Pilot-onderzoek naar het opzetten van een afzetregister voor biociden in Nederland

2. Inleiding

2.1 Aanleiding

Dagelijks worden in Nederland biociden gebruikt, zoals lok- en afweermiddelen, insecticiden en houtconserveringsmiddelen. Met biociden worden plaagdieren, bacteriën, schimmels en andere ongewenste organismen bestreden.

In 2023 heeft het RIVM een onderzoek gedaan naar de risicofactoren horend bij het gebruik van biociden (RIVM, 2023). Dit geeft een goed overzicht van allerlei aspecten die samenhangen met de risico’s van biociden voor onze gezondheid en leefomgeving (water en natuur). Een belangrijke bevinding uit het RIVM-rapport is dat het “niet bekend is in welke hoeveelheden biociden in Nederland worden gebruikt”. In het RIVM-rapport staan meerdere aanbevelingen om het ontbreken van informatie aan te pakken. Een daarvan is:

“Zorg voor meer zicht op de hoeveelheden biociden die in Nederland worden verkocht, vooral van biociden met relatief ernstige gevaarseigenschappen.”

Deze aanbeveling is in lijn met de acties in het Zero Pollution Action Plan van de Europese Unie (EU, Geraadpleegd december 2025), waarmee beoogd wordt de blootstelling aan schadelijke stoffen tot een verwaarloosbaar niveau te brengen. Voor beleid, toezicht en handhaving is kennis nodig over hoeveelheden biociden in de keten ‘productie - afzet - gebruik - verspreiding - belasting mens en milieu’. Het opzetten van een Nederlands afzetregister biociden is een belangrijke stap om een beter beeld te krijgen van het begin van deze keten.

Met een afzetregister biociden kunnen de trends (ontwikkelingen in de tijd) in de verkoophoeveelheden in kaart worden gebracht. Voor beleidsmakers geven de trends informatie over de invloed van het gevoerde beleid op het Nederlandse gebruik van biociden, terwijl de grootteorden van de afzet helpt om beleidsinspanningen te prioriteren; zowel binnen het biocidenbeleid als in relatie tot het beleid op andere schadelijke stoffen, zoals gewasbeschermingsmiddelen. Voor de inspectiediensten zijn trends en grootteorden nodig voor risico-inschattingen en hun handhavingsbeleid. Het ontwikkelen van beleid gericht op het verkrijgen van meer inzicht in het gebruik van en de blootstelling aan biociden (naast verkoopinformatie) is onderdeel van het Strategisch Kader Biociden (Rijksoverheid, 2023).

Op 12 juni 2024 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een rapport gepubliceerd met als titel ‘Het opzetten van een nieuw register over de afzet van biociden in Nederland’ (CBS, 2024a). Dit oriënterende onderzoek op de verkoop van biociden werd door het CBS uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), als onderdeel van het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023-2026 (IenW, 2022).

In dit oriënterende onderzoek van het CBS wordt geadviseerd om een pilot op te zetten, alvorens over te gaan op het daadwerkelijk opzetten van een volledig afzetregister. Het opzetten van een afzetregister voor biociden is namelijk complex. Er zitten praktische haken en ogen aan, die zich niet met een puur theoretische voorbereiding laten vangen.

Een pilot, waarin geleerd en geëxperimenteerd kan worden, is een laagdrempelige en een effectieve manier om te bepalen of ontwikkelde ideeën ook echt zullen werken in de praktijk. Een pilot helpt om bepaalde alternatieven tegen elkaar af te wegen en om keuzes te onderbouwen. Hierin wordt achtereenvolgens het ontwerp van de data-uitvraag, het opvragen van de data en de verwerking van de gegevens uitgevoerd. Het leren staat daarbij centraal. Het gaat nog niet om het betrouwbaar schatten van de hoeveelheden biociden die verkocht worden. Dat komt aan de orde als er besloten wordt om daadwerkelijk een Nederlands afzetregister biociden te implementeren.

2.2 Internationale context

Ook in andere landen bestaat de wens om een beter beeld van de afzet van biociden te krijgen. Meerdere Europese landen willen het verplicht beschikbaar stellen van de afzetgegevens beter verankeren in de Europese wetgeving. Deze landen geven een belangrijk signaal dat de Europese Biocidenverordening (EU, 2012) in hun ogen tekortschiet om het aanleveren van afzetgegevens volledig af te dwingen. Zo werd in de CBS-dataverkenning (CBS, 2024a) beschreven dat België en Duitsland extra nationale wetgeving hebben ingevoerd om dit in hun eigen land te realiseren.

Het Duits Milieu Agentschap heeft in september 2025 een notitie (UmweltBundesamt, 2025) naar buiten gebracht om de Europese wetgeving inzake biociden naar een hoger niveau te tillen. Op pagina 35-36 van deze notitie wordt voorgesteld om binnen Europa de jaarlijkse inzameling van afzetgegevens beter afdwingbaar te maken. Elk land doet het nu op een eigen manier, terwijl een geharmoniseerde aanpak gewenst is. In een andere notitie van het Duits Milieu Agentschap (UmweltBundesamt, 2024) wordt de data-inwinning van negen Europese landen op een rij gezet (zie pagina’s 17 en 35-37: België, Duitsland, Denemarken, Finland, Frankrijk, Kroatië, Letland, Zweden en Zwitserland).

De kosten voor het opzetten van een nationaal afzetregister biociden, en het onderhouden ervan, hangen af van de situatie in het land. Dit geldt vooral voor de inrichtingskosten, omdat deze afhankelijk zijn van het beoogde doel en gebruik van het afzetregister in het desbetreffende land. Het nu voorliggende rapport vergemakkelijkt deze zoektocht in Nederland, mede omdat de daarin beschreven pilot praktische informatie geeft over het benodigde databeheer.

2.3 Opbouw rapport

In dit rapport staat het door het CBS uitgevoerde pilot-onderzoek centraal, dat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is gedaan. In Hoofdstuk 3 wordt basisinformatie gedeeld over de aard van een statistisch proces zoals dat voor het register wordt voorzien. Het beschrijft een statistisch proces dat analoog is aan dat van andere statistieken van het CBS. De uitgangspunten van het pilot-onderzoek staan beschreven in Hoofdstuk 4. De door het CBS uitgevoerde uitvraag van afzetgegevens wordt in Hoofdstuk 5 behandeld. Een opsomming van de belangrijkste resultaten en bevindingen van het pilot-onderzoek staat in paragraaf 5.7. De eisen en wensen waaraan een registerhouder moet voldoen worden in Hoofdstuk 6 beschreven. Het rapport wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen in Hoofdstuk 7.