4. Verdiend inkomen
De toegevoegde waarde en het bbp worden deels gebruikt voor het betalen voor de inzet van arbeid en kapitaal. Tabel 4.1 geeft een overzicht van deze betalingen. Dit omvat ook de betaling voor de inzet van arbeid en kapitaal om het bbp van andere landen te maken. Nederlandse werknemers of bedrijven hoeven hun arbeid en kapitaal immers niet noodzakelijk in Nederland in te zetten, maar kunnen dit ook in andere landen doen.
In tabel 4.1 staan de betalingen uitgezonderd de productgebonden belastingen en subsidies dubbel opgenomen. Ze staan opgenomen als middelen van een sector en als bestedingen. Het loon dat een niet-financieel bedrijf betaalt aan een in Nederland wonende werknemer staat opgenomen bij de bestedingen van de niet-financiële bedrijven en bij de middelen van de huishoudens. De totale middelen en bestedingen zijn dan ook gelijk aan elkaar. De totale beloning van werknemers (van Nederland en het buitenland) is voor zowel middelen als bestedingen 530 miljard euro. De betaalde productgebonden belastingen en ontvangen productgebonden subsidies zijn onderdeel van het intermediaire verbruik in tabel 3.1 en worden daarom niet nogmaals opgenomen in tabel 4.1.
Het startpunt van tabel 4.1 is de toegevoegde waarde en niet het bbp. De onverdeelde ontvangen productgebonden belastingen en betaalde productgebonden subsidies uit tabel 3.1 zijn in tabel 4.1 verdeeld naar sectoren opgenomen. Starten met het bbp zou daarom tot een dubbeltelling leiden.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | Buitenland | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| S | Toegevoegde waarde | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| M | Beloning van werknemers | 514 | 514 | 16 | |||
| Inkomen uit vermogen | 148 | 392 | 11 | 87 | 638 | 382 | |
| Productgebonden belastingen | 113 | 113 | 3 | ||||
| Niet-productgebonden belastingen | 13 | 13 | 0 | ||||
| Niet-productgebonden subsidies | 13 | 0 | 0 | 2 | 16 | ||
| B | Beloning van werknemers | 381 | 25 | 98 | 22 | 525 | 4 |
| Inkomen uit vermogen | 220 | 372 | 11 | 31 | 635 | 385 | |
| Niet-productgebonden belastingen | 8 | 1 | 1 | 2 | 13 | ||
| Productgebonden subsidies | 2 | 2 | 0 | ||||
| Niet-productgebonden subsidies | 14 | 14 | 2 | ||||
| S | Verdiend inkomen/ bruto nationaal inkomen | 206 | 43 | 144 | 720 | 1 112 | |
Bijna de helft van het bbp wordt uitgegeven als beloning van werknemers. Deze beloning bevat ook sociale premies die direct door bedrijven aan de overheid en pensioenuitvoerders worden uitgekeerd. Het inkomen dat zelfstandigen verdienen voor hun arbeidsinzet maakt hier geen onderdeel van uit. In 2024 waren er in Nederland 8,5 miljoen werknemers werkzaam, die omgerekend in 6,9 miljoen voltijdbanen werkten. De gemiddelde beloning per voltijdbaan was daarmee ongeveer 76 duizend euro.
Nederlandse huishoudens ontvangen de overgrote meerderheid van de beloning van werknemers. Ongeveer 16 miljard euro komt terecht bij buitenlandse huishoudens. Dit zijn werknemers die tijdelijk in Nederland werkzaam zijn, zoals seizoenarbeiders, of werknemers die in het buitenland wonen, maar in Nederland werken. Andersom verdienden Nederlandse huishoudens, die bij buitenlandse bedrijven of internationale organisaties werkzaam zijn 4 miljard euro.
Een ander deel van het (Nederlandse en internationale) bbp is voor de verstrekkers van kapitaal. Het betreft hier voornamelijk dividenden op aandelen en rente op leningen en obligaties. Opvallend zijn de hoge betalingen aan en ontvangsten uit het buitenland. Dit komt doordat Nederland een ‘doorvoerfunctie’ heeft voor deze financiële stromen. Financiële stromen van veel buitenlandse bedrijven lopen via Nederland. Dit zijn de eerdergenoemde brievenbusfirma’s.
Daarnaast is het Nederlandse bedrijfsleven sterk verweven met het buitenland. Nederland heeft multinationals met veel bedrijfsonderdelen in het buitenland, maar heeft ook veel bedrijven met een buitenlandse moeder. Door beide typen van financiële verwevenheid ontvangen Nederlandse bedrijven veel inkomen uit het buitenland, maar betalen zij ook veel inkomen aan het buitenland. Per saldo zijn de betalingen en ontvangsten ongeveer gelijk.
De productgebonden belastingen en subsidies, die in tabel 3.1 nog niet aan sectoren waren toegerekend, worden in tabel 4.1 wel aan sectoren toegerekend. Vrijwel alle productgebonden belastingen worden aan de Nederlandse overheid betaald. Alleen de invoerrechten worden aan de Europese overheid betaald. De productgebonden subsidies worden allemaal door de Nederlandse overheid verstrekt. Door het toewijzen van deze belastingen en subsidies aan sectoren, tellen de sectoren weer op tot de totale economie.
De Nederlandse en Europese overheid grijpen verder nog in beperkte mate in op het productieproces met belastingen en subsidies op het gebruik van productiemiddelen of op de uitstoot van schadelijke stoffen. Het betreft bijvoorbeeld onroerendezaakbelasting, motorrijtuigenbelasting, loonsubsidies en zuiveringslasten. Voor de betalende sectoren heeft dit tot gevolg dat er minder inkomen overblijft door te betalen belastingen, terwijl subsidies het omgekeerde effect hebben. Voor de sector overheid vormen de belastingen een deel van het inkomen, terwijl de subsidies het inkomen verlagen.
Samen leidt dit tot het verdiende inkomen van een sector. Het verdiende inkomen van alle sectoren samen is het nationaal inkomen van Nederland. Voor niet-financiële bedrijven is het verdiende inkomen ongeveer een derde van de toegevoegde waarde. Het grootste deel van het verdiende inkomen komt terecht bij de sector huishoudens. Naast de beloning van werknemers is de winst van zelfstandigen een belangrijk onderdeel hiervan.