2. De sporteconomie in macro-economisch perspectief
Dit hoofdstuk schetst een beeld van de sporteconomie vanuit een macro-economisch perspectief. Eerst wordt een vergelijking gemaakt met de Nederlandse economie als geheel. Daarbij wordt duidelijk dat de sporteconomie in de periode 2019-2022 iets minder groeide dan de totale Nederlandse economie. De werkgelegenheid in de sporteconomie is in absolute zin toegenomen, maar bedroeg zowel in 2022 als in 2019 1,6 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland. De tweede paragraaf gaat in op enkele meer structurele karakteristieken van de sporteconomie aan de hand van cijfers over 2022. Daaruit blijkt dat de bedrijfstak onderwijs de belangrijkste bijdrage levert aan de sporteconomie.
2.1 Sport en de Nederlandse economie
Aandeel bedrijfstak sport en recreatie in toegevoegde waarde gedaald
In 2022 bedroeg de bruto toegevoegde waarde van de sporteconomie 9,9 miljard euro. Dit is 11 procent meer dan in 2019. De toegevoegde waarde van de bedrijfstak sport en recreatie hierin bedroeg zowel in 2019 als in 2022 1,3 miljard euro en nam dus niet toe. De toename van de totale toegevoegde waarde van de sporteconomie zit hiermee volledig bij de overige bedrijfstakken (+ 13 procent). Het aandeel van de bedrijfstak sport en recreatie in de sporteconomie nam dan ook af van 15 procent in 2019 tot 13 procent in 2022. Dit aandeel was nog niet eerder zo laag. Over de gehele priode 2006-2022 bezien nam de toegevoegde waarde van de bedrijfstak sport en recreatie toe met 49 procent. Dat is minder dan van de andere bedrijfstakken (+ 66 procent). Al met al was en is het aandeel van aan sport gerelateerde goederen en diensten binnen de sporteconomie beduidend groter dan het aandeel van het primaire sporten zelf. Paragraaf 2.2 gaat meer in detail in op de verschillende bedrijfstakken.
| Sport en recreatie (mln euro) | Overige bedrijfstakken (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2006 | 870 | 5170 |
| 2008 | 1030 | 5530 |
| 2010 | 1170 | 5840 |
| 2012 | 1240 | 5790 |
| 2015 | 1160 | 6110 |
| 2019 | 1300 | 7620 |
| 2022 | 1300 | 8590 |
Sporteconomie goed voor 1,1 procent van het bbp
In 2022 was het aandeel van de sporteconomie als geheel in de totale bruto toegevoegde waarde van heel Nederland 1,1 procent. Dit is iets minder dan in 2019 (1,2 procent). Tussen 2019 en 2022 groeide de sporteconomie dus net iets minder dan de gehele economie.4) Tot 2019 lag het aandeel van de sporteconomie meestal op 1,2 procent. De groei van de sporteconomie als geheel hield dus min of meer gelijke tred met die van de totale economie. In 2022 lijkt de groei echter iets achter te blijven (zie de samenvattende tabel 2.1.5 in dit hoofdstuk). Dit kan te maken hebben met dat de coronamaatregelen een relatief grotere impact hadden op de sporteconomie. In tegenstelling tot bedrijfstakken waar thuiswerken mogelijk was, werden sommige bedrijfstakken met een bijdrage in de sporteconomie tot aan het begin van 2022 geraakt door de (gedeeltelijke) lockdown. Hierdoor konden mensen er niet op uit naar bijvoorbeeld een sportwedstrijd of naar de kantine van de sportvereniging.
Ter referentie: het aandeel in de totale economie voortvloeiend uit de satellietrekening voor toerisme is 3,5 procent in 2022.5) Ook dit aandeel ligt in 2022 lager dan vlak voor corona.
Aandeel binnenlandse productie in totale aanbod neemt af
Het totale aanbod van aan sport gerelateerde goederen en diensten in 2022 bedroeg 25,7 miljard euro. Dit is een toename van 23 procent ten opzichte van 2019. Over de gehele periode 2006-2022 nam het aanbod van sportgoederen en -diensten met 89 procent toe.
Het aanbod van goederen en diensten bestaat uit de binnenlandse productie van deze goederen en diensten en de invoer. Het aanbod uit binnenlandse productie nam van 2019 op 2022 toe met 18 procent. Deze toename werd grotendeels veroorzaakt door een toename van de sport- en fitnessdiensten, de onderwijsdiensten en de handels- en vervoersmarges. Van het totale aanbod aan sportgoederen en -diensten in 2022 kwam 80 procent uit binnenlandse productie (83 procent in 2019). Voor Nederland als geheel was dat 70 procent. Het aandeel van de binnenlandse productie in de sporteconomie is hoog omdat de sporteconomie, meer dan de gehele economie, bestaat uit diensten die nu eenmaal minder vaak worden ingevoerd dan goederen.
De invoer van aan sport gerelateerde goederen en diensten lag in 2022 43 procent hoger dan in 2019. Het aandeel van de invoer in het totale aanbod van sportgoederen en -diensten is toegenomen van 17 procent in 2019 naar 20 procent in 2022. De belangrijkste producten bij de invoer zijn sportkleding en ander -textiel, sportartikelen en vervoermiddelen (w.o. sportfietsen). Bij het gebruik van deze goederen zal blijken dat met name van de sportartikelen en de sportkleding een groot deel weer wordt uitgevoerd (wederuitvoer). Wederuitvoer is de uitvoer van goederen die niet in Nederland zijn geproduceerd. Het is voornamelijk de handels- en vervoerssector die hier geld aan verdient. De uitvoer van vervoermiddelen betreft wél substantiële uitvoer uit binnenlandse productie. Over de gehele periode 2006-2022 is het aandeel van de binnenlandse productie in het totale aanbod van sportgoederen en -diensten afgenomen van 87 procent naar 80 procent. Dit onderscheid is van belang omdat binnenlandse productie van goederen en diensten in de regel meer bijdraagt aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid dan wederuitvoer.
| Binnenlandse productie (mln euro) | Invoer (mln euro) | |
|---|---|---|
| 2006 | 11840 | 1800 |
| 2008 | 12860 | 1930 |
| 2010 | 13380 | 2000 |
| 2012 | 13380 | 1870 |
| 2015 | 14240 | 2750 |
| 2019 | 17360 | 3620 |
| 2022 | 20540 | 5180 |
Consumptie huishoudens stijgt met 22 procent
Het totale gebruik van sportgoederen en -diensten in 2022 bedroeg 27,2 miljard euro. Dit is 22 procent meer dan in 2019. Het verschil in waarde tussen het totale aanbod en het totale gebruik van sportgoederen en -diensten wordt veroorzaakt door een verschil in waardering. De prijs zoals de producent die ervaart is lang niet altijd gelijk aan de prijs die de afnemer ervoor betaalt. Het verschil wordt gevormd door de productgebonden belastingen waaronder de btw (+) en subsidies (-). In 2022 was dit saldo 1,5 miljard euro.
Het gebruik van sportgoederen en -diensten bestond in 2022 voor 53 procent uit consumptie door huishoudens. In vergelijking met 2019 is deze consumptie met 17 procent toegenomen en bedroeg 14,5 miljard euro in 2022. Omgerekend per huishouden is dit ongeveer 1 780 euro per jaar (1 570 in 2019). De belangrijkste uitgaven van huishoudens aan sportgoederen en -diensten bestaan naast de uitgaven aan sport- en fitnessdiensten zelf, uit uitgaven aan horecadiensten, sportkleding en sportartikelen. Het aandeel van de consumptie van sportgoederen en -diensten in de totale consumptie van de Nederlandse huishoudens in 2022 was 3,3 procent en ligt daarmee iets lager dan in 2019 (3,4 procent).
Van het totale gebruik van sportgoederen en -diensten werd 22 procent uitgevoerd. Dit was in 2019 20 procent. Met name de uitvoer van sportkleding, sportartikelen en vervoermiddelen (w.o. sportfietsen) is toegenomen. Zoals bij de invoer reeds gememoreerd betreft de uitvoer van sportkleding en sportartikelen vooral wederuitvoer. De uitvoer van vervoermiddelen komt wel voor een substantieel uit binnenlandse productie. De totale uitvoer van sportgoederen en -diensten bestond in 2022 voor 61 procent uit wederuitvoer van goederen. Dit is veel hoger dan voor de totale economie waar de uitvoer maar voor 39 procent uit wederuitvoer van goederen bestaat. Het aandeel van sportgoederen en -diensten in de uitvoer van de totale Nederlandse economie in 2022 bedroeg 0,6 procent (0,6 procent in 2019). Voor de uitvoer uit binnenlandse productie en wederuitvoer waren deze aandelen in 2022 respectievelijk 0,4 en 1,0 procent (zie ook tabel 2.1.5 in dit hoofdstuk).
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) (mln euro) | Consumptie overheid (mln euro) | Uitvoer (mln euro) | Investeringen en voorraadverandering (mln euro) | |
|---|---|---|---|---|
| 2006 | 8100 | 3270 | 2210 | 1000 |
| 2008 | 8640 | 3660 | 2290 | 1180 |
| 2010 | 8960 | 3960 | 2290 | 1210 |
| 2012 | 8960 | 3940 | 2320 | 800 |
| 2015 | 9660 | 4170 | 3470 | 780 |
| 2019 | 12430 | 4470 | 4430 | 940 |
| 2022 | 14510 | 5240 | 6060 | 1420 |
Over de gehele periode 2006-2022 kwam de toename van de bestedingen aan sportgoederen en -diensten vooral voor rekening van de wederuitvoer van goederen. De consumptie van huishoudens en de uitvoer uit binnenlandse productie namen ongeveer evenveel toe vergeleken met 2006. De consumptie van de overheid bleef hierbij achter (zie ook tekstkader in hoofdstuk). Het aandeel van de consumptie van sportgoederen en -diensten in de totale consumptie van huishoudens nam ook toe van 3,0 procent in 2006 tot 3,3 procent in 2022.
Sporteconomie goed voor 1,6 procent van werkgelegenheid
Het aantal werkzame personen in de sporteconomie in 2022 was 170 duizend en ligt iets hoger (+2 procent) dan in 2019. Het aantal werkzame personen in de sporteconomie is hiermee goed voor een aandeel van 1,6 procent in het totale aantal werkzame personen in Nederland. In 2019 lag dat aandeel iets hoger, op 1,7 procent. Het aantal werkzame personen in de sporteconomie nam in deze periode dus iets minder toe dan het totale aantal werkzame personen in Nederland. Het aantal arbeidsjaren (of voltijdequivalenten) werkzaam in de sporteconomie lag zowel in 2019 als in 2022 op afgerond 130 duizend. Het aandeel van de sporteconomie in het totale arbeidsvolume in Nederland lag in 2022 op 1,6 procent, net zo hoog als in 2019.
Over de gehele periode 2006-2022 is het arbeidsvolume in de sport toegenomen van 110 duizend arbeidsjaren naar 130 duizend arbeidsjaren (+ 17 procent). Binnen dit arbeidsvolume van de sporteconomie is het aandeel van de werknemers in de loop der jaren iets afgenomen; van 87 procent in 2006 naar 83 procent in 2022.6) Het aandeel van de zelfstandigen (meewerkende eigenaren, zzp’ers e.d.) is dus toegenomen van 13 procent in 2006 tot 17 procent in 2022. Dit is overigens vergelijkbaar met de ontwikkeling binnen het totale arbeidsvolume in Nederland waar het aandeel van de zelfstandigen ook toenam van 15 procent in 2006 tot 17 procent in 2022 (zie ook tabel 2 in de tabellenset).
| Werknemers (x 1 000) | Zelfstandigen (x 1 000) | |
|---|---|---|
| 2006 | 100 | 10 |
| 2008 | 100 | 20 |
| 2010 | 100 | 20 |
| 2012 | 90 | 20 |
| 2015 | 90 | 20 |
| 2019 | 100 | 20 |
| 2022 | 110 | 20 |
Merk op dat de cijfers over de werkgelegenheid in de sporteconomie slechts betrekking hebben op betaalde arbeidskrachten, terwijl de arbeidsinzet in delen van de sporteconomie meer dan bij andere bedrijfstakken, beïnvloed wordt door een omvangrijke inzet van vrijwilligers (zie kader).
| 2006 | 2015 | 2019 | 2022 | |
|---|---|---|---|---|
| Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) (mln euro) | 6 030 | 7 270 | 8 920 | 9 890 |
| Bruto binnenlands product (marktprijzen) (mln euro) | 6 610 | 8 140 | 10 140 | 11 400 |
| Binnenlandse productie (mln euro) | 11 840 | 14 240 | 17 360 | 20 540 |
| Invoer (mln euro) | 1 800 | 2 750 | 3 620 | 5 180 |
| Finale bestedingen (mln euro) | 14 590 | 18 080 | 22 260 | 27 230 |
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) (mln euro) | 8 100 | 9 660 | 12 430 | 14 510 |
| Consumptie overheid (mln euro) | 3 270 | 4 170 | 4 470 | 5 240 |
| Totaal uitvoer (mln euro) | 2 210 | 3 470 | 4 430 | 6 060 |
| Uitvoer uit binnenlandse productie (mln euro) | 1 310 | 1 750 | 1 960 | 2 370 |
| Wederuitvoer goederen (mln euro) | 900 | 1 720 | 2 470 | 3 680 |
| Aantal werkzame personen (x 1 000) | 140 | 140 | 170 | 170 |
| Arbeidsvolume werkzame personen (x 1000 arbeidsjaren) | 110 | 110 | 130 | 130 |
| Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) (%) | 1,2 | 1,2 | 1,2 | 1,1 |
| Bruto binnenlands product (marktprijzen) (%) | 1,1 | 1,2 | 1,2 | 1,1 |
| Binnenlandse productie (%) | 1,1 | 1,0 | 1,1 | 1,0 |
| Invoer (%) | 0,5 | 0,5 | 0,6 | 0,6 |
| Finale bestedingen (%) | 1,6 | 1,5 | 1,5 | 1,5 |
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) (%) | 3,0 | 3,0 | 3,4 | 3,3 |
| Consumptie overheid (%) | 2,4 | 2,4 | 2,2 | 2,2 |
| Totaal uitvoer (%) | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 0,6 |
| Uitvoer uit binnenlandse productie (%) | 0,5 | 0,5 | 0,4 | 0,4 |
| Wederuitvoer goederen (%) | 0,6 | 0,9 | 1,0 | 1,0 |
| Aantal werkzame personen (%) | 1,7 | 1,6 | 1,7 | 1,6 |
| Arbeidsvolume werkzame personen (%) | 1,6 | 1,5 | 1,6 | 1,6 |
| * Alle waarden over de sporteconomie (behalve de percentages) zijn afgerond op tientallen miljoenen euro's dan wel tien duizendtallen. | ||||
2.2 Structuur van de sporteconomie
Grootste deel aanbod sporteconomie bestaat uit sport- en fitnessdiensten
In de voorgaande paragraaf is het aanbod van sportgoederen en -diensten door de jaren heen vergeleken. In figuur 2.2.1 is het aanbod van sportgoederen en -diensten voor 2022 gedetailleerd naar goederengroep en herkomst. De waarde van het totale aanbod van sportgoederen en -diensten in 2022 bedroeg zoals gezegd 25,7 miljard euro. De sport- en fitnessdiensten besloegen 17 procent (18 procent in 2019) van dit totale aanbod en waren hiermee de grootste goederengroep. Andere belangrijke categorieën binnen de sporteconomie zijn horecadiensten (11 procent) en onderwijs (bewegings- en sportonderwijs; 11 procent). Daarna volgen de sportartikelen (7 procent), overheidsgoederen en -diensten (7 procent), sportkleding en ander textiel (6 procent) en door de vervoerders geleverde diensten (4 procent).7)
Voor de goederengroepen die het karakter van diensten hebben is het aandeel van de invoer veelal gering. Dit geldt bijvoorbeeld voor de sport- en fitnessdiensten zelf, maar ook voor het onderwijs en de overheidsgoederen en -diensten op het terrein van sport. De invoer van sportgoederen en -diensten bestaat praktisch volledig uit de goederengroepen sportkleding, sportartikelen en vervoermiddelen. Ook van de zeepproducten, wat overigens een wat minder omvangrijke goederengroep is, komt een groot deel van het aanbod uit invoer. Een toename van de consumptie van bijvoorbeeld sportkleding leidt dus maar in beperkte mate tot een toename van de binnenlandse productie van sportkleding, maar vooral tot extra invoer en de daarmee gepaard gaande handels- en vervoersmarges.
| Binnenlandse productie (% van totaal sportaanbod) | Invoer (% van totaal sportaanbod) | |
|---|---|---|
| Diensten m.b.t. sport, fitness en recreatie | 17 | 0 |
| Handels- en vervoersmarges | 12 | 0 |
| Horecadiensten | 11 | 0 |
| Onderwijs | 11 | 0 |
| Sportartikelen | 0 | 7 |
| Overheidsgoederen en -diensten | 7 | 0 |
| Sportkleding en ander -textiel | 0 | 6 |
| Vervoermiddelen | 1 | 3 |
| Sportvoeding en -drank | 3 | 0 |
| Media, IT en R&D | 3 | 1 |
| Reisbemiddeling en -verzekeringen | 3 | 0 |
| Bouw-, architect- en ingenieursdiensten | 3 | 0 |
| Zeepproducten | 1 | 1 |
| Motorbrandstoffen | 2 | 0 |
| Medische diensten | 2 | 0 |
| Openbaar vervoer | 2 | 0 |
| Land- en bosbouw | 1 | 0 |
| Elektrotechnische apparaten en machines | 0 | 1 |
| Reparatie van sportartikelen en -vervoermiddelen | 0 | 0 |
Gebruik sporteconomie voor 53 procent consumptie door huishoudens
In figuur 2.2.2 zijn de belangrijkste bestedingscategorieën van de sporteconomie weergegeven. Het grootste deel van alle sportgoederen en -diensten wordt geconsumeerd door de huishoudens (53 procent), 19 procent wordt geconsumeerd door de overheid, 14 procent betreft wederuitvoer van met name sportgoederen, 9 procent betreft uitvoer uit binnenlandse productie en de resterende 5 procent zijn investeringen en voorraadverandering. Ruim 70 procent van alle sportgoederen en -diensten wordt dus geconsumeerd door ofwel de huishoudens ofwel de overheid; 22 procent wordt uitgevoerd waarbij de waarde van de wederuitvoer aanmerkelijk groter is dan de waarde van de uitvoer uit binnenlandse productie.
| 2022 (mld euro) | 2019 (mld euro) | |
|---|---|---|
| Consumptie huishoudens (incl. izw's) | 14,5 | 12,4 |
| Consumptie overheid | 5,2 | 4,5 |
| Wederuitvoer goederen | 3,7 | 2,5 |
| Uitvoer uit binnenlandse productie | 2,4 | 2,0 |
| Investeringen en voorraadverandering | 1,4 | 0,9 |
Overheidsconsumptie betreft vooral onderwijs
Zoals hiervoor gememoreerd wordt 19 procent van alle sportgoederen en -diensten geconsumeerd door de overheid. Uit figuur 2.2.3 blijkt dat dit vooral speelt bij de goederengroep onderwijs (w.o. lichamelijke opvoeding), medische diensten en logischerwijze de overheidsgoederen en -diensten zelf.
| Huishoudens (incl. IZW) (% van totaal sportconsumptie) | Overheid (% van totaal sportconsumptie) | |
|---|---|---|
| Diensten m.b.t. sport, fitness en recreatie | 23 | 1 |
| Horecadiensten | 16 | 0 |
| Onderwijs | 0 | 15 |
| Overheidsgoederen en -diensten | 0 | 9 |
| Sportartikelen | 7 | 0 |
| Sportkleding en ander -textiel | 5 | 0 |
| Reisbemiddeling en -verzekeringen | 5 | 0 |
| Motorbrandstoffen | 4 | 0 |
| Media, IT en R&D | 3 | 0 |
| Medische diensten | 1 | 2 |
| Sportvoeding en - drank | 2 | 0 |
| Vervoermiddelen | 2 | 0 |
| Openbaar vervoer | 2 | 0 |
| Zeepproducten | 1 | 0 |
| Land- en bosbouw | 1 | 0 |
| Reparatie van sportartikelen en - vervoermiddelen | 0 | 0 |
| Elektrotechnische apparaten en machines | 0 | 0 |
Bijna de helft uitvoer is wederuitvoer sportkleding of sportartikelen
Van de totale uitvoer van sportgoederen en -diensten is de wederuitvoer van sportkleding met 23 procent de grootste post, daarna volgt de wederuitvoer van sportartikelen (22 procent). Van de uitvoer uit binnenlandse productie zijn de sportvoeding en -drank en de vervoermiddelen het belangrijkste. Overall bestaat de totale uitvoer van de sporteconomie voor een derde (33 procent) uit uitvoer van in Nederland geproduceerde goederen. De binnenlandse productie van goederen en diensten levert normaliter per eenheid product een grotere bijdrage aan de Nederlandse economie (toegevoegde waarde) dan de wederuitvoer van goederen diensten.
| Uitvoer uit binnenlandse productie (% van totaal sportuitvoer) | Wederuitvoer goederen (% van totaal sportuitvoer) | |
|---|---|---|
| Sportkleding en ander -textiel | 1 | 23 |
| Sportartikelen | 1 | 22 |
| Sportvoeding en -drank | 16 | 1 |
| Vervoermiddelen | 7 | 8 |
| Zeepproducten | 6 | 4 |
| Media, IT en R&D | 5 | 1 |
| Openbaar vervoer | 4 | 0 |
| Elektrotechnische apparaten en machines | 1 | 2 |
| Overige goederen en diensten | 1 | 0 |
De sporteconomie per bedrijfstak
Naast het benoemen van de belangrijkste goederen en diensten binnen de sporteconomie en binnen de belangrijkste macro-economische grootheden (productie, consumptie, uitvoer e.d.) kan de sporteconomie ook gedetailleerd worden naar de verschillende bedrijfstakken die deze goederen en diensten produceren en zo bijdragen aan de toegevoegde waarde van de (sport)economie.
| 2022 (% van totaal bruto toegevoegde waarde sporteconomie) | 2019 (% van totaal bruto toegevoegde waarde sporteconomie) | |
|---|---|---|
| Onderwijs | 27 | 24 |
| Handel | 18 | 15 |
| Sport en recreatie | 13 | 15 |
| Horeca | 11 | 13 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 11 | 11 |
| Overige diensverlening | 5 | 6 |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 4 | 4 |
| Industrie, delfstoffenwinning, energie- en watervoorziening | 3 | 4 |
| Informatie en communicatie | 3 | 3 |
| Bouwnijverheid | 2 | 2 |
| Kunst, cultuur en kansspelen | 2 | 1 |
| Vervoer en opslag | 1 | 2 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 0 | 0 |
Binnen de sporteconomie is de bedrijfstak onderwijs met een aandeel van 27 procent in de totale toegevoegde waarde van de sporteconomie, het grootste (24 procent in 2019). Het aandeel van de bedrijfstak sport en recreatie bedroeg 13 procent (15 procent in 2019). Het aandeel van de bedrijfstak handel is toegenomen van 15 procent in 2019 tot 18 procent in 2022. Dit komt door de toegenomen handel in sportkleding en sportartikelen en de daaruit voortvloeiende handelsmarges. Het aandeel van de bedrijfstak horeca in de sporteconomie nam daarentegen af van 13 procent naar 11 procent.
Omgekeerd kan nagegaan worden voor welke bedrijfstakken sport een substantieel deel bijdraagt aan de toegevoegde waarde: binnen de bedrijfstak sport en recreatie komt 46 procent van de toegevoegde waarde voort uit de productie van sportgoederen en -diensten waaronder het sporten zelf (47 procent in 2019).8) Zeven procent van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak horeca kwam voort uit aan sport en sportevenementen gerelateerde omzet. Dit is een niet te verwaarlozen aandeel. Ook voor het onderwijs is de sporteconomie van meer dan marginaal belang: zes procent van de toegevoegde waarde van het onderwijs was aan sport gerelateerd. Precies een procent van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak handel kwam voort uit aan sport gerelateerde omzet. Dus, hoewel de bedrijfstak handel wel een groot aandeel heeft binnen de sporteconomie, is sport voor de bedrijfstak handel zelf niet zo belangrijk.
| 2022 (% van bruto toegevoegde waarde) | 2019 (% van bruto toegevoegde waarde) | |
|---|---|---|
| Horeca | 6,9 | 7,4 |
| Onderwijs | 6,0 | 6,0 |
| Kunst, cultuur en kansspelen | 2,7 | 0,9 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 1,7 | 1,9 |
| Handel | 1,5 | 1,3 |
| Informatie en communicatie | 0,6 | 0,7 |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 0,5 | 0,6 |
| Bouwnijverheid | 0,4 | 0,4 |
| Vervoer en opslag | 0,3 | 0,6 |
| Industrie, delfstoffenwinning, energie- en watervoorziening | 0,2 | 0,3 |
| Overige dienstverlening | 0,2 | 0,2 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 0,1 | 0,1 |
4) Als in dit rapport over groei of toename van de macro-economische grootheden wordt geschreven betreft het de nominale groei; dit in tegenstelling tot de nationale rekeningen waar groei veelal wordt uitgedrukt als volumemutatie (dus gecorrigeerd voor prijsmutaties).
5) Bron: StatLine
6) Het aandeel sportverenigingen dat personeel in loondienst heeft was in 2021 12 procent (11 procent in 2020, 13 procent in 2018; 17 procent in 2000) (Zie: StatLine).
7) De handels- en vervoersmarges komen alleen voor aan de aanbodzijde van de sporteconomie. Aan de gebruikszijde, waar het gaat over de bestedingen, zijn de handels- en vervoersmarges verwerkt in de prijzen van de geleverde goederen en diensten.
8) De andere helft betreft de (niet aan sport gerelateerde) toegevoegde waarde van bedrijven uit sbi 93.2 zoals pretparken en kermissen en de toegevoegde waarde die genereerd is met de productie van goederen en diensten die niet binnen de Vilniusdefinitie vallen. Ten behoeve van het beeld is de bedrijfstak sport en recreatie buiten figuur 2.2.6 gelaten.