6. Consumptie en besparingen
Het beschikbaar inkomen kan worden gebruikt voor consumptie van goederen en diensten. Tabel 6.1 toont de consumptie en de besparingen (het saldo van het beschikbaar inkomen en consumptie).
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| S | Beschikbaar inkomen | 163 | 63 | 322 | 554 | 1 101 |
| B | Consumptieve bestedingen | 290 | 488 | 778 | ||
| Consumptie huishoudens | 480 | 480 | ||||
| Overdrachten aangekochte marktproducten | 118 | 118 | ||||
| Consumptie niet-marktproductie | 172 | 8 | 180 | |||
| Correctie pensioenvoorziening | 31 | -31 | 0 | |||
| S | Besparingen | 163 | 32 | 32 | 97 | 323 |
Huishoudens consumeerden voor 488 miljard euro aan goederen en diensten. De grootste uitgavencategorie was huisvesting, water en energie, waaraan huishoudens ruim 100 miljard euro uitgaven. Dit is inclusief 54 miljard euro fictieve consumptie van woondiensten door eigenwoningbezitters. De uitgaven van de instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens worden ook tot de consumptie van huishoudens gerekend.
De consumptie van de overheid valt uiteen in twee categorieën. De overheid kocht voor 118 miljard euro goederen en diensten in, die direct aan huishoudens ter beschikking werden gesteld. Het overgrote deel hiervan betreft zorguitgaven die de overheid voor de burgers betaalt, inclusief vergoedingen vanuit de basiszorgverzekering. Aangezien premies voor de basiszorgverzekering worden behandeld als premies betaald aan de overheid, worden de uitkeringen ook behandeld als consumptie door de overheid. De zorgverzekeraars zelf worden tot de financiële instellingen gerekend.
De resterende 172 miljard euro is de consumptie van de overheid van haar eigen productie. Dit zijn de diensten die overheid heeft geproduceerd en heeft gefinancierd uit algemene middelen. Van deze consumptie kan 77 miljard worden toegerekend aan individuele huishoudens. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitgaven aan onderwijs (47 miljard euro), die kunnen worden toegeschreven aan de personen die het betreffende onderwijs volgen. Het restant zijn kosten die voor de bevolking in het algemeen zijn, zoals consumptie van defensie, openbare orde, of milieubescherming.
Bedrijven consumeren niet. Hun uitgaven zijn gericht op de productie van goederen en diensten en worden voornamelijk als intermediair verbruik of als investeringen geboekt.
Het verschil tussen het beschikbaar inkomen en de consumptie zijn de besparingen. Als huishoudens of de overheid minder consumeren dan het beschikbare inkomen, dan sparen ze het verschil. Omdat bedrijven niet consumeren, zijn hun besparingen gelijk aan hun beschikbaar inkomen. Positieve besparingen kunnen worden gebruikt voor investeringen in niet-financiële activa (zoals woningen of machines) of financiële activa (zoals een spaarrekening of aandelen), of voor of het aflossen van schulden.
Om de besparingen van de sectoren huishoudens en financiële instellingen te bepalen, is er nog een correctie nodig voor de pensioenvoorziening. Zoals genoemd in hoofdstuk 5 betalen huishoudens 31 miljard euro meer directe en indirecte premies aan pensioenfondsen dan dat zij aan pensioenuitkeringen krijgen. Omdat huishoudens hiermee pensioenrechten opbouwen, worden de besparingen aan de huishoudens toegerekend en niet aan de pensioenfondsen. Dit wordt gedaan door een fictieve betaling met de omvang van deze besparingen van pensioenfondsen aan huishoudens te registreren.
Huishoudens sparen structureel een fors deel van hun inkomen. In 2024 was dit 17 procent. Dit ligt iets boven het gemiddelde van de EU, dat 14 procent bedroeg. Ook voor Nederland als geheel zijn de besparingen met 323 miljard euro een fors deel van het beschikbaar inkomen (29 procent). Dit bedrag is echter wel vertekend, omdat dit bedrag inclusief 178 miljard euro aan afschrijvingen is. Een groot deel van deze 323 miljard euro is dan ook nodig voor de vervanging van oude of verouderde investeringsgoederen. Hoofdstuk 8 gaat hier verder op in.