Auteur(s): Dirk van den Bergen
Inkomen en vermogen in de Nederlandse economie

7. Impact herverdeling van inkomen op verschillende groepen huishoudens

Dit hoofdstuk beschrijft de impact van de herverdeling van inkomen op het inkomen en de besparingen van verschillende groepen van huishoudens. Hierbij wordt gekeken naar het gestandaardiseerd inkomen van huishoudens. Het gestandaardiseerd inkomen is het inkomen van een huishouden gecorrigeerd voor het aantal personen in een huishouden, zodat eenpersoonshuishoudens kunnen worden vergeleken met meerpersoonshuishoudens. Ook wordt er rekening gehouden met de schaalvoordelen van samenwonen, bijvoorbeeld dat woonlasten per persoon lager zijn als er meer personen in één huis wonen. Hierdoor kan het inkomen worden gezien als een maat voor de welvaart van (de leden van) een huishouden.

Tabel 7.1 toont het verdiend inkomen, (alternatief) beschikbaar inkomen en besparingen naar inkomensgroepen. De data hebben betrekking op 2023, aangezien data voor 2024 nog niet beschikbaar zijn. De verdeling naar inkomensgroepen is gebaseerd op het beschikbaar inkomen. Dat wil zeggen dat de groep ‘0 tot 10 procent’ de 10 procent van de huishoudens zijn met het laagste (gestandaardiseerd) beschikbaar inkomen.

7.1 Gestandaardiseerd inkomen en besparingen per huishouden naar inkomensgroepen, duizend euro, 2023
InkomensgroepVerdiend inkomenBeschikbaar inkomenAlternatief beschikbaar inkomenConsumptieInleg min opname pensioenenBesparingen
0 tot 10 procent8723400-17
10 tot 20 procent9193845-1-8
20 tot 50 procent26294547-1-4
50 tot 80 procent5843575338
80 tot 90 procent86577057719
90 tot 100 procent1489410669946

De groep met het laagste beschikbaar inkomen had een verdiend inkomen van slechts 8 duizend euro. Het verdiende inkomen van de groep met het hoogste beschikbare inkomen was met 148 duizend euro bijna twintig keer zo hoog.

Door herverdeling, vooral door de overheid en pensioenfondsen, is het beschikbaar inkomen van de huishoudens met een bovengemiddeld beschikbaar inkomen lager dan hun verdiende inkomen. Huishoudens met lage verdiende inkomens gaan er door de herverdeling veelal op vooruit, zoals de inkomensgroepen tussen de 10 en 50 procent.

De groep met de allerlaagste beschikbare inkomens, de onderste 10 procent, gaat er echter op achteruit. Deze groep bestaat onder andere uit:

  • Uitwonende studenten: de studiebeurzen zijn op het moment van ontvangen leningen in plaats van een uitkering;
  • Mensen die vervroegd met pensioen gaan en dit financieren uit gespaard vermogen, dat is opgebouwd buiten de pensioenregelingen; en
  • Zelfstandige ondernemers die verlies maken.

Doordat deze groep wel belasting betaalt en relatief weinig uitkeringen van de overheid ontvangt, is het beschikbaar inkomen lager dan het verdiende inkomen. Deze groep bestaat overigens niet noodzakelijk uit de huishoudens met de laagste verdiende inkomens. De verdeling is namelijk op basis van het beschikbare inkomen. Huishoudens met lage inkomens die hogere uitkeringen van de overheid ontvangen komen daardoor in een hogere inkomenscategorie terecht.

Zoals uitgelegd in hoofdstuk 6 is een groot deel van de consumptie van de overheid toe te wijzen aan individuele huishoudens. Deze uitgaven kunnen ook gezien worden als inkomen van de betreffende inkomens die vervolgens door hen wordt geconsumeerd, vooral uitgaven aan onderwijs en zorg. Door dit mee te nemen, krijg je het alternatief beschikbaar inkomen.

Het alternatief beschikbaar inkomen houdt dus rekening met het feit dat een deel van de goederen en diensten die huishoudens consumeren door de overheid wordt betaald. Het alternatief beschikbaar inkomen van de groep met de laagste inkomens was 23 duizend euro. Dat is nog steeds fors lager dan het inkomen van de groep met de hoogste inkomens, maar scheelt nu nog maar een factor vijf in plaats van een factor twintig.

Het grootste deel van het beschikbaar inkomen wordt geconsumeerd. De consumptie, inclusief de overheidsconsumptie die aan individuele huishoudens is toe te rekenen, is voor de hoogste inkomensgroep 75 procent hoger dan de consumptie van de laagste inkomensgroep. Voor de lagere inkomensgroepen is de consumptie hoger dan het beschikbaar inkomen.

 

Ten slotte wordt de inleg of opname van pensioenvermogens toegevoegd om tot de besparingen te komen. Bij de besparingen is een duidelijk verschil te zien tussen de lagere inkomens en hogere inkomens. Ongeveer de helft van de huishoudens heeft negatieve besparingen, de laagste inkomens ontspaarden 17 duizend euro. Voor een deel van de huishoudens is dit gepland. Leven van een pensioenuitkering wordt bijvoorbeeld gezien als ontsparen. Het eerder gespaarde pensioenvermogen wordt immers opgemaakt. Er zullen echter ook huishoudens tussen zitten die ongewenst niet kunnen rondkomen.


De hogere inkomens spaarden juist fors. De besparingen van de hogere inkomens waren hoger dan de ontsparingen van de lagere huishoudens. De huishoudens als geheel spaarden in 2023 hierdoor 82 miljard euro. Onderliggend zijn er dus wel grote verschillen tussen inkomensgroepen.

Het effect van de herverdeling van inkomen kan ook vanuit de leeftijdsopbouw worden bekeken. Tabel 7.2 toont inkomen en besparingen naar leeftijd van de hoofdkostwinner.

7.2 Gestandaardiseerd inkomen en besparingen van huishoudens naar
leeftijd hoofdkostwinner, duizend euro, 2023
LeeftijdsgroepVerdiend inkomenBeschikbaar inkomenAlternatief beschikbaar inkomenConsumptieInleg min opname pensioenenBesparingen
0 tot en met 34 jaar5034464555
35 tot en met 44 jaar64445954611
45 tot en met 54 jaar71486355714
55 tot en met 64 jaar74496051716
65 jaar en ouder22345252-9-9

Het verdiende inkomen van de groep 65 jaar en ouder is aanzienlijk lager dan dat van de andere leeftijdsgroepen. In deze leeftijdsgroep zitten veel gepensioneerden.

Ook de groep 0 tot en met 34 jaar heeft een lager verdiend inkomen dan de groepen van 35 tot en met 64 jaar. Deze leeftijdsgroep bestaat deels uit uitwonende studenten, die vanwege hun studie niet (voltijds) werken en daardoor een laag verdiend inkomen hebben. Hiernaast hebben werkenden in deze leeftijdscategorie minder werkervaring. Salarissen stijgen veelal met dienstjaren, waardoor werknemers in deze leeftijdscategorie gemiddeld minder verdienen dan werknemers in hogere leeftijdscategorieën.

De leeftijdsgroep 65 jaar en ouder heeft dankzij pensioen- en AOW-uitkeringen een beschikbaar inkomen dat ongeveer even hoog is als de leeftijdsgroep 0 tot en met 34 jaar. Als naar het alternatieve beschikbaar inkomen wordt gekeken is dit zelfs beduidend hoger. Een groot deel van de consumptie van de overheid die aan individuele huishoudens kan worden toegerekend betreft zorguitgaven. Aangezien ouderen hogere zorguitgaven hebben, leidt toerekenen van deze uitgaven tot het inkomen van huishoudens tot een grotere stijging van het inkomen van de leeftijdsgroep 65 jaar en ouder dan bij andere leeftijdsgroepen.

Bij de andere leeftijdscategorieën daalt het inkomen door herverdelingen. Dit geldt ook voor de leeftijdsgroep 0 tot en met 34 jaar, ook al heeft deze leeftijdsgroep een relatief laag verdiend inkomen. Een deel van het verdiende inkomen gaat op aan betaalde belastingen en premies. De studiebeurzen die studenten in deze leeftijdsgroep van de overheid ontvangen zijn leningen en geen inkomen. Deze leningen worden pas bij tijdig afstuderen omgezet in een gift. Deze omzetting wordt gezien als een kapitaaloverdracht (zie hoofdstuk 8), wat buiten het beschikbaar inkomen valt.

Een belangrijk deel van het beschikbaar inkomen van de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder is verkregen door in te teren op het gespaarde pensioenvermogen, wat zoals eerder gezegd wordt gezien als een vorm van ontsparen. In 2023 werd er gemiddeld 9 duizend euro aan pensioenvermogen opgemaakt. De besparingen van de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder zijn gemiddeld genomen dan ook negatief. In de andere leeftijdsgroepen sparen huishoudens gemiddeld genomen.