8. Investeringen en financiële transacties
De besparingen van sectoren hebben invloed op het vermogen. Positieve besparingen zorgen voor een hoger vermogen. Negatieve besparingen verlagen het vermogen, er worden dan bijvoorbeeld schulden gemaakt of spaargelden aangesproken om het tekort tussen consumptie en inkomen af te dekken. Het vermogen kan ook stijgen of dalen door prijsstijgingen van bezittingen of schulden. Dit wordt in hoofdstuk 10 besproken.
Positieve besparingen kunnen op verschillende manieren worden ingezet. Ze kunnen worden gebruikt voor investeringen in niet-financiële activa, of worden aangehouden als financiële activa, bijvoorbeeld spaargeld of aandelen, of worden gebruikt om schulden mee af te lossen. Verder kan kapitaal ook (al dan niet vrijwillig) worden ‘weggegeven’. Tabel 8.1 geeft hier een overzicht van. Het uitgeven van aandelen door een bedrijf wordt hierbij gezien als het aangaan van een schuld.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | Buitenland | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| S | Besparingen | 163 | 32 | 32 | 97 | 323 | |
| M | Kapitaaloverdrachten | 2 | 0 | 10 | 34 | 46 | 3 |
| Saldo aangaan en aflossen van schulden | 46 | 25 | -11 | 36 | 96 | -379 | |
| B | Investeringen (bruto) | 107 | 6 | 36 | 72 | 221 | |
| Investeringen (netto) | 13 | 0 | 4 | 26 | 43 | ||
| Kapitaaloverdrachten | 0 | 0 | 16 | 32 | 48 | 1 | |
| Saldo aan- en verkopen van financiële activa | -34 | 332 | 11 | 37 | 346 | 71 | |
| S | Statistisch verschil | 138 | -282 | -32 | 27 | -149 | |
8.1 Investeringen en kapitaaloverdrachten
In 2024 bedroegen de investeringen 221 miljard euro. Het gaat hier om investeringen in kapitaalgoederen en voorraden. Investeringen in financiële activa, zoals het kopen van aandelen, vallen hier niet onder. Een groot deel van de investeringen betreft vervangingsinvesteringen. Ze zijn nodig om oude of verouderde kapitaalgoederen te vervangen. De veroudering van de kapitaalgoederen in een jaar wordt gemeten aan de hand van de afschrijvingen. De afschrijvingen bedroegen 178 miljard euro. Dit betekent dat de netto-investeringen 43 miljard euro bedroegen.
De grootste netto-investeringen vonden plaats in woningen, vooral het eigenwoningbezit. Omdat het bewonen van een eigen woning als productie en consumptie wordt gezien, wordt de aanschaf van een koopwoning als investering gezien, net als de aanschaf van een woning om te verhuren. De netto-investeringen in woningen bedroegen 23 miljard euro. De investeringen in meer traditionele kapitaalgoederen zoals gebouwen, en machines en installaties zijn echter ook structureel hoger dan de afschrijvingen.
Het ‘weggeven’ van kapitaal gebeurt via kapitaaloverdrachten. Het betreft hier onder andere investeringsbijdragen die de overheid doet voor grote investeringen, het kwijtschelden van prestatiebeurzen als studenten binnen 10 jaar hun studie voltooien, en erfenissen en erfbelasting.
8.2 Transacties in schulden en financiële activa
Het restant van de besparingen wordt gebruikt voor het aflossen van schulden en kopen van financiële activa. Het betreft onder meer spaarrekeningen, leningen, obligaties, aandelen, en pensioenrechten. Het aangaan van schulden wordt in tabel 8.1 geregistreerd als inkomsten (middelen), terwijl de aankoop van financiële activa als uitgave (bestedingen) wordt geregistreerd.
In de hele economie werd in 2024 per saldo voor 36 miljard euro aan schulden aangegaan en werd per saldo voor 132 miljard euro aan financiële activa aangekocht. Dit zijn voor een groot deel transacties met het buitenland. Per saldo is er voor 70 miljard euro aan financiële activa in het buitenland aangekocht en is er voor 26 miljard aan schulden aan het buitenland afgelost. De rest van de transacties zijn tussen Nederlands ingezetenen. De nettovorderingen van Nederland op het buitenland zijn hierdoor met 96 miljard euro toegenomen.
Niet-financiële bedrijven gebruikten hun besparingen behalve voor investeringen voor een groot deel voor het aflossen van schulden. Per saldo losten zij voor 28 miljard aan leningen en obligaties af.
De overheid is voor 11 miljard aan schulden aangegaan om alle uitgaven te dekken. Deze 11 miljard euro is het overheidstekort over 2024. De nieuwe schulden betreffen voornamelijk de uitgifte van obligaties.
Voor huishoudens bestonden de aankopen van financiële activa vooral uit het ‘aankopen’ van pensioenrechten, door middel van inleg in pensioenfondsen, en uit het plaatsen van hun geld op spaarrekeningen. Aan de andere kant werd er per saldo ook 37 miljard aan schulden aangegaan. Dit betreft voor het overgrote deel het aangaan van woninghypotheken, verrekend met de aflossingen op woninghypotheken.
Voor financiële instellingen zijn de financiële transacties voor een groot deel gerelateerd aan de transacties met de andere binnenlandse sectoren. Voor huishoudens gaat het om spaartegoeden, woninghypotheken, inleg in pensioenfondsen en aan- en verkopen van activa gedaan met de inleg in de pensioenfondsen. Financiële instellingen bezitten ook een groot deel van de obligaties die de overheid uitgeeft. Niet-financiële vennootschappen houden spaartegoeden aan en maken gebruik van leningen verstrekt door financiële instellingen.
Financiële instellingen hebben echter ook vele financiële transacties onderling of met het buitenland, bijvoorbeeld pensioenfondsen die aandelen hebben in beleggingsfondsen of obligatieleningen verstrekken aan buitenlandse partijen. Al deze transacties zorgden samen voor een toename van het saldo van schulden en bezittingen van 25 miljard euro.
In theorie moeten de genoemde transacties in dit hoofdstuk precies optellen tot de besparingen. In de praktijk sluiten de verschillende bronnen niet helemaal aan. Daarom blijft er nog een statistisch verschil over. Dit statistische verschil heeft economisch geen betekenis, maar toont alleen een inconsistentie tussen de onderdelen van de nationale rekeningen.