3. Productie en bruto binnenlands product (bbp)
Alle invalshoeken van de Nederlandse economie hangen met elkaar samen. De beschrijving van de economie kan daarom ook op meerdere plaatsen beginnen: bij de consumptie van huishoudens, bij arbeid verricht door werknemers of bij geld dat bedrijven ophalen om hun bedrijf operationeel te krijgen. Dit artikel begint net als het rekeningenstelsel bij de productie. Dat er geen productie kan zijn zonder arbeidsinzet, leningen, en/of investeringen komt later in het artikel naar voren.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nog niet toegewezen | Nederland | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| M | Productie | 1572 | 94 | 208 | 286 | 2 160 | |
| Productgebonden belastingen | 117 | 117 | |||||
| B | Intermediair verbruik | 918 | 45 | 75 | 114 | 1 152 | |
| Productgebonden subsidies | 2 | 2 | |||||
| S | Toegevoegde waarde/ bbp | 654 | 49 | 133 | 172 | 1 122 | |
3.1 Productie
De productie bestaat uit alle goederen en diensten die door de Nederlandse sectoren zijn geproduceerd. In 2024 bedroeg de waarde van de productie meer dan 2 biljoen euro. Het grootste deel wordt geproduceerd door niet-financiële bedrijven. Producenten van goederen (landbouwproducten, industriële producten en energie) produceerden ter waarde van 0,5 biljoen euro. Dienstenproducenten, zoals bouw, handel, transport, zorg en zakelijke diensten, produceerden ter waarde van ongeveer 1,1 biljoen euro.
De productie van financiële instellingen betreft vaak diensten die indirect worden betaald. Hierbij kan worden gedacht aan diensten van beleggingsfondsen en pensioenfondsen die uit de inleg in deze fondsen worden ‘betaald’. Een ander voorbeeld zijn diensten van banken die worden ‘betaald’ uit het verschil tussen de rente die banken vragen op leningen en de rente die zij betalen op spaargeld. De betaling van de geleverde diensten is dan indirect verwerkt in de transacties van deze instellingen. De productie bevat echter ook directe betalingen voor bijvoorbeeld financiële advisering.
De productie van de overheid bestaat uit diensten die de overheid levert aan de burgers en bedrijven in Nederland. Dit kunnen expliciete diensten zijn, zoals het leveren van onderwijs aan kinderen of het ophalen en verwerken van afval. De diensten die worden geleverd door bijvoorbeeld defensie of door beleidsafdelingen van een gemeente worden echter ook tot de productie van de overheid gerekend. Voor het merendeel van deze diensten worden geen expliciete vergoedingen gerekend. De overheid betaalt deze vanuit geïnde belastingen en premies. Voor enkele van de diensten van de productie rekent de overheid (deels) vergoedingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kosten voor het aanvragen van een paspoort of bij collegegeld voor het hoger onderwijs. De vergoedingen die worden gevraagd voor deze diensten bedroegen 28 miljard euro in 2024.
De productie van huishoudens bestaat voor 220 miljard euro uit de productie van goederen en diensten door zelfstandigen. Een ander deel komt voort uit het eigenwoningbezit. Zoals in het kader over het rekeningenstelsel in hoofdstuk 2 is uitgelegd wordt het bewonen van een eigen woning behandeld alsof de huizenbezitter het huis aan zichzelf verhuurt voor een marktconforme prijs. Deze geïmputeerde huur (54 miljard euro) valt ook onder de productie. Een klein deel van de productie (10 miljard euro) bestaat uit de diensten die instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens leveren. Net als bij de overheid zijn dit vooral diensten waar geen expliciete vergoeding voor wordt gevraagd. Deze diensten worden voornamelijk betaald uit lidmaatschapsgelden en donaties.
3.2 Intermediair verbruik en toegevoegde waarde
De productie geeft een goed beeld van wat er in de economie wordt geproduceerd, maar geeft een minder goed beeld van wat er in de economie aan waarde wordt gecreëerd. De productiewaarde van bijvoorbeeld een machine hangt niet af van welk deel van het maken van de machine een bedrijf zelf heeft gedaan en welk deel het heeft uitbesteed. Het geld dat een bedrijf hiermee verdient echter wel. Om een goed beeld te krijgen van de waarde die in de economie wordt gecreëerd wordt daarom het intermediair verbruik op de productie in mindering gebracht.
Het intermediaire verbruik bestaat uit alle goederen en diensten die een bedrijf gebruikt in het productieproces. Dit zijn onder andere grond- en hulpstoffen die een bedrijf nodig heeft voor het maken van goederen. Diensten die een bedrijf nodig heeft, zoals accountancydiensten, transportdiensten of uitbesteed werk aan onderaannemers, vallen ook onder het intermediaire verbruik. Loonkosten van personeel en investeringen in bijvoorbeeld machines en vervoermiddelen vallen niet onder het intermediaire verbruik. Bijvoorbeeld voor een bakker bestaat het intermediaire verbruik uit onder andere grond- en hulpstoffen zoals meel, gist, water, en stroom, maar ook uit algemene kosten zoals verzekeringsdiensten, de huur van een bedrijfsgebouw en koffie voor het personeel.
Deze goederen en diensten kunnen zowel bij andere Nederlandse bedrijven worden afgenomen als worden geïmporteerd. Het intermediaire verbruik in de Nederlandse economie is ongeveer de helft van de productie.
Het verminderen van de productie met het intermediaire verbruik levert de toegevoegde waarde op. De toegevoegde waarde wordt gebruik om de economische omvang en groei van een sector of bedrijfstak te meten.
3.3 Productgebonden belastingen en subsidies en bbp
Voor de economie als geheel worden de productgebonden belastingen bij de toegevoegde waarde opgeteld en worden productgebonden subsidies hiervan afgetrokken om tot het bruto binnenlands product (bbp) te komen. Productgebonden belastingen zijn belastingen die afhankelijk zijn van de verkochte hoeveelheid goederen en diensten. Belangrijke voorbeelden zijn de btw en accijnzen op brandstof en alcohol. Aangezien de waarde die gebruikers betalen voor de goederen en diensten inclusief deze belastingen is, wordt dit ook tot de in Nederland gecreëerde waarde en dus tot het bbp gerekend.
Productgebonden subsidies, in de praktijk vrijwel alleen subsidies op duurzame energie, zijn juist nodig omdat een goed of dienst anders zo duur is dat het minder wordt verkocht dan de overheid wenselijk vindt. Dit wordt daarom van het bbp afgetrokken.
De productgebonden belastingen en subsidies worden in tabel 3.1 van het economisch overzicht nog niet toegewezen aan sectoren die de belastingen ontvangen en de subsidies uitkeren (de Nederlandse en de Europese overheid). Internationaal is afgesproken de toegevoegde waarde van de overheid te beperken tot de creatie van waarde door productie van goederen en diensten. De creatie van waarde door belastingheffing of het verstrekken van subsidies wordt dus buiten de toegevoegde waarde gehouden. De productgebonden belastingen en subsidies worden in hoofdstuk 4 alsnog aan de betreffende sectoren toegerekend. Het gevolg van deze registratie is dat de toegevoegde waarde van de verschillende sectoren niet optellen tot het bbp.
Het bbp is een van de belangrijkste economische variabelen. De economische groei van een land wordt berekend als de groei van het bbp. Ook wordt het gebruikt om de omvang van de economie van landen te vergelijken. In 2024 bedroeg het bbp van Nederland ruim 1,1 biljoen euro, oftewel 62 duizend euro per inwoner. Binnen de Europese Unie hebben alleen Luxemburg, Ierland en Denemarken een hoger bbp per inwoner.