4. Behoefte aan externe financiering
In de periode tussen juli 2024 en juli 2025 had 15 procent van bedrijven in het mkb in de business economy een financieringsbehoefte. Dit aandeel is licht gedaald, maar vergelijkbaar met de afgelopen jaren. Voor alle grootteklassen binnen het mkb is een daling zichtbaar. Deze is het grootst voor het middenbedrijf. Net als eerdere jaren is de voornaamste reden voor de afwezigheid van een financieringsbehoefte dat er geen aanleiding is om op zoek te gaan naar nieuwe externe financiering. Dit geldt voor bijna de helft van de bedrijven.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de eerste stap, de behoefte, in de zoektocht naar financiering door het bedrijfsleven verder uiteengezet. De volgende figuur geeft de positie van dit hoofdstuk in het gehele proces weer.

4.1 Behoefte aan externe financiering licht gedaald
De behoefte aan externe financiering daalde licht: van 16 procent naar 15 procent. Deze daling is niet statistisch significant. Dit betekent dat de daling zou kunnen worden toegeschreven aan een toevalligheid op basis van de huidige steekproef en mogelijk geen indicatie is van een daadwerkelijke ontwikkeling of trend. In de periode 2018 tot en met 2022 was erover de jaren heen sprake van een daling. Vanaf 2022 lijkt de dalende trend enigszins gestagneerd.
| Categorie | 2025 (%) | 2025, marge (%) | 2024 (%) | 2024, marge (%) | 2023 (%) | 2023, marge (%) | 2022 (%) | 2022, marge (%) | 2021 (%) | 2021, marge (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Mkb | 15,0 | 13,2 - 16,8 | 16,2 | 14,1 - 18,3 | 15,0 | 13,0 - 17,0 | 16,4 | 14,3 - 18,4 | 18,9 | 16,3 - 21,5 |
| Bedrijfsgrootte | ||||||||||
| Micro | 13,0 | 10,9 - 15,1 | 14,2 | 11,7 - 16,6 | 13,4 | 11,0 - 15,8 | 15,0 | 12,6 - 17,4 | 18,0 | 14,9 - 21,1 |
| Klein | 24,3 | 21,3 - 27,3 | 25,4 | 22,2 - 28,6 | 21,2 | 18,3 - 24,1 | 21,8 | 18,7 - 24,8 | 23,0 | 20,2 - 25,9 |
| Midden | 25,5 | 21,8 - 29,2 | 27,4 | 23,2 - 31,6 | 26,6 | 22,4 - 30,8 | 25,9 | 21,9 - 30,0 | 22,6 | 19,1 - 26,1 |
| Groot | 30,8 | 25,0 - 36,6 | 20,9 | 15,6 - 26,1 | 23,0 | 17,3 - 28,7 | 26,0 | 19,9 - 32,2 | 17,9 | 12,7 - 23,0 |
| 1)Het gaat hier om 95%-betrouwbaarheidsinterval marges, zie de onderzoeksverantwoording voor meer toelichting op de weergegeven marges. | ||||||||||
- Voor alle grootteklassen binnen het mkb geldt dat dit jaar sprake is van een afname van de behoefte aan nieuwe externe financiering. De daling was het sterkst bij het middenbedrijf (2 procentpunt). Deze dalingen zijn echter niet statistisch significant.
- Binnen het mkb blijft het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte het grootst voor het middenbedrijf (25 procent), gevolgd door het kleinbedrijf (24 procent). Net als vorig jaar is het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte bij het middenbedrijf nagenoeg het dubbele van het aandeel bij het microbedrijf (13 procent).
- Het grootbedrijf laat in tegenstelling tot het mkb een stijging van 10 procentpunt zien, namelijk van 21 naar 31 procent. Deze stijging is statistisch significant.
- De sectoren met het grootste aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte zijn de landbouw en de nijverheid (respectievelijk 23 en 21 procent). In de landbouw steeg de behoefte het hardst ten opzichte van vorig jaar (3 procentpunt). Bedrijven in de zakelijke dienstverlening kenden juist de grootste daling (3 procentpunt). In beide gevallen is geen sprake van een statistisch significant verschil. In de zakelijke dienstverlening is het aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte het laagst (13 procent). Het verschil tussen sectoren binnen het mkb is toegenomen ten opzichte van vorig jaar. Dit jaar was het verschil tussen de sectoren met het hoogste en laagste aandeel 8 procentpunt, vorig jaar was dit nog 6 procentpunt.
- De behoefte aan externe financiering komt bij jonge bedrijven (tot vijf jaar) vaker voor dan bij oudere bedrijven (respectievelijk 19 en 14 procent). In lijn met de afgelopen twee jaar is het aandeel stabiel gebleven onder de oudere bedrijven. Bij de jonge bedrijven nam het aandeel met 4 procentpunt af ten opzichte van de vorige meting (23 procent). Dit volgt op een toename van 3 procentpunt een jaar eerder (20 procent). Het aandeel bij jongere bedrijven schommelt de afgelopen jaren, maar is wel altijd hoger dan het aandeel bij oudere bedrijven. Deze veranderingen zijn echter niet statistisch significant.
- Tussen de verschillende bedrijfstypen loopt het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte sterk uiteen. Zo is het aandeel het grootst bij de snelgroeiende bedrijven (38 procent) en het kleinst bij de dochter- en familiebedrijven (17 procent). Voor dochter- en familiebedrijven geldt dat zij over het algemeen gemakkelijker toegang hebben tot interne middelen binnen het concern en daarom minder vaak extern naar financiering zoeken.
- Bij innovatieve bedrijven en startups is dit aandeel evengoed hoog (respectievelijk 35 en 34 procent). Ten opzichte van de vorige meting is de toename het grootst bij snelgroeiende bedrijven en innovatieve bedrijven (6 en 4 procentpunt). De grootste daling was zichtbaar bij de startups, deze bedroeg 4 procentpunt.
- Verschillen in het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte hangen bovendien ook sterk samen met de levensfase waarin de ondernemingen zich bevinden. Zo geldt voor bedrijven in de levensfasen succes en beëindiging of afbouw dat deze behoefte laag is (respectievelijk 9 en 2 procent). Daarentegen is de behoefte aan externe financiering voor bedrijven in de fases uitbouw of opschalen (31 procent) en overleven (35 procent) juist relatief hoog net als in voorgaande jaren. Ten opzichte van de vorige meting is een sterke daling te zien bij de groep bedrijven in de levensfase uitbouw of opschalen (11 procentpunt). Met uitzondering van de fases continuïteit en overleven, was in alle levensfases ten opzichte van vorig jaar sprake van een daling.
Bedrijven met een externe financieringsbehoefte minder gezond
De behoefte aan nieuwe externe financiering hangt, naast bovenstaande factoren, ook samen met de financiële gezondheid van een bedrijf. De solvabiliteit en liquiditeit geven inzicht in de financiële gezondheid van het bedrijf. Solvabiliteit meet in hoeverre een bedrijf op de lange termijn in staat is met eigen middelen nieuwe investeringen te doen. Liquiditeit geeft de mate aan waarin bedrijven de mogelijkheid hebben om op de korte termijn vanuit eigen middelen te kunnen financieren.
Bedrijven met een externe financieringsbehoefte hebben zowel een lagere solvabiliteit als liquiditeit in 2023. In voorgaande jaren was dit ook zichtbaar. In beide gevallen is het verschil tussen deze bedrijven statistisch significant. In figuren 4.1.2a en 4.1.2b zijn de verschillen in solvabiliteit en liquiditeit weergegeven voor bedrijven met en zonder financieringsbehoefte.
| behoefte | Solvabiliteit (%) |
|---|---|
| Wel financieringsbehoefte | 39 |
| Geen financieringsbehoefte | 64 |
| Bron: CBS, Financieringsmonitor, NFO en SZO. | |
| 1)De mediane solvabiliteit is berekend op basis van gewinsoriseerde data. | |
| behoefte | Liquiditeit (ratio vlottende activa / kort vreemd vermogen) |
|---|---|
| Wel financieringsbehoefte | 1,54 |
| Geen financieringsbehoefte | 2,88 |
| Bron: CBS, Financieringsmonitor, NFO en SZO. | |
| 1)De mediane liquiditeit is berekend op basis van gewinsoriseerde data. | |
Bedrijven met externe financieringsbehoefte ervaren meer uitdagingen als belemmerend
Zoals toegelicht in hoofdstuk 3, kunnen verschillende uitdagingen een belemmering vormen voor bedrijfsprestaties. De frequentie waarmee uitdagingen als belemmerend worden ervaren door bedrijven in het mkb is verschillend voor bedrijven met en zonder een externe financieringsbehoefte. In figuur 4.1.3 komt dit verschil duidelijk naar voren.
Bij de bedrijven zonder financieringsbehoefte is het aandeel bedrijven het grootst voor de groep die geen van de uitdagingen in meer of mindere mate als belemmerend ervaart (28 procent), een viervoud van het percentage bedrijven met een financieringsbehoefte die geen van de uitdagingen als belemmerend ervaart (7 procent). Voor de bedrijven met een financieringsbehoefte neemt het aandeel bedrijven toe met het aantal uitdagingen dat als belemmerend wordt ervaren. Ruim vier op de tien van deze groep bedrijven ervaart zelfs vijf of meer van de uitdagingen als belemmering. Voor bedrijven zonder financieringsbehoefte geldt dat daarentegen maar voor 13 procent.
| Categorie | Met financieringsbehoefte (%) | Zonder financieringsbehoefte (%) |
|---|---|---|
| Geen uitdaging | 7 | 28 |
| Één uitdaging | 8 | 16 |
| Twee uitdagingen | 13 | 18 |
| Drie uitdagingen | 14 | 14 |
| Vier uitdagingen | 15 | 11 |
| Vijf of meer uitdagingen | 43 | 13 |
Zoals in hoofdstuk 3 bleek, zijn de meest voorkomende uitdagingen voor bedrijven in het mkb gestegen kosten, het vinden van gekwalificeerd personeel en wet- en regelgeving.
Voor bijna een derde van de bedrijven in het mkb met een financieringsbehoefte vormen alle drie de uitdagingen een belemmering. Slechts 13 procent ervaart geen van de uitdagingen als een belemmering. Voor de bedrijven met een financieringsbehoefte komen de uitdagingen gestegen kosten en wet- en regelgeving het vaakst samen voor (48 procent).
Voor bedrijven zonder een externe financieringsbehoefte zien we een ander beeld. Voor slechts 14 procent van deze bedrijven vormen al de bovengenoemde uitdagingen een belemmering. Ook het aandeel bedrijven dat twee van deze uitdagingen als belemmerend ervaart, is voor deze groep lager (27 procent) dan voor bedrijven met een financieringsbehoefte (33 procent). Het aandeel bedrijven dat slechts één van de uitdagingen als belemmerend ervaart (27 procent), is echter hoger dan bij de bedrijven met financieringsbehoefte (22 procent). Voor bedrijven zonder financieringsbehoefte komen het vinden van gekwalificeerd personeel en gestegen kosten het vaakst samen voor (29 procent). Voor 32 procent van de bedrijven zonder financieringsbehoefte vormt geen van deze drie uitdagingen een belemmering.
4.2 Financieringsdoel start, uitbreiding en/of vernieuwing komt weer het meest voor
Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijkertijd hebben. Voor 87 procent van de bedrijven met een externe financieringsbehoefte heeft minimaal één van de hoofddoelen te maken met de start, uitbreiding en/of vernieuwing van het bedrijf of bedrijfsactiviteiten. Ten opzichte van de vorige meting bleef dit aandeel nagenoeg gelijk (86 procent). Financieringsdoelen gerelateerd aan continuering van het bedrijf of bedrijfsactiviteiten spelen voor een minder groot gedeelte van de bedrijven met een financieringsbehoefte. Dit betreft tweede derde van de bedrijven met een financieringsbehoefte. Dit is een daling van 3 procentpunt ten opzichte van de vorige meting en vergelijkbaar met voorgaande jaren.
- Voor alle grootteklassen geldt dat meer dan 8 op de 10 bedrijven start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel heeft. Voor continuering zien we daarentegen dat dit aandeel lager ligt: voor het grootbedrijf ligt dit aandeel het laagst (57 procent), voor het microbedrijf het hoogst (69 procent).
- Ook als wordt uitgesplitst naar sector is het aandeel bedrijven met als hoofddoel start, uitbreiding en/of vernieuwing in alle gevallen hoger dan het aandeel met als hoofddoel continuering. In de sectoren landbouw en de handel, vervoer en horeca is het aandeel bedrijven met start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel het hoogst (respectievelijk 96 en 92 procent). Dit jaar is de sector met het laagste aandeel het onroerend goed en reparatie (83 procent).
- In handel, vervoer en horeca is ook de fractie bedrijven met continuering als financieringsbehoefte het hoogst (72 procent). In de landbouw was dit aandeel daarentegen het laagst (46 procent).
- Jongere bedrijven met een financieringsbehoefte hebben vaker (90 procent) dan oudere bedrijven (85 procent) start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel. Voor continuering is dit aandeel voor beide leeftijdsklassen gelijk (67 procent). Vorig jaar bedroeg dit verschil nog 5 procentpunt.
- Voor het type dochterbedrijf geldt dat het aandeel bedrijven met start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel het laagst is (80 procent), bij continuering zijn dit de familiebedrijven (57 procent). De grootste aandelen bij start, uitbreiding en/of vernieuwing zijn te zien bij familiebedrijf en startups (93 procent), bij continuering zijn dat de sociale ondernemingen (77 procent).
| Category | Percentage (%) |
|---|---|
| Start, uitbreiding en vernieuwing | 87 |
| Uitbreiding | 41 |
| Wagenpark | 19 |
| Onroerend goed | 17 |
| Continuering | 67 |
| Voorraden en werkkapitaal | 46 |
| Overbruggen anders dan corona | 16 |
| Herfinanciering | 14 |
| 1) Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijk hebben. | |
Voorraden en werkkapitaal en uitbreiding van activiteiten meest voorkomende financieringsdoelen
De twee hoofddoelen worden onderverdeeld in subdoelen, waarbij op wat concretere financieringsdoelen wordt ingegaan. Hierbij geldt ook dat bedrijven meerdere subdoelen tegelijkertijd kunnen hebben. Per hoofddoel worden in figuur 4.2.1 de meest voorkomende subdoelen weergegeven.
Van het hoofddoel start, uitbreiding en vernieuwing zijn de meest voorkomende subdoelen voor mkb-bedrijven met een externe financieringsbehoefte: investeren in uitbreiding van het bedrijf of de activiteiten (41 procent), het uitbreiden of vernieuwen van het wagenpark (19 procent) en onroerend goed (17 procent). De belangrijkste subdoelen van continuering zijn: voorraden en werkkapitaal (46 procent), het overbruggen van een moeilijke periode (anders dan vanwege het coronavirus) (16 procent) en herfinanciering (14 procent).
- Met uitzondering van het grootbedrijf geldt dat deze subdoelen voor alle grootteklassen het meest voorkomen. Bij het grootbedrijf is, naast investeren in uitbreiding, herfinanciering het meest voorkomende subdoel (39 procent).
- Tussen de sectoren zien we meer diversiteit met betrekking tot de meest voorkomende subdoelen van start, uitbreiding en/of vernieuwing. Zo is voor de bouwsector het uitbreiden of vernieuwen van het wagenpark het meest voorkomende subdoel (44 procent). Bij het subdoel R&D en innovatie springt de sector informatie en communicatie er juist uit (35 procent). Voor die sector is dit samen met uitbreiding het meest voorkomende subdoel. In de landbouw komt onroerend goed het meest voor als subdoel (41 procent).
- In de handel, vervoer en horeca heeft het grootste deel van de bedrijven voorraden en werkkapitaal als subdoel, namelijk zes op de tien bedrijven.
- Overbruggen van een moeilijke periode vanwege het coronavirus komt net als vorig jaar het meest voor bij bedrijven in de zakelijke dienstverlening (12 procent). Vorig jaar betrof dit nog 23 procent. Met uitzondering van de sector onroerend goed en reparatie, was hier bij alle sectoren een afname zichtbaar ten opzichte van vorig jaar.
4.3 Meeste bedrijven zonder externe financieringsbehoefte zien daarvoor geen aanleiding
Het grootste deel van het mkb in de business economy heeft geen nieuwe externe financieringsbehoefte. In deze meting betreft dit 85 procent van de bedrijven. De voornaamste reden voor bedrijven in het mkb om niet op zoek te gaan naar nieuwe financiering blijft dat er geen aanleiding was voor een financieringsbehoefte (48 procent). Voor iets minder dan een derde van de bedrijven zonder externe financieringsbehoefte is het intern eigen vermogen de hoofdreden (31 procent).
- Voor het microbedrijf geldt dat de helft van de bedrijven zonder financieringsbehoefte als voornaamste reden hiervoor heeft dat de aanleiding ontbreekt. Dit aandeel neemt af naar mate de grootte van het bedrijf toeneemt.
- De voornaamste reden bij het klein-, midden- en grootbedrijf voor het ontbreken van een behoefte was dat de behoefte gefinancierd kon worden vanuit intern eigen vermogen.
- Voor alle sectoren geldt, net als de afgelopen meting, dat geen aanleiding voor een financieringsbehoefte de voornaamste reden was, gevolgd door het hebben van voldoende intern eigen vermogen.
| Categorie | Percentage |
|---|---|
| Geen aanleiding voor financiering | 47,7 |
| Intern eigen vermogen | 30,9 |
| Geen groei(kansen) | 9,5 |
| Onafhankelijk van financier | 5,4 |
| Bestaande financiering | 3,0 |
| Versneld aflossen | 1,5 |
| Moedermaatschappij | 1,0 |
| Anders | 1,1 |
Bedrijven konden dit jaar voor het eerst – indien van toepassing - naast de hoofdreden, meerdere redenen aanmerken voor het ontbreken van een financieringsbehoefte. De meerderheid van de bedrijven zonder financieringsbehoefte heeft daar één reden voor (84 procent). Twaalf procent heeft twee redenen en de overige bedrijven hebben drie of meer redenen. Als bedrijven meerdere redenen hebben, komen de volgende redenen het meest samen voor: het hebben van intern eigen vermogen in combinatie met het ontbreken van een aanleiding (29 procent), en het hebben van intern eigen vermogen in combinatie met onafhankelijkheid (34 procent). Over het algemeen geldt dat bedrijven die intern vermogen of geen aanleiding als reden aanmerken, vaker ook een tweede reden hebben om geen behoefte aan externe financiering te hebben.
Intern vermogen met name afkomstig uit winsten of ingehouden reserves
Voor de bedrijven in het mkb die aangeven dat het hebben van intern eigen vermogen een reden is waarom zij geen financieringsbehoefte hebben, is (een deel van) het interne eigen vermogen bij 71 procent van de bedrijven afkomstig uit winsten of ingehouden reserves. Bij 32 procent van de bedrijven is dat (deels) uit privévermogen en voor 12 procent (deels) uit overig intern eigen vermogen.
Start, uitbreiding en/of vernieuwing ook het meest voorkomende doel bij bedrijven met alternatieve invulling financieringsbehoefte
Sommige bedrijven in het mkb hebben geen nieuwe externe financieringsbehoefte, omdat ze hun behoefte op een andere manier hebben ingevuld (39 procent): met intern eigen vermogen, met bestaand externe financieringsruimte en/of met behulp van middelen van de moedermaatschappij. De financieringsdoelen van deze bedrijven zijn grotendeels vergelijkbaar met het beeld voor de bedrijven mét behoefte aan nieuwe externe financiering.
Voor deze bedrijven in het mkb in de business economy geldt dat negen op de tien bedrijven start, uitbreiding en/of vernieuwing als doel hadden (88 procent). Bij de bedrijven met een externe financieringsbehoefte is dit ongeveer gelijk (87 procent). Voor het hoofddoel continuering ligt het aandeel bij bedrijven zonder externe financieringsbehoefte iets lager: 62 procent versus 67 procent bij bedrijven met externe financieringsbehoefte.
In alle gevallen (sector, leeftijd, grootteklasse en type bedrijf) is het aandeel bedrijven met als hoofddoel start, uitbreiding en/of vernieuwing groter dan het aandeel met als hoofddoel continuering.
| Category | Percentage (%) |
|---|---|
| Start, uitbreiding en vernieuwing | 88 |
| Uitbreiding | 24 |
| Overige activa | 22 |
| Wagenpark | 21 |
| Continuering | 62 |
| Voorraden en werkkapitaal | 55 |
| Overbruggen anders dan corona | 5 |
| Overbruggen door corona | 4 |
| 1) Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijk hebben. | |
Figuur 4.3.2 geeft voor beide hoofddoelen de meest voorkomende subdoelen weer. In tegenstelling tot de groep met externe financieringsbehoefte, valt voor deze groep bedrijven overige activa onder de belangrijkste subdoelen van het hoofddoel start, uitbreiding en vernieuwing. Opvallend is bij deze groep ook het relatief lage aandeel bedrijven met uitbreiding als financieringsdoel (24 procent). Onroerend goed komt bij deze bedrijven niet in de top drie voor, dit betreft slechts 8 procent van de bedrijven.
Onder het hoofddoel continuering is het subdoel herfinanciering uit de top drie verdwenen. Voor deze bedrijven geldt dit slechts voor 2 procent als financieringsdoel. Voor de bedrijven met een externe financieringsbehoefte heeft 14 procent dit als financieringsdoel. Enkel voor het subdoel voorraden en werkkapitaal is het aandeel bedrijven hoger onder bedrijven die een andere invulling aan de financiering hebben gegeven (55 procent) dan bedrijven met externe financieringsbehoefte (46 procent).