Aanvullende onderzoeksbeschrijving Vermogensstatistiek van huishoudens (vanaf 2006)

Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV)

Over deze publicatie

Dit document geeft een beschrijving van de Vermogensstatistiek vanaf 2006. Aan bod komen onder andere de achtergrond, gebruikte bronnen en totstandkoming van de gegevens.

1. Inleiding

De Vermogensstatistiek geeft een beeld van de samenstelling en verdeling van het vermogen van huishoudens in Nederland. De statistieken over inkomen en vermogen komen tot stand via het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV). De basisgegevens worden grotendeels ontleend aan de administraties van de Belastingdienst op het gebied van de inkomstenbelasting.

In dit document wordt de Vermogensstatistiek vanaf 2006 beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de achtergrond van de Vermogensstatistiek en de verschillende vermogensbegrippen. Dan worden de gebruikte gegevens en de totstandkoming van de vermogenscijfers besproken. Tot slot komen de publicaties aan bod.

2. Achtergrond

2.1 Materiële welvaart

Welvaart is de mate waarin materiële behoeften met beschikbare middelen kunnen worden bevredigd. In het algemeen zijn de behoeften groter dan de middelen. Hoe de ‘schaarse’ welvaart verdeeld is over groepen is daarom een belangrijk maatschappelijk thema.

De hoekstenen van welvaart worden gevormd door de samenhangende concepten van inkomen, bestedingen, en vermogen. Besparingen zijn gedefinieerd als het inkomen minus de bestedingen, en vormen de link tussen deze drie concepten. Als het netto inkomen hoger is dan de bestedingen is er sprake van besparing, oftewel een positieve bijdrage aan het vermogen. En als de bestedingen groter zijn dan het inkomen is er sprake van ontsparing, en wordt er ingeteerd op de financiële reserves.

Het vermogen kan ook groeien of slinken door overdrachten (denk aan erfenissen, schenkingen,  en loterij-winsten) en door waardeontwikkeling van de bezittingen (met name de fluctuatie van huizenprijzen en aandelenkoersen).

2.2 Begrippen

Tot het vermogen wordt gerekend de bezittingen van huishoudens die op korte of middellange termijn omgezet kunnen worden in consumptieve bestedingen of bezittingen die leiden tot inkomsten die deel uitmaken van het inkomensbegrip besteedbaar inkomen. Op deze bezittingen worden de schulden in mindering gebracht. Belangrijk gevolg hiervan is bijvoorbeeld dat de waarde van de pensioenaanspraken niet wordt gerekend tot het vermogensbegrip van de Vermogensstatistiek. Over pensioenaanspraken kan een huishouden niet vrijelijk beschikken. Het is als het ware ‘geblokkeerd’ vermogen, tot de gerechtigde voldoet aan de voorwaarden voor een uitkering. Pensioenaanspraken zijn daarnaast niet overdraagbaar, en niet overerfbaar. Roerende zaken voor eigen gebruik, bijvoorbeeld de auto of inboedel worden ook niet gerekend tot het vermogensbegrip.

Onder vermogen wordt verstaan het verschil tussen bezittingen en schulden. De bezittingen bestaan uit bank- en spaartegoeden, effecten, onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en overige bezittingen. De schulden betreffen onder meer de hypotheek voor de eigen woning, studieschulden en overige schulden zoals voor consumptieve doeleinden.

De indeling van de vermogensbestanddelen die wordt onderscheiden is afgestemd op de indeling die wordt gebruikt voor het inkomen uit vermogen (zie tabel 2.2.1).

 

Hieronder worden de vermogensbestanddelen omschreven, zoals die gebruikt worden in de Vermogensstatistiek. De definities leunen voor een belangrijk deel op de fiscale omschrijvingen zoals gebruikt in de toelichtingen van de Belastingdienst. Dit is het gevolg van het feit dat de gegevens van de Belastingdienst de belangrijkste bron zijn voor deze statistiek.

  • Vermogen: saldo van bezittingen en schulden.
  • Vermogen excl. eigen woning: vermogen, exclusief de waarde van de eigen woning en de daarop rustende hypotheekschuld.
  • Bezittingen: som van de bank- en spaartegoeden, effecten, de eigen woning, overig onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en de overige bezittingen.
  • Financiële bezittingen: som van de bank- en spaartegoeden en effecten.
  • Bank- en spaartegoeden: alle tegoeden op rekeningen bij (spaar)banken, inclusief buitenlandse tegoeden.
  • Effecten: som van obligaties en aandelen. Obligaties betreft de beurswaarde van waardepapieren in de vorm van een schuldbekentenis tegen een vaste rente. Aandelen betreft de beurswaarde van aandelen en opties alsmede deelname in beleggingen.
  • Onroerend goed: som van de waarde van de eigen woning en overig onroerend goed.
  • Eigen woning: woning in eigendom en in gebruik als hoofdverblijf.
  • Overig onroerend goed: dit betreft bijvoorbeeld een tweede woning, een vakantiewoning, beleggingspanden, een los perceel (zoals een weiland) en dergelijke.
  • Ondernemingsvermogen: saldo van bezittingen en schulden behorend tot het bedrijfs- of beroepsvermogen van zelfstandig ondernemers.
  • Aanmerkelijk belang: het bedrijfsvermogen van aanmerkelijk belanghouders. Aanmerkelijk belanghouders hebben een bezit van ten minste 5 procent in het geplaatste aandelenkapitaal van een vennootschap.
  • Overige bezittingen: dit betreft onder meer contant geld, roerende zaken verhuurd of in gebruik als belegging, trustvermogen, aandeel in onverdeelde boedel, vermogen belast met vruchtgebruik of beperkt eigendom.
  • Schulden: som van hypotheekschuld, studieschulden en overige schulden.
  • Hypotheekschuld eigen woning: de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden via kapitaalverzekeringen eigen woning zijn deels in mindering gebracht.
  • Studieschuld: schulden volgens de wet studiefinanciering, exclusief voorlopige in gift omzetbare schulden.
  • Overige schulden: schulden voor onder andere consumptiedoeleinden, de financiering van aandelen, obligaties of rechten op periodieke uitkeringen, de financiering van de tweede woning of andere onroerend goederen, negatief saldo op een bankrekening, zorgschulden, belasting- en toeslagschulden.

3. Onderzoeksopzet

3.1 Gebruikte gegevens

Het merendeel van de gegevens voor de Vermogensstatistiek is afkomstig uit de Inkomstenbelasting (IB). Voor enkele vermogenscomponenten worden aanvullende bronnen gebruikt. Zo wordt gebruik gemaakt van gegevens over banktegoeden (Rentebase), effectenbezit (Dividendbase) en leningen (Leenbase) die Nederlandse financiële instellingen leveren aan de Belastingdienst, de zogenaamde renseigneringsbestanden. Dit zijn de bestanden die de Belastingdienst van de financiële instellingen ontvangt om de aangifte inkomstenbelasting vooraf te kunnen invullen. 
Verder zijn er gegevens over de waarde van onroerend goed op basis van de Waardering Onroerende Zaken (WOZ-waarden). Ook wordt gebruik gemaakt van de studieschulden afkomstig van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), en zorgschulden van het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Tabel 3.1.1 geeft een overzicht van de gebruikte bronnen per vermogensbestanddeel.


3.2 Tijd, peilmoment en populatie

De gegevens uit de Vermogensstatistiek hebben als peilmoment 1 januari van het onderzoeksjaar. Vermogen is daarmee een standgegeven. Sommige brongegevens (o.a. renseigneringsbestanden) hebben als peilmoment 31 december, dit wordt dan als proxy gebruikt voor de hoogte van het bedrag van één dag later, op peildatum 1 januari.

Standaard zijn alle geldbedragen in lopende prijzen, oftewel de statistiek wordt niet gecorrigeerd voor inflatie.

De populatie voor de Vermogensstatistiek bestaat uit alle particuliere huishoudens in Nederland. Uitgezonderd zijn personen die in instellingen, inrichtingen en tehuizen verblijven en (personen in) particuliere huishoudens waarvan geen inkomens- en vermogensgegevens vastgesteld kunnen worden. Geen gegevens moet opgevat worden als niet volledig bekend oftewel niet compleet waargenomen inkomen; deze groep is relatief gezien zeer beperkt van omvang en omvat onder andere tijdelijke en zeer recente migranten.

Vanuit de basisgegevens voor de Vermogensstatistiek kunnen de vermogens in principe toegewezen worden aan een persoon. Het is echter niet altijd duidelijk of de betreffende persoon feitelijk eigenaar is van een vermogensbestanddeel of dat er mogelijk mede-eigenaren zijn. Om deze reden publiceert de Vermogensstatistiek alleen gegevens op huishoudensniveau. De persoonsgegevens worden daarvoor op huishoudensniveau geaggregeerd.

3.3 Voorlopige en definitieve cijfers

In het laatste kwartaal na afloop van elk onderzoeksjaar komen voorlopige gegevens beschikbaar (1 januari 2020 voorlopig wordt eind 2021 gepubliceerd). Een jaar later worden deze vervangen door definitieve gegevens (1 januari 2020 definitief wordt eind 2022 gepubliceerd). ‘Definitief’ houdt in dat de cijfers voor de voorzienbare toekomst zijn vastgepind, oftewel dat zij tot in ieder geval de volgende revisie niet meer zullen wijzigen.

3.4 Totstandkoming van de cijfers

Het vermogen wordt vastgesteld op het niveau van huishoudens. De gegevens hiervoor zijn afkomstig van de personen die deel uitmaken van het huishouden.

Indien er vermogensinformatie beschikbaar is in de IB-gegevens, wordt deze gebruikt. Voor zover deze ontbreekt wordt deze aangevuld met informatie uit andere bronnen. Indien het vermogen onder de heffingsvrije grens valt hoeft er geen aangifte box 3 te worden gedaan. De vermogensgegevens worden dan bepaald op basis van de rente-, dividend- en leengegevens die de financiële instellingen verstrekken aan de Belastingdienst. Indien er geen aangiftegegevens over de eigen woning beschikbaar zijn, worden de WOZ-gegevens gebruikt. De WOZ-waarde heeft altijd betrekking op 1 januari een jaar eerder, met behulp van de prijsontwikkeling van bestaande koopwoningen wordt deze omgerekend naar het huidige statistiekjaar.

Het opgebouwd tegoed in spaar- en beleggingshypotheken wordt berekend aan de hand van informatie uit de Residential Real Estate (RRE) dataset. De hypotheekschuld wordt verminderd met dit bedrag. De huishoudens met een spaar- of beleggingshypotheek in 2019 vormen de populatie voor de jaren 2006 tot en met 2018. Voor deze huishoudens is het opgebouwd tegoed uit 2019 met behulp van de oorspronkelijke hypotheekschuld, looptijd en huidige rente teruggelegd tot 2006. Bij het terugleggen is geen rekening gehouden met rentewijzigingen of extra stortingen in de spaarpolis gedurende die periode. Huishoudens die voor 2019 hun spaar- of beleggingshypotheek al hebben afgelost zijn niet opgenomen in deze cijfers.

Studieschulden zijn afkomstig van DUO. Deze schulden omvatten studieschulden van huidige studenten volgens de Wet Studiefinanciering (WSF), exclusief voorlopige in gift omzetbare schulden, studieschulden van oud-studenten volgens de Inning Langlopende Schulden (ILS), en vanaf 2018 studieschulden volgens Levenlanglerenkrediet (LLLK).

Overige schulden betreft alle schulden, anders dan hypotheek- en studieschulden. Daar waar geen aangifte box 3 beschikbaar is, worden schulden aangevuld met roodstand uit de Rentebase en consumptieve kredieten uit de Leenbase. Belasting- en toeslagschulden worden volledig overgenomen uit de gegevens van de Belastingdienst. Belastingschulden betreffende omzet- en loonbelasting van ondernemers (natuurlijke personen) zijn reeds meegeteld in het ondernemingsvermogen. Zorgschulden bestaan uit een premieachterstand bij de zorgverzekeraar (imputatie) en openstaande bedragen bij het CAK. Informatie over zorgschulden is niet compleet; de schuld bij de zorgverzekeraar is onderschat.

Speciale groepen in de waarneming vormen de zelfstandig ondernemers en aanmerkelijk belanghouders. Het vermogen wordt op dezelfde wijze gemeten als voor de overige personen. Aanvullend wordt gebruik gemaakt van de gegevens die de zelfstandig ondernemers opgeven in de winstaangifte (box 1). Uit de vermogensvergelijking wordt de waarde van de onderneming aan het begin van het jaar overgenomen als het ondernemingsvermogen. Onroerend goed binnen het ondernemingsvermogen wordt gewaardeerd volgens de actuele WOZ-waarde.
Aanvullend wordt voor aanmerkelijk belanghouders gebruik gemaakt van gegevens uit de vennootschapsbelasting (vpb). Het aanmerkelijk belang (ab) is vastgesteld op basis van het fiscale ondernemingsvermogen en de verdeling van het aandelenbezit over de verschillende aanmerkelijkbelanghouders. Het onroerend goed in de vennootschap en eventuele deelnemingen worden hierbij gewaardeerd volgens de actuele waarde in het economisch verkeer. Voor meer informatie over de waarneming van het aanmerkelijk belang zie nota Herziening statistieken Aanmerkelijk Belang vanaf 2006.

3.5 Kwaliteit van de data

Bij vergelijking in de tijd moet rekening gehouden worden met een aantal wijzigingen, waaronder:

  • vanaf 2011 is een eerdere revisie doorgevoerd waardoor er veranderingen hebben plaats gevonden in de vaststelling van het vermogen en enkele indelingen (zie Herziening van de Inkomensstatistiek 2006).
  • vanaf 2011 is er completere informatie van de schulden beschikbaar. Belasting- en toeslagschulden, studieschulden en leningen bij banken worden vanaf dat moment volledig waargenomen. Vanaf 2014 worden ook zorgschulden waargenomen. Tot en met 2010 is de waarneming van de schulden onvolledig. Deze informatie was alleen beschikbaar voor huishoudens met belastbaar inkomen in box 3. Tot en met 2010 behoorden de studieschulden tot de overige schulden.
  • vanaf 2011 is er completere informatie van bank- en spaartegoeden en effecten beschikbaar. Alle kleine tegoeden worden vanaf dat moment ook waargenomen. Tot en met 2010 werden betaalrekeningen niet waargenomen via de rentebase. Ook hoefden spaartegoeden en effecten met niet meer dan 15 euro rente en een saldo kleiner of gelijk aan 500 euro niet opgegeven te worden door financiële instellingen.
  • het opgebouwd tegoed in spaar- en beleggingshypotheken is onvollediger bij elk jaar terug in de tijd. Het is niet uitgesloten dat aanmerkelijk belang met elke stap terug in de tijd ook iets onvollediger wordt waargenomen. Voorzichtigheid is daarom geboden bij het interpreteren en duiden van trends.

In 2021 heeft er een herziening van de Vermogensstatistiek plaatsgevonden, voor alle verslagjaren vanaf 2006. Voor meer informatie hierover zie nota Herziening van de Vermogensstatistiek 2006.

Door de verbeteringen van de Vermogensstatistiek wordt het vermogensbegrip beter waargenomen, echter nog steeds niet volledig. Er zijn nog enkele tekortkomingen in de waarneming van schulden. Creditcardschulden, betalingsachterstanden en schulden bij (web)winkels ontbreken.

4. Publicaties

Een overzicht van recente CBS publicaties met betrekking tot vermogen is beschikbaar via de themapagina Inkomen & Bestedingen, en reguliere vermogenstabellen (vanaf 2006) worden jaarlijks geactualiseerd op StatLine.

Voor de periode 2002-2014 zijn soortgelijke vermogensgegevens te vinden op StatLine. Wegens verschillen in de wijze van samenstelling zijn deze niet geheel vergelijkbaar met uitkomsten van latere jaren:

  • Er is een revisie doorgevoerd (zie paragraaf 3.5), daarom is gestart met een nieuwe reeks vanaf 2006.
  • De gegevens over de vermogensverdeling voor de periode t/m 2010 zijn gebaseerd op het Inkomenspanelonderzoek (IPO).

Voor de periode 1993-2000 zijn ook vermogensgegevens te vinden op StatLine. Wegens verschillen in de wijze van samenstelling zijn deze niet geheel vergelijkbaar met uitkomsten van latere jaren:

  • Het Nederlandse belastingstelsel is in 2001 gewijzigd. Tot en met 2000 werden de grote vermogens belast via de vermogensbelasting. Voor de personen met aangifte inkomstenbelasting werd de waarde van het vermogen afgeleid uit de inkomsten uit vermogen. Vanaf 2001 is het belastingstelsel herzien en is het zogenaamde boxenstelsel ingevoerd waarbij inkomsten- en vermogensbelasting geïntegreerd zijn.
  • De gegevens over de vermogensverdeling voor de periode 1993-2000 zijn gebaseerd op het Inkomenspanelonderzoek (IPO).

De in dit document beschreven statistiek is voor bevoegde onderzoeksorganisaties beschikbaar als microdata; zie de catalogus voor de diverse bestanden.