Auteur: Jaap Walhout, Hanneke Posthumus, Manon Joosten, Jochem Zweerink
Richting een nieuw verdeelmodel voor lwoo

4. Stabiliteit

De stabiliteit van achterstandsbudgetten over de jaren heen is één van de criteria waaraan een geschikte verdeelsleutel voor OCW aan moet voldoen. Het gaat hierbij om de stabiliteit van het totale budget aan lichte ondersteuning per samenwerkingsverband waarbij pro en regionale ondersteuning ook meetellen. Hoe dit budget is vastgesteld, is in onderstaand kader toegelicht. 

4.1 Jaar-op-jaar veranderingen achterstandsbudgetten 

De figuren 4.1.1 en 4.1.2 laten voor beide scenario’s hypothetische verschuivingen in de achterstandsbudgetten tussen opvolgende jaren zien: hoe had het budget voor lichte ondersteuning van jaar op jaar gefluctueerd als de nu overwogen nieuwe systematiek al was ingevoerd in de periode 2017 tot en met 2020? De punten in de figuren geven de samenwerkingsverbanden weer. Een punt op de diagonaal geeft aan dat het achterstandsbudget tussen twee jaren gelijk is gebleven. Een punt boven de diagonaal duidt erop dat het budget hoger is in het nieuwe jaar dan in het oude jaar. Een punt onder de diagonaal juist dat het budget in het nieuwe jaar lager is. De figuren voor beide scenario’s laten zien dat nagenoeg alle punten op of tegen de diagonaal liggen. Dit betekent dat de achterstandsbudgetten behoorlijk stabiel zijn over de jaren voor beide scenario’s en dat er qua stabiliteit geen duidelijke verschillen tussen de scenario’s zijn. 

Kies een categorie:

Kies een categorie:

Dit beeld wordt bevestigd in de tabellen 4.1.3 en 4.1.4. Deze tabellen tonen per scenario hoeveel samenwerkingsverbanden er van jaar op jaar in absolute en relatieve zin meer of minder op voor- of achteruit zouden zijn gegaan. Bij de keuze voor een doelgroep van 15 procent, zou in de verschillende jaren tussen de 3 en 5 procent van de samenwerkingsverbanden én een absolute (positieve of negatieve) verandering van tenminste 500.000 euro én een percentuele (positieve of negatieve) verandering van tenminste 5 procent hebben gehad. Bij de keuze voor een doelgroep van 20 procent ligt dit percentage tussen de 0 en 4 procent. Het aandeel verbanden dat met absoluut én relatief grotere fluctuaties te maken krijgt is in beide scenario’s dus beperkt. 

De oorzaken voor de grootste fluctuaties verschillen van geval tot geval. Wel zijn er wat algemene patronen zichtbaar. Voor grote dalingen is het veelal zo dat grote dalingen van het aantal leerlingen een rol spelen. Aangezien 23 procent van het lwoo budget wordt verdeeld op basis van het aantal vmbo leerlingen in de bovenbouw, heeft een daling van het aantal leerlingen een directe invloed op het budget. De daling van het aantal leerlingen heeft dikwijls ook een negatief effect op het budget via verlaagde achterstandsscores, omdat het aantal leerlingen met een Turkse, Surinaamse of Noord-Afrikaanse herkomst dikwijls disproportioneel sterk krimpt.

Betreffende herkomsten dragen positief bij aan een onderwijsscore en dragen daarmee negatief bij aan de achterstandsscore en het budget. Bij grote stijgingen van het budget speelt de 23 procent van het lwoo budget die wordt verdeeld op basis van het aantal vmbo bovenbouwleerlingen een belangrijke rol. Naarmate er in totaal minder vmbo bovenbouwleerlingen zijn en het totale lwoo budget gelijk blijft, stijgt het lwoo budget per leerling.  Vooral voor samenwerkingsverbanden met veel leerlingen zorgt dit voor een sterke stijging van het budget. In deze samenwerkingsverbanden is doorgaans geen sprake van een sterke verschuiving in de leerlingpopulatie, maar is toch sprake van een sterke verandering van het budget.  Naast deze hoofdfactoren dragen veranderingen in het opleidingsniveau van de ouders en het aantal geïmputeerde onderwijsscores, deels gedreven door het aantal asielleerlingen, soms ook bij aan zowel grote dalingen als stijgingen in budgetten.

4.2 Tussenconclusie

We kunnen op basis van de analyses in dit hoofdstuk concluderen dat jaarlijkse veranderingen in achterstandsbudgetten over het algemeen klein zijn. Dit geldt voor beide scenario’s. Ook zijn de verschillen in stabiliteit tussen de scenario’s zeer beperkt.