonden subsidies worden onderscheiden in productgebonden subsidies op productie en op invoer.
productie
De productie omvat de waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten. Verder omvat de productie producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers. De productiewaarde hiervan wordt berekend door de geproduceerde hoeveelheid te waarderen tegen de prijs die de producent bij verkoop zou hebben ontvangen.
sporteconomie
Alle stromen van goederen, diensten en geld die te maken hebben met sport.
Standaard Bedrijfsindeling (SBI)
De Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit.
Vilniusdefinitie van sport
Niet zozeer een definitie als wel een (statistische) afbakening van het begrip sport binnen de nationale rekeningen.
niet-aftrekbare btw
Het bedrag aan btw dat als eindheffing is opgenomen in de verschillende finale bestedingen en uiteindelijk afgedragen wordt aan de overheid.
toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen)
Het verschil tussen de productie (basisprijzen) en het intermediair verbruik (exclusief aftrekbare btw).
voorraad
Geproduceerde activa bestaande uit goederen en diensten die zijn ontstaan in de lopende of in een eerdere periode en die worden aangehouden voor verkoop, gebruik in het productieproces of voor ander gebruik in de toekomst. De voorraden omvatten grondstoffen en halffabricaten, onderhanden werk, gereed product en handelsgoederen.
voorraadmutatie/voorraadverandering
De voorraadverandering komt overeen met het verschil tussen de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorraden tijdens de beschouwde periode.
wederuitvoer
ingevoerde goederen die, na hoogstens een kleine bewerking te hebben ondergaan, weer zijn uitgevoerd.
werknemer
Een persoon die in een arbeidsovereenkomst afspraken met een economische eenheid maakt om arbeid te verrichten waartegenover een financiële beloning staat.
werkzame persoon
Persoon die een baan heeft bij een in Nederland gevestigd bedrijf of bij een particulier huishouden in Nederland. Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en zelfstandigen.
zelfstandige
Een persoon met als (hoofd)baan het verrichten van arbeid voor eigen rekening of risico in een eigen bedrijf of praktijk, of in het bedrijf of de praktijk van een gezinslid, of in een zelfstandig uitgeoefend beroep.
Tabellenbijlage
Tabellenset sporteconomie 2006-2022