Inkomen en vermogen in de Nederlandse economie
Over deze publicatie
"De Nederlandse economie” is een reeks artikelen waarin actuele macro-economische fenomenen worden beschreven en geduid. De artikelen zijn grotendeels gebaseerd op de uitkomsten van de nationale rekeningen. Dit artikel gaat in op de structuur van de Nederlandse economie. Het artikel beschrijft de samenhang van de economische acties, schulden en bezittingen van verschillende deelnemers aan de Nederlandse economie.
1. Inleiding
De Nederlandse economie bestaat uit veel spelers die op diverse manieren deelnemen aan het economisch proces. Bedrijven produceren met de inzet van arbeid, kapitaal, goederen, en diensten, ze investeren en keren dividenden uit. Huishoudens leveren arbeid, consumeren en sparen. De overheid doet uitgaven namens de bevolking, heft belasting, en herverdeelt inkomens via sociale premies en uitkeringen. Deze invalshoeken hangen allemaal met elkaar samen en vormen de structuur van de Nederlandse economie.
Aan de hand van de nationale rekeningen beschrijft dit artikel de samenhang van de economische acties (verder transacties genoemd), schulden en bezittingen van de verschillende deelnemers aan de Nederlandse economie. De nationale rekeningen kunnen worden gezien als de winst- en verliesrekening en de balansopstelling van Nederland. De cijfers in dit artikel hebben allemaal betrekking op 2024, tenzij wordt aangegeven dat het een ander jaar betreft.
Enkele vragen die in dit artikel worden beantwoord zijn:
- Waar haalt de overheid haar geld vandaan en waar wordt het aan uitgegeven?
- Hoe worden inkomens van huishoudens herverdeeld?
- Wat is het nettobezit van Nederland?
2. Deelnemers aan de economie
De deelnemers aan de economie kunnen worden onderverdeeld in vier sectoren.
Niet-financiële bedrijven
Niet-financiële bedrijven zijn bedrijven die zich bezighouden met het produceren en verkopen van goederen en niet-financiële diensten. Dit zijn meestal bv’s of beursgenoteerde bedrijven. Zelfstandigen zijn niet ingedeeld bij niet-financiële bedrijven, maar bij de huishoudens.
Financiële instellingen
Financiële instellingen zijn bedrijven en instellingen die zich bezighouden met financiële dienstverlening. Deze sector omvat onder andere banken, beleggingsfondsen, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen. Ook bedrijfsonderdelen van buitenlandse multinationals die vanuit Nederland financiële diensten verlenen voor de multinational vallen hieronder. In de volksmond worden dit vaak brievenbusfirma’s of doorsluisfirma’s genoemd.
Overheid
De overheid bestaat onder andere uit de rijksoverheid, provincies en gemeenten. De overheid bestaat ook uit instellingen die door de overheid worden gecontroleerd en diensten voor de maatschappij leveren. Dit zijn onder andere alle scholen in het basis-, voortgezet, en hoger onderwijs, maar bijvoorbeeld ook de politie, het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens
De sector huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (verder afgekort tot ‘huishoudens’) bevat alle personen die langer dan een jaar in Nederland verblijven, ongeacht hun nationaliteit. Omgekeerd worden Nederlanders die langer dan een jaar in het buitenland verblijven niet tot de Nederlandse huishoudens gerekend.
Als inwoners een eigen bedrijf hebben als zelfstandige, bijvoorbeeld als zzp’er werken, dan wordt dit bedrijf ook tot de sector huishoudens gerekend. Ten slotte worden stichtingen en verenigingen die door huishoudens worden gefinancierd ook tot de sector huishoudens gerekend. Dit worden instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens genoemd. Voorbeelden hiervan zijn liefdadigheidsinstellingen, sportverenigingen en politieke partijen.
Relatie tot het buitenland
Voor een goede beschrijving van de Nederlandse economie is het soms ook nodig om transacties en relaties met eenheden buiten de Nederlandse economie te beschrijven, oftewel met het buitenland. Het buitenland wordt alleen beschreven voor zover het transacties of relaties heeft met Nederlandse sectoren.
3. Productie en bruto binnenlands product (bbp)
Alle invalshoeken van de Nederlandse economie hangen met elkaar samen. De beschrijving van de economie kan daarom ook op meerdere plaatsen beginnen: bij de consumptie van huishoudens, bij arbeid verricht door werknemers of bij geld dat bedrijven ophalen om hun bedrijf operationeel te krijgen. Dit artikel begint net als het rekeningenstelsel bij de productie. Dat er geen productie kan zijn zonder arbeidsinzet, leningen, en/of investeringen komt later in het artikel naar voren.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nog niet toegewezen | Nederland | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| M | Productie | 1572 | 94 | 208 | 286 | 2 160 | |
| Productgebonden belastingen | 117 | 117 | |||||
| B | Intermediair verbruik | 918 | 45 | 75 | 114 | 1 152 | |
| Productgebonden subsidies | 2 | 2 | |||||
| S | Toegevoegde waarde/ bbp | 654 | 49 | 133 | 172 | 1 122 | |
3.1 Productie
De productie bestaat uit alle goederen en diensten die door de Nederlandse sectoren zijn geproduceerd. In 2024 bedroeg de waarde van de productie meer dan 2 biljoen euro. Het grootste deel wordt geproduceerd door niet-financiële bedrijven. Producenten van goederen (landbouwproducten, industriële producten en energie) produceerden ter waarde van 0,5 biljoen euro. Dienstenproducenten, zoals bouw, handel, transport, zorg en zakelijke diensten, produceerden ter waarde van ongeveer 1,1 biljoen euro.
De productie van financiële instellingen betreft vaak diensten die indirect worden betaald. Hierbij kan worden gedacht aan diensten van beleggingsfondsen en pensioenfondsen die uit de inleg in deze fondsen worden ‘betaald’. Een ander voorbeeld zijn diensten van banken die worden ‘betaald’ uit het verschil tussen de rente die banken vragen op leningen en de rente die zij betalen op spaargeld. De betaling van de geleverde diensten is dan indirect verwerkt in de transacties van deze instellingen. De productie bevat echter ook directe betalingen voor bijvoorbeeld financiële advisering.
De productie van de overheid bestaat uit diensten die de overheid levert aan de burgers en bedrijven in Nederland. Dit kunnen expliciete diensten zijn, zoals het leveren van onderwijs aan kinderen of het ophalen en verwerken van afval. De diensten die worden geleverd door bijvoorbeeld defensie of door beleidsafdelingen van een gemeente worden echter ook tot de productie van de overheid gerekend. Voor het merendeel van deze diensten worden geen expliciete vergoedingen gerekend. De overheid betaalt deze vanuit geïnde belastingen en premies. Voor enkele van de diensten van de productie rekent de overheid (deels) vergoedingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kosten voor het aanvragen van een paspoort of bij collegegeld voor het hoger onderwijs. De vergoedingen die worden gevraagd voor deze diensten bedroegen 28 miljard euro in 2024.
De productie van huishoudens bestaat voor 220 miljard euro uit de productie van goederen en diensten door zelfstandigen. Een ander deel komt voort uit het eigenwoningbezit. Zoals in het kader over het rekeningenstelsel in hoofdstuk 2 is uitgelegd wordt het bewonen van een eigen woning behandeld alsof de huizenbezitter het huis aan zichzelf verhuurt voor een marktconforme prijs. Deze geïmputeerde huur (54 miljard euro) valt ook onder de productie. Een klein deel van de productie (10 miljard euro) bestaat uit de diensten die instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens leveren. Net als bij de overheid zijn dit vooral diensten waar geen expliciete vergoeding voor wordt gevraagd. Deze diensten worden voornamelijk betaald uit lidmaatschapsgelden en donaties.
3.2 Intermediair verbruik en toegevoegde waarde
De productie geeft een goed beeld van wat er in de economie wordt geproduceerd, maar geeft een minder goed beeld van wat er in de economie aan waarde wordt gecreëerd. De productiewaarde van bijvoorbeeld een machine hangt niet af van welk deel van het maken van de machine een bedrijf zelf heeft gedaan en welk deel het heeft uitbesteed. Het geld dat een bedrijf hiermee verdient echter wel. Om een goed beeld te krijgen van de waarde die in de economie wordt gecreëerd wordt daarom het intermediair verbruik op de productie in mindering gebracht.
Het intermediaire verbruik bestaat uit alle goederen en diensten die een bedrijf gebruikt in het productieproces. Dit zijn onder andere grond- en hulpstoffen die een bedrijf nodig heeft voor het maken van goederen. Diensten die een bedrijf nodig heeft, zoals accountancydiensten, transportdiensten of uitbesteed werk aan onderaannemers, vallen ook onder het intermediaire verbruik. Loonkosten van personeel en investeringen in bijvoorbeeld machines en vervoermiddelen vallen niet onder het intermediaire verbruik. Bijvoorbeeld voor een bakker bestaat het intermediaire verbruik uit onder andere grond- en hulpstoffen zoals meel, gist, water, en stroom, maar ook uit algemene kosten zoals verzekeringsdiensten, de huur van een bedrijfsgebouw en koffie voor het personeel.
Deze goederen en diensten kunnen zowel bij andere Nederlandse bedrijven worden afgenomen als worden geïmporteerd. Het intermediaire verbruik in de Nederlandse economie is ongeveer de helft van de productie.
Het verminderen van de productie met het intermediaire verbruik levert de toegevoegde waarde op. De toegevoegde waarde wordt gebruik om de economische omvang en groei van een sector of bedrijfstak te meten.
3.3 Productgebonden belastingen en subsidies en bbp
Voor de economie als geheel worden de productgebonden belastingen bij de toegevoegde waarde opgeteld en worden productgebonden subsidies hiervan afgetrokken om tot het bruto binnenlands product (bbp) te komen. Productgebonden belastingen zijn belastingen die afhankelijk zijn van de verkochte hoeveelheid goederen en diensten. Belangrijke voorbeelden zijn de btw en accijnzen op brandstof en alcohol. Aangezien de waarde die gebruikers betalen voor de goederen en diensten inclusief deze belastingen is, wordt dit ook tot de in Nederland gecreëerde waarde en dus tot het bbp gerekend.
Productgebonden subsidies, in de praktijk vrijwel alleen subsidies op duurzame energie, zijn juist nodig omdat een goed of dienst anders zo duur is dat het minder wordt verkocht dan de overheid wenselijk vindt. Dit wordt daarom van het bbp afgetrokken.
De productgebonden belastingen en subsidies worden in tabel 3.1 van het economisch overzicht nog niet toegewezen aan sectoren die de belastingen ontvangen en de subsidies uitkeren (de Nederlandse en de Europese overheid). Internationaal is afgesproken de toegevoegde waarde van de overheid te beperken tot de creatie van waarde door productie van goederen en diensten. De creatie van waarde door belastingheffing of het verstrekken van subsidies wordt dus buiten de toegevoegde waarde gehouden. De productgebonden belastingen en subsidies worden in hoofdstuk 4 alsnog aan de betreffende sectoren toegerekend. Het gevolg van deze registratie is dat de toegevoegde waarde van de verschillende sectoren niet optellen tot het bbp.
Het bbp is een van de belangrijkste economische variabelen. De economische groei van een land wordt berekend als de groei van het bbp. Ook wordt het gebruikt om de omvang van de economie van landen te vergelijken. In 2024 bedroeg het bbp van Nederland ruim 1,1 biljoen euro, oftewel 62 duizend euro per inwoner. Binnen de Europese Unie hebben alleen Luxemburg, Ierland en Denemarken een hoger bbp per inwoner.
4. Verdiend inkomen
De toegevoegde waarde en het bbp worden deels gebruikt voor het betalen voor de inzet van arbeid en kapitaal. Tabel 4.1 geeft een overzicht van deze betalingen. Dit omvat ook de betaling voor de inzet van arbeid en kapitaal om het bbp van andere landen te maken. Nederlandse werknemers of bedrijven hoeven hun arbeid en kapitaal immers niet noodzakelijk in Nederland in te zetten, maar kunnen dit ook in andere landen doen.
In tabel 4.1 staan de betalingen uitgezonderd de productgebonden belastingen en subsidies dubbel opgenomen. Ze staan opgenomen als middelen van een sector en als bestedingen. Het loon dat een niet-financieel bedrijf betaalt aan een in Nederland wonende werknemer staat opgenomen bij de bestedingen van de niet-financiële bedrijven en bij de middelen van de huishoudens. De totale middelen en bestedingen zijn dan ook gelijk aan elkaar. De totale beloning van werknemers (van Nederland en het buitenland) is voor zowel middelen als bestedingen 530 miljard euro. De betaalde productgebonden belastingen en ontvangen productgebonden subsidies zijn onderdeel van het intermediaire verbruik in tabel 3.1 en worden daarom niet nogmaals opgenomen in tabel 4.1.
Het startpunt van tabel 4.1 is de toegevoegde waarde en niet het bbp. De onverdeelde ontvangen productgebonden belastingen en betaalde productgebonden subsidies uit tabel 3.1 zijn in tabel 4.1 verdeeld naar sectoren opgenomen. Starten met het bbp zou daarom tot een dubbeltelling leiden.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | Buitenland | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| S | Toegevoegde waarde | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| M | Beloning van werknemers | 514 | 514 | 16 | |||
| Inkomen uit vermogen | 148 | 392 | 11 | 87 | 638 | 382 | |
| Productgebonden belastingen | 113 | 113 | 3 | ||||
| Niet-productgebonden belastingen | 13 | 13 | 0 | ||||
| Niet-productgebonden subsidies | 13 | 0 | 0 | 2 | 16 | ||
| B | Beloning van werknemers | 381 | 25 | 98 | 22 | 525 | 4 |
| Inkomen uit vermogen | 220 | 372 | 11 | 31 | 635 | 385 | |
| Niet-productgebonden belastingen | 8 | 1 | 1 | 2 | 13 | ||
| Productgebonden subsidies | 2 | 2 | 0 | ||||
| Niet-productgebonden subsidies | 14 | 14 | 2 | ||||
| S | Verdiend inkomen/ bruto nationaal inkomen | 206 | 43 | 144 | 720 | 1 112 | |
Bijna de helft van het bbp wordt uitgegeven als beloning van werknemers. Deze beloning bevat ook sociale premies die direct door bedrijven aan de overheid en pensioenuitvoerders worden uitgekeerd. Het inkomen dat zelfstandigen verdienen voor hun arbeidsinzet maakt hier geen onderdeel van uit. In 2024 waren er in Nederland 8,5 miljoen werknemers werkzaam, die omgerekend in 6,9 miljoen voltijdbanen werkten. De gemiddelde beloning per voltijdbaan was daarmee ongeveer 76 duizend euro.
Nederlandse huishoudens ontvangen de overgrote meerderheid van de beloning van werknemers. Ongeveer 16 miljard euro komt terecht bij buitenlandse huishoudens. Dit zijn werknemers die tijdelijk in Nederland werkzaam zijn, zoals seizoenarbeiders, of werknemers die in het buitenland wonen, maar in Nederland werken. Andersom verdienden Nederlandse huishoudens, die bij buitenlandse bedrijven of internationale organisaties werkzaam zijn 4 miljard euro.
Een ander deel van het (Nederlandse en internationale) bbp is voor de verstrekkers van kapitaal. Het betreft hier voornamelijk dividenden op aandelen en rente op leningen en obligaties. Opvallend zijn de hoge betalingen aan en ontvangsten uit het buitenland. Dit komt doordat Nederland een ‘doorvoerfunctie’ heeft voor deze financiële stromen. Financiële stromen van veel buitenlandse bedrijven lopen via Nederland. Dit zijn de eerdergenoemde brievenbusfirma’s.
Daarnaast is het Nederlandse bedrijfsleven sterk verweven met het buitenland. Nederland heeft multinationals met veel bedrijfsonderdelen in het buitenland, maar heeft ook veel bedrijven met een buitenlandse moeder. Door beide typen van financiële verwevenheid ontvangen Nederlandse bedrijven veel inkomen uit het buitenland, maar betalen zij ook veel inkomen aan het buitenland. Per saldo zijn de betalingen en ontvangsten ongeveer gelijk.
De productgebonden belastingen en subsidies, die in tabel 3.1 nog niet aan sectoren waren toegerekend, worden in tabel 4.1 wel aan sectoren toegerekend. Vrijwel alle productgebonden belastingen worden aan de Nederlandse overheid betaald. Alleen de invoerrechten worden aan de Europese overheid betaald. De productgebonden subsidies worden allemaal door de Nederlandse overheid verstrekt. Door het toewijzen van deze belastingen en subsidies aan sectoren, tellen de sectoren weer op tot de totale economie.
De Nederlandse en Europese overheid grijpen verder nog in beperkte mate in op het productieproces met belastingen en subsidies op het gebruik van productiemiddelen of op de uitstoot van schadelijke stoffen. Het betreft bijvoorbeeld onroerendezaakbelasting, motorrijtuigenbelasting, loonsubsidies en zuiveringslasten. Voor de betalende sectoren heeft dit tot gevolg dat er minder inkomen overblijft door te betalen belastingen, terwijl subsidies het omgekeerde effect hebben. Voor de sector overheid vormen de belastingen een deel van het inkomen, terwijl de subsidies het inkomen verlagen.
Samen leidt dit tot het verdiende inkomen van een sector. Het verdiende inkomen van alle sectoren samen is het nationaal inkomen van Nederland. Voor niet-financiële bedrijven is het verdiende inkomen ongeveer een derde van de toegevoegde waarde. Het grootste deel van het verdiende inkomen komt terecht bij de sector huishoudens. Naast de beloning van werknemers is de winst van zelfstandigen een belangrijk onderdeel hiervan.
5. Herverdeling van inkomen
Het verdiende inkomen van een bedrijf, huishouden of overheidsinstelling is niet gelijk aan het inkomen dat beschikbaar is voor uitgaven. Eerst vindt er in de economie nog een herverdeling van inkomen plaats tussen en binnen sectoren. Deze herverdeling loopt voor het grootste deel via de overheid, verzekeraars en pensioenfondsen. Tabel 5.1 toont deze herverdeling van inkomen. Betalingen staan ook hier dubbel in de tabel, als besteding voor de betalende sector en als middel voor de ontvangen sector.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | Buitenland | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| S | Verdiend inkomen/ bruto nationaal inkomen | 206 | 43 | 144 | 720 | 1 112 | |
| M | Belastingen op inkomen en vermogen | 168 | 168 | 4 | |||
| Sociale premies | 16 | 85 | 141 | 1 | 243 | 1 | |
| Sociale uitkeringen in geld | 186 | 186 | 4 | ||||
| Overige inkomensoverdrachten | 5 | 21 | 215 | 31 | 273 | 19 | |
| B | Belastingen op inkomen en vermogen | 41 | 8 | -1 | 118 | 166 | 6 |
| Sociale premies | 0 | 0 | 0 | 239 | 239 | 5 | |
| Sociale uitkeringen in geld | 16 | 54 | 118 | 1 | 190 | 0 | |
| Overige inkomensoverdrachten | 7 | 25 | 229 | 25 | 286 | 6 | |
| S | Beschikbaar inkomen | 163 | 63 | 322 | 554 | 1 101 | |
Allereerst moeten bedrijven en huishoudens grote delen van het verdiende inkomen als belasting op inkomen en vermogen of als sociale premies aan de overheid overmaken. Dit ging in 2024 om ruim 300 miljard euro. Samen met onder andere de eerder besproken belastingen en de diensten waarvoor de overheid expliciete vergoedingen rekent, is het overgrote deel van de totale inkomsten van de overheid genoemd. De totale inkomsten van de overheid bedroegen 488 miljard euro, oftewel 43 procent van het bbp. Dit bedrag is exclusief onderlinge inkomensoverdrachten binnen de overheid. In het kader worden de inkomsten van de overheid verder uitgelicht.
Huishoudens betalen hiernaast ook 84 miljard euro pensioenpremies aan pensioenfondsen en verzekeraars. Deze pensioenpremies betreffen zowel directe betalingen aan pensioenfondsen en levensverzekeraars als de rente en dividenden die pensioenfondsen en levensverzekeraars ontvangen op het vermogen dat zij voor de pensioendeelnemers beleggen. Deze rente en dividenden worden als indirect betaalde premies geregistreerd. De premies zijn exclusief een vergoeding aan de pensioenfondsen voor het uitvoeren van het pensioenstelsel. Deze vergoeding wordt ingehouden op de betaalde premies, maar geregistreerd als productie van de pensioenfondsen.
De overheid, pensioenfondsen, en verzekeraars keren de premies vervolgens grotendeels weer uit. De pensioenuitkeringen bedroegen 54 miljard euro. Dat betekent dat alle huishoudens samen per saldo 31 miljard euro hebben ingelegd in pensioenfondsen en levensverzekeringen.
De overheid keerde 118 miljard euro uit aan sociale uitkeringen in geld. Dit is lager dan de ontvangen sociale premies, omdat een deel van de uitkeringen niet als vrij beschikbaar geld wordt uitgekeerd. In plaats daarvan worden hiervan specifieke diensten (veelal zorgdiensten) ingekocht. Omdat dit geld niet vrij beschikbaar is voor de ontvangende huishoudens, wordt dit geregistreerd als consumptie door de overheid (zie hoofdstuk 6). Voor individuele regelingen kunnen de uitkeringen echter wel hoger zijn dan de premies. De AOW-uitkeringen worden bijvoorbeeld maar voor de helft uit premies betaald. Het restant wordt betaald uit algemene middelen.
Naast sociale premies en uitkeringen vindt er ook herverdeling plaats via overige inkomensoverdrachten. Voor de overheid betreft dit vooral herverdelingen binnen de overheid, bijvoorbeeld vanuit het rijk naar de gemeenten. Gemeenten hebben weinig directe inkomsten, zij krijgen het meeste geld van het rijk. De overige inkomensoverdrachten bevatten ook andere inkomsten zoals boetes en uitgaven zoals afdrachten aan de EU en uitgaven aan internationale samenwerking. Andere voorbeelden van overige inkomensoverdrachten zijn verzekeringspremies en -uitkeringen, donaties aan goede doelen en lidmaatschapskosten van verenigingen.
Het verdiende inkomen en alle herverdelingen leiden tot het beschikbaar inkomen. Voor huishoudens en niet-financiële bedrijven is het beschikbaar inkomen fors lager dan het verdiende inkomen. Voor de overheid zorgt de herverdeling van inkomen juist voor een stijging van het inkomen. Binnen een sector kunnen de effecten van de herverdeling van inkomen nog veel groter zijn dan voor een sector als geheel. Hoofdstuk 7 behandelt het effect van onder andere de herverdeling van inkomen op verschillende groepen huishoudens.
6. Consumptie en besparingen
Het beschikbaar inkomen kan worden gebruikt voor consumptie van goederen en diensten. Tabel 6.1 toont de consumptie en de besparingen (het saldo van het beschikbaar inkomen en consumptie).
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| S | Beschikbaar inkomen | 163 | 63 | 322 | 554 | 1 101 |
| B | Consumptieve bestedingen | 290 | 488 | 778 | ||
| Consumptie huishoudens | 480 | 480 | ||||
| Overdrachten aangekochte marktproducten | 118 | 118 | ||||
| Consumptie niet-marktproductie | 172 | 8 | 180 | |||
| Correctie pensioenvoorziening | 31 | -31 | 0 | |||
| S | Besparingen | 163 | 32 | 32 | 97 | 323 |
Huishoudens consumeerden voor 488 miljard euro aan goederen en diensten. De grootste uitgavencategorie was huisvesting, water en energie, waaraan huishoudens ruim 100 miljard euro uitgaven. Dit is inclusief 54 miljard euro fictieve consumptie van woondiensten door eigenwoningbezitters. De uitgaven van de instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens worden ook tot de consumptie van huishoudens gerekend.
De consumptie van de overheid valt uiteen in twee categorieën. De overheid kocht voor 118 miljard euro goederen en diensten in, die direct aan huishoudens ter beschikking werden gesteld. Het overgrote deel hiervan betreft zorguitgaven die de overheid voor de burgers betaalt, inclusief vergoedingen vanuit de basiszorgverzekering. Aangezien premies voor de basiszorgverzekering worden behandeld als premies betaald aan de overheid, worden de uitkeringen ook behandeld als consumptie door de overheid. De zorgverzekeraars zelf worden tot de financiële instellingen gerekend.
De resterende 172 miljard euro is de consumptie van de overheid van haar eigen productie. Dit zijn de diensten die overheid heeft geproduceerd en heeft gefinancierd uit algemene middelen. Van deze consumptie kan 77 miljard worden toegerekend aan individuele huishoudens. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitgaven aan onderwijs (47 miljard euro), die kunnen worden toegeschreven aan de personen die het betreffende onderwijs volgen. Het restant zijn kosten die voor de bevolking in het algemeen zijn, zoals consumptie van defensie, openbare orde, of milieubescherming.
Bedrijven consumeren niet. Hun uitgaven zijn gericht op de productie van goederen en diensten en worden voornamelijk als intermediair verbruik of als investeringen geboekt.
Het verschil tussen het beschikbaar inkomen en de consumptie zijn de besparingen. Als huishoudens of de overheid minder consumeren dan het beschikbare inkomen, dan sparen ze het verschil. Omdat bedrijven niet consumeren, zijn hun besparingen gelijk aan hun beschikbaar inkomen. Positieve besparingen kunnen worden gebruikt voor investeringen in niet-financiële activa (zoals woningen of machines) of financiële activa (zoals een spaarrekening of aandelen), of voor of het aflossen van schulden.
Om de besparingen van de sectoren huishoudens en financiële instellingen te bepalen, is er nog een correctie nodig voor de pensioenvoorziening. Zoals genoemd in hoofdstuk 5 betalen huishoudens 31 miljard euro meer directe en indirecte premies aan pensioenfondsen dan dat zij aan pensioenuitkeringen krijgen. Omdat huishoudens hiermee pensioenrechten opbouwen, worden de besparingen aan de huishoudens toegerekend en niet aan de pensioenfondsen. Dit wordt gedaan door een fictieve betaling met de omvang van deze besparingen van pensioenfondsen aan huishoudens te registreren.
Huishoudens sparen structureel een fors deel van hun inkomen. In 2024 was dit 17 procent. Dit ligt iets boven het gemiddelde van de EU, dat 14 procent bedroeg. Ook voor Nederland als geheel zijn de besparingen met 323 miljard euro een fors deel van het beschikbaar inkomen (29 procent). Dit bedrag is echter wel vertekend, omdat dit bedrag inclusief 178 miljard euro aan afschrijvingen is. Een groot deel van deze 323 miljard euro is dan ook nodig voor de vervanging van oude of verouderde investeringsgoederen. Hoofdstuk 8 gaat hier verder op in.
7. Impact herverdeling van inkomen op verschillende groepen huishoudens
Dit hoofdstuk beschrijft de impact van de herverdeling van inkomen op het inkomen en de besparingen van verschillende groepen huishoudens. Hierbij wordt gekeken naar het gestandaardiseerd inkomen van huishoudens. Het gestandaardiseerd inkomen is het inkomen van een huishouden gecorrigeerd voor het aantal personen in een huishouden, zodat eenpersoonshuishoudens kunnen worden vergeleken met meerpersoonshuishoudens. Ook wordt er rekening gehouden met de schaalvoordelen van samenwonen, bijvoorbeeld dat woonlasten per persoon lager zijn als er meer personen in één huis wonen. Hierdoor kan het inkomen worden gezien als een maat voor de welvaart van (de leden van) een huishouden.
Tabel 7.1 toont het verdiend inkomen, (alternatief) beschikbaar inkomen en besparingen naar inkomensgroepen. De data hebben betrekking op 2022, aangezien data voor 2024 nog niet beschikbaar zijn. De verdeling naar inkomensgroepen is gebaseerd op het beschikbaar inkomen. Dat wil zeggen dat de groep ‘0 tot 10 procent’ de 10 procent van de huishoudens zijn met het laagste (gestandaardiseerd) beschikbaar inkomen.
| Inkomensgroep | Verdiend inkomen | Beschikbaar inkomen | Alternatief beschikbaar inkomen | Consumptie | Inleg min opname pensioenen | Besparingen |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 0 tot 10 procent | 6 | 7 | 23 | 35 | 0 | -12 |
| 10 tot 20 procent | 7 | 17 | 35 | 43 | -1 | -9 |
| 20 tot 50 procent | 22 | 25 | 40 | 42 | -1 | -4 |
| 50 tot 80 procent | 52 | 39 | 50 | 47 | 3 | 6 |
| 80 tot 90 procent | 78 | 51 | 62 | 52 | 7 | 17 |
| 90 tot 100 procent | 133 | 86 | 97 | 63 | 9 | 43 |
De groep met het laagste beschikbaar inkomen had een verdiend inkomen van slechts 6 duizend euro. Het verdiende inkomen van de groep met het hoogste beschikbare inkomen was met 133 duizend euro ruim twintig keer zo hoog.
Door herverdeling, vooral door de overheid en pensioenfondsen, is het beschikbaar inkomen van de huishoudens met een bovengemiddeld beschikbaar inkomen lager dan hun verdiende inkomen. Huishoudens met lage verdiende inkomens gaan er door de herverdeling juist op vooruit.
De groep met de allerlaagste inkomens gaat er echter maar zeer beperkt op vooruit. Deze groep bestaat onder andere uit:
- Uitwonende studenten: de studiebeurzen zijn op het moment van ontvangen leningen in plaats van een uitkering;
- Mensen die (vervroegd) met pensioen gaan: zij financieren dit uit gespaard vermogen, dat is opgebouwd buiten de pensioenregelingen; en
- Zelfstandige ondernemers die verlies maken.
Zoals uitgelegd in hoofdstuk 6 is een groot deel van de consumptie van de overheid toe te wijzen aan individuele huishoudens. Deze uitgaven kunnen ook gezien worden als inkomen van de betreffende inkomens die vervolgens door hen wordt geconsumeerd, vooral uitgaven aan onderwijs en zorg. Door dit mee te nemen, krijg je het alternatief beschikbaar inkomen.
Het alternatief beschikbaar inkomen houdt dus rekening met het feit dat een deel van de goederen en diensten die huishoudens consumeren door de overheid wordt betaald. Het alternatief beschikbaar inkomen van de groep met de laagste inkomens was 23 duizend euro. Dat is nog steeds fors lager dan het inkomen van de groep met de hoogste inkomens, maar scheelt nu nog maar een factor vier in plaats van een factor twintig.
Het grootste deel van het beschikbaar inkomen wordt geconsumeerd. De consumptie, inclusief de overheidsconsumptie die aan individuele huishoudens is toe te rekenen, is voor de hoogste inkomensgroep bijna het dubbele van de consumptie van de laagste inkomensgroep. Voor de lagere inkomensgroepen is de consumptie hoger dan het beschikbaar inkomen.
Ten slotte wordt de inleg of opname van pensioenvermogens toegevoegd om tot de besparingen te komen. Hier is een duidelijk verschil te zien tussen de lagere inkomens en hogere inkomens. De helft van de huishoudens heeft negatieve besparingen, de laagste inkomens ontspaarden 12 duizend euro. Voor een deel van de huishoudens is dit gepland. Leven van een pensioenuitkering wordt bijvoorbeeld gezien als ontsparen. Het eerder gespaarde pensioenvermogen wordt immers opgemaakt. Er zullen echter ook huishoudens tussen zitten die ongewenst niet kunnen rondkomen.
De hogere inkomens spaarden juist fors. De besparingen van de hogere inkomens waren hoger dan de ontsparingen van de lagere huishoudens. De huishoudens als geheel spaarden in 2022 hierdoor 74 miljard euro. Onderliggend zijn er dus wel grote verschillen tussen inkomensgroepen.
Het effect van de herverdeling van inkomen kan ook vanuit de leeftijdsopbouw worden bekeken. Tabel 7.2 toont inkomen en besparingen naar leeftijd van de hoofdkostwinner.
| Leeftijdsgroep | Verdiend inkomen | Beschikbaar inkomen | Alternatief beschikbaar inkomen | Consumptie | Inleg min opname pensioenen | Besparingen |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 0 tot en met 24 jaar | 18 | 14 | 29 | 36 | 1 | -6 |
| 25 tot en met 34 jaar | 51 | 33 | 43 | 39 | 5 | 9 |
| 35 tot en met 44 jaar | 58 | 39 | 53 | 48 | 6 | 11 |
| 45 tot en met 54 jaar | 64 | 43 | 57 | 50 | 6 | 13 |
| 55 tot en met 64 jaar | 65 | 43 | 54 | 46 | 7 | 14 |
| 65 jaar en ouder | 18 | 30 | 46 | 48 | -8 | -10 |
Het verdiende inkomen van de groep 0 tot en met 24 jaar en de groep 65 jaar en ouder is aanzienlijk lager dan dat van de andere leeftijdsgroepen. In deze groepen werken veel personen niet. De leeftijdsgroep 0 tot 24 jaar bestaat voor een groot deel uit uitwonende studenten, die vanwege hun studie niet (voltijds) werken. In de leeftijdsgroep 65 jaar en ouder zitten veel gepensioneerden.
De leeftijdsgroep 65 jaar en ouder heeft dankzij pensioen- en AOW-uitkeringen een beschikbaar inkomen dat bijna even hoog is als de leeftijdsgroep 25 tot 34 jaar. Als naar het alternatieve beschikbaar inkomen wordt gekeken is dit zelfs hoger. Een groot deel van de consumptie van de overheid die aan individuele huishoudens kan worden toegerekend betreft zorguitgaven. Aangezien ouderen hogere zorguitgaven hebben, leidt toerekenen van deze uitgaven tot het inkomen van huishoudens tot een grotere stijging van het inkomen van de leeftijdsgroep 65 jaar en ouder dan bij andere leeftijdsgroepen.
Voor de leeftijdsgroep 0 tot 24 jaar is het beschikbaar inkomen juist lager dan het verdiend inkomen. Een deel van het verdiende inkomen gaat op aan betaalde belastingen en premies, terwijl studiebeurzen die studenten ontvangen leningen zijn en geen inkomen. Deze leningen worden pas bij tijdig afstuderen omgezet in een gift. Deze omzetting wordt gezien als een kapitaaloverdracht (zie hoofdstuk 8).
Een belangrijk deel van het beschikbaar inkomen van de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder is verkregen door in te teren op het gespaarde pensioenvermogen, wat zoals eerder gezegd wordt gezien als een vorm van ontsparen. In 2022 werd er gemiddeld 8 duizend euro aan pensioenvermogen opgemaakt. De besparingen van de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder zijn dan ook negatief. Door het relatief lage beschikbare inkomen ontspaart ook de leeftijdsgroep 0 tot en met 24 jaar. In middelste leeftijdsgroepen sparen huishoudens juist.
8. Investeringen en financiële transacties
De besparingen van sectoren hebben invloed op het vermogen. Positieve besparingen zorgen voor een hoger vermogen. Negatieve besparingen verlagen het vermogen, er worden dan bijvoorbeeld schulden gemaakt of spaargelden aangesproken om het tekort tussen consumptie en inkomen af te dekken. Het vermogen kan ook stijgen of dalen door prijsstijgingen van bezittingen of schulden. Dit wordt in hoofdstuk 10 besproken.
Positieve besparingen kunnen op verschillende manieren worden ingezet. Ze kunnen worden gebruikt voor investeringen in niet-financiële activa, of worden aangehouden als financiële activa, bijvoorbeeld spaargeld of aandelen, of worden gebruikt om schulden mee af te lossen. Verder kan kapitaal ook (al dan niet vrijwillig) worden ‘weggegeven’. Tabel 8.1 geeft hier een overzicht van. Het uitgeven van aandelen door een bedrijf wordt hierbij gezien als het aangaan van een schuld.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | Buitenland | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| S | Besparingen | 163 | 32 | 32 | 97 | 323 | |
| M | Kapitaaloverdrachten | 2 | 0 | 10 | 34 | 46 | 3 |
| Saldo aangaan en aflossen van schulden | 46 | 25 | -11 | 36 | 96 | -379 | |
| B | Investeringen (bruto) | 107 | 6 | 36 | 72 | 221 | |
| Investeringen (netto) | 13 | 0 | 4 | 26 | 43 | ||
| Kapitaaloverdrachten | 0 | 0 | 16 | 32 | 48 | 1 | |
| Saldo aan- en verkopen van financiële activa | -34 | 332 | 11 | 37 | 346 | 71 | |
| S | Statistisch verschil | 138 | -282 | -32 | 27 | -149 | |
8.1 Investeringen en kapitaaloverdrachten
In 2024 bedroegen de investeringen 221 miljard euro. Het gaat hier om investeringen in kapitaalgoederen en voorraden. Investeringen in financiële activa, zoals het kopen van aandelen, vallen hier niet onder. Een groot deel van de investeringen betreft vervangingsinvesteringen. Ze zijn nodig om oude of verouderde kapitaalgoederen te vervangen. De veroudering van de kapitaalgoederen in een jaar wordt gemeten aan de hand van de afschrijvingen. De afschrijvingen bedroegen 178 miljard euro. Dit betekent dat de netto-investeringen 43 miljard euro bedroegen.
De grootste netto-investeringen vonden plaats in woningen, vooral het eigenwoningbezit. Omdat het bewonen van een eigen woning als productie en consumptie wordt gezien, wordt de aanschaf van een koopwoning als investering gezien, net als de aanschaf van een woning om te verhuren. De netto-investeringen in woningen bedroegen 23 miljard euro. De investeringen in meer traditionele kapitaalgoederen zoals gebouwen, en machines en installaties zijn echter ook structureel hoger dan de afschrijvingen.
Het ‘weggeven’ van kapitaal gebeurt via kapitaaloverdrachten. Het betreft hier onder andere investeringsbijdragen die de overheid doet voor grote investeringen, het kwijtschelden van prestatiebeurzen als studenten binnen 10 jaar hun studie voltooien, en erfenissen en erfbelasting.
8.2 Transacties in schulden en financiële activa
Het restant van de besparingen wordt gebruikt voor het aflossen van schulden en kopen van financiële activa. Het betreft onder meer spaarrekeningen, leningen, obligaties, aandelen, en pensioenrechten. Het aangaan van schulden wordt in tabel 8.1 geregistreerd als inkomsten (middelen), terwijl de aankoop van financiële activa als uitgave (bestedingen) wordt geregistreerd.
In de hele economie werd in 2024 per saldo voor 36 miljard euro aan schulden aangegaan en werd per saldo voor 132 miljard euro aan financiële activa aangekocht. Dit zijn voor een groot deel transacties met het buitenland. Per saldo is er voor 70 miljard euro aan financiële activa in het buitenland aangekocht en is er voor 26 miljard aan schulden aan het buitenland afgelost. De rest van de transacties zijn tussen Nederlands ingezetenen. De nettovorderingen van Nederland op het buitenland zijn hierdoor met 96 miljard euro toegenomen.
Niet-financiële bedrijven gebruikten hun besparingen behalve voor investeringen voor een groot deel voor het aflossen van schulden. Per saldo losten zij voor 28 miljard aan leningen en obligaties af.
De overheid is voor 11 miljard aan schulden aangegaan om alle uitgaven te dekken. Deze 11 miljard euro is het overheidstekort over 2024. De nieuwe schulden betreffen voornamelijk de uitgifte van obligaties.
Voor huishoudens bestonden de aankopen van financiële activa vooral uit het ‘aankopen’ van pensioenrechten, door middel van inleg in pensioenfondsen, en uit het plaatsen van hun geld op spaarrekeningen. Aan de andere kant werd er per saldo ook 37 miljard aan schulden aangegaan. Dit betreft voor het overgrote deel het aangaan van woninghypotheken, verrekend met de aflossingen op woninghypotheken.
Voor financiële instellingen zijn de financiële transacties voor een groot deel gerelateerd aan de transacties met de andere binnenlandse sectoren. Voor huishoudens gaat het om spaartegoeden, woninghypotheken, inleg in pensioenfondsen en aan- en verkopen van activa gedaan met de inleg in de pensioenfondsen. Financiële instellingen bezitten ook een groot deel van de obligaties die de overheid uitgeeft. Niet-financiële vennootschappen houden spaartegoeden aan en maken gebruik van leningen verstrekt door financiële instellingen.
Financiële instellingen hebben echter ook vele financiële transacties onderling of met het buitenland, bijvoorbeeld pensioenfondsen die aandelen hebben in beleggingsfondsen of obligatieleningen verstrekken aan buitenlandse partijen. Al deze transacties zorgden samen voor een toename van het saldo van schulden en bezittingen van 25 miljard euro.
In theorie moeten de genoemde transacties in dit hoofdstuk precies optellen tot de besparingen. In de praktijk sluiten de verschillende bronnen niet helemaal aan. Daarom blijft er nog een statistisch verschil over. Dit statistische verschil heeft economisch geen betekenis, maar toont alleen een inconsistentie tussen de onderdelen van de nationale rekeningen.
9. Relatie met het buitenland
Nederland hield 100 miljard euro over om financiële activa in het buitenland te kopen. Dit geld is verdiend met de export. Nederland exporteerde voor 124 miljard euro meer aan goederen en diensten dan het importeerde, zie tabel 9.1. Zowel bij de goederen als bij de diensten was er een fors positief handelssaldo. De export van goederen betreft overigens niet alleen de export van zelfvervaardigde goederen, maar ook de wederuitvoer van geïmporteerde goederen door handelaren.
| Onderwerp | Goederen | Diensten | Totaal |
|---|---|---|---|
| Import | 560 | 242 | 801 |
| Export | 641 | 285 | 925 |
| Handelssaldo | 81 | 43 | 124 |
Het handelssaldo van Nederland was hoger dan de 100 miljard euro die per saldo aan financiële activa kon worden uitgegeven. Dit verschil komt doordat Nederland via andere transacties per saldo meer aan het buitenland uitgeeft dan het ontvangt. De belangrijkste posten, die ook eerder in dit artikel zijn genoemd, zijn betalingen aan niet-ingezeten werknemers, en inkomensoverdrachten aan het buitenland zoals afdrachten aan de EU of uitgaven in het kader van internationale samenwerking. Tabel 9.2 geeft een overzicht van de stromen met het buitenland.
| Handelssaldo | 124 |
|---|---|
| Saldo verdiende inkomens | -10 |
| waarvan beloning van werknemers | -16 |
| Saldo inkomensoverdrachten | -11 |
| Saldo kapitaaloverdrachten | -2 |
| Beschikbaar voor financiële transacties | 100 |
10. Vermogen
Nederland had niet alleen in 2024 hoge besparingen. De besparingen van Nederland zijn structureel positief. Dit betekent dat er jaarlijks een groot bedrag beschikbaar is voor de aankoop van financiële en niet-financiële activa. De term niet-financiële activa is de verzamelnaam voor kapitaalgoederen, voorraden en niet-geproduceerde activa zoals grond. Dit leidt tot een groot bezit aan activa en daarmee ook een groot vermogen.
Eind 2024 was het vermogen van Nederland bijna 6,5 biljoen euro, zie tabel 10.1. Het totale vermogen is opgebouwd uit 0,7 biljoen euro aan financieel vermogen en 5,8 biljoen aan niet-financieel vermogen. De waarde van het niet-financieel vermogen en dus ook het totaal vermogen wordt overigens iets onderschat, omdat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de waarde van onder andere museumstukken en bouwgrond. Deze activa zijn daarom niet meegenomen in het niet-financieel vermogen. Verder worden duurzame consumptiegoederen, zoals auto’s en woninginrichting, in lijn met de internationale richtlijnen niet opgenomen in het vermogen.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland | Buitenland |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal vermogen | 313 | 240 | 400 | 5 537 | 6 490 | |
| Waarvan | ||||||
| Financieel vermogen | -1 464 | 136 | -239 | 2 263 | 697 | |
| Totaal financiële activa | 3 969 | 12 025 | 471 | 3 361 | 19 825 | 9 453 |
| Totaal schulden | 5 433 | 11 888 | 710 | 1 098 | 19 129 | 10 100 |
| Niet-financieel vermogen (niet-financiële activa) | 1 777 | 104 | 639 | 3 274 | 5 793 | |
Het vermogen van Nederland zit grotendeels bij huishoudens, vooral in woningen en gebouwen (3,1 biljoen euro, inclusief de onderliggende grond) en in pensioenrechten (1,7 biljoen euro). Omdat pensioenfondsen de pensioenrechten hebben afgedekt met beleggingen, hebben financiële instellingen geen groot negatief vermogen. Er staan dus bezittingen tegenover de pensioenschulden. Omdat de dekkingsgraad van pensioenfondsen boven de 100 procent ligt, is het financieel vermogen (en het eigen vermogen) van financiële instellingen zelfs positief. Een positieve dekkingsgraad betekent immers dat pensioenfondsen voldoende vermogen hebben om de toekomstige pensioenen uit te keren.
De overheid heeft ook een substantieel vermogen, ondanks een overheidsschuld van ongeveer 500 miljard euro. Een groot deel van het niet-financieel vermogen van de overheid (bijna 380 miljard) zit echter in infrastructurele werken zoals wegen, dijken en bruggen. Deze werken kunnen in veel gevallen niet gemakkelijk verkocht worden. Het financieel vermogen is daarnaast ook minder negatief dan de overheidsschuld. De overheidsschuld is namelijk geen saldo van schulden en financiële bezittingen, maar alleen de omvang van de schulden die de overheid heeft. Er zijn hiernaast ook conceptuele verschillen tussen de overheidsschuld en de schulden van 710 miljard euro in tabel 10.1. Een belangrijk voorbeeld is dat schulden binnen de overheid, bijvoorbeeld van de rijksoverheid aan gemeenten, worden niet meegenomen in de overheidsschuld.
Een belangrijk deel van de schulden van financiële en niet-financiële bedrijven betreft uitgegeven aandelen en leningen aan zowel binnenlandse als buitenlandse tegenpartijen. Het kapitaal dat hiermee is verkregen, is onder meer geïnvesteerd in kapitaalgoederen als gebouwen, vervoermiddelen, machines en installaties. Dit is zichtbaar als het bezit aan niet-financiële activa, met een waarde van 1,9 biljoen euro. Ook wordt dit kapitaal gebruikt als overbruggingskrediet om werknemers en lopende kosten te betalen vooruitlopend op de verkopen van de goederen en diensten die zij produceren.
De bezittingen in en schulden aan het buitenland zijn erg groot. Van de bijna 20 biljoen aan financiële activa die Nederlandse sectoren bezitten, is 10 biljoen bezit in buitenlandse activa. Andersom bezit het buitenland 9,5 biljoen euro aan financiële activa in Nederland. De overige 10 biljoen euro betreffen bezittingen en schulden tussen partijen in Nederland.
Verandering in vermogen
De waarde van het vermogen van Nederland is niet alleen het gevolg van de positieve besparingen en daaruit volgende aankopen van activa en aflossingen van schulden. De waarde van het vermogen hangt ook af van de prijsveranderingen van bezittingen en schulden die de sectoren in hun bezit hebben, bijvoorbeeld veranderingen van de huizenprijzen of van aandelenkoersen. Deze prijsveranderingen kunnen zowel positief als negatief zijn. Tabel 10.2 toont de veranderingen in het totale vermogen in 2024.
| Onderwerp | Niet-financiële bedrijven | Financiële instellingen | Overheid | Huishoudens | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|
| Beginbalans | 270 | 225 | 362 | 5 067 | 5 924 |
| Transacties | 57 | 24 | -6 | 65 | 139 |
| Prijsveranderingen | 3 | -19 | 53 | 398 | 435 |
| Overige mutaties | -19 | 10 | -8 | 8 | -9 |
| Eindbalans | 312 | 240 | 400 | 5 538 | 6 490 |
Het totale vermogen van Nederland is in 2024 gestegen van 5,9 biljoen euro naar de eerdergenoemde 6,5 biljoen euro. Deze stijging komt voor 139 miljard euro door transacties (investeringen, aan- en verkopen van financiële activa, en aangaan en aflossen van schulden) gefinancierd uit het positieve besparingensaldo. Het grootste deel van de stijging komt echter door prijsveranderingen. De prijsveranderingen zorgden voor een stijging van het totale vermogen van 435 miljard euro, oftewel 7,3 procent van de balanswaarde. Hiervan werd 330 miljard euro veroorzaakt door de stijging van de waarde van woningen en gebouwen.
De overige mutaties waren in 2024 per saldo beperkt negatief. Dit komt voornamelijk door het ontmantelen van de machines en infrastructuur om gas te winnen in het Groninger gasveld. Deze ontmanteling wordt als een overige mutatie geregistreerd. Een andere oorzaak van overige mutaties is de verhuizing van bedrijven van of naar het buitenland, waardoor bezittingen in en schulden aan het buitenland veranderen.
Met de balansstanden en balansmutaties is het einde van het rekeningenstelsel bereikt.
Aanvullende data
Lopende transacties: StatLine - Lopende transacties; sectoren, nationale rekeningen
Financiële balansen en transacties: StatLine - Financiële balansen en transacties; sectoren, nationale rekeningen
Niet-financiële balansen: StatLine - Niet-financiële balansen; nationale rekeningen
Inkomensverdeling van huishoudens: StatLine - Inkomensverdeling van huishoudens; nationale rekeningen
Kerncijfers overheid: StatLine - Overheidsfinanciën; kerncijfers
Bbp, productie en bestedingen: StatLine - Bbp, productie en bestedingen; kwartalen, waarden, nationale rekeningen
Arbeidsvolume: StatLine - Arbeidsvolume; bedrijfstak, geslacht, nationale rekeningen