Economische ontwikkeling van de energievoorziening

4 Investeringen in energie en de daarmee gepaard gaande werkgelegenheid

In hoofdstuk 4.1 wordt eerst ingegaan op de ontwikkeling van de investeringen in energiegerelateerde activiteiten, waarbij wordt ingezoomd op de ontwikkeling van de investeringen in verschillende typen hernieuwbare energie. Deze investeringen resulteren uiteindelijk in nieuwe economische activiteiten die werkgelegenheid opleveren, bijvoorbeeld door de bouw van energiecentrales en windmolenparken, de installatie van zonnepanelen of het isoleren van woningen. De ontwikkeling van de werkgelegenheid als gevolg van deze investeringen wordt vervolgens in hoofdstuk 4.2 besproken.

4.1 Investeringen

De totale investeringen in energiegerelateerde activiteiten zijn tussen 2008 en 2014 toegenomen van 10,6 tot 13,6 miljard euro. Deze stijging werd voornamelijk veroorzaakt door investeringen in offshore windparken, kolencentrales en de installatie van zonnepanelen. Ook de investeringen in de olie- en gas winning en de aardolieraffinaderijen stegen in deze periode. Na 2014 daalden de investeringen in de conventionele sectoren, terwijl de investeringen in hernieuwbare energie, netwerken en energiebesparing licht zijn gestegen. In 2018 zijn de investeringen in de conventionele energie gestabiliseerd ten opzichte van 2017, maar zijn de investeringen in hernieuwbare energie gestegen. Hierdoor zijn de totale investeringen in energiegerelateerde activiteiten toegenomen naar 14,8 miljard euro.

Door investeringen in een aantal nieuwe kolencentrales en additionele boringen voor olie- en gaswinning, stegen de investeringen in de conventionele energie tot 2015. Na 2014 zijn deze investeringen voor zowel de olie- en gaswinning als de productie van elektriciteit en warmte uit fossiele brandstoffen teruggelopen van 5,7 miljard in 2014 tot 3,1 miljard in 2018. Van deze sectoren zijn alleen de investeringen van aardolieraffinaderijen in deze periode gestegen, van 800 miljoen euro naar 1 miljard euro.

4.1 Ontwikkeling van de investeringen
jaarProductie elektriciteit en warmte uit fossiele brandstoffen en kernenergie (mld euro)Aardolieraffinaderijen (mld euro)Olie- en gas winning (mld euro)Netwerken (mld euro)Warmte, geothermie en energie uit water (mld euro)Overig (incl Biomassa en biobrandstoffen) (mld euro)Windenergie (mld euro)Zonne-energie (mld euro)Energiebesparing (mld euro)
20082,00,62,01,80,60,50,60,12,4
20091,50,51,82,40,30,20,20,12,2
20102,00,51,62,50,30,90,20,12,5
20112,50,62,42,10,40,50,30,22,8
20122,90,82,02,30,40,30,40,42,5
20132,70,61,72,60,30,30,50,62,7
20142,60,82,32,60,30,21,10,53,0
20152,10,61,92,40,30,31,40,73,2
20161,00,71,63,60,40,21,10,93,6
20171,60,70,63,00,50,30,31,04,1
20181,61,00,63,60,70,41,11,84,1

Groei in investeringen in hernieuwbare energie, netwerken en energiebesparingen zet door

In de afgelopen jaren is de hernieuwbare energiesector geleidelijk gegroeid en daarmee steeds belangrijker geworden voor de Nederlandse economie. De groeiende sector hernieuwbare energie levert een positieve bijdrage aan de transitie naar een groenere economie. De totale investeringen in hernieuwbare energie zijn gestegen van 1,7 miljard euro in 2008 naar 4 miljard euro in 2018. In deze tijdsperiode zijn vooral de investeringen in zonne-energie toegenomen. Ook de investeringen in windenergie zijn gegroeid over de lange termijn, maar variëren sterk per jaar. Dit komt door de aanleg van grote windparken op zee, waardoor er investeringspieken ontstaan. Doordat de investeringen worden verspreid over een aantal jaar, wordt dit effect enigszins afgevlakt over meerdere jaren, maar na ingebruikname van een windpark vallen de investeringscijfers weer flink terug. Dit is zichtbaar in figuur 4.1. De aanleg van offshore windparken Luchterduinen en Gemini zorgden voor een investeringspiek tussen 2013 en 2016, waarna de investeringen vervolgens terugvielen. Vanaf 2018 wordt een deel van de investeringen voor het windpark Borssele meegenomen, omdat kavels I, II, III en IV sinds 2020 stroom leveren aan het Nederlandse energienetwerk.

Er was niet alleen een sterke groei in de totale investeringen in hernieuwbare energie, maar er heeft ook een structurele verschuiving tussen de verschillende typen hernieuwbare energiebronnen plaatsgevonden (figuur 4.2). Investeringen in zonne-energie waren in de periode van 2008 tot 2011 goed voor ongeveer 8 procent van de investeringen in hernieuwbare energie, terwijl dit aandeel in de periode van 2016 tot 2019 is toegenomen naar 42 procent. Ook het aandeel van de investeringen in windenergie is licht gestegen van gemiddeld 24 procent in de periode van 2008 tot 2011 naar gemiddeld 29 procent in de periode van 2016 tot 2019. Het aandeel van de overige hernieuwbare energiebronnen zoals warmte, geothermie, biomassa en biobrandstoffen is afgenomen in dezelfde periode.

4.2 Investeringen naar type hernieuwbare energie, 2008-2018
jaarWindenergie (mln euro)Zonne-energie (mln euro)Warmte, geothermie (mln euro)Biomassa en biobrandstoffen (mln euro)
200860953551465
2009176141349244
2010188117302883
2011297184359483
2012415447447255
2013545580283281
20141141533280213
20151423745298280
20161109853359220
2017254966516291
201811111764725441

Investeringen in de benodigde infrastructuur voor het transporteren en distribueren van gas en elektriciteit zijn toegenomen van 1,8 miljard euro in 2008 tot 3,6 miljard euro in 2018. Het gaat hier vooral om investeringen in het elektriciteitsnetwerk, waarbij de investeringen mede door de verduurzaming zijn toegenomen. De transitie naar de energievoorziening van de toekomst vraagt om hoge investeringen door netbeheerders (PBL et al. 2020, hoofdstuk 5.2.1). Deze investeringen zijn vooral gericht op het vergroten van de netcapaciteit en de ontwikkeling van een intelligent net. Energiebronnen op basis van wind en zon zorgen voor meer pieken en dalen in het elektriciteitsnetwerk. Om dit goed op te kunnen vangen, zijn er uitbreidingen en aanpassingen nodig. Ook de bouw van grote offshore windparken vraagt verdere integratie van windenergie op zee en land en leidt tot grote investeringen in de netwerken. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in verdere integratie met omringende landen, verbetering van de betrouwbaarheid en slimme meters.

Ook de investeringen in energiebesparing zijn toegenomen, deze zijn gegroeid van 2,4 miljard euro in 2008 naar 4,1 miljard euro in 2018. Deze stijging van investeringen in energiebesparing is zowel te zien bij huishoudens als bij bedrijven. De investeringen in energiebesparende maatregelen voor huishoudens zijn de afgelopen jaren gestimuleerd met subsidies zoals de Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH), de Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) en met goedkope leningen zoals het Nationaal energiebespaarfonds (NEF) (PBL et al. 2020, hoofdstuk 6.3.1). Voor kantoren geldt nieuw beleid dat voorschrijft dat kantoren vanaf 2023 verplicht energielabel C moeten dragen en dat gebouwinstallaties verder moeten worden geoptimaliseerd. Dit stimuleert de energiebesparende maatregelen (PBL et al. 2020, hoofdstuk 6.3.2).

4.2 Werkgelegenheid uit investeringen

De in de vorige paragraaf behandelde stijging van energiegerelateerde investeringen heeft gezorgd voor een stijgende werkgelegenheid tussen 2017 en 2018. De totale werkgelegenheid in activiteiten die voortvloeien uit investeringen 4)  in energiegerelateerde activiteiten is tot en met 2014 toegenomen tot 104 duizend voltijdequivalenten (voltijdbanen). Gedurende de periode 2008 tot en met 2014 vond de grootste stijging in werkgelegenheid plaats, door investeringen in conventionele energie (ruim 15 duizend voltijdbanen), gevolgd door die in netwerken (bijna 7 duizend voltijdbanen). Na 2014 daalde de werkgelegenheid in conventionele sectoren sterk, terwijl de werkgelegenheid in hernieuwbare energie, netwerken en energiebesparing is gestegen.

4.3 Ontwikkeling van de werkgelegenheid uit investeringen, uitgesplitst naar verschillende activiteiten
jaarOverige conventionele energieactiviteiten (1 000 arbeidsjaren)Exploratie olie- en gaswinning (1 000 arbeidsjaren)Netwerken (1 000 arbeidsjaren)Warmte, geothermie en energie uit water (1 000 arbeidsjaren)Overig (incl. Biomassa en biobrandstoffen) (1 000 arbeidsjaren)Windenergie (1 000 arbeidsjaren)Zonne-energie (1 000 arbeidsjaren)Elektrisch vervoer (1 000 arbeidsjaren)Energiebesparing (1 000 arbeidsjaren)
200828,53,76,41,72,62,92,30,422,9
200928,93,98,41,92,92,92,60,422,6
201033,23,66,82,03,03,22,80,623,5
201132,24,314,22,03,33,53,20,828,6
201236,54,613,02,02,13,84,71,325,7
201337,65,012,52,02,13,86,02,226,0
201442,15,513,31,92,14,55,62,626,5
201536,95,511,91,82,05,36,92,927,6
201629,84,315,42,12,14,37,63,031,1
201722,52,913,02,22,04,58,93,832,6
201823,32,614,02,32,24,815,94,227,5

In 2014 was er daarmee sprake van een omslagpunt. In de periode daarvoor, tussen 2008 en 2014, werd er geïnvesteerd in de bouw van kolencentrales. Toen deze waren opgeleverd nam de werkgelegenheid door investeringen in conventionele energie af. Na 2014 zijn de investeringen voor zowel de olie- en gaswinning als de productie van elektriciteit en warmte uit fossiele brandstoffen teruggelopen, en nam ook de hieraan gerelateerde werkgelegenheid af. In totaal is de werkgelegenheid in de conventionele sectoren gedaald van 42 duizend voltijdbanen in 2014 tot 23 duizend voltijdbanen in 2018.

Werkgelegenheid door investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparing

Terwijl de werkgelegenheid in de conventionele sectoren vanaf 2014 daalde, nam de werkgelegenheid in energiebesparingsactiviteiten en zonne-energie toe. Het gaat hier bijvoorbeeld om het isoleren van woningen en het plaatsen van zonnepanelen. Dit is arbeidsintensief werk en daardoor leveren deze investeringen relatief veel Nederlandse werkgelegenheid op. De werkgelegenheid die voortvloeit uit investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparing is toegenomen tot ruim 57 duizend voltijdbanen in 2018, in 2014 waren dit er nog 43 duizend. Dit is een stijging van 32 procent.

In 2018 kwam het grootste gedeelte van de werkgelegenheid uit energiegerelateerde investeringen voort uit energiebesparingsactiviteiten. Hierbij ging het vooral om isolatiewerkzaamheden, met name het isoleren van woningen en bedrijfspanden. De banen die de investeringen in energiebesparing opleverden zaten daarmee vooral in de bouwsector. De huidige krapte op de arbeidsmarkt, met name in de bouwsector, wordt dan ook als belemmering gezien voor verdere investeringen in hernieuwbare energie en de energiebesparing. Dit blijkt uit het UWV-rapport 'Kansrijke en minder kansrijke beroepen' (UWV, 2020).

Naast isolatiewerkzaamheden zijn bijvoorbeeld ook investeringen in elektrisch vervoer meegenomen in de categorie energiebesparing. Het gaat hierbij om een verscheidenheid aan activiteiten, zoals het plaatsen van de laadpalen, maar ook om de ontwikkeling en productie van batterijen, software, aandrijftechniek en voertuigen (zoals bussen en zogenoemde light electric vehicles).

4.4 Ontwikkeling van de werkgelegenheid uit investeringen in elektrisch vervoer
jaarElektrisch vervoer (1 000 arbeidsjaren)
20080,4
20090,4
20100,6
20110,8
20121,3
20132,2
20142,6
20152,9
20163,0
20173,8
20184,2


Deze investeringen in elektrisch vervoer leverden in 2018 ruim 4200 voltijdbanen op in Nederland. In 2008 waren dat er met 400 voltijdbanen nog ruim elf keer zo weinig. Inmiddels leveren investeringen in elektrisch vervoer al bijna net zoveel werkgelegenheid op als die in windenergie. In de transitie naar hernieuwbare energie is een belangrijke rol weggelegd voor elektrisch vervoer. In tegenstelling tot benzine- en dieselauto’s die meestal gebruikmaken van fossiele energie, heeft elektrisch vervoer de mogelijkheid om gebruik te maken van hernieuwbare energie. Tevens gaat elektrisch vervoer veel zuiniger om met energie. Omdat er minder restwarmte vrijkomt bij elektrisch vervoer, ligt het rendement veel hoger dan bij verbrandingsmotoren. Elektrisch vervoer is daarom veel efficiënter en kan een grotere afstand afleggen met dezelfde hoeveelheid energie.

3) De methode voor het ramen van de investeringen in warmte en biomassa is herzien. Door de inzet van nieuwe bronnen is er nu een vollediger beeld van deze investeringen, waardoor de cijfers hoger uitvallen dan voorheen. De herziening van de methode wordt toegelicht in het methoderapport (CBS, 2020).

4) Dat wil zeggen de werkgelegenheid die direct voortkomt uit investeringen, zoals de bouw van energiecentrales of het isoleren van woningen. Energie-exploitatie activiteiten zijn hierin niet meegenomen, deze worden apart behandeld in hoofdstuk 3.