Financieringsmonitor 2025

Over deze publicatie

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stelt de Financieringsmonitor samen in opdracht van het ministerie van Economische Zaken (EZ). De voorgaande edities zijn vanaf 2019 in het begin van het jaar verschenen, dit onderzoeksrapport bevat de uitkomsten van de achtste meting.

De monitor bestaat uit een verkenning van de vraagzijde van de markt voor financiering. Met een digitale enquête onder 10 700 ondernemingen, waarvan er ongeveer 5 600 respondeerden, is de gehele zoektocht naar financiering in beeld gebracht: van behoefte tot aan uitkomst.

Samenvatting

De zoektocht naar financiering door het mkb in de business economy (juli 2024 - juli 2025)De zoektocht naar financiering door het mkb in de business economy (juli 2024 - juli 2025)De zoektocht naar financiering door het mkb in de business economy (juli 2024 - juli 2025)Behoefte 45 700 bedrijvenDoel van financiering bij succesvolle aanvragen? **Legenda20252024Banklening 41%Anders16%Onderhandse lening12%Informele investeerders 5%Rekening-courant5%Er zijn mogelijkheden verkendEr is een nieuwe externe financieringsbehoefteEr is een aanvraag gedaanEr is financiering gekomenKleinbedrijfMiddenbedrijfMicrobedrijf84%82%75%Mkb78%KleinbedrijfMiddenbedrijfMicrobedrijf24%25%13%Mkb15%KleinbedrijfMiddenbedrijfMicrobedrijf77%77%63%Mkb67%KleinbedrijfMiddenbedrijfMicrobedrijf95%96%91%Mkb93%Oriëntatie 35 400 bedrijvenAanvraag 27 100 bedrijven Uitkomst 25 100 bedrijven Wagenpark Onroerend goed Uitbreiding24%22%38%Start, uitbreiding of vernieuwing 89% Herfinanciering Overbruggen anders dan coronavirus*** Voorraden17%12%37%Continuering 60%Weet niet waarGeen succes26%19%Al bekend49%Waarom niet? *Geen groeiInterne financiering31%9%Geen aanleiding48%Waarom niet? *OnafhankelijkheidInterne financieringNiet het juiste momentWaarom niet? *15%26%22%55%34%Geen uitbreidingGeen personeelGeen vernieuwing24%Mkb business economy 304 000 bedrijvenGrootbedrijf81%Grootbedrijf31%Grootbedrijf73%Grootbedrijf100%Vorm van financiering?Bedrijven kunnen meerdere antwoorden geven, hier staan de drie meest genoemde opties.In de enquête kan gekozen worden voor meerdere subdoelen. Deze worden vervolgens gecategoriseerd naar hoofddoel. Per hoofddoel worden hier de drie meestvoorkomende subdoelen weergegeven.In de enquête konden bedrijven aangeven dat de financiering gezocht werd voor het over- bruggen van een moeilijke periode, hierin werd onderscheid gemaakt tussen overbruggen wegens coronavirus en overbruggen anders dan coronavirus. Leasing20%
De zoektocht naar financiering door het mkb in de business economy (juli 2024 - juli 2025)
2025 (%) 2024 (%) Bedrijven
mkb business economy 304,000
Behoefte mkb 15 16 45,700
Behoefte micro 13 14
Behoefte klein 24 25
Behoefte midden 25 27
Behoefte groot 31 21
Waarom niet? Geen aanleiding 48 44
Waarom niet? Intern 31 31
Waarom niet? Geen groei 9 9
Oriëntatie mkb 78 82 35,400
Oriëntatie micro 75 83
Oriëntatie klein 84 79
Oriëntatie midden 82 83
Oriëntatie groot 81 85
Waarom niet? Al bekend 49 53
Waarom niet? Geen succes 26 35
Waarom niet? Weet niet waar 19 12
Aanvraag mkb 67 59 27,100
Aanvraag micro 63 56
Aanvraag klein 77 67
Aanvraag midden 77 68
Aanvraag groot 73 79
Waarom niet? Intern 26 23
Waarom niet? Niet het juiste moment 22 23
Waarom niet? Kosten 15 14
Uitkomst mkb 93 91 25,100
Uitkomst micro 91 88
Uitkomst klein 95 95
Uitkomst midden 96 99
Uitkomst groot 100 100
gevolgen: geen uitbreiding 55 62
gevolgen: geen vernieuwing 34 33
gevolgen: geen personeel 24 19
Vorm
Banklening 41 33
Leasing 20 20
Onderhandse lening 12 13
Informele investeerders 5 6
Rekeningcourant 5 10
Anders 16 19
Doel
Start, uitbreiding of vernieuwing 89 90
Uitbreiding 38 31
Wagenpark 24 22
Onroerend goed 22 20
Continuering 60 65
Voorraden 37 41
Overbruggen 21 25
Herfinanciering 17 15
* Bedrijven kunnen meerdere antwoorden geven, hier staan de drie meest genoemde opties.
** In de enquête kan gekozen worden voor meerdere subdoelen. Deze worden vervolgens gecategoriseerd naar hoofddoel. Per hoofddoel worden hier de drie meestvoorkomende subdoelen weergegeven.
*** In de enquête konden bedrijven aangeven dat de financiering gezocht werd voor het over- bruggen van een moeilijke periode, hierin werd onderscheid gemaakt tussen overbruggen wegens coronavirus en overbruggen anders dan coronavirus.

Van alle bedrijven in het mkb in de business economy heeft 15 procent behoefte aan nieuwe externe financiering. Het gaat hierbij om vreemd vermogen of om eigen vermogen dat buiten het bedrijf of buiten het eigen geld van de ondernemer wordt gezocht. Van de bedrijven met een financieringsbehoefte zet 78 procent stappen om de mogelijkheden te verkennen en bij 11 procent zijn de mogelijkheden al bekend. Van deze 89 procent samen besluit vervolgens 67 procent om daadwerkelijk een financieringsaanvraag te doen. Daarvan is 93 procent succesvol: zij krijgen het aangevraagde bedrag geheel of ten dele. Cijfers uit de Financieringsmonitor 2025 zijn gebaseerd op de periode juli 2024 tot juli 2025. De opvallendste uitkomsten zijn als volgt:

Financieringsbehoefte mkb blijft stabiel, die van het grootbedrijf neemt toe

De behoefte aan nieuwe, externe financiering binnen het mkb blijft nagenoeg gelijk ten opzichte van de vorige meting. Toen had nog 16 procent van de bedrijven een externe financieringsbehoefte, dit jaar is dat 15 procent. De behoefte aan financiering hangt samen met de grootte van de onderneming: het microbedrijf heeft het minst vaak behoefte aan nieuwe externe financiering (13 procent). Het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte binnen het mkb blijft het grootst voor het middenbedrijf (25 procent), gevolgd door het kleinbedrijf (24 procent). Voor het grootbedrijf is een statistisch significante toename zichtbaar in de behoefte ten opzichte van vorig jaar: toen had nog 21 procent van deze groep bedrijven een externe financieringsbehoefte, dit jaar is dat 31 procent.

Bedrijven in de sectoren landbouw (23 procent) en nijverheid (21 procent) hebben het vaakst een externe financieringsbehoefte en bedrijven in de zakelijke dienstverlening het minst vaak (13 procent). Daarnaast hebben bedrijven tot vijf jaar oud vaker (19 procent) een financieringsbehoefte dan oudere bedrijven (14 procent). Dit is in lijn met de eerdere metingen. Bedrijven met een externe financieringsbehoefte hebben, ook net als in eerdere jaren, zowel een lagere solvabiliteit als liquiditeit dan bedrijven zonder deze behoefte. Zij kunnen dus minder goed voldoen aan hun betalingsverplichtingen op zowel lange als korte termijn.

De voornaamste reden voor bedrijven in het mkb om niet op zoek te gaan naar nieuwe financiering blijft dat er geen aanleiding was voor een financieringsbehoefte (48 procent). Nieuw dit jaar is dat bedrijven, wanneer van toepassing, naast de hoofdreden meerdere redenen konden aangeven voor het ontbreken van een financieringsbehoefte. De meerderheid van de bedrijven zonder financieringsbehoefte heeft daar één reden voor (84 procent). Twaalf procent heeft twee redenen en de overige bedrijven hebben drie of meer redenen om geen financieringsbehoefte te hebben.

Bank dit jaar vaker gebruikt als oriëntatie- en aanvraagkanaal

Het aandeel bedrijven binnen het mkb met een financieringsbehoefte dat zich georiënteerd heeft op de mogelijkheden (78 procent) is afgenomen ten opzichte van de vorige meting. Toen was dit nog 82 procent. Deze daling geldt voor alle grootteklassen behalve het kleinbedrijf. De afgelopen jaren daalde de populariteit van de bank als oriëntatiekanaal; in 2019 verkende nog 80 procent van de bedrijven hun mogelijkheden via de bank, dit daalde tot 56 procent in 2024. Dit jaar neemt dat aandeel voor het eerst weer toe, namelijk tot 64 procent. Vooral voor het klein-, midden- en grootbedrijf is de bank een vaak gebruikt kanaal om zich te oriënteren (in respectievelijk 77, 84 en 79 procent van de gevallen). Het microbedrijf oriënteert zich ook voornamelijk via de bank, al is dat iets minder vaak, namelijk in 58 procent van de gevallen. In vergelijking met andere grootteklassen oriënteert het microbedrijf zich relatief vaker via bekenden of zelf online. Wat betreft oriëntatiekanalen is enkel de bank in populariteit gestegen ten opzichte van de vorige meting. Alle andere oriëntatiekanalen werden minder vaak gebruikt.

Van de bedrijven in het mkb in de business economy die de eerste twee stappen van het proces hebben doorlopen of die al bekend waren met de mogelijkheden van financiering is het aandeel dat ten minste één financieringsaanvraag doet verder gestegen. Dit aandeel neemt toe van 51 procent in 2023 naar 59 procent in 2024 en 67 procent in 2025. De toename ten opzichte van de voorgaande meting is zichtbaar binnen alle grootteklassen binnen het mkb en is statistisch significant bij het kleinbedrijf. Daar is het aandeel tien procentpunt hoger dan in de vorige meting. Ook hier is de toename in populariteit van banken zichtbaar: ten opzichte van de vorige meting stijgt het aandeel bedrijven dat een aanvraag enkel doet bij een bancaire financier van 48 procent naar 56 procent.

In de huidige meting is voor het eerst meegenomen of er een financieel adviseur betrokken was bij de financieringsaanvraag. Dit is het geval bij bijna vier op de tien mkb-bedrijven in de business economy. De mate van betrokkenheid is hoger bij bedrijven die enkel een bancaire aanvraag hebben gedaan dan bij bedrijven die enkel een non-bancaire aanvraag hebben gedaan.

Kans dat financiering slaagt neemt verder toe

Het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte dat daadwerkelijk financiering weet aan te trekken is dit jaar het hoogst sinds het begin van de metingen. De slagingskans wordt berekend door het aandeel dat zich heeft georiënteerd of al bekend was met de mogelijkheden, vervolgens een aanvraag heeft gedaan en waarvan de aanvraag (deels) succesvol was met elkaar te vermenigvuldigen. Dat leidt dit jaar tot een slagingspercentage van 55 procent. De jaren hiervoor was dit percentage lager, namelijk 35 procent (2021), 44 procent (2022), 38 procent (2023) en 49 procent (2024). De toename ten opzichte van de vorige meting zit vooral in de groei van het aandeel bedrijven dat een aanvraag doet.

Toekomstverwachting van bedrijven rooskleuriger dan vorige meting

Van de bedrijven in het mkb verwacht 9 procent in de toekomst een financieringsbehoefte te hebben, dit is een statistisch significante daling ten opzichte van de afgelopen meting. Toen was dit aandeel nog 12 procent. Voor alle grootteklassen binnen het mkb is een afname zichtbaar. De afname is enkel bij het kleinbedrijf statistisch significant. Ook hier geldt een samenhang met de bedrijfsgrootte: hoe groter de onderneming, hoe hoger de verwachting dat er in de toekomst nieuwe externe bedrijfsfinanciering benodigd is. Ten opzichte van vorig jaar neemt het aandeel grote bedrijven dat een financieringsbehoefte verwacht juist toe en komt met 25 procent uit op het hoogste niveau sinds de start van de metingen in 2018.

1. Inleiding

Sinds 2018 stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de Financieringsmonitor samen in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken (EZ)1). Het doel van de monitor is om een overzichtelijk beeld te geven van de Nederlandse markt voor externe financiering voor bedrijven in het midden- en kleinbedrijf (mkb). Daarvoor wordt de zoektocht naar financiering van ondernemers gevolgd en een schets gegeven van recente ontwikkelingen op de Nederlandse financieringsmarkt. Deze achtste editie van de monitor heeft betrekking op de periode die loopt van 1 juli 2024 tot 1 juli 2025.

De Financieringsmonitor bestaat uit drie onderdelen. De voornaamste uitkomsten worden beschreven in dit onderzoeksrapport. Het dashboard geeft op interactieve wijze meer detailinformatie en kan als naslagwerk gebruikt worden. Ten slotte worden de analysedata die voortkomen uit de monitor beschikbaar gesteld aan gebruikers van de microdatafaciliteit van het CBS. Zo kunnen ook anderen de zoektocht naar financiering van het mkb onderzoeken.

1.1 Aanpak

De zoektocht van het mkb naar financiering wordt in deze monitor in beeld gebracht met een digitale enquête waarvoor ongeveer 10 700 bedrijven zijn benaderd en waarvan er bijna 5 600 gerespondeerd hebben2). Dit is een steekproef uit de totale populatie van ongeveer 304 duizend midden- en kleinbedrijven in de business economy met minimaal twee werkzame personen, aangevuld met grootbedrijf en landbouw om te kunnen benchmarken. De resultaten die op basis van deze steekproef in de monitor worden weergegeven zijn representatief voor de hele populatie, maar zijn dus schattingen van de uitkomsten voor alle bedrijven. Daarom zijn er 95%-betrouwbaarheidsintervallen opgenomen voor de belangrijkste indicatoren.

Vraag en aanbod

Met de zoektocht naar externe financiering wordt een deel van de markt voor financiering in beeld gebracht. Een markt bestaat uit vraag en aanbod. De vraag naar financiering vindt zijn oorsprong bij bedrijven en dat is wat deze Financieringsmonitor in kaart brengt. Het aanbod bestaat uit al het geld dat de banken en non-bancaire financiers zoals institutionele investeerders, private investeerders, betrokken consumenten, en zo verder, uit zouden willen zetten. Deze monitor beperkt zich tot een overzicht van recente ontwikkelingen in het verstrekte aanbod voor zeven vormen van financiering: bankkredieten, crowdfunding, equipment lease, factoring, private equity inclusief durfkapitaal, direct lending en de mkb-beurs3). Alle data komen uit bronnen buiten het CBS en zijn enkel verzameld om deze in samenhang te presenteren. Dit is ondersteunende informatie. Het geeft een context waarbinnen de vraag naar financiering gezien moet worden.

1.2 Leeswijzer

De rest van de monitor is als volgt opgezet. Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van recente ontwikkelingen in bancaire financiering en verschillende vormen van non-bancaire financiering. Hoofdstuk 3 is een leeswijzer voor de hoofdstukken die daarna volgen en voor de zoektocht van bedrijven naar nieuwe externe financiering. Het gaat in op de interpretatie van uitkomsten voor de zoektocht: de trechterwerking van het zoekproces, de populatie en marges rondom de uitkomsten. Hoofdstuk 4 beschrijft de financieringsbehoefte en hoofdstuk 5 de oriëntatiefase. Hoofdstuk 6 en 7 gaan in op de echte aanvraag van financiering: het proces en de uitkomst. Vervolgens bespreekt hoofdstuk 8 de resultaten rondom de verwachte financieringsbehoefte in de toekomst. De Financieringsmonitor sluit af met een onderzoeksverantwoording, met aandacht voor de methodiek achter de enquête, een begrippenlijst en een bronnenoverzicht.

2. Ontwikkelingen op de markt voor bedrijfsfinanciering

De Nederlandse economie groeide in 2024 sneller dan in 2023. Zowel het consumenten- als het producentenvertrouwen bleven echter negatief en liepen eind 2024 en begin 2025 weer terug na een periode van herstel. Uitstaande kredietverleningen aan het mkb namen af, hoewel het totale volume nieuwe verstrekkingen in Nederland ten opzichte van de rest van Europa bovengemiddeld steeg. Het totale volume non-bancaire financiering nam verder toe, maar het aandeel non-bancaire financiering ten opzichte van bancaire financiering nam iets af ten opzichte van 2023.

Dit hoofdstuk is bedoeld om de uitkomsten van de Financieringsmonitor in breder perspectief te plaatsen. Het beschrijft eerst de ontwikkelingen in de economie en daarna de ontwikkelingen op de bancaire en non-bancaire markten voor financiering in 2024 en het eerste kwartaal (en waar mogelijk het tweede kwartaal) van 2025. Daar wordt enige duiding aan gegeven met behulp van een selectie van recent onderzoek. Net als vorig jaar wordt er in deze editie van de monitor een Europese vergelijking gemaakt voor nieuwe kredietverlening van banken aan het mkb op basis van data van de Europese Centrale Bank (ECB). Daarnaast worden de ontwikkelingen op rentegebied vergeleken met die van onze buurlanden en plaatsen we economische ontwikkelingen, waar mogelijk, in Europees perspectief. De informatie in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie beschikbaar in de zomer van 2025.

2.1 Nederlandse economie

De Nederlandse economie groeide in 2024 harder dan in 2023. De inflatie nam verder af, maar bleef boven het Europese gemiddelde. Ook de krapte op de arbeidsmarkt daalde in 2024. Tegelijkertijd bleef het consumenten- en productenvertrouwen negatief.

Economische groei in 2024 en begin 2025 gelijk aan Europees gemiddelde 4)

Na de beperkte groei in 2023, trok de economie in 2024 weer aan. Het bbp groeide met 1,0 procent (CBS, 2025a). De groei was nog altijd een stuk lager dan de uitzonderlijk hoge groei in 2021 en 2022 als gevolg van het herstel na de coronapandemie (CBS, 2025a). Waar de economische groei in 2023 nog achterbleef op het Europese gemiddelde, liep de groei van het bbp in 2024 in lijn met het gemiddelde van de Europese Unie (CBS, 2025a). Ook in de eerste twee kwartalen van 2025 groeide de Nederlandse economie door (CBS, 2025b). Het tweede kwartaal van 2024 kende echter de grootste groei in deze periode. Het bbp was in het tweede kwartaal van 2024 1,1 procent groter dan in het voorgaande kwartaal (CBS, 2025b). Sindsdien is de groei ieder kwartaal afgenomen en kwam in het tweede kwartaal van 2025 uit op 0,1 procent (CBS, 2025b).

Het bbp is vrijwel geheel op te bouwen uit vier componenten: de consumptie van huishoudens, de overheidsconsumptie, investeringen en het handelssaldo (uitvoer minus invoer). Het volume van alle componenten die het bbp opmaken was aan het eind van 2024 hoger dan aan het begin van dat jaar, met name de investeringen in vaste activa en de consumptie van de overheid (CBS, 2025a). Deze stegen in alle kwartalen van 2024. De consumptie van huishoudens groeide in de eerste twee kwartalen van 2024, maar daalde in de tweede helft van het jaar. De uitvoer van goederen en diensten daalde in het eerste kwartaal, maar nam daarna drie kwartalen op rij toe. In het eerste kwartaal van 2025 was de stijging van het bbp met name het gevolg van consumptie door huishoudens en een kleinere afbouw van de voorraden dan in het laatste kwartaal van 2024 (CBS, 2025c). In het tweede kwartaal van 2025 werd de stijging van het bbp voornamelijk veroorzaakt door de investeringen en de overheidsconsumptie (CBS, 2025b).

Het bruto beschikbaar inkomen van bedrijven is het saldo van winsten, overdrachten en inkomsten minus uitgaven aan vermogen. Bedrijven gebruiken het bruto beschikbare inkomen bijvoorbeeld om te investeren, te sparen of leningen af te lossen. In 2024 steeg het bruto beschikbare inkomen van niet-financiële bedrijven met 14,5 miljard euro5) (CBS, 2025d). Het inkomen nam harder toe dan de bedrijfsinvesteringen, bedrijven hielden dus een relatief groter deel van het vermogen over voor andere doeleinden.

Inflatie verder gedaald, blijft boven het Europese gemiddelde

Na een periode van hoge inflatie in 2021 en 2022 als gevolg van stijgende grondstof- en voedselprijzen, leveringsproblemen en de opstart van de economie na de coronacrisis (CBS, 2025e, CPB, 2022), daalde de inflatie in 2023 over het hele jaar genomen naar 3,8 procent (CBS, 2025f). In 2024 liep de inflatie verder terug naar een niveau van 3,3 procent (CBS, 2025f). In tegenstelling tot de afgelopen jaren was de prijsontwikkeling van voedingsmiddelen in 2024 niet een van de voornaamste bijdragers aan inflatie. Waar deze in 2023 nog 12,1 procent bedroeg, liep deze in 2024 terug tot 1,1 procent. In 2024 werd de inflatie voornamelijk gedreven door de prijsontwikkeling van tabak en huisvesting (CBS, 2025f). De inflatie op tabak en huisvesting bedroegen respectievelijk 29,0 en 3,7 procent ten opzichte van een jaar eerder.

In 2024 en de eerste twee kwartalen van 2025 lag de Nederlandse inflatie gemeten volgens de HICP6) hoger dan de gemiddelde inflatie in de Eurozone (CBS, 2025g). Volgens de HICP was de inflatie in Nederland in 2024 gemiddeld 3,2 procent en lag daarmee boven het Europese gemiddelde van 2,4 procent (CBS, 2025f). Aan het eind van het tweede kwartaal van 2025, was de inflatie in de Eurozone gemiddeld 2,0 procent op basis van de HICP (CBS, 2025h). Hiermee was de inflatie in het eurogebied gezakt naar het inflatiedoel van de ECB (DNB, 2025a). Op datzelfde tijdstip lag de inflatie (HICP) in Nederland nog 0,8 procentpunt boven het Europese gemiddelde. Ingevoerde belastingen en de aanhoudende groei in prijzen van diensten, als gevolg van een relatief grote groei van Nederlandse lonen, zijn redenen voor de hoge inflatie ten opzichte van de rest van de Eurozone (DNB, 2025b).

Herstel consumentenvertrouwen gestokt, loopt weer terug

Hoewel het consumentenvertrouwen in 2023 en begin 2024 een stuk minder negatief was dan het dieptepunt van -59 in september en oktober van 2022, is het herstel in de tweede helft van 2024 stilgevallen (CBS, 2025i). In september 2024 stond het consumentenvertrouwen op -21. Dit liep daarna juist weer verder terug tot een waarde van -37 in april 2025. In het tweede kwartaal van 2025 was er geen sprake van een verdere afname, in mei en juni van 2025 was er sprake van enige stabilisering en herstel.

Voor alle deelindicatoren gold over de eerste twee kwartalen van 2025 gezien, dat consumenten pessimistischer zijn geworden (CBS, 2025j). Waar consumenten in 2024 over de maanden genomen gemiddeld nog positief dachten over hun financiële situatie de komende twaalf maanden, was ook bij deze deelindicator vanaf januari 2025 geen sprake meer van een positief saldo. Het meest pessimistisch waren consumenten de afgelopen maanden over de economische situatie van de laatste 12 maanden. De daling van het consumentenvertrouwen vanaf 2025 was met name terug te zien in de verwachting voor de economische situatie in komende 12 maanden.

Producentenvertrouwen blijft negatief en zakt terug

Sinds het tweede kwartaal van 2023 is het productenvertrouwen negatief. Dit bleef in 2024 ook zo. In de loop van 2024 werd het beeld wel wat minder negatief: het vertrouwen nam toe van -4,4 in januari naar -1,6 in december. Dit niveau bleef nagenoeg stabiel in het eerste kwartaal van 2025, maar daalde in het tweede kwartaal weer naar -5,0 (CBS, 2025k).

Het producentenvertrouwen is opgebouwd uit drie deelindicatoren: de verwachte bedrijvigheid, het oordeel over de voorraden gereed product en het oordeel over de orderpositie. In 2024 en de eerste helft van 2025 waren producenten altijd positief over hun verwachte bedrijvigheid. Het oordeel over de voorraden en de orderpositie was in die periode daarentegen elke maand negatief (CBS, 2025l). 

Ondanks het negatieve producentenvertrouwen, steeg de omzet in de Nederlandse industrie in het eerste kwartaal van 2025 met 2,9 procent ten opzichte van het eerste kwartaal van 2024 (CBS, 2025m). Dat is de grootste toename sinds het eerste kwartaal van 2023. In de loop van 2024 werd de afname van de omzet al geleidelijk kleiner en in het eerste kwartaal van 2025 zien we dus weer een groei van de omzet ten opzichte van een jaar eerder.

Krapte op de arbeidsmarkt daalt verder

De groei van de Nederlandse economie was in 2024, net als in 2023, in het geheel terug te voeren op een stijging van de werkgelegenheid (CBS, 2025a). Na een piek in de spanning op de arbeidsmarkt in het tweede kwartaal van 2022, nam de krapte de afgelopen jaren af. Ook in 2024 nam in het eerste kwartaal de krapte op de arbeidsmarkt iets af ten opzichte van een kwartaal eerder, maar bleef hoog met 110 vacatures per 100 werklozen (CBS, 2024a). Eind 2024 stond de spanning op een niveau van 107 (CBS, 2025n).

In het eerste kwartaal van 2025 nam de spanning verder af tot 101 vacatures per 100 werklozen. Dit kwam door een afname van het aantal vacatures (- 7 000) en een toename van het aantal werklozen (+ 16 000) (CBS, 2025n). In het tweede kwartaal bleef de spanning nagenoeg gelijk. Het grootste deel van de openstaande vacatures bevindt zich in de zakelijke dienstverlening, de zorg en de handel (CBS, 2025o).

Het aantal banen steeg in het tweede kwartaal van 2025 met 0,2 procent ten opzichte van het voorgaande kwartaal, dit kwam neer op 24 duizend nieuwe banen (CBS, 2025o). Het aantal werknemers steeg met 0,5 procent, het aantal zelfstandigen daalde daarentegen met 0,7 procent. Beleid gericht op strengere handhaving op het gebied van schijnzelfstandigheid speelt hierin mogelijk een rol (Van de Kerke & Van Huisseling, 2025). Dit beeld komt ook overeen met de resultaten uit de Conjunctuurenquête Nederland van januari 2025, waarin ruim 40 procent van de bedrijven die in 2024 nog zzp’ers inhuurden, aangaven dit naar verwachting in 2025 in mindere mate te zullen doen (CBS, 2025p).

2.2 Groei volume nieuwe verstrekkingen, afname uitstaande leningen

In 2022 en 2023 zwakte de groei van het volume nieuw verstrekte leningen in Nederland af. Na een opwaartse sprong in 2021 door zeer sterke groei in het vierde kwartaal, vertoonde het volume nieuw verstrekte leningen in 2022 en 2023 in totaal een groei van respectievelijk 1 en 2 procent (ECB, 2025a). Zoals te zien in figuur 2.2.17), was er in 2024 weer sprake van een substantiëlere toename in het totale volume aan nieuw verstrekte leningen (ECB, 2025a).

1)Gegevens over contracten voor het derde en vierde kwartaal 2017 zijn niet of niet volledig beschikbaar voor de categorieën <250K en 250K - 1 miljoen.
2)Tot en met de financieringsmonitor 2023 maakten we als bron voor deze cijfers gebruik van Tabel 5.2.7.4 van de DNB.
3)Vanaf de Financieringsmonitor 2024 maken we ook een vergelijking met omliggende landen en de landen uit de Europese Unie met de Euro als valuta, deze cijfers zijn afkomstig van ECB. Omdat de cijfers enkel op maandbasis worden gepubliceerd, zijn deze door het CBS omgerekend tot kwartaalcijfers (de som per kwartaal).

2.2.1 Volume nieuw verstrekte leningen van banken aan bedrijven, 2010-2025, in miljarden euro's 1)2)3)
 Kwartaal <250K, Nederland (mld euro) 250K-1miljoen, Nederland (mld euro) > 1 miljoen, Nederland (mld euro) <250K, België (mld euro) 250K-1miljoen, België (mld euro) > 1 miljoen, België (mld euro) <250K, Duitsland (mld euro) 250K-1miljoen, Duitsland (mld euro) > 1 miljoen, Duitsland (mld euro) <250K, Frankrijk (mld euro) 250K-1miljoen, Frankrijk (mld euro) > 1 miljoen, Frankrijk (mld euro) <250K, EU (mld euro) 250K-1miljoen, EU (mld euro) > 1 miljoen, EU (mld euro)
'10III1,372,4624,735,05613,47759,589,07616,701148,70410,8469,22840,15591,68681,109528,297
'10IV1,923,1128,485,46614,00762,7429,86517,541164,5611,6419,7342,716101,57687,077565,354
'11I1,983,3623,795,29713,81863,129,98317,223148,91911,6139,68841,22195,99583,673511,013
'11II1,82326,55,45614,11266,39410,33716,809149,60711,4149,64548,42197,32284,285539,095
'11III1,443,0229,065,10413,36768,09910,75617,263152,4569,3968,10450,61191,88379,695530,882
'11IV1,653,2326,065,59314,11165,23312,13117,171161,4059,9378,73948,48496,48282,944555,009
'12I1,723,5224,055,30614,18163,0312,40516,625144,09710,6279,55240,0391,55981,265501,606
'12II1,663,124,755,56315,52465,92912,28116,939142,14610,148,03645,54291,56882,344530,132
'12III1,362,8920,685,07415,05465,35311,8317,24149,1139,1897,59547,12383,49378,705500,989
'12IV1,472,9921,735,49915,66167,04912,22716,942156,1669,9158,40246,83588,18581,902513,904
'13I1,613,0620,785,22615,20964,23711,59616,475136,1689,7047,5437,52682,56177,029460,670
'13II1,833,1619,295,38315,39564,87112,62416,969136,00110,3917,94538,09386,23879,116462,246
'13III1,522,817,654,84814,43561,36211,90617,101140,8559,4627,78337,54280,2375,109438,659
'13IV1,753,0720,785,56914,10654,45212,27816,6150,41810,2278,57436,53687,63178,839467,796
'14I1,72,9317,155,40713,65150,52512,54115,919125,9839,8587,11729,20883,54273,318396,258
'14II1,642,9416,875,61713,77252,8812,79216,001138,3429,7996,93432,96885,82574,54421,384
'14III1,482,716,195,10413,15651,33512,47216,634142,3839,167,41431,75183,26574,367402,966
'14IV1,652,9621,466,7113,77451,84813,68417,083154,8889,3597,21139,32192,9480,082469,683
'15I1,783,1630,736,44413,52151,9229,29910,634150,65811,1247,20238,91492,11277,962448,727
'15II1,69335,136,48913,63849,02614,45216,619146,19112,0428,43842,7696,3179,901466,532
'15III1,382,7332,475,57412,74447,23715,31616,547147,31311,7079,47746,193,52476,46452,935
'15IV1,592,8630,196,15913,13347,416,70116,332148,3613,18911,21149,58102,45781,076461,62
'16I1,722,4525,125,46812,88146,12916,7715,597139,90913,069,91441,50997,27376,291411,755
'16II1,542,2427,336,11513,47846,52118,13116,019143,15814,25811,3146,339103,86781,149426,325
'16III1,32,224,575,44212,45944,43416,30616,266146,19712,79111,37743,72595,22276,068410,798
'16IV1,772,7229,666,16613,00546,418,04216,153163,07215,25713,69656,811106,03582,813461,236
'17I2,233,4426,895,83412,61744,84517,50715,848159,9515,8914,17855,479104,20281,995435,13
'17II2,143,2827,816,06512,97647,83918,03615,636160,77615,50613,17554,892108,24482,983449,527
'17III0,711,1526,051,7083,88344,8816,97715,487160,19213,11311,52859,401100,58976,867436,827
'17IV0,721,1428,256,13112,9151,41718,2515,622174,41815,0712,89964,5111,76984,733480,165
'18I1,722,6227,495,94512,71150,56818,26915,216159,11415,05511,72652,128106,8579,296440,389
'18II2,012,8728,776,37513,10753,24922,99516,018184,19515,12511,9160,522112,55583,212493,796
'18III1,72,5526,825,3812,44149,53121,69315,645186,88613,6911,43560,822105,95777,231476,875
'18IV1,832,8329,016,30513,07453,97523,45816,204209,79115,69713,81768,68116,76585,923536,962
'19I1,572,8225,095,97712,83855,62924,35215,886177,5215,4812,98458,885110,79481,169468,73
'19II1,562,5726,976,57612,98462,99223,85615,792201,94515,79512,84960,533113,08182,377523,839
'19III1,512,7825,675,4812,32559,8222,70715,43198,47614,98713,04362,465106,3579,318504,822
'19IV1,622,5828,496,39312,87357,91824,66715,63215,7516,93214,50268,611117,92685,043554,693
'20I1,812,9630,684,8339,99743,47524,23915,562195,79317,69715,03167,242110,8180,316512,868
'20II2,022,9625,065,14810,16343,43822,68522,753191,56340,48436,00596,142143,493128,785566,722
'20III1,562,46244,3049,06137,95423,68115,227160,89920,59216,84762,585104,69384,685452,505
'20IV1,582,7321,525,1779,79242,32424,73914,756177,76319,82615,95264,09112,45382,039481,021
'21I1,542,6232,813,8977,75834,84722,84314,155166,23817,43313,81351,144103,88473,362443,986
'21II1,552,6325,914,5448,51735,87221,94714,151162,43317,20814,49256,854105,26175,558439,082
'21III1,162,2826,193,5757,66931,02621,11413,631158,81414,46812,97660,24190,47865,082419,59
'21IV1,192,4744,274,58,64736,34423,50614,381214,40316,53914,90276,108104,95675,16559,991
'22I1,272,3332,954,1178,15532,98222,70514,784193,95116,42514,51972,779101,64874,315502,965
'22II1,172,2630,894,6538,97641,48222,84815,441238,42617,33916,82777,264109,53680,741575,855
'22III1,011,9633,763,7257,8733,92922,89715,271229,75614,85814,55878,511102,64571,508567,503
'22IV0,951,7835,814,5728,93242,60626,28415,197230,50116,69115,27879,406117,77677,865576,26
'23I0,961,7130,544,1168,2636,16227,42414,513227,46416,1312,95767,307115,48372,387520,514
'23II0,921,7936,724,6859,02440,88127,35814,488212,42215,96412,62662,069123,99872,63514,907
'23III0,821,6332,853,7497,99137,33825,9713,966202,32514,55712,24567,298114,19667,322486,918
'23IV0,992,0237,574,5358,7844,70327,15114,091223,28816,86613,72969,144128,35174,104544,23
'24I1,172,2837,024,1688,23638,80327,55713,91200,06915,9111,66655,734122,8169,124486,477
'24II1,132,4141,714,9658,81341,8569,2584,96217,71916,09812,28870,618134,05973,454549,228
'24III0,982,2534,363,7918,24840,72800216,9315,4912,65570,513124,09671,571526,965
'24IV1,042,4643,064,6118,92146,6700231,60517,64414,17778,885142,40879,898596,958
'25I1,122,6838,84,0718,47343,47300220,62816,6113,2866,052131,59576,95552,542
Bron: CBS, ECB: Bank Business Volumes: loans to corporations (new business).

In heel 2024 en het eerste kwartaal van 2025 was het netto percentage van de veranderingen in de acceptatiecriteria gelijk aan nul (DNB, 2025c). In zowel 2022 als 2023 was in één of meerdere kwartalen sprake van een positief netto percentage van de verandering in de acceptatiecriteria (DNB, 2025c). Dit percentage geeft het verschil weer tussen banken die aangeven een versoepeling of een verzwaring van het kredietbeleid te voeren. Een positief percentage geeft aan dat de verhouding banken die een lichte of sterke toename in acceptatiecriteria constateert hoger is dan het aandeel dat een lichte of sterke afname constateert (DNB, 2025c).

Over heel 2024 gezien, steeg het volume aan nieuwe verstrekkingen in Nederland met 14 procent, ver boven de gemiddelde groei in de Eurozone. Net als in 2023, was deze toename grotendeels toe te schrijven aan leningen van meer dan 1 miljoen euro. In 2024 viel 92 procent van het totale volume nieuw verstrekte leningen in deze categorie. Nederlandse banken verstrekten in 2024 wederom relatief veel grotere leningen aan bedrijven. In de Eurozone bedroeg het percentage leningen van groter dan 1 miljoen euro 73 procent. Ook Bieleveldt en Smid (2025) bevestigen het beeld van de bovengemiddelde groei van bancaire bedrijfskredietverlening in Nederland ten opzichte van het Eurogebied.

In tegenstelling tot 2023, namen in 2024 in Nederland ook de leningen kleiner dan 250 duizend euro en de leningen tussen 250 duizend en 1 miljoen euro toe ten opzichte van een jaar eerder (ECB, 2025a). De grootste toename (procentueel gezien) vindt plaats bij de nieuwe leningen tussen de 250 duizend en 1 miljoen euro (32 procent).

Waar in 2023 in de Eurozone op totaalniveau een afname van 4 procent te zien was, was er in 2024 weer sprake van een groei van 5 procent. In de Eurozone groeiden gemiddeld, net als in Nederland, alle categorieën en waren de leningen groter dan 1 miljoen euro eveneens de grootste drijvers achter de totale toename. Ook in Frankrijk en België steeg het totaal volume nieuw verstrekte leningen. Voor Duitsland ontbreken vanaf mei 2024 de cijfers voor leningen kleiner dan 1 miljoen euro. Voor leningen groter dan 1 miljoen euro bleef de groei in Duitsland achter, het volume bleef in 2024 nagenoeg gelijk ten opzichte van het voorgaande jaar. In 2024 besloegen leningen in Nederland 6 procent van het volume nieuw versterkte leningen in de EU. Voor Nederland, België, Frankrijk en Duitsland samen was dat ongeveer 57 procent.

Volume uitstaande kredietverlening van grootbanken aan het mkb daalt in 2024

Figuur 2.2.28) laat zien dat het totaal volume aan uitstaande kredietverleningen door de Nederlandse grootbanken aan het mkb in 2024 is afgenomen ten opzichte van het voorgaande jaar (DNB, 2025d). Over het hele jaar gezien, kwam dit neer op een afname van 3,9 procent. Deze dalende trend was in 2023 ook zichtbaar. In het eerste kwartaal van 2025 was het volume echter weer 1,5 procent groter en het aantal klanten 5,0 procent groter dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder.

De afname in 2024 geldt enkel voor de twee hoogste bedragsklassen, namelijk voor de leningen tussen 250 duizend en 1 miljoen euro en de leningen groter dan 1 miljoen euro. Bij de leningen onder de 250 duizend euro steeg het volume aan uitstaande kredietverlening met 3,4 procent. In 2024 besloeg de uitstaande kredietverlening 92 procent van het totaal aan uitstaande leningen.

Als we de totale bedrijfskredietverlening (mkb en grootbedrijf) in beschouwing nemen, opgedeeld naar de verschillende bedrijfstakken, valt op dat eind 2024 de grootste procentuele stijgingen ten opzichte van hetzelfde kwartaal een jaar eerder te zien waren in de delfstoffenwinning (+14 procent) en ICT (+11 procent) (DNB, 2025e) 9). Delfstoffenwinning kenmerkte zich de twee voorgaande jaren juist door de grootste procentuele afname. In absolute termen was de sterkste groei te zien bij de exploitatie van en handel in onroerend goed. De grootste afname, zowel absoluut als procentueel, was in de bedrijfstak groothandel, detailhandel en garages (-16 procent). Ook in 2023 en 2022 was de afname daar het grootst.

2.2.2 Uitstaande kredietverlening aan het mkb, leningen en rekeningcourant, 2013-20251)
Jaar Kwartaal<=0,25 mln (mld euro)>0,25 mln en <=1 mln (mld euro)>1 mln (mld euro)
III15,535,793,5
IV15,235,592,7
'14I15,134,991,5
'14II15,034,690,8
'14III14,734,188,9
'14IV14,833,586,7
'15I15,033,387,7
'15II15,133,287,1
'15III14,833,085,3
'15IV14,432,683,4
'16I14,332,380,9
'16II14,132,180,1
'16III13,931,979,9
'16IV13,230,979,9
'17I13,230,979,2
'17II13,830,581,4
'17III13,430,482,2
'17IV13,130,183,3
'18I13,130,084,3
'18II13,230,284,3
'18III13,230,184,1
'18IV12,929,884,4
'19I13,029,885,0
'19II12,929,684,6
'19III12,529,783,7
'19IV12,329,283,1
'20I12,329,183,3
'20II12,028,782,6
'20III12,028,582,1
'20IV11,728,081,3
'21I11,327,784,7
'21II11,127,384,3
'21III10,826,984,9
'21IV10,526,385,6
'22I10,326,087,7
'22II10,325,687,6
'22III9,825,187,7
'22IV9,524,687,6
'23I9,524,386,4
'23II9,423,985,4
'23III9,223,584,3
'23IV8,922,782,2
'24I9,722,980,5
'24II9,822,379,5
'24III9,522,281,9
'24IV9,121,682,2
'24I9,422,383,0
Bron: CBS, DNB (2025), Kredietverlening Nederlandse grootbanken aan Nederlands midden- en kleinbedrijf.
1)De bedragen hebben alleen betrekking op de kredietverlening aan het mkb door de drie Nederlandse grootbanken (ABN AMRO, ING en Rabobank).

2.3 Europese doelstelling van 2 procent inflatie bereikt, rentes dalen

Als maatregel tegen de stijgende inflatie in de eurozone heeft de ECB in 2022 en 2023 de beleidsrente stapsgewijs verhoogd. In september 2023 bereikte deze een hoogtepunt van 4,0 procent. Vanaf de tweede helft van 2024 is dit percentage stapsgewijs verlaagd tot een niveau van 2,0 procent halverwege 2025 (DNB, 2025b; ECB, 2025b). De doelstelling van de ECB om een inflatieniveau van 2 procent in de eurozone te behalen, werd in juni 2025 bereikt (DNB, 2025a).

Eind 2023 was er bij bijna alle kredietklassen sprake van een stabilisatie, en in sommige gevallen een lichte daling, van de rentepercentages van nieuw afgesloten bankleningen nadat deze vanaf 2022 sterk waren toegenomen. Vanaf begin 2024 is er weer duidelijk een daling te zien. In figuur 2.3.1 is de ontwikkeling van de rentepercentages op nieuw verstrekte leningen zowel op Europees niveau, als voor Nederland en de naburige landen individueel weergegeven (ECB, 2025c). Deze dalende trend zet door in het eerste kwartaal van 2025. Het renteniveau en de -ontwikkeling in Nederlands zijn vergelijkbaar met buurlanden en met de gehele Eurozone.

1)Gegevens over percentages voor het tweede en derde kwartaal van 2017 zijn niet of niet volledig beschikbaar.
2)Vanaf de Financieringsmonitor 2024 maken we ook een vergelijking met omliggende landen en de landen uit de Europese Unie met de Euro als valuta, deze cijfers zijn afkomstig van ECB. Omdat de cijfers enkel op maandbasis worden gepubliceerd, zijn deze door het CBS omgerekend tot kwartaalcijfers (het gemiddelde per kwartaal). De figuur over de Europese Unie gaat over landen die op dat moment onderdeel zijn van de Europese Unie en de Euro als valuta kennen.

2.3.1 Rentepercentage nieuw afgesloten bankleningen, 2010-2025 1)2)
 Kwartaal> 1 miljoen, Nederland (%)250K-1miljoen, Nederland (%)<250K, Nederland (%)> 1 miljoen, België (%)250K-1miljoen, België (%)<250K, België (%)> 1 miljoen, Duitsland (%)250K-1miljoen, Duitsland (%)<250K, Duitsland (%)> 1 miljoen, Frankrijk (%)250K-1miljoen, Frankrijk (%)<250K, Frankrijk (%)> 1 miljoen, EU (%)250K-1miljoen, EU (%)<250K, EU (%)
'10III2,13,54,21,722,52,792,573,114,432,123,043,542,333,013,84
'10IV2,53,74,21,972,642,922,723,264,442,323,073,542,513,163,94
'11I2,43,84,42,052,693,032,773,284,462,493,133,622,643,214,08
'11II2,84,14,72,312,933,243,083,594,662,753,43,932,893,524,36
'11III2,73,94,52,392,973,233,113,644,72,933,594,162,993,674,61
'11IV2,73,84,52,282,893,153,073,514,642,973,624,183,093,764,87
'12I2,53,64,41,92,532,842,633,114,42,743,544,12,713,64,92
'12II2,13,54,31,732,312,642,452,854,282,363,243,852,613,374,86
'12III1,93,34,11,692,262,612,252,63,952,113,053,592,313,174,74
'12IV2,13,13,81,742,162,512,072,483,751,942,823,352,293,074,57
'13I1,93,23,91,691,982,371,962,463,681,942,683,142,232,964,52
'13II23,33,91,7322,341,892,453,721,892,653,032,242,974,54
'13III23,44,11,812,072,391,912,473,641,972,63,012,222,954,47
'13IV2,13,44,11,892,182,51,952,53,722,042,693,042,343,034,47
'14I2,13,44,11,872,192,561,982,513,6522,743,032,33,014,45
'14II23,441,852,182,531,92,483,681,922,6732,212,944,34
'14III1,93,23,81,712,012,331,742,323,451,832,552,871,992,714,06
'14IV1,733,71,691,92,081,692,193,341,782,362,681,862,513,75
'15I1,633,61,641,8521,482,113,231,582,172,471,732,343,54
'15II1,53,13,61,611,811,971,52,053,121,542,012,281,72,233,3
'15III1,53,13,71,611,821,522,013,311,51,922,221,62,143,25
'15IV1,533,61,591,771,921,4623,221,551,942,281,582,13,11
'16I1,32,93,51,51,711,911,361,953,181,451,872,311,482,023,08
'16II1,32,83,51,461,671,841,271,893,081,461,782,191,421,912,84
'16III1,22,73,41,441,661,841,261,862,941,421,652,051,351,842,7
'16IV1,22,73,41,461,641,811,221,832,891,441,571,941,341,82,64
'17I1,32,73,41,431,621,791,171,862,931,411,541,871,321,782,57
'17II1,32,73,31,411,611,771,181,842,921,461,541,91,351,752,5
'17III1,32,73,31,411,621,81,181,842,891,351,571,941,311,752,49
'17IV1,32,53,21,351,581,751,191,842,91,391,551,881,321,72,42
'18I1,22,63,31,361,561,751,081,842,911,371,531,841,261,662,38
'18II1,22,63,41,331,551,711,091,832,641,351,541,861,261,662,32
'18III1,22,53,21,331,541,751,041,832,271,341,531,861,241,662,23
'18IV1,32,53,11,351,541,711,121,82,281,381,521,811,31,642,21
'19I1,22,53,21,341,541,711,081,752,281,411,531,811,241,662,22
'19II1,22,43,11,291,511,641,011,742,351,341,481,81,191,632,2
'19III1,12,22,81,261,521,711,712,241,361,41,741,171,582,13
'19IV1,32,12,71,291,491,641,121,652,241,331,311,691,221,522,09
'20I1,22,22,81,391,491,621,051,652,141,241,341,681,151,532,06
'20II1,22,331,391,511,631,231,82,040,990,70,851,221,391,65
'20III1,22,22,81,381,51,651,321,672,061,081,161,41,261,51,91
'20IV1,62,12,61,381,511,591,221,642,151,251,181,421,281,511,98
'21I1,122,51,41,51,631,121,642,121,251,161,411,141,51,98
'21II1,222,41,391,471,631,251,662,061,31,141,461,231,51,95
'21III1,122,31,411,51,671,241,641,961,331,191,531,241,461,89
'21IV122,31,41,481,641,081,622,011,271,21,531,131,441,89
'22I1,12,22,51,411,51,681,271,651,981,241,21,531,211,471,9
'22II1,42,73,11,411,571,861,681,92,091,381,351,741,461,622,02
'22III1,63,13,41,882,022,432,132,42,491,771,892,311,872,092,41
'22IV2,744,32,933,093,513,053,423,822,972,643,072,973,133,55
'23I3,34,95,33,993,984,273,784,235,153,693,43,833,733,984,49
'23II3,85,35,64,644,544,784,514,835,74,33,94,294,444,595,08
'23III4,45,55,75,125,085,24,925,296,54,684,214,634,865,025,59
'23IV4,55,65,75,245,255,235,075,436,574,994,454,815,085,25,73
'24I4,35,35,55,245,195,085,015,335,974,94,484,854,985,135,54
'24II4,35,25,45,195,065,034,985,266,014,764,314,674,945,015,49
'24III4,45,15,24,844,894,914,755,075,84,754,174,534,774,85,24
'24IV4,14,64,64,334,344,324,314,655,44,273,954,564,294,344,9
'25I3,64,44,53,923,984,063,914,334,823,913,684,213,873,984,44
Bron: CBS, ECB: Deposito's en leningen van MFI's aan bedrijven, rentepercentages

In Nederland namen de rentepercentages op nieuwe leningen van maximaal 250 duizend euro het meest af: de rente nam in het eerste kwartaal van 2025 met 1,04 procentpunt af ten opzichte van de gemiddelde rente van het eerste kwartaal van 2024. Voor leningen van meer dan 1 miljoen en leningen tussen de 250 duizend en 1 miljoen euro daalden de rentes in Nederland respectievelijk met 0,66 en 0,97 procentpunt. Net als voorgaande jaren was het rentepercentage voor leningen groter dan 1 miljoen euro het laagst in Nederland. Wanneer alle kredietklassen samen zijn genomen, namen de rentes in Nederland gemiddeld met 0,89 procentpunt af. In de eurozone was dit gemiddeld 1,12 procentpunt. De daling in Nederland bleef achter op het gemiddelde. Van de naburige landen was de gemiddelde daling in België met 1,19 procentpunt het grootst. Alleen in Frankrijk was de daling in absolute zin kleiner, namelijk 0,81 procentpunt.

Binnen de Europese Unie zijn er grote verschillen tussen de rentepercentages te zien (ECB, 2025c). Aan het eind van het eerste kwartaal in 2025 liepen de rentes op leningen van meer dan 1 miljoen euro het verste uiteen, namelijk met 2,89 procentpunt. De rentes liepen van 3,22 procent in Luxemburg op tot 6,11 procent in Ierland. In Nederland bedroeg de rente op leningen van meer van 1 miljoen euro aan het eind van het eerste kwartaal van 2025 3,68 procent.

2.4 Groei alternatieve financiering, maar financiering via bankleningen groeit harder

Het volume non-bancaire financiering bleef doorgroeien in 2024, zo meldt de Stichting MKB Financiering (SMF) in het Jaaronderzoek non-bancaire financiering 2024 (SMF, 2025). De cijfers uit het Jaaronderzoek van SMF betreffen ook eenmanszaken, vof’s en cv’s. De non-bancaire financieringsmarkt groeide van 5,0 miljard euro in 2023 naar 5,8 miljard euro in 2024, een stijging van 16 procent. Van het aantal non-bancaire verstrekkingen betreft ongeveer 99 procent verstrekkingen onder 1 miljoen euro10). Het aandeel non-bancaire verstrekkingen tot 1 miljoen euro nam in 2024 wel af naar 34 procent van de totale mkb financieringsmarkt ten opzichte 36 procent in 2023. De afname kan worden verklaard door een toename van de bancaire aanvragen in de bedragscategorie 250 duizend tot 1 miljoen euro (SMF, 2025).

Naast het volume, steeg ook het aantal nieuwe verstrekkingen11) ten opzichte van 2023 (+ 19 procent) (SMF, 2025). De stijging van het aantal verstrekkingen was groter dan de stijging in volume (+ 16 procent). Dit betekent dat het gemiddelde bedrag van een non-bancaire verstrekking is gedaald ten opzichte van 2023. De grootste procentuele groei van het aantal financieringen betrof verstrekkingen van meer dan 1 miljoen euro. In deze categorie was sprake van een toename van 36 procent.

2.4.1 Ontwikkelingen alternatieve financiering, 2021-2024 1)2)3)4)
financieringsvorm2021 (mln euro)2022 (mln euro)2023 (mln euro)2024 (mln euro)
Equipment
lease
6896691672477984
Factoring5483773780067737
Private
equity
75481111057696505
Durfkapitaal1293101611851195
Crowdfunding656972
Direct
lending
3116528501081
Mkb-beurs24529
Kredietunies613
Bron: CBS, Crowdfundingcijfers.nl, FAAN, NVL, NVP, Stichting Mkb Financiering.
1)Deze cijfers hebben betrekking op het gehele bedrijfsleven, mkb plus grootbedrijf. 2)De cijfers over factoring bestaan vooral uit bancaire factoringmaatschappijen. Zij bieden weinig factoring aan het kleinere mkb aan. De cijfers hebben betrekking op de funds in use.
3)Durfkapitaal kan als vorm van private equity beschouwd worden. De cijfers voor private equity in de figuur zijn exclusief durfkapitaal.
4)In voorgaande publicaties van de Financieringsmonitor werd in deze figuur het totaalbedrag aan crowdfunding in de hele markt getoond. In 2023 is dit met terugwerkende kracht teruggebracht naar enkel financieringen voor ondernemingen.

De behoefte aan alternatieve financiering blijft hoog en vertoont voor de meeste vormen groei. Non-bancaire12) financiering wordt in diverse varianten aangeboden. Figuur 2.4.1 laat zien dat in 2024, net als in de afgelopen drie jaar, non-bancaire financiering in de vormen equipment lease, factoring en private equity13) het meest voorkomt.

Recordbedrag aan equipment lease

In 2024 steeg het volume aan equipment lease (leasing van bedrijfsmiddelen) verder tot een recordhoogte van ongeveer 8,0 miljard euro (NVL, 2025a). Dit komt neer op een toename van 10 procent ten opzichte van 2023. Dit is een verdubbeling van de 5 procent groei die in 2023 ten opzichte van 2022 werd gevonden. Ook de gemiddelde contractwaarde bleef stijgen en groeide met 9 procent naar 119 duizend euro (NVL, 2025b). Dit was 109 duizend euro in 2023. In 2024 bedroegen de aandelen financial lease en operational lease respectievelijk 84 procent en 16 procent (NVL, 2025a). De verdeling naar type contract bleef gelijk aan 2023. De verkleining van de rol van banken als distributeurs, is niet doorgezet, deze bleef nagenoeg gelijk en besloeg 30 procent van het volume in 2024 (NVL, 2025a). Het aandeel van de bankkantoren nam in 2023 nog naar 29 procent af van 38 procent in 2022. Leveranciers bleven ook in 2024 het grootste distributiekanaal, zowel wat het volume als het aantal contracten betreft (NVL, 2025a).

Omzetdaling bij factoring

In tegenstelling tot equipment lease liet factoring (het overdragen van facturatie en debiteurenrisico aan een externe partij) een omzetdaling van bijna 7 procent zien ten opzichte van het voorgaande jaar (FAAN, 2025). De daling in het volume van de factoringmarkt zien we ook terug in de 3 procent daling van de funds in use, zoals weergegeven in figuur 2.4.1 (FAAN, 2025). In 2023 bereikte de omzet nog een recordniveau van 168 miljard euro aan overgedragen omzet (FAAN, 2025). In 2024 bedroeg het totale volume 157 miljard euro. Van de overgedragen omzet ging 59 procent naar ondernemingen met een bruto omzet onder de tien miljoen. Ook het aantal factoring klanten was in deze omzetcategorie het grootst, net als in het voorgaande jaar. Het totaal aantal factoringklanten bleef in 2024 nagenoeg gelijk.

Groei bij meeste andere vormen van non-bancaire financiering

Na een sterke afname (-48 procent) van het volume aan private equity (investeringen in middelgrote en grote bedrijven) in 2023, nam dit in 2024 weer toe met 13 procent (NVP, 2025). Wat het volume betreft, waren de grootste investeringen in de zakelijke producten en diensten.

De investeringen in durfkapitaal, ook wel venture capital genoemd (investeringen in startende en kleine bedrijven), stegen in 2024 ten opzichte van 2023 met ongeveer 1 procent tot een volume van ongeveer 1,2 miljard. Een jaar eerder was deze stijging ongeveer 17 procent14) (NVP, 2025). Net als vorig jaar waren de meeste investeringen terug te vinden in de sectoren ICT en gezondheidszorg en biotechnologie.

Verstrekkingen via direct lending (rechtstreekse verstrekkingen van een geldverstrekker zonder tussenkomst van een bank of andere partij) namen in 2024 toe met 27 procent in volume vergeleken met 202315) (SMF, 2025). Ook het aantal verstrekkingen nam toe voor alle grootteklassen naar bedrag. Verreweg het merendeel van de verstrekkingen viel, net als vorig jaar, in de categorie kleiner dan 50 duizend euro. Slechts 0,3 procent betreft verstrekkingen van boven de 1 miljoen euro. Het aantal verstrekkingen boven de 1 miljoen euro is relatief gezien wel enorm gestegen (van 9 in 2023 naar 83 verstrekkingen in 2024). 

Het volume verstrekkingen via de mkb-beurs (een platform waarbij beleggers rechtstreeks in mkb-bedrijven kunnen investeren in de vorm van (certificaten van) aandelen en obligaties) is met bijna 83 procent afgenomen ten opzichte van 2023 (SMF, 2025). De cijfers over de verstrekkingen van MKB-beurzen kennen grote schommelingen door de variabiliteit van emissies en de aard van de financiering. Hierdoor representeert een schommeling in de cijfers niet per se een toename of afname van de markt (SMF, 2025).

Ook in 2024 zijn de cijfers over leningen via crowdfunding niet beschikbaar via de bron (crowdfundingcijfer.nl, 2023) die eerder als bron diende. Het SMF rapporteert ook over crowdfunding. Net als in 2024 wordt deze bron als alternatief gebruikt. Deze cijfers zullen in absolute zin afwijken van de eerder gebruikte bron, omdat deze op basis van andere bronnen worden samengesteld. Net als in 2023, stegen in 2024 de verstrekte financieringen op basis van crowdfunding (SMF, 2025). Met uitzondering van de verstrekkingen onder de 50 duizend euro stegen zowel het aantal door crowdfunding gefinancierde projecten (15 procent) als het volume van financieringen (16 procent) via dit financieringskanaal. In 2024 bedroeg het volume aan financiering verstrekt via crowdfunding 1.342 miljard euro. 

In 2024 nam het volume voor de meeste vormen van alternatieve financiering toe, met uitzondering van factoring en verstrekkingen via de mkb-beurs. De groei was, gemeten in procenten, het grootst voor financiering via direct lending.

3. De zoektocht naar financiering

De komende hoofdstukken beschrijven de zoektocht van ondernemers naar nieuwe externe bedrijfsfinanciering. Deze zoektocht is een proces dat uit verschillende stappen bestaat. Keuzes en afwegingen die bedrijven in iedere stap maken, komen aan bod. Dit hoofdstuk biedt een leeswijzer voor die zoektocht. Het staat stil bij de manier waarop de rest van de monitor is opgebouwd, bij de onderzoekspopulatie en de verschillende typen bedrijven die worden onderscheiden. Dit hoofdstuk neemt ook al een voorschot op de belangrijkste uitkomsten en sluit af door de beschikbaarheid van externe financiering in perspectief te plaatsen ten opzichte van andere uitdagingen voor de bedrijfsvoering.

3.1 Het aantrekken van financiering als proces

In deze monitor wordt het gehele traject van behoefte tot daadwerkelijk aantrekken van externe financiering beschouwd als een proces dat uit een aantal stappen bestaat. Als eerste is er een mogelijke behoefte aan financiering. Als tweede is er de fase van oriëntatie. Ondernemers met een serieuze behoefte zetten stappen om informatie in te winnen over hun mogelijkheden. Als derde volgt een echte aanvraag als die kansrijk lijkt tijdens de oriëntatie en als vierde is er de uitkomst van de aanvraag. Die vier stappen hebben in deze monitor allemaal betrekking op de periode van 1 juli 2024 tot 1 juli 2025. Tot slot is er nog een vijfde stap: de verwachte behoefte aan financiering in de toekomst. Het gaat dan om de periode 1 juli 2025 tot 1 juli 2026. Dit gehele proces ziet er als volgt uit:

3.1.1

Het gaat in deze monitor steeds om nieuwe externe financiering. Dat zijn alle vormen van vreemd vermogen en extern eigen vermogen. Voorbeelden van extern eigen vermogen zijn vormen van crowdfunding met aandelen of private equity. Het gaat dus niet om intern eigen vermogen. Dat is financiering uit het bedrijfsresultaat of als een ondernemer beroep doet op zijn of haar eigen middelen. 

Steeds specifiekere resultaten verder in het proces

Niet elk bedrijf heeft behoefte aan nieuwe externe financiering. Niet alle bedrijven met een financieringsbehoefte gaan ook daadwerkelijk op zoek of doen een aanvraag. Er is daarom sprake van een trechterwerking waardoor er in iedere stap minder bedrijven overblijven. In termen van de enquête waar de monitor op gebaseerd is: vragen worden steeds specifieker naarmate het proces van de zoektocht vordert en de steekproef wordt dus steeds kleiner.

Ter illustratie: van de onderzoekspopulatie heeft 15 procent een financieringsbehoefte. Van die bedrijven met een financieringsbehoefte verkent 78 procent ook echt de mogelijkheden om financiering aan te trekken. Het is ook mogelijk om bedrijven die zich oriënteren te relateren aan de totale populatie. Op deze wijze uitgedrukt, heeft 12 procent van alle bedrijven zich georiënteerd op financiering.16) Daarnaast is 11 procent van de bedrijven met een financieringsbehoefte al bekend met de financieringsmogelijkheden. Dit komt overeen met afgerond twee procent van de onderzoekspopulatie. In figuur 3.1.2 wordt voor het mkb in de business economy gevisualiseerd hoe deze trechter eruitziet. Hierin wordt duidelijk dat het aantal bedrijven steeds kleiner wordt in iedere verdere stap van de zoektocht.

3.1.2 Trechterwerking zoektocht naar financiering (juli 2024 – juli 2025)3.1.2 Trechterwerking zoektocht naar financiering (juli 2024 – juli 2025)Mkb business economy 304 000Wel behoefte 15%Wel verkenning 78%Geen behoefte85% Geen verkenning 22%Al bekend met de mogelijkheden 11%Wel aanvraag 67%Ontvangen 93%Geen aanvraag 33%Niet ontvangen 7%Succesvolle bedrijven 25 100Oriëntatie3.1.2Trechterwerking zoektocht naar financiering (juli 2024 – juli 2025)AanvraagUitkomst
3.1.2 Trechterwerking zoektocht naar financiering (juli 2024 – juli 2025)
Categorie % Bedrijven
Mkb business economy 307 000
Wel behoefte 16
Geen behoefte 84
Wel verkenning 82
Geen verkenning 18
Al bekend met mogelijkheden 9
Wel aanvraag 59
Geen aanvraag 41
Toegekend 91
Afgewezen 9
Succesvolle bedrijven 24 400

3.2 Beschrijving onderzoekspopulatie

De hoofdpopulatie van de monitor bestaat uit alle bedrijven in het mkb in de business economy. Het mkb bestaat uit bedrijven met minder dan 250 werkzame personen. Er wordt daarnaast een ondergrens van twee werkzame personen gehanteerd; zzp’ers behoren dus niet tot de onderzoekspopulatie. De business economy komt ruwweg neer op de marktgerichte bedrijfstakken (dus bijvoorbeeld zonder overheid) en exclusief de landbouw en de financiële dienstverlening.17) Als er in de monitor uitkomsten genoemd worden zonder verdere specificering (bijvoorbeeld naar grootteklasse) hebben ze altijd betrekking op het gehele mkb in de business economy, vanaf twee werkzame personen. De populatie van de Financieringsmonitor is bepaald op basis van het Algemeen Bedrijven Register (ABR) met als peilmaand juni 2025. Op dat moment bestond het mkb in de business economy met minstens twee werkzame personen uit ongeveer 304 duizend bedrijven.

Hoewel de landbouw geen onderdeel vormt van de business economy, zijn er soms toch aparte uitkomsten voor deze sector opgenomen. De enquête is namelijk wel in die sector uitgezet om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen. De resultaten voor de landbouw zijn echter niet verwerkt in de totaalcijfers. Hetzelfde geldt voor het grootbedrijf dat is opgenomen als benchmark voor het mkb.

Binnen het mkb worden de grootteklassen micro-, klein- en middenbedrijf onderscheiden. De grootteklasse microbedrijf is veruit de grootste qua aantallen bedrijven. De resultaten van het microbedrijf zullen dan ook vaak dichter bij die van het gehele mkb liggen dan de resultaten van het kleinbedrijf en het middenbedrijf.

3.3 Interpretatie van resultaten in de monitor

De Financieringsmonitor bevat voornamelijk uitkomsten voor het gehele mkb in de business economy. Die uitkomsten zijn gebaseerd op een steekproef onder ongeveer 10 700 bedrijven in die doelpopulatie, aangevuld met het grootbedrijf en bedrijven actief in de landbouw. Dit leidt tot grofweg 5 600 respondenten. Door middel van weging en ophoging zijn de uitkomsten representatief voor de gehele populatie. Er vindt weging plaats naar werkgelegenheid.

Marges

In deze monitor wordt regelmatig de vergelijking gemaakt met cijfers uit de vorige editie van de Financieringsmonitor. De uitkomsten zijn schattingen op basis van de steekproef. Er zit een bepaalde onzekerheid rondom die geschatte waarde. Dit zijn de 95%-betrouwbaarheidsintervallen waarbinnen de uitkomsten vallen. Dat wil zeggen dat bij herhaling van de enquête de geschatte uitkomst in 95 procent van de gevallen binnen dat interval ligt. Betrouwbaarheidsmarges zijn in de monitor opgenomen voor de vijf voornaamste indicatoren.

In de betreffende figuren in de volgende hoofdstukken zijn marges met gekleurde staafjes aangegeven. Voor alle andere indicatoren in de monitor is deze detailinformatie niet gegeven. Dat is gedaan met het oog op de leesbaarheid. Ook bevatten veel vragen in de monitor veel antwoordcategorieën of is een vraag alleen gesteld aan een specifieke subpopulatie waardoor het aantal respondenten erg klein wordt. Verschillen tussen jaren en groepen bedrijven op deze indicatoren moeten dan ook voorzichtig geïnterpreteerd worden.

Om te bepalen of er voor de vijf voornaamste indicatoren tussen twee groepen of tussen twee jaren een statistisch significant verschil bestaat, moet er een statistische test worden uitgevoerd. Deze test houdt rekening met de onzekerheid rondom beide geschatte waarden.18) In de huidige meting zijn er bij de uitsplitsing naar grootteklasse een aantal statistisch significante verschillen te zien ten opzichte van de vorige meting. Bij het grootbedrijf is het aandeel met een financieringsbehoefte statistisch significant gestegen. Bij het kleinbedrijf is het aandeel dat een aanvraag heeft gedaan statistisch significant gestegen en het aandeel met een toekomstige financieringsbehoefte statistisch significant gedaald. Voor het mkb als geheel is het aandeel met een toekomstige financieringsbehoefte ook statistisch significant gedaald.

3.4 Uitdagingen voor bedrijven: toegang tot financiering in perspectief

Bedrijven krijgen op veel vlakken te maken met uitdagingen voor de bedrijfsvoering. Deze uitdagingen kunnen een belemmering vormen voor de bedrijfsprestaties. Voor het mkb in de business economy vormden gestegen kosten wederom de meest voorkomende belemmering. Net als vorig jaar waren hierna het vinden van gekwalificeerd personeel en de wet- en regelgeving de uitdagingen die door het grootste aandeel bedrijven als belemmerend werden ervaren.

Voor meer dan de helft van de bedrijven (53 procent) vormden gestegen kosten in meer of mindere mate een belemmering voor de bedrijfsprestaties. Dit aandeel is stabiel gebleven ten opzichte van vorig jaar. De inflatie daalde licht, maar was in deze periode nog steeds hoog. In tegenstelling tot voorgaande twee jaren bleef de inflatie wel relatief stabiel. In 2022 en 2023, jaren die zich kenmerkten door hoge inflatie zoals blijkt in hoofdstuk 2, was het percentage bedrijven dat in meer of mindere mate belemmerd werd door gestegen kosten nog respectievelijk 57 en 60 procent.

Voor 44 procent van de bedrijven vormde het vinden van gekwalificeerd personeel in meer of mindere mate een belemmering. Ook dit percentage is nagenoeg gelijk gebleven aan vorig jaar (43 procent).

Wet- en regelgeving vormde dit jaar vaker een uitdaging voor het mkb. Voor 34 procent van de bedrijven was dit een belemmering, een toename van drie procentpunt ten opzichte van vorig jaar. Voor het mkb was dit de uitdaging waarvoor het aandeel belemmerde bedrijven, gemeten in procentpunt het hardst steeg.

3.4.1 Uitdagingen voor de bedrijfsvoering voor het mkb en grootbedrijf in de business economy1)
CategoryHeel belemmerend (%)Belemmerend (%)Neutraal (%)Niet belemmerend (%)Helemaal niet belemmerend (%)
Concurrentie
Mkb415432117
Groot12851137
Kosten
Mkb124128118
Groot3543435
Vraag
Mkb416412416
Groot52740217
Financiering
Mkb48422324
Groot15343427
Personeel
Mkb1529301314
Groot13453364
Digitalisering
Mkb18432920
Groot11152307
Ketenmacht
Mkb28452421
Groot18473312
Regelgeving
Mkb1024391512
Groot52251157
internationalisering
Mkb13462427
Groot11443618
Verduurzaming
Mkb29422818
Groot11248337
Innovatie
Mkb16482520
Groot14443813
Coronavirus schulden
Mkb44272144
Groot11222651
Onrust mondiaal
Mkb416421720
Groot226431810
1) De uitkomsten in deze figuur zijn gebaseerd op alle deelnemers aan de Financieringsmonitor in de business economy, dus ook bedrijven zonder financieringsbehoefte.

  • Gestegen kosten worden net als vorig jaar onder het microbedrijf door een kleiner aandeel als belemmerend ervaren (51 procent) dan onder het klein-, midden- en grootbedrijf (62, 65 en 57 procent respectievelijk). In de landbouw betreft dit 70 procent van de bedrijven, een toename van 13 procent ten opzichte van vorig jaar. Ook in de sectoren handel, vervoer en horeca en nijverheid is dit aandeel relatief hoog, respectievelijk 60 en 57 procent. De grootste afname was bij sociale ondernemingen (van 67 naar 50 procent). De grootste toenamen waren zichtbaar bij dochterbedrijven (van 50 naar 63 procent) en snelgroeiende bedrijven (van 46 naar 57 procent). Vorig jaar was voor deze bedrijfstypen nog de grootste afname zichtbaar.
  • Met name binnen het midden- en grootbedrijf was het vinden van gekwalificeerd personeel makkelijker dan vorig jaar. Het aandeel bedrijven dat dit als belemmering ziet, is bij het grootbedrijf met 10 procentpunt gedaald naar 57 procent, bij het middenbedrijf was de daling 7 procentpunt naar 63 procent. Voor het microbedrijf blijft het aandeel bedrijven dat het vinden van gekwalificeerd personeel als belemmerd ervaart het kleinst, maar hier was wel sprake van een toename van twee procentpunt (van 39 naar 41 procent). Voor het klein- en middenbedrijf blijft meer dan zes op de tien bedrijven dit als een belemmering ervaren. Voor dochterbedrijven en snelgroeiende bedrijven wordt het vinden van gekwalificeerd personeel relatief door het grootste aandeel als een belemmering ervaren. De grootste toenamen dit jaar waren ook onder de dochterbedrijven (van 49 naar 62 procent) en snelgroeiende bedrijven (van 52 naar 66 procent). Op sectorniveau was de afname het grootste bij de bedrijven in de informatie en communicatie (van 40 naar 33 procent). In de bouw bleef dit aandeel het grootst, ruim 57 procent van deze bedrijven in deze sector gaf aan dit als een belemmering te ervaren. De bouwnijverheid is tevens de bedrijfstak met de hoogste vacaturegraad in 2024 en de eerste helft van 2025 (CBS, 2025q). Ook is het vinden van gekwalificeerd personeel voor bedrijven van vijf jaar of ouder onder een groter aandeel (48 procent) een probleem dan voor bedrijven jonger dan vijf jaar (34 procent).
  • Met name bij het microbedrijf steeg het aandeel bedrijven dat wet- en regelgeving als belemmerend ervaart, namelijk met 4 procentpunt. Vorig jaar nam het aandeel door wet- en regelgeving belemmerde bedrijven alleen voor innovatieve bedrijven toe en nam dit voor de andere type bedrijven juist af of bleef het aandeel gelijk. Dit jaar zien we een ander beeld: voor de meeste typen bedrijven is dit juist toegenomen. De grootste toename is zichtbaar bij snelgroeiende bedrijven, het aandeel groeide in een jaar tijd van 30 naar 45 procent. Ook bij startups, dochterbedrijven en familiebedrijven was de toename relatief groot. Met name voor de landbouw vormt wet- en regelgeving voor veel bedrijven een belemmering (63 procent). Daaropvolgend zijn de sectoren handel, vervoer en horeca en onroerend goed en reparatie. Daar ervaart meer dan een derde van de bedrijven (35 procent) dit als belemmering. Net als vorig jaar werd dit door jongere bedrijven minder vaak als belemmering ervaren.

Voor de resterende uitdagingen valt het volgende op:

  • Het verschil tussen het mkb en grootbedrijf is het grootst voor de uitdagingen concurrentie, tegenvallende vraag en het vinden van gekwalificeerd personeel. Zo ervaart 30 procent van de grootbedrijven concurrentie als een belemmering, bij het mkb is dit slechts 20 procent. Bij tegenvallende vraag zien we een verschil van 13 procentpunt: 32 procent van de grootbedrijven en 19 procent van het mkb zien dit als belemmering.
  • Coronaschulden laten een verdere dalende trend zien en worden minder dan in de vorige meting als een belemmering ervaren voor de bedrijfsprestaties van zowel het mkb als het grootbedrijf.
  • Mondiale onrust wordt door een vijfde van de bedrijven als belemmering ervaren, dit is ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van vorig jaar. Voor dochter- en innovatieve bedrijven steeg het aandeel met 8 procentpunt relatief veel ten opzichte van vorig jaar, naar respectievelijk 35 en 37 procent.

Minder vaak belemmeringen rond toegang tot financiering

Bedrijven in het mkb worden voor een kleiner deel dan vorig jaar belemmerd door uitdagingen met betrekking tot de toegang tot financiering. Nu ervaart ongeveer 12 procent van de bedrijven in het mkb dit in meer of mindere mate als belemmering voor de bedrijfsprestaties. Vorig jaar was dit zo’n 15 procent.

  • De uitdaging toegang tot financiering wordt door het grootste aandeel als belemmerend ervaren onder het micro- en kleinbedrijf (12 procent). Het aandeel loopt af naarmate bedrijven groter worden: het betreft 9 procent voor het middenbedrijf en 5 procent voor het grootbedrijf.
  • Met uitzondering van de landbouw komt deze uitdaging in alle sectoren minder voor dan in de vorige meting. In de landbouw steeg het aandeel juist met 3 procentpunt. In deze sector ervaart 24 procent van de bedrijven dit als uitdaging, dat percentage is hoger dan in alle andere sectoren.
  • Uitgesplitst naar bedrijfstype zien we een flinke afname bij de snelgroeiende bedrijven (een afname van 9 procentpunt tot 15 procent) en de startups (een afname van 12 procentpunt tot 21 procent). Enkel bij dochterondernemingen was een kleine toename van één procentpunt te zien.
  • Sociale ondernemingen, innovatieve bedrijven en startups zijn de typen bedrijven met het grootste aandeel bedrijven dat dit als belemmering ervaart (respectievelijk 24, 23 en 21 procent).
  • Voor bedrijven jonger dan vijf jaar is het aandeel dat uitdagingen rond financiering als belemmering ervaart hoger (14 procent) dan voor bedrijven ouder dan vijf jaar (11 procent).

Driekwart van de bedrijven in het mkb ervaart één of meer uitdagingen als belemmerend

Voor de bedrijven in het mkb geldt dat een kwart van de bedrijven geen van de uitdagingen in meer of mindere mate als belemmerend ervaart voor de bedrijfsvoering. De grote meerderheid van de bedrijven ervaart dus wel één of meer van de uitdagingen als belemmering. Voor 18 procent van de bedrijven geldt zelfs dat vijf of meer van de uitdagingen een belemmering vormen.

Van alle grootteklassen hebben bedrijven in het microbedrijf het minst last van belemmeringen, 27 procent van deze bedrijven heeft geen last van belemmeringen. In deze grootteklasse is het aandeel bedrijven zonder belemmeringen het grootst: ruim 10 procentpunt boven het klein- en middenbedrijf (respectievelijk 16 en 14 procent). Uitgesplitst naar sectoren is dit aandeel het hoogst bij het onroerend goed en reparatie (39 procent). Tevens ligt dit aandeel hoger bij jongere dan bij oudere bedrijven (respectievelijk 28 en 24 procent). Bij de typen dochter- en snelgroeiende bedrijven is het aandeel dat geen van de uitdagingen als belemmerend ervaart relatief laag (respectievelijk 16 en 14 procent).

3.4.2 Aandeel bedrijven in het mkb, naar aantal uitdagingen dat als belemmerend wordt ervaren
CategoriePercentage (%)
Geen 25
Één15
Twee 17
Drie 14
Vier 12
Vijf of meer18

Voor de drie meest voorkomende uitdagingen: gestegen kosten, het vinden van gekwalificeerd personeel en wet- en regelgeving, is gekeken naar het aandeel bedrijven dat één van deze uitdagingen, twee of alle drie de uitdagingen in meer of mindere mate als belemmerend ervaart. Voor drie op de tien bedrijven in het mkb vormt geen van deze uitdagingen en belemmering. Het aandeel bedrijven dat alle drie de uitdagingen als belemmerend ervaart is 17 procent. Iets meer dan de helft van de bedrijven ervaart één of twee van deze uitdagingen als belemmerend (respectievelijk 26 en 28 procent). Het vinden van gekwalificeerd personeel en gestegen kosten komen het vaakst samen voor (31 procent). De uitdagingen wet- en regelgeving en het vinden van gekwalificeerd personeel komen het minst vaak samen voor (21 procent).

4. Behoefte aan externe financiering

In de periode tussen juli 2024 en juli 2025 had 15 procent van bedrijven in het mkb in de business economy een financieringsbehoefte. Dit aandeel is licht gedaald, maar vergelijkbaar met de afgelopen jaren. Voor alle grootteklassen binnen het mkb is een daling zichtbaar. Deze is het grootst voor het middenbedrijf. Net als eerdere jaren is de voornaamste reden voor de afwezigheid van een financieringsbehoefte dat er geen aanleiding is om op zoek te gaan naar nieuwe externe financiering. Dit geldt voor bijna de helft van de bedrijven.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de eerste stap, de behoefte, in de zoektocht naar financiering door het bedrijfsleven verder uiteengezet. De volgende figuur geeft de positie van dit hoofdstuk in het gehele proces weer.

4.0

4.1 Behoefte aan externe financiering licht gedaald

De behoefte aan externe financiering daalde licht: van 16 procent naar 15 procent. Deze daling is niet statistisch significant. Dit betekent dat de daling zou kunnen worden toegeschreven aan een toevalligheid op basis van de huidige steekproef en mogelijk geen indicatie is van een daadwerkelijke ontwikkeling of trend. In de periode 2018 tot en met 2022 was erover de jaren heen sprake van een daling. Vanaf 2022 lijkt de dalende trend enigszins gestagneerd.

4.1.1 Aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte1)
Categorie2025 (%)2025, marge (%)2024 (%)2024, marge (%)2023 (%)2023, marge (%)2022 (%)2022, marge (%)2021 (%)2021, marge (%)
Mkb15,013,2 - 16,816,214,1 - 18,315,013,0 - 17,016,414,3 - 18,418,916,3 - 21,5
Bedrijfsgrootte
Micro13,010,9 - 15,114,211,7 - 16,613,411,0 - 15,815,012,6 - 17,418,014,9 - 21,1
Klein24,321,3 - 27,325,422,2 - 28,621,218,3 - 24,121,818,7 - 24,823,020,2 - 25,9
Midden25,521,8 - 29,227,423,2 - 31,626,622,4 - 30,825,921,9 - 30,022,619,1 - 26,1
Groot30,825,0 - 36,620,915,6 - 26,123,017,3 - 28,726,019,9 - 32,217,912,7 - 23,0
1)Het gaat hier om 95%-betrouwbaarheidsinterval marges, zie de onderzoeksverantwoording voor meer toelichting op de weergegeven marges.

  • Voor alle grootteklassen binnen het mkb geldt dat dit jaar sprake is van een afname van de behoefte aan nieuwe externe financiering. De daling was het sterkst bij het middenbedrijf (2 procentpunt). Deze dalingen zijn echter niet statistisch significant.
  • Binnen het mkb blijft het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte het grootst voor het middenbedrijf (25 procent), gevolgd door het kleinbedrijf (24 procent). Net als vorig jaar is het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte bij het middenbedrijf nagenoeg het dubbele van het aandeel bij het microbedrijf (13 procent).
  • Het grootbedrijf laat in tegenstelling tot het mkb een stijging van 10 procentpunt zien, namelijk van 21 naar 31 procent. Deze stijging is statistisch significant.
  • De sectoren met het grootste aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte zijn de landbouw en de nijverheid (respectievelijk 23 en 21 procent). In de landbouw steeg de behoefte het hardst ten opzichte van vorig jaar (3 procentpunt). Bedrijven in de zakelijke dienstverlening kenden juist de grootste daling (3 procentpunt). In beide gevallen is geen sprake van een statistisch significant verschil. In de zakelijke dienstverlening is het aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte het laagst (13 procent). Het verschil tussen sectoren binnen het mkb is toegenomen ten opzichte van vorig jaar. Dit jaar was het verschil tussen de sectoren met het hoogste en laagste aandeel 8 procentpunt, vorig jaar was dit nog 6 procentpunt.
  • De behoefte aan externe financiering komt bij jonge bedrijven (tot vijf jaar) vaker voor dan bij oudere bedrijven (respectievelijk 19 en 14 procent). In lijn met de afgelopen twee jaar is het aandeel stabiel gebleven onder de oudere bedrijven. Bij de jonge bedrijven nam het aandeel met 4 procentpunt af ten opzichte van de vorige meting (23 procent). Dit volgt op een toename van 3 procentpunt een jaar eerder (20 procent). Het aandeel bij jongere bedrijven schommelt de afgelopen jaren, maar is wel altijd hoger dan het aandeel bij oudere bedrijven. Deze veranderingen zijn echter niet statistisch significant.
  • Tussen de verschillende bedrijfstypen loopt het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte sterk uiteen. Zo is het aandeel het grootst bij de snelgroeiende bedrijven (38 procent) en het kleinst bij de dochter- en familiebedrijven (17 procent). Voor dochter- en familiebedrijven geldt dat zij over het algemeen gemakkelijker toegang hebben tot interne middelen binnen het concern en daarom minder vaak extern naar financiering zoeken.
  • Bij innovatieve bedrijven en startups is dit aandeel evengoed hoog (respectievelijk 35 en 34 procent). Ten opzichte van de vorige meting is de toename het grootst bij snelgroeiende bedrijven en innovatieve bedrijven (6 en 4 procentpunt). De grootste daling was zichtbaar bij de startups, deze bedroeg 4 procentpunt.
  • Verschillen in het aandeel bedrijven met een financieringsbehoefte hangen bovendien ook sterk samen met de levensfase waarin de ondernemingen zich bevinden. Zo geldt voor bedrijven in de levensfasen succes en beëindiging of afbouw dat deze behoefte laag is (respectievelijk 9 en 2 procent). Daarentegen is de behoefte aan externe financiering voor bedrijven in de fases uitbouw of opschalen (31 procent) en overleven (35 procent) juist relatief hoog net als in voorgaande jaren. Ten opzichte van de vorige meting is een sterke daling te zien bij de groep bedrijven in de levensfase uitbouw of opschalen (11 procentpunt). Met uitzondering van de fases continuïteit en overleven, was in alle levensfases ten opzichte van vorig jaar sprake van een daling.

Bedrijven met een externe financieringsbehoefte minder gezond

De behoefte aan nieuwe externe financiering hangt, naast bovenstaande factoren, ook samen met de financiële gezondheid van een bedrijf. De solvabiliteit en liquiditeit geven inzicht in de financiële gezondheid van het bedrijf. Solvabiliteit meet in hoeverre een bedrijf op de lange termijn in staat is met eigen middelen nieuwe investeringen te doen. Liquiditeit geeft de mate aan waarin bedrijven de mogelijkheid hebben om op de korte termijn vanuit eigen middelen te kunnen financieren.

Bedrijven met een externe financieringsbehoefte hebben zowel een lagere solvabiliteit als liquiditeit in 2023. In voorgaande jaren was dit ook zichtbaar. In beide gevallen is het verschil tussen deze bedrijven statistisch significant. In figuren 4.1.2a en 4.1.2b zijn de verschillen in solvabiliteit en liquiditeit weergegeven voor bedrijven met en zonder financieringsbehoefte.

4.1.2a Mediane solvabiliteit naar financieringsbehoefte, 20231)
behoefteSolvabiliteit (%)
Wel financieringsbehoefte39
Geen financieringsbehoefte64
Bron: CBS, Financieringsmonitor, NFO en SZO.
1)De mediane solvabiliteit is berekend op basis van gewinsoriseerde data.

4.1.2b Mediane liquiditeit naar financieringsbehoefte, 20231)
behoefteLiquiditeit (ratio vlottende activa /
kort vreemd vermogen)
Wel financieringsbehoefte1,54
Geen financieringsbehoefte2,88
Bron: CBS, Financieringsmonitor, NFO en SZO.
1)De mediane liquiditeit is berekend op basis van gewinsoriseerde data.

Bedrijven met externe financieringsbehoefte ervaren meer uitdagingen als belemmerend

Zoals toegelicht in hoofdstuk 3, kunnen verschillende uitdagingen een belemmering vormen voor bedrijfsprestaties. De frequentie waarmee uitdagingen als belemmerend worden ervaren door bedrijven in het mkb is verschillend voor bedrijven met en zonder een externe financieringsbehoefte. In figuur 4.1.3 komt dit verschil duidelijk naar voren.

Bij de bedrijven zonder financieringsbehoefte is het aandeel bedrijven het grootst voor de groep die geen van de uitdagingen in meer of mindere mate als belemmerend ervaart (28 procent), een viervoud van het percentage bedrijven met een financieringsbehoefte die geen van de uitdagingen als belemmerend ervaart (7 procent). Voor de bedrijven met een financieringsbehoefte neemt het aandeel bedrijven toe met het aantal uitdagingen dat als belemmerend wordt ervaren. Ruim vier op de tien van deze groep bedrijven ervaart zelfs vijf of meer van de uitdagingen als belemmering. Voor bedrijven zonder financieringsbehoefte geldt dat daarentegen maar voor 13 procent.

4.1.3 Aandeel bedrijven in het mkb met en zonder externe financieringsbehoefte, naar aantal uitdagingen dat als belemmerend wordt ervaren
CategorieMet financieringsbehoefte (%)Zonder financieringsbehoefte (%)
Geen uitdaging728
Één uitdaging816
Twee uitdagingen1318
Drie uitdagingen1414
Vier uitdagingen1511
Vijf of meer uitdagingen4313

Zoals in hoofdstuk 3 bleek, zijn de meest voorkomende uitdagingen voor bedrijven in het mkb gestegen kosten, het vinden van gekwalificeerd personeel en wet- en regelgeving.

Voor bijna een derde van de bedrijven in het mkb met een financieringsbehoefte vormen alle drie de uitdagingen een belemmering. Slechts 13 procent ervaart geen van de uitdagingen als een belemmering. Voor de bedrijven met een financieringsbehoefte komen de uitdagingen gestegen kosten en wet- en regelgeving het vaakst samen voor (48 procent).

Voor bedrijven zonder een externe financieringsbehoefte zien we een ander beeld. Voor slechts 14 procent van deze bedrijven vormen al de bovengenoemde uitdagingen een belemmering. Ook het aandeel bedrijven dat twee van deze uitdagingen als belemmerend ervaart, is voor deze groep lager (27 procent) dan voor bedrijven met een financieringsbehoefte (33 procent). Het aandeel bedrijven dat slechts één van de uitdagingen als belemmerend ervaart (27 procent), is echter hoger dan bij de bedrijven met financieringsbehoefte (22 procent). Voor bedrijven zonder financieringsbehoefte komen het vinden van gekwalificeerd personeel en gestegen kosten het vaakst samen voor (29 procent). Voor 32 procent van de bedrijven zonder financieringsbehoefte vormt geen van deze drie uitdagingen een belemmering.

4.2 Financieringsdoel start, uitbreiding en/of vernieuwing komt weer het meest voor

Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijkertijd hebben. Voor 87 procent van de bedrijven met een externe financieringsbehoefte heeft minimaal één van de hoofddoelen te maken met de start, uitbreiding en/of vernieuwing van het bedrijf of bedrijfsactiviteiten. Ten opzichte van de vorige meting bleef dit aandeel nagenoeg gelijk (86 procent). Financieringsdoelen gerelateerd aan continuering van het bedrijf of bedrijfsactiviteiten spelen voor een minder groot gedeelte van de bedrijven met een financieringsbehoefte. Dit betreft tweede derde van de bedrijven met een financieringsbehoefte. Dit is een daling van 3 procentpunt ten opzichte van de vorige meting en vergelijkbaar met voorgaande jaren.

  • Voor alle grootteklassen geldt dat meer dan 8 op de 10 bedrijven start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel heeft. Voor continuering zien we daarentegen dat dit aandeel lager ligt: voor het grootbedrijf ligt dit aandeel het laagst (57 procent), voor het microbedrijf het hoogst (69 procent).
  • Ook als wordt uitgesplitst naar sector is het aandeel bedrijven met als hoofddoel start, uitbreiding en/of vernieuwing in alle gevallen hoger dan het aandeel met als hoofddoel continuering. In de sectoren landbouw en de handel, vervoer en horeca is het aandeel bedrijven met start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel het hoogst (respectievelijk 96 en 92 procent). Dit jaar is de sector met het laagste aandeel het onroerend goed en reparatie (83 procent).
  • In handel, vervoer en horeca is ook de fractie bedrijven met continuering als financieringsbehoefte het hoogst (72 procent). In de landbouw was dit aandeel daarentegen het laagst (46 procent).
  • Jongere bedrijven met een financieringsbehoefte hebben vaker (90 procent) dan oudere bedrijven (85 procent) start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel. Voor continuering is dit aandeel voor beide leeftijdsklassen gelijk (67 procent). Vorig jaar bedroeg dit verschil nog 5 procentpunt.
  • Voor het type dochterbedrijf geldt dat het aandeel bedrijven met start, uitbreiding en/of vernieuwing als financieringsdoel het laagst is (80 procent), bij continuering zijn dit de familiebedrijven (57 procent). De grootste aandelen bij start, uitbreiding en/of vernieuwing zijn te zien bij familiebedrijf en startups (93 procent), bij continuering zijn dat de sociale ondernemingen (77 procent).

4.2.1 Financieringsdoelen voor bedrijven met een externe financieringsbehoefte, mkb in de business economy 1)
Category Percentage (%)
Start, uitbreiding en vernieuwing 87
Uitbreiding41
Wagenpark 19
Onroerend goed 17
Continuering 67
Voorraden en werkkapitaal 46
Overbruggen anders dan corona 16
Herfinanciering 14
1) Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijk hebben.

Voorraden en werkkapitaal en uitbreiding van activiteiten meest voorkomende financieringsdoelen

De twee hoofddoelen worden onderverdeeld in subdoelen, waarbij op wat concretere financieringsdoelen wordt ingegaan. Hierbij geldt ook dat bedrijven meerdere subdoelen tegelijkertijd kunnen hebben. Per hoofddoel worden in figuur 4.2.1 de meest voorkomende subdoelen weergegeven.

Van het hoofddoel start, uitbreiding en vernieuwing zijn de meest voorkomende subdoelen voor mkb-bedrijven met een externe financieringsbehoefte: investeren in uitbreiding van het bedrijf of de activiteiten (41 procent), het uitbreiden of vernieuwen van het wagenpark (19 procent) en onroerend goed (17 procent). De belangrijkste subdoelen van continuering zijn: voorraden en werkkapitaal (46 procent), het overbruggen van een moeilijke periode (anders dan vanwege het coronavirus) (16 procent) en herfinanciering (14 procent).

  • Met uitzondering van het grootbedrijf geldt dat deze subdoelen voor alle grootteklassen het meest voorkomen. Bij het grootbedrijf is, naast investeren in uitbreiding, herfinanciering het meest voorkomende subdoel (39 procent).
  • Tussen de sectoren zien we meer diversiteit met betrekking tot de meest voorkomende subdoelen van start, uitbreiding en/of vernieuwing. Zo is voor de bouwsector het uitbreiden of vernieuwen van het wagenpark het meest voorkomende subdoel (44 procent). Bij het subdoel R&D en innovatie springt de sector informatie en communicatie er juist uit (35 procent). Voor die sector is dit samen met uitbreiding het meest voorkomende subdoel. In de landbouw komt onroerend goed het meest voor als subdoel (41 procent).
  • In de handel, vervoer en horeca heeft het grootste deel van de bedrijven voorraden en werkkapitaal als subdoel, namelijk zes op de tien bedrijven.
  • Overbruggen van een moeilijke periode vanwege het coronavirus komt net als vorig jaar het meest voor bij bedrijven in de zakelijke dienstverlening (12 procent). Vorig jaar betrof dit nog 23 procent. Met uitzondering van de sector onroerend goed en reparatie, was hier bij alle sectoren een afname zichtbaar ten opzichte van vorig jaar.

4.3 Meeste bedrijven zonder externe financieringsbehoefte zien daarvoor geen aanleiding

Het grootste deel van het mkb in de business economy heeft geen nieuwe externe financieringsbehoefte. In deze meting betreft dit 85 procent van de bedrijven. De voornaamste reden voor bedrijven in het mkb om niet op zoek te gaan naar nieuwe financiering blijft dat er geen aanleiding was voor een financieringsbehoefte (48 procent). Voor iets minder dan een derde van de bedrijven zonder externe financieringsbehoefte is het intern eigen vermogen de hoofdreden (31 procent). 

  • Voor het microbedrijf geldt dat de helft van de bedrijven zonder financieringsbehoefte als voornaamste reden hiervoor heeft dat de aanleiding ontbreekt. Dit aandeel neemt af naar mate de grootte van het bedrijf toeneemt.
  • De voornaamste reden bij het klein-, midden- en grootbedrijf voor het ontbreken van een behoefte was dat de behoefte gefinancierd kon worden vanuit intern eigen vermogen.
  • Voor alle sectoren geldt, net als de afgelopen meting, dat geen aanleiding voor een financieringsbehoefte de voornaamste reden was, gevolgd door het hebben van voldoende intern eigen vermogen.

4.3.1 Motivatie van bedrijven zonder externe financieringsbehoefte, mkb in de business economy
Categorie Percentage
Geen aanleiding voor financiering47,7
Intern eigen vermogen30,9
Geen groei(kansen)9,5
Onafhankelijk van financier5,4
Bestaande financiering3,0
Versneld aflossen1,5
Moedermaatschappij1,0
Anders1,1

Bedrijven konden dit jaar voor het eerst – indien van toepassing - naast de hoofdreden, meerdere redenen aanmerken voor het ontbreken van een financieringsbehoefte. De meerderheid van de bedrijven zonder financieringsbehoefte heeft daar één reden voor (84 procent). Twaalf procent heeft twee redenen en de overige bedrijven hebben drie of meer redenen. Als bedrijven meerdere redenen hebben, komen de volgende redenen het meest samen voor: het hebben van intern eigen vermogen in combinatie met het ontbreken van een aanleiding (29 procent), en het hebben van intern eigen vermogen in combinatie met onafhankelijkheid (34 procent). Over het algemeen geldt dat bedrijven die intern vermogen of geen aanleiding als reden aanmerken, vaker ook een tweede reden hebben om geen behoefte aan externe financiering te hebben.

Intern vermogen met name afkomstig uit winsten of ingehouden reserves

Voor de bedrijven in het mkb die aangeven dat het hebben van intern eigen vermogen een reden is waarom zij geen financieringsbehoefte hebben, is (een deel van) het interne eigen vermogen bij 71 procent van de bedrijven afkomstig uit winsten of ingehouden reserves. Bij 32 procent van de bedrijven is dat (deels) uit privévermogen en voor 12 procent (deels) uit overig intern eigen vermogen.

Start, uitbreiding en/of vernieuwing ook het meest voorkomende doel bij bedrijven met alternatieve invulling financieringsbehoefte

Sommige bedrijven in het mkb hebben geen nieuwe externe financieringsbehoefte, omdat ze hun behoefte op een andere manier hebben ingevuld (39 procent): met intern eigen vermogen, met bestaand externe financieringsruimte en/of met behulp van middelen van de moedermaatschappij. De financieringsdoelen van deze bedrijven zijn grotendeels vergelijkbaar met het beeld voor de bedrijven mét behoefte aan nieuwe externe financiering.

Voor deze bedrijven in het mkb in de business economy geldt dat negen op de tien bedrijven start, uitbreiding en/of vernieuwing als doel hadden (88 procent). Bij de bedrijven met een externe financieringsbehoefte is dit ongeveer gelijk (87 procent). Voor het hoofddoel continuering ligt het aandeel bij bedrijven zonder externe financieringsbehoefte iets lager: 62 procent versus 67 procent bij bedrijven met externe financieringsbehoefte.

In alle gevallen (sector, leeftijd, grootteklasse en type bedrijf) is het aandeel bedrijven met als hoofddoel start, uitbreiding en/of vernieuwing groter dan het aandeel met als hoofddoel continuering.

4.3.2 Financieringsdoelen voor bedrijven met een alternatieve invulling van de financieringsbehoefte, mkb in de business economy 1)
Category Percentage (%)
Start, uitbreiding en vernieuwing 88
Uitbreiding 24
Overige activa 22
Wagenpark 21
Continuering 62
Voorraden en werkkapitaal 55
Overbruggen anders dan corona 5
Overbruggen door corona 4
1) Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijk hebben.

Figuur 4.3.2 geeft voor beide hoofddoelen de meest voorkomende subdoelen weer. In tegenstelling tot de groep met externe financieringsbehoefte, valt voor deze groep bedrijven overige activa onder de belangrijkste subdoelen van het hoofddoel start, uitbreiding en vernieuwing. Opvallend is bij deze groep ook het relatief lage aandeel bedrijven met uitbreiding als financieringsdoel (24 procent). Onroerend goed komt bij deze bedrijven niet in de top drie voor, dit betreft slechts 8 procent van de bedrijven.

Onder het hoofddoel continuering is het subdoel herfinanciering uit de top drie verdwenen. Voor deze bedrijven geldt dit slechts voor 2 procent als financieringsdoel. Voor de bedrijven met een externe financieringsbehoefte heeft 14 procent dit als financieringsdoel. Enkel voor het subdoel voorraden en werkkapitaal is het aandeel bedrijven hoger onder bedrijven die een andere invulling aan de financiering hebben gegeven (55 procent) dan bedrijven met externe financieringsbehoefte (46 procent).

5. Oriëntatie op externe financiering

Ten opzichte van de vorige meting daalt het aandeel bedrijven dat zich oriënteert op de mogelijkheden omtrent nieuwe externe financiering weer. Op de lange termijn lijkt er echter geen sprake te zijn van een stijgende of dalende trend. De bank is in de huidige meting weer vaker gebruikt als kanaal voor bedrijven om zich te oriënteren. Sinds 2019 nam het aandeel bedrijven dat de bank als informatiekanaal gebruikte jaarlijks af, dit jaar neemt het voor het eerst weer toe. Voor de andere informatiekanalen is een daling te zien ten opzichte van de vorige meting.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de tweede stap in de zoektocht naar financiering door het bedrijfsleven verder uiteengezet. De volgende figuur geeft de positie van dit hoofdstuk in het gehele proces weer. De analyses in dit hoofdstuk hebben betrekking op bedrijven met een nieuwe externe financieringsbehoefte.

5.0

5.1 Lichte daling in aandeel bedrijven dat zich oriënteert

Het aandeel bedrijven dat zich oriënteert op mogelijkheden voor nieuwe externe financiering daalt ten opzichte van de vorige meting. Waar in afgelopen meting 82 procent van alle bedrijven in het mkb binnen de business economy met een financieringsbehoefte zich verder oriënteerde, daalde dat in de huidige meting tot 78 procent. Dit verschil is niet statistisch significant. In de vorige meting leek het erop dat dit aandeel weer toenam richting het niveau van de jaren 2018 tot en met 2021. Maar de groei van dit aandeel lijkt niet door te zetten. Over het algemeen schommelen de percentages al sinds 2018 rond de 80 procent.

5.1.1 Aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte dat zich oriënteert op de mogelijkheden1)
Categorie2025 (%)2025, marge (%)2024 (%)2024, marge (%)2023 (%)2023, marge (%)2022 (%)2022, marge (%)2021 (%)2021, marge (%)
Mkb77,671,9 - 83,282,577,5 - 87,473,867,0 - 80,679,373,7 - 85,085,880,6 - 90,9
Bedrijfsgrootte
Micro75,367,5 - 83,083,476,8 - 90,069,460,4 - 78,478,771,4 - 86,084,778,2 - 91,1
Klein83,678,3 - 88,979,373,1 - 85,684,779,2 - 90,280,374,0 - 86,789,084,4 - 93,5
Midden82,275,6 - 88,882,975,8 - 90,087,381,1 - 93,584,778,7 - 90,691,887,5 - 96,1
Groot80,871,2 - 90,485,174,9 - 95,282,270,9 - 93,576,464,5 - 88,395,693,9 - 97,2
1)Het gaat hier om 95%-betrouwbaarheidsinterval marges, zie de onderzoeksverantwoording voor meer toelichting op de weergegeven marges.

  • Het microbedrijf heeft minder vaak (75 procent) stappen ondernomen om informatie in te winnen over mogelijkheden dan andere grootteklassen binnen het mkb. Dit is ieder jaar sinds 2018 het geval, met uitzondering van de vorige meting. Bij het midden- en grootbedrijf is ook een lichte daling terug te zien ten opzichte van de vorige meting. Bij het kleinbedrijf neemt het aandeel juist toe tot 84 procent. De verschillen zijn niet statistisch significant ten opzichte van de vorige meting.
  • Landbouwbedrijven oriënteren zich doorgaans vaker op mogelijkheden dan de business economy. Met 89 procent in 2025 is dat even vaak als afgelopen meting. In de sector informatie en communicatie is het aandeel met 14 procentpunt gedaald ten opzichte van de vorige meting, deze daling is statistisch significant. Met 69 procent oriënteert deze sector zich nu het minst vaak.
  • Net als in eerdere jaren verkennen oudere bedrijven vaker de mogelijkheden dan jongere bedrijven, respectievelijk 78 en 77 procent. In tegenstelling tot eerdere jaren is dit verschil in de huidige meting kleiner geworden. Het bedraagt nu slechts één procentpunt, in de vorige meting was dit verschil nog vier procentpunt.
  • Bedrijven die aangeven een dochteronderneming te zijn oriënteren zich het minst vaak van alle typen bedrijven op financieringsmogelijkheden: slechts 50 procent. Dat is een stuk lager dan de vorige meting, maar wel in lijn met een dalende trend sinds 2020. Hierbij lijkt de afgelopen meting een eenmalige uitschieter. Snelgroeiende en sociale ondernemingen oriënteren zich het vaakst op de mogelijkheden tot financiering, respectievelijk 91 en 89 procent. Dit is, wederom op de afgelopen meting na, in lijn met eerdere jaren.
  • Bedrijven die zich wel hebben georiënteerd verschillen niet statistisch significant van bedrijven die zich niet hebben georiënteerd voor wat betreft hun solvabiliteit en liquiditeit. 19)

Veel bedrijven al bekend met financieringsmogelijkheden

Twee op de tien mkb-bedrijven met een financieringsbehoefte hebben geen stappen ondernomen om informatie in te winnen over de mogelijkheden. Hiervoor kunnen bedrijven meerdere redenen hebben, dit geldt voor ongeveer twee op de tien bedrijven. Bijna de helft van de bedrijven die zich niet verder oriënteerden heeft dit niet gedaan omdat zij al bekend waren met de mogelijkheden. Dit aandeel lijkt redelijk constant sinds 2023. De reden die hierna als vaakst voorkomt is dat bedrijven verwachten de financiering toch niet te zullen krijgen. Ongeveer een kwart van de bedrijven heeft dit als reden. Daarnaast weet 19 procent van de bedrijven die geen verkenning uitvoert niet waar te zoeken en 18 procent verwacht dat het te duur zal zijn. Ten opzichte van de vorige meting geven meer bedrijven aan dat ze niet weten waar te zoeken (toen nog 12 procent) en juist minder bedrijven dat het te duur is of dat ze verwachten het toch niet te krijgen (toen nog respectievelijk 32 en 35 procent).

Bijna 90 procent van het midden- en grootbedrijf was al bekend met de mogelijkheden. Ook het kleinbedrijf was in zeven van de tien gevallen al bekend met de mogelijkheden. Bij het microbedrijf lag dit lager: vier op de tien microbedrijven was al bekend met de mogelijkheden. Microbedrijven hadden vaker de andere bovengenoemde redenen. 

5.2 Bij het verkennen van mogelijkheden is enkel de bank in populariteit gestegen

Bedrijven die hun financieringsmogelijkheden verder verkennen kunnen dat via één of meerdere kanalen doen. Zes op de tien bedrijven oriënteren zich via meerdere kanalen. Nog steeds blijft de bank het belangrijkste kanaal voor bedrijven om zich te oriënteren: 64 procent heeft geïnformeerd bij een bank. In de afgelopen metingen nam de hoeveelheid bedrijven dat zich oriënteerde via de bank jaarlijks af: van 80 procent in 2019 tot 56 procent in 2024. Dit jaar lijkt er een einde te komen aan deze afname en stijgt het aandeel bedrijven dat zich oriënteert via de bank met 8 procent. Daarnaast blijven de accountant (36 procent) en de financieel adviseur (32 procent) belangrijke kanalen, ook al zijn beide met 6 à 7 procentpunt gedaald ten opzichte van de vorige meting. Opvallend is dat enkel de bank als oriëntatiekanaal in populariteit is gestegen ten opzichte van de vorige meting. Alle andere vormen van oriëntatie werden minder gebruikt.

  • Vooral voor het klein-, midden- en grootbedrijf is de bank een vaak gebruikt kanaal om zich te oriënteren (respectievelijk 77, 84 en 79 procent). Het microbedrijf oriënteert zich met ongeveer 58 procent ook vaak via de bank, maar wel minder dan in de andere grootteklassen. De stijging in populariteit van de bank als informatiekanaal is terug te zien bij alle grootteklassen binnen het mkb. Zoals in hoofdstuk 2.4 besproken neemt het aantal bancaire aanvragen in de bedragscategorie 250 duizend tot 1 miljoen euro toe, dit lijkt in lijn met de toegenomen interesse in de bank als oriëntatiekanaal die in het mkb is terug te zien.
  • In vergelijking met andere grootteklassen oriënteert het microbedrijf zich relatief vaker via bekenden of zelf online. Beide vormen van oriëntatie worden minder vaak gebruikt naar gelang de grootteklasse toeneemt. Grotere bedrijven maken meer gebruik van officiële kanalen zoals accountants, adviseurs of andere financiers dan door zelf online of via bekenden te zoeken.
  • Bedrijven in de sector landbouw winnen vaker informatie in via de bank en via een accountant dan bedrijven in de business economy. In de sector informatie en communicatie wordt juist meer zelf online gezocht (50 procent) of via bekenden (46 procent) ten opzichte van andere sectoren.
  • Oudere bedrijven (71 procent) maken vaker dan jongere bedrijven (50 procent) gebruik van een bank om zich te oriënteren op financieringsmogelijkheden. Jongere bedrijven maken vaker gebruik van bekenden (32 procent tegenover 19 procent) en kijken vaker zelf online (37 procent tegenover 25 procent).
  • Bedrijven die zichzelf kenmerken als innovatief maken in 66 procent van de gevallen gebruik van de bank als oriëntatiekanaal. Dit is een stijging van 16 procentpunt ten opzichte van de vorige meting. Ook sociale bedrijven maken vaker gebruik van een bank om zich te oriënteren op financieringsmogelijkheden: 59 procent in de huidige meting ten opzichte van 48 procent in het afgelopen jaar. Veel minder vaak maakt dit type bedrijf gebruik van andere vormen om zich te oriënteren in de huidige meting. De grootste afname is te zien bij financieel adviseurs (16 procent ten opzichte van 48 procent vorig jaar) en andere financiers (29 procent ten opzichte van 53 procent afgelopen jaar). Een andere opvallende wijziging is dat het aandeel startups dat zich oriënteert via bekenden met 21 procentpunt stijgt naar 67 procent. Dit soort percentages fluctueert sterk van jaar tot jaar wegens wisselende samenstelling van de respondenten van de Financieringsmonitor.

Bancaire vormen van financiering het vaakst verkend

Bedrijven kunnen zich op meerdere financieringsvormen tegelijkertijd oriënteren. Net als in vorige metingen is te zien dat bedrijven zich in meer gevallen oriënteren op vormen die betrekking hebben op vreemd vermogen, in vergelijking met vormen die het eigen vermogen aangaan. Dat bijna twee derde van het mkb in de business economy informatie inwint bij de bank is ook terug te zien bij de overwogen vorm van externe financiering: 60 procent van de bedrijven verdiept zich namelijk in de banklening als financieringsvorm. Dit is een toename met 8 procentpunt ten opzichte van de vorige meting. Naast de banklening overweegt het mkb vaak een uitbreiding van een bestaande of een nieuwe rekening-courant (23 procent) via de bank. De populairste non-bancaire vormen bij het vreemd vermogen zijn leasing (21 procent) en een onderhandse lening (19 procent). Wanneer het mkb eigen vermogen overweegt als mogelijkheid verdiepen ze zich het vaakst in informele investeerders als financieringsvorm (19 procent). Dit jaar zijn de financieringsvormen ketenfinanciering en embedded finance toegevoegd als opties in de monitor. Er zijn echter weinig bedrijven die zich oriënteren op deze financieringsvormen.

5.2.1 Verkende vormen van externe financiering in het mkb in de business economy 1)
CategoryAandeel bedrijven
Vreemd vermogen
Banklening60
Rekening-courant23
Leasing21
Onderhandse lening19
Achtergestelde lening7
Leverancierskrediet6
Factoring4
Crowdfunding3
Ketenfinanciering2
Embedded finance0
Anders6
Eigen vermogen
Informele investeerders19
Durfkapitaal9
Business angel6
Participatiemaatschappij6
Participatie bedrijven5
Crowdfunding4
Anders4
1) Bedrijven kunnen zich op meerdere vormen tegelijk oriënteren

  • Het microbedrijf oriënteert zich minder vaak dan andere grootteklassen op een banklening (57 procent). Twee derde van het klein-, midden- en grootbedrijf verdiept zich in een banklening als financieringsvorm. Dit is in lijn met de verschillen tussen grootteklassen bij het gebruik van de bank als informatiekanaal.
  • In alle sectoren is een banklening de financieringsvorm waarop bedrijven zich het vaakst oriënteren. De sectoren landbouw (88 procent) en onroerend goed (77 procent) verdiepen zich het vaakst in een banklening als optie voor financiering.

Relatie met huisbank belangrijkste reden om via de bank te oriënteren

Bij de populariteit van de bank als informatiekanaal en de bancaire financieringsvormen (banklening en rekening-courant) speelt de vertrouwdheid met banken een grote rol. Belangrijke redenen voor het mkb om zich te oriënteren via de bank zijn de relatie met de huisbank (51 procent), bekendheid met bancaire financiering (45 procent), en betrouwbaarheid van deze financieringsvorm (28 procent). De eerste twee redenen zijn vergelijkbaar gebleven met de vorige meting. Ten opzichte van de vorige meting is de betrouwbaarheid van de bancaire financiering als reden om zich hierop te oriënteren met 9 procentpunt afgenomen.

5.3 Financieringsdoelen verschillen tussen bedrijven die zich wel of niet oriënteren

Bedrijven die stappen hebben genomen om informatie in te winnen over mogelijkheden hebben vaker start, vernieuwing en uitbreiding als hoofddoel voor de financiering (89 procent) dan bedrijven die zich niet oriënteren (80 procent). Bedrijven die zich wel oriënteren hebben dan ook in 43 procent van de gevallen de financiering nodig om het bedrijf uit te breiden. Voor bedrijven die zich niet verder oriënteren is dit 33 procent.

Bij het hoofddoel continuering van het bedrijf en/of de bedrijfsactiviteiten is dit andersom. Bedrijven die zich wel oriënteren (65 procent) hebben juist minder vaak dit doel dan bedrijven die zich niet oriënteren (76 procent). Van de bedrijven die zich niet oriënteren heeft 60 procent de continuering van voorraden en werkkapitaal als financieringsdoel, tegenover 42 procent van de bedrijven die zich wel oriënteren.

5.3.1 Financieringsdoelen voor bedrijven met een externe financieringsbehoefte die zich wel of niet georiënteerd hebben, mkb in de business economy 1)
Category Niet georiënteerd (%) Wel georiënteerd (%)
Start, uitbreiding en vernieuwing 8089
Uitbreiding3343
Wagenpark2118
Marketing208
Onroerend goed521
Continuering7665
Voorraden en werkkapitaal6042
Overbruggen anders dan corona2114
Herfinanciering417
1) Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijk hebben.

6. Aanvraag van externe financiering

Van de mkb-bedrijven in de business economy met een financieringsbehoefte die zich oriënteren op de mogelijkheden (of daarmee al bekend waren) is het aandeel dat daadwerkelijk een financieringsaanvraag doet toegenomen ten opzichte van vorig jaar. Dit is het tweede jaar op rij dat dit aandeel stijgt. Daarnaast is er een stijging van het aandeel bedrijven dat enkel een bancaire aanvraag doet. Bijna vier op de tien bedrijven maakt gebruik van een financieel adviseur bij het doen van een financieringsaanvraag. Voor bancaire aanvragen ligt dit aandeel hoger dan voor non-bancaire aanvragen. Het mediane aangevraagde bedrag is vooral bij het microbedrijf gestegen.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de derde stap in de zoektocht naar financiering door het bedrijfsleven verder uiteengezet. De analyses in dit hoofdstuk hebben betrekking op de bedrijven die de mogelijkheden van financiering hebben verkend én de bedrijven die daarmee al bekend waren en zich daarom niet nog eens georiënteerd hebben. De volgende figuur geeft de positie van dit hoofdstuk in het gehele proces weer. Wanneer er in dit hoofdstuk verder gesproken wordt over bedrijven die zich georiënteerd hebben omvat dit ook bedrijven die al bekend waren met de mogelijkheden, tenzij anders aangegeven.

6.0

6.1 Stijgende lijn in aandeel bedrijven dat financiering aanvraagt

Van de bedrijven in de business economy die de eerste twee stappen van het proces hebben doorlopen doet 67 procent ten minste één financieringsaanvraag. Dit percentage neemt nu al twee jaar op rij toe, van 51 procent in 2023 naar 59 procent in 2024 en 67 procent in 2025. Het verschil tussen de huidige en de vorige meting is niet statistisch significant.

6.1.1 Aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte dat na oriëntatie een aanvraag doet1)
Categorie2025 (%)2025, marge (%)2024 (%)2024, marge (%)2023 (%)2023, marge (%)2022 (%)2022, marge (%)2021 (%)2021, marge (%)
Mkb67,160,4 - 73,758,951,6 - 66,251,243,6 - 58,756,349,5 - 63,251,743,5 - 59,9
Bedrijfsgrootte
Micro62,753,5 - 71,955,645,6 - 65,543,433,3 - 53,452,243,1 - 61,446,436,0 - 56,7
Klein76,870,8 - 82,966,859,6 - 74,066,659,5 - 73,664,556,9 - 72,166,659,9 - 73,4
Midden77,470,0 - 84,867,658,7 - 76,578,570,6 - 86,477,569,7 - 85,474,867,4 - 82,1
Groot73,562,5 - 84,579,267,1 - 91,381,670,1 - 93,170,757,3 - 84,086,776,6 - 96,9
1)Het gaat hier om 95%-betrouwbaarheidsinterval marges, zie de onderzoeksverantwoording voor meer toelichting op de weergegeven marges.

  • Alle grootteklassen behorend tot het mkb tonen ten opzichte van de vorige meting een stijging in het aandeel bedrijven dat een aanvraag doet na oriëntatie. Er zijn wel verschillende trends te zien. Bij het microbedrijf neemt het percentage nu twee jaar op rij toe. Bij het kleinbedrijf bleef het aandeel bedrijven dat een aanvraag deed in 2023 en 2024 ongeveer gelijk en stijgt dat dit jaar met tien procentpunt. Deze stijging is statistisch significant. Het aandeel middenbedrijven dat een aanvraag deed daalde in 2024 juist met 10 procentpunt ten opzichte van 2023 en is in de huidige meting weer op het niveau van 2023.
  • Waar het mkb een stijging laat zien, daalt het aandeel bedrijven binnen het grootbedrijf dat een aanvraag doet juist al twee jaar op rij: van 82 procent in 2023 en 79 procent in 2024 naar 73 procent in de huidige meting. Dit aandeel ligt nu lager dan het aandeel bij het klein- en middenbedrijf.
  • Binnen de sector onroerend goed is het aandeel bedrijven dat een aanvraag doet na oriëntatie het hoogst: 77 procent. Dit is gestegen ten opzichte van de afgelopen meting, toen nog 68 procent van deze bedrijven een aanvraag deed. Ook over de afgelopen vijf jaar toont deze bedrijfstak een stijgende lijn. De sector met het laagste aandeel bedrijven dat een aanvraag doet is informatie en communicatie: hier doet slechts 53 procent van alle mkb-bedrijven een aanvraag na oriëntatie, dit is ook nog eens zeven procentpunt minder dan in de vorige meting. Het ligt echter wel rond het gemiddelde over de afgelopen vijf jaar. Met uitzondering van de sector informatie en communicatie is bij elke sector het aandeel dat een aanvraag doet gestegen. Bij de sectoren zijn echter geen statistisch significante verschillen te zien ten opzichte van de vorige meting.
  • In deze meting ligt het aandeel jongere bedrijven dat een aanvraag doet dichtbij het aandeel oudere bedrijven (respectievelijk 66 procent en 68 procent). Tot en met de meting van 2023 lag het aandeel altijd hoger bij oudere bedrijven. Sindsdien is het beeld wisselend.
  • Bedrijven die zichzelf aanmerken als sociale onderneming doen het minst vaak één of meer financieringsaanvragen. Dit zijn er, net als in de vorige meting, slechts vier op de tien. Ook bedrijven die zichzelf aanmerken als dochteronderneming doen slechts in de helft van de gevallen een aanvraag. Hier was vorig jaar een uitschieter te zien (75 procent). Dit aandeel ligt nu weer meer in lijn met eerdere metingen.
  • De financiële gezondheid van bedrijven is vergelijkbaar tussen bedrijven die wel of geen financieringsaanvraag doen. De solvabiliteit is even hoog voor beide groepen bedrijven en de liquiditeit is iets hoger voor bedrijven die geen aanvraag doen na oriëntatie, maar dit verschil is niet statistisch significant.
  • Van de mkb-bedrijven die een aanvraag gedaan hebben, heeft 64 procent een enkele aanvraag gedaan, 19 procent heeft twee aanvragen gedaan en 17 procent heeft drie of meer aanvragen gedaan. Het gemiddelde aantal aanvragen neemt toe naarmate de grootteklasse van een bedrijf toeneemt. In de sector onroerend goed worden gemiddeld meer aanvragen gedaan per bedrijf dan in andere sectoren. Dochterondernemingen, sociale ondernemingen en startups doen van alle typen bedrijven gemiddeld de meeste aanvragen per bedrijf.

Redenen voor bedrijven om geen aanvraag te doen lopen uiteen

Een derde van de bedrijven in het mkb doet in dit stadium van het proces toch geen financieringsaanvraag. Dit aandeel neemt af sinds de meting van 2023. Bedrijven kunnen meerdere redenen hebben om niet over te gaan tot een aanvraag. De meest voorkomende reden om geen financieringsaanvraag te doen is dat er toch interne financiering gevonden kon worden (26 procent), gevolgd door dat het toch niet het juiste moment was voor een aanvraag (22 procent), het bedrijf niet afhankelijk wilde zijn van een financier (15 procent) of omdat de kosten te hoog waren (15 procent). Deze top 4 was ook te zien in de vorige meting.

Financieringsdoelen verschillen tussen bedrijven die al dan niet een aanvraag doen

Figuur 6.1.2 toont de hoofddoelen en de meest voorkomende financieringsdoelen per hoofddoel voor bedrijven die uiteindelijk wel of geen aanvraag hebben ingediend. Bedrijven kunnen meerdere doelen hebben voor hun beoogde financiering.

6.1.2 Financieringsdoelen voor bedrijven met een externe financieringsbehoefte die zich georiënteerd hebben, die wel of geen aanvraag hebben gedaan 1)
Category Geen aanvraag gedaan (%) Wel aanvraag gedaan (%)
Start, uitbreiding en vernieuwing 86 89
Uitbreiding 5138
Overige activa 18 12
Digitalisering 17 4
Onroerend goed 13 23
Wagenpark 12 23
Continuering7262
Voorraden en werkkapitaal 52 39
Overbruggen anders dan corona 17 14
Herfinanciering 13 16
1) Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijk hebben. Van bedrijven die wel of geen aanvraag hebben gedaan is de top-3 subdoelen weergegeven per hoofddoel.

Van de bedrijven die geen aanvraag doen had 86 procent als hoofddoel start, uitbreiding of vernieuwing en 72 procent continuering van bedrijfsactiviteiten. Bedrijven die wel een aanvraag deden, hadden iets vaker (89 procent) als hoofddoel start, uitbreiding of vernieuwing en iets minder vaak (62 procent) continuering van bedrijfsactiviteiten. Meest voorkomende subdoelen bij bedrijven die geen aanvraag doen zijn voorraden en werkkapitaal (52 procent) en het investeren in uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten (51 procent). Deze zijn hetzelfde als in de vorige meting. Ook bedrijven die wel een aanvraag doen hebben het vaakst deze twee doelen, met respectievelijk 39 procent en 38 procent. In de top 3 subdoelen bij start, uitbreiding en vernieuwing ontstaan echter verschillen. Zoals te zien in figuur 6.1.2 zijn de voornaamste subdoelen van bedrijven die geen aanvraag doen het investeren in uitbreiding, investeren in overige activa en digitalisering. Voor bedrijven die wel een aanvraag doen zijn dit het investeren in uitbreiding, wagenpark en onroerend goed.

6.2 Stijging aandeel bedrijven dat enkel bancaire financiering aanvraagt

Ten opzichte van de vorige meting stijgt het aandeel bedrijven dat een aanvraag enkel doet bij een bancaire financier van 48 procent naar 56 procent. De rest van de aanvragen worden gedaan bij enkel non-bancaire financiers zoals via crowdfunding, informele financiers of business angels (37 procent), of middels een mix van een bancaire en non-bancaire financiers (8 procent). In de vorige vijf metingen is het percentage bancaire aanvragen steeds in meer of mindere mate afgenomen. In de huidige meting is een opvallende stijging te zien waardoor het niveau van bedrijven dat een bancaire aanvraag doet weer vergelijkbaar is met de meting van 2021.

  • Binnen het mkb in de business economy vertonen alle drie de grootteklassen een stijging in het aandeel dat enkel een aanvraag deed bij een bancaire financier ten opzichte van de vorige meting. Het microbedrijf stijgt met 6 procentpunt naar 49 procent, het kleinbedrijf met 11 procentpunt naar 64 procent en het middenbedrijf stijgt met 12 procentpunt naar 79 procent. Het grootbedrijf vertoont juist een daling in het aandeel volledig bancaire financieringsaanvragen. Er is voor alle grootteklassen geen specifiek patroon te ontdekken over de afgelopen vijf jaar. Zoals in paragraaf 2.4 besproken neemt het aantal bancaire aanvragen in de bedragscategorie 250 duizend tot 1 miljoen euro toe. Daarnaast is er een toegenomen interesse in de bank als oriëntatiekanaal binnen het mkb. Ook in het aandeel bancaire aanvragen komt deze lijn weer terug voor alle grootteklassen binnen het mkb.
  • Het microbedrijf doet vaker enkel een aanvraag via een non-bancaire financier ten opzichte van alle andere grootteklassen: 42 procent van het microbedrijf kiest enkel voor een non-bancaire financier bij de meest recente financieringsaanvraag. Microbedrijven doen daarnaast ook vaker een aanvraag bij bancair en non-bancaire financiers tegelijk (9 procent) in vergelijking met andere grootteklassen.
  • Net als in eerdere metingen maakt de sector landbouw naar verhouding het vaakst enkel gebruik van een bancaire financier. Met uitzondering van de vorige meting deden jaarlijks meer dan acht op de tien landbouwbedrijven hun meest recente aanvraag via de bank. Binnen de business economy is het aandeel bij de sectoren handel, vervoer en horeca, nijverheid en onroerend goed het hoogst, waar ruim zes op de tien bedrijven de meest recente aanvraag enkel bij een bancaire financier heeft ingediend. De sectoren bouw en informatie en communicatie doen juist vaker enkel een non-bancaire aanvraag. Respectievelijk 50 en 54 procent van de meest recente aanvragen in deze bedrijfstakken deed zijn aanvraag enkel non-bancair.
  • Steevast deden ook oudere bedrijven vaker dan jongere bedrijven hun meest recente aanvraag enkel via de bank. Zes op de tien bedrijven ouder dan 5 jaar doen de laatste aanvraag enkel via een bancaire financier ten opzichte van vier op de tien bedrijven jonger dan 5 jaar.
  • De drie meest aangevraagde financieringsvormen zijn over de afgelopen metingen niet veranderd: Naast een banklening (gemiddeld 41 procent van het gevraagde bedrag), kiezen bedrijven in de meeste gevallen voor leasing (19 procent) of een onderhandse lening (11 procent).

Bijna vier op de tien bedrijven betrekt financieel adviseur bij aanvraag

In de huidige meting is voor het eerst meegenomen of er een financieel adviseur betrokken was bij de financieringsaanvraag. Meer dan zes op de tien mkb-bedrijven in de business economy betrekt hierbij geen financieel adviseur. Bij twee op de tien mkb-bedrijven is een advies uitgebracht door een financieel adviseur bij de aanvraag. Een zesde van alle bedrijven in het mkb liet de aanvraag volledig indienen door een financieel adviseur.

Er is weinig verschil tussen de grootteklassen zichtbaar in de mate waarin bedrijven de hulp van een adviseur inschakelen. Microbedrijven doen dat in 39 procent van de gevallen en in het kleinbedrijf en het middenbedrijf is dit respectievelijk 37 en 33 procent. Opvallend is dat mediane bedragen van financieringsaanvragen verschillen tussen bedrijven die wel of geen adviseur inschakelen: bij bedrijven die geen adviseur betrokken bij de aanvraag is het mediane bedrag 144 duizend euro, als er een advies is uitgebracht door een adviseur is dit 250 duizend euro en als de gehele aanvraag is ingediend door een adviseur is het mediane bedrag 409 duizend euro.

6.2.1 Financieel adviseur betrokken bij de financieringsaanvraag, type aanvraag
Category Niet betrokken (%) Advies uitgebracht (%) Aanvraag ingediend (%)
Totaal 62 21 17
Enkel bancaire aanvraag 53 23 24
Enkel non-bancaire aanvraag 78166

Zoals te zien in figuur 6.2.1 verschilt de mate van betrokkenheid van een financieel adviseur tussen bedrijven die enkel een bancaire aanvraag hebben gedaan en bedrijven die enkel een non-bancaire aanvraag hebben gedaan. Bij minder dan een kwart van de meest recente non-bancaire financieringsaanvragen is een financieel adviseur betrokken bij de aanvraag. Bij bancaire aanvragen wordt in bijna de helft van de gevallen een financieel adviseur ingeschakeld en bij bijna een kwart van de bancaire financieringsaanvragen wordt deze zelfs volledig ingediend door een financieel adviseur.

6.3 Mediane aangevraagde bedrag toont stijgende lijn voor microbedrijf

Het mediane20) bedrag dat het mkb in de business economy aan nieuwe externe financiering aanvroeg was 225 duizend euro. Dit komt in grote lijnen overeen met de meting van 2023 (toen was het 250 duizend euro), maar ligt een stuk hoger dan de meting van 2024 (150 duizend euro). Bij de berekening van het mediane aangevraagde bedrag is de samenstelling van de populatie van belang. Deze samenstelling verschilt tussen de metingen: dit hangt bijvoorbeeld af van welk type bedrijven een financieringsbehoefte hebben, vervolgens op zoek gaan en daadwerkelijk een aanvraag doen.21) Het is daardoor lastig om te spreken over een ontwikkeling van het mediane bedrag tussen twee metingen. Het is daarom beter om de trend op langere termijn te vergelijken.

  • Voor microbedrijven is er een consistente stijging te zien in de afgelopen vijf jaar. Het mediane door microbedrijven aangevraagde bedrag stijgt van 60 duizend euro in 2021 tot 120 duizend dit jaar. Bij het kleinbedrijf ligt het mediane bedrag op 300 duizend euro, met uitzondering van 2022 lag het rond dit niveau. Bij het middenbedrijf ligt het mediane bedrag op 1,1 miljoen euro. In de vorige meting was dit nog 2 miljoen en alle andere metingen zitten tussen deze bedragen. Het grootbedrijf vraagt doorgaans het grootste bedrag aan. In deze meting is dat 6,3 miljoen euro. Het aangevraagde bedrag loopt duidelijk op met bedrijfsgrootte.
  • Ook binnen de verschillende sectoren is geen specifieke trend te ontdekken. Bedragen schommelen jaar-op-jaar. Wel is zichtbaar dat mediane aangevraagde bedragen steevast het hoogst zijn in de sector onroerend goed. In de huidige meting is het mediane aangevraagde bedrag in de sector onroerend goed 850 duizend euro. Aangevraagde mediane bedragen zijn in de sector bouw in de huidige meting het laagst (123 duizend euro). Dit komt overeen met het beeld van eerdere metingen, waar in de meeste metingen de sector bouw het laagste mediane bedrag aanvraagt.
  • Voor bedrijven ouder dan 5 jaar is het mediane bedrag over het algemeen hoger dan voor bedrijven jonger dan 5 jaar. Op de lange termijn lijken de mediane bedragen te stijgen voor bedrijven ouder dan 5 jaar. Voor jongere bedrijven is eenzelfde trend niet te zien.

7. Uitkomst van financieringsaanvraag

Van de bedrijven die een aanvraag deden, was het aandeel dat de aanvraag (deels) toegekend kreeg iets hoger dan in de vorige meting. Sinds 2022, na de coronaperiode, is het aandeel toegekende aanvragen steeds hoog gebleven. Alle grootteklassen hebben een hoog aandeel toegekende aanvragen, waarbij het aandeel toeneemt met grootteklasse. Kosten voor financiering nemen weer af na een stijging in de afgelopen jaren, en lijken hiermee het beeld van de ECB-rente te volgen.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de vierde stap in de zoektocht naar financiering door het bedrijfsleven verder uiteengezet. De analyses in dit hoofdstuk hebben betrekking op de bedrijven die daadwerkelijk een financieringsaanvraag hebben gedaan. Eerst wordt ingegaan op de verschillende mogelijke uitkomsten van de financieringsaanvraag. Vervolgens wordt ingezoomd op de kosten en financieringsvoorwaarden voor bedrijven met een succesvolle aanvraag. Daarna wordt afgesloten met bedrijven waarvan de aanvraag niet is gelukt. De volgende figuur geeft de positie van dit hoofdstuk in het gehele proces weer.

7.0

7.1 Aandeel bedrijven dat succesvol is bij aanvraag blijft hoog

Er zijn drie mogelijke uitkomsten voor bedrijven die een afgeronde financieringsaanvraag gedaan hebben: het aangevraagde bedrag wordt volledig toegekend, het bedrag wordt deels toegekend of het bedrag wordt geheel niet toegekend. Het percentage bedrijven dat een aanvraag deels of geheel succesvol krijgt toegekend is 93 procent in de huidige meting. Dit is twee procentpunt hoger dan de vorige meting, toen 91 procent de aanvraag (deels) kreeg toegewezen. Vanaf 2022 is het aandeel succesvolle aanvragen steeds boven de 85 procent. Dit lijkt stabiel na een dal tijdens de coronaperiode (2020 en 2021). Zie figuur 7.1.1 voor de reeks sinds 2021.

7.1.1 Aandeel bedrijven met een externe financieringsbehoefte dat na oriëntatie een (deels) succesvolle aanvraag doet1)
Categorie2025 (%)2025, marge (%)2024 (%)2024, marge (%)2023 (%)2023, marge (%)2022 (%)2022, marge (%)2021 (%)2021, marge (%)
Mkb92,687,7 - 97,690,785,7 - 95,785,579,6 - 91,490,585,9 - 95,177,067,4 - 86,5
Bedrijfsgrootte
Micro91,183,6 - 98,588,180,7 - 95,582,172,7 - 91,588,581,8 - 95,373,459,9 - 86,8
Klein95,492,5 - 98,395,592,3 - 98,688,382,7 - 93,994,591,4 - 97,681,673,9 - 89,3
Midden96,291,9 - 100,098,595,2 - 100,097,093,6 - 100,094,990,7 - 99,296,092,5 - 99,4
Groot100,094,8 - 100,099,793,4 - 100,098,497,8 - 99,099,799,6 - 99,7100,091,1 - 100,0
1)Het gaat hier om 95%-betrouwbaarheidsinterval marges, zie de onderzoeksverantwoording voor meer toelichting op de weergegeven marges.

  • Alle grootteklassen hebben een vergelijkbaar percentage (deels) succesvolle aanvragen als de afgelopen meting. De grootste verandering vond plaats bij het microbedrijf, waar dit jaar 91 procent van de bedrijven het bedrag (deels) kreeg toegekend ten opzichte van 88 procent vorig jaar. Maar geen van de veranderingen was statistisch significant ten opzichte van de vorige meting. Het percentage (deels) toegekende aanvragen neemt toe, net als in eerdere metingen, naarmate de bedrijfsomvang toeneemt.
  • Voor alle sectoren geldt dat meer dan 85 procent van alle aanvragen succesvol was. Met uitzonderingen van de sectoren bouw en informatie en communicatie was dit voor alle sectoren hoger dan in de vorige meting. Alleen de toename van 85 procent in de vorige meting naar 96 procent in de huidige meting in de sector nijverheid is statistisch significant ten opzichte van de vorige meting. Op langere termijn vertonen alle sectoren steeds hoge succespercentages en lijkt er geen specifiek stijgende of dalende trend te ontdekken.
  • Verschillen in de uitkomst van de financieringsaanvraag tussen jongere en oudere bedrijven zijn klein. Van de jongere bedrijven is 92 procent van de aanvragen (deels) succesvol en van de oudere bedrijven is dit 93 procent. Het is sinds 2018 steeds het geval dat oudere bedrijven vaker succesvol zijn dan jongere bedrijven, maar het verschil is steeds erg klein.
  • Ook alle bedrijfstypen toonden hoge aandelen succesvolle aanvragen: bij alle bedrijfstypen was meer dan 85 procent van alle aanvragen (deels) succesvol. Het hoogste aandeel succesvolle aanvragen hadden sociale ondernemingen (98 procent), net als in de vorige meting (96 procent). Startups zijn juist het minst vaak succesvol in hun aanvraag (85 procent). Dit type bedrijven heeft over de afgelopen metingen steeds het laagste aandeel succesvolle aanvragen ten opzichte van andere bedrijfstypen.
  • De financiële gezondheid van bedrijven met een toegekende aanvraag is beter dan die van bedrijven met een afgewezen aanvraag. De liquiditeit en solvabiliteit van bedrijven met een succesvolle aanvraag zijn hoger dan die van bedrijven waarvan de aanvraag niet is toegekend. De verschillen zijn een stuk groter dan in de vorige meting. Deze zijn statistisch significant.

Soort financier bij aanvraag vaak in overeenstemming met soort financier bij uitkomst

Bedrijven die een aanvraag doen bij enkel een bancaire of enkel een non-bancaire financier, verkrijgen die financiering over het algemeen ook bij diezelfde vorm van financiers. In negen van de tien gevallen voor een bancaire financier en bijna alle gevallen voor een non-bancaire financier wordt de financiering toegewezen bij dezelfde soort financier als waar de aanvraag is gedaan. Over het algemeen liep van de (deels) toegekende aanvragen 51 procent via een bancaire financier, 43 procent via een non-bancaire financier en 5 procent via een combinatie van beiden. Van alle (deels) toegekende aanvragen was in 38 procent van de gevallen een adviseur betrokken: in 22 procent van de gevallen was dit in de vorm van een advies en in 16 procent van de gevallen heeft de financieel adviseur de aanvraag volledig ingediend.

Uitbreiding van bedrijf en continuering van voorraden en werkkapitaal belangrijkste financieringsdoelen bij toegekende financiering

Financieringsdoelen zijn in iedere stap van het proces voor bedrijven die naar de volgende stap doorgaan vergelijkbaar, er komt steeds dezelfde top 3 uit. Zoals te zien in figuur 7.1.2 heeft 89 procent van de bedrijven met een (deels) toegekende financieringsaanvraag als doel van de aanvraag start, vernieuwing of uitbreiding en 60 procent continuering van de bedrijfsactiviteiten. Meest genoemde specifieke redenen voor financiering zijn uitbreiding en voorraden en werkkapitaal met respectievelijk 38 en 37 procent. Bedrijven met een (deels) toegekende aanvraag hebben minder vaak het financieringsdoel voorraden en werkkapitaal dan in de vorige meting. Ten opzichte van vorig jaar wordt er vaker financiering aangevraagd met als doel uitbreiding. Financiering voor het wagenpark (24 procent) en onroerend goed (22 procent) worden ook vaak als doel genoemd.

7.1.2 Percentage (deels) toegekende aanvragen naar financieringsdoel 1)
Category (deels) succesvolle aanvragen (%)
Start, uitbreiding en vernieuwing 89
Uitbreiding38
Wagenpark23
Onroerend goed22
Continuering60
Voorraden en werkkapitaal37
Herfinanciering 17
Overbruggen anders dan corona12
1) Bedrijven kunnen meerdere financieringsdoelen tegelijk hebben.

7.2 Mediane rente daalt weer voor toegekende aanvragen

Bedrijven die succesvol nieuwe externe financiering verwerven krijgen daarbij te maken met kosten in de vorm van rente en voorwaarden in de vorm van bijvoorbeeld onderpand waaraan zij moeten voldoen. Deze paragraaf zoomt eerst in op de rente die bedrijven hebben aangegeven te betalen voor hun financiering. Daarna wordt gekeken naar het onderpand dat verlangd wordt door financiers.

Zoals besproken in hoofdstuk 2 neemt de ECB-rente, na een toename vanaf het tweede kwartaal van 2022 tot in 2024, weer af in de tweede helft van 2024 en 2025. Ook in de huidige meting neemt het mediane rentepercentage af voor mkb-bedrijven in de business economy. Mediane rentepercentages dalen voor zowel vaste rente als variabele rente: de mediane vaste rente is 5 procent en de mediane variabele rente is 4,6 procent.22) In de periode van 2021 tot en met 2024 nam de mediane vaste en variabele rente jaar-op-jaar toe, zie figuur 7.2.1 voor de vaste rentepercentages. De mediane variabele rente was in de vorige meting 6,0 procent. Veruit de meeste bedrijven kiezen voor een vaste rente.23)

  • Zoals in vorige metingen ook al naar voren kwam: het vaste rentepercentage neemt af naarmate de grootteklasse van het bedrijf toeneemt. Met een verschil tussen het micro- (5,5 procent) en grootbedrijf (4,1 procent) van 1,4 procentpunt.
  • In de sector informatie en communicatie wordt het hoogste mediane vaste rentepercentage gevraagd, namelijk 7 procent: in deze sector is het rentepercentage onverminderd hoog ten opzichte van de vorige meting, toen het ook al 7 procent was. Verder is de mediane rente in de sector zakelijke dienstverlening (6 procent) ook hoger dan de mediaan in de business economy en in de sector landbouw (4 procent) juist lager. In alle andere sectoren ligt de mediane vaste rente, net als in de doelpopulatie, rond de 5 procent.
  • Bedrijven jonger dan 5 jaar (6 procent) betalen ook een hoger mediane vaste rente dan bedrijven ouder dan 5 jaar (5 procent). Dit is over het algemeen zo geweest in de afgelopen vijf jaar, hoewel verschillen in sommige metingen miniem waren.
  • Bedrijven met financiering bij bancaire financiers (4,5 procent) betalen een lager rentepercentage dan bedrijven bij non-bancaire financiers (6,2 procent). Met uitzondering van de vorige meting, toen het nagenoeg gelijk was, is het een terugkerend verschijnsel dat bancaire financiers een lagere vaste rente vragen. Ook hebben bedrijven waar een vorm van onderpand onderdeel is van de aanvraag (5,0 procent) een lagere mediane vaste rente dan bedrijven waar dat niet het geval is (5,7 procent).

7.2.1 Ontwikkeling mediane vaste rente, naar grootteklassen
jaarMkb (rentepercentage)Micro (rentepercentage)Klein (rentepercentage)Midden (rentepercentage)Groot (rentepercentage)
20213,13,932,51,7
20223,843,932,9
20235,15,554,84,8
20245,965,655
202555,554,54,1

Vaker onderpand bij banken dan bij non-bancaire financiers

Een van de voorwaarden voor het verkrijgen van financiering kan zijn dat bedrijven materiële of immateriële bezittingen moeten aanbieden als onderpand. Zo wordt (een deel van) het risico door financiers ingedekt. Bij 45 procent van de bedrijven met een (deels) toegekende aanvraag vroeg de financier om een onderpand. Dit is vaker dan in de vorige meting, toen het 40 procent was, maar minder vaak dan in de rest van de afgelopen vijf metingen, waar in meer dan de helft van de gevallen onderpand gevraagd werd. Waar onderpand geboden moest worden, betrof dit in bijna 40 procent van de gevallen het bedrijfspand en bij 18 procent machines en/of apparatuur. Opvallend was dat dit jaar 21 procent van het geboden onderpand in de categorie overig viel.

  • Binnen het mkb geldt: hoe kleiner de bedrijfsgrootte, hoe minder vaak het bedrijf onderpand moet bieden als voorwaarde voor financiering. Het microbedrijf moet in 37 procent van de gevallen een onderpand bieden. Bij het kleinbedrijf is dit 59 procent en in het middenbedrijf 63 procent. Het grootbedrijf vormt een uitzondering op deze regel: in iets minder dan de helft van alle succesvolle aanvragen van het grootbedrijf wordt om onderpand gevraagd.
  • Tussen de verschillende sectoren binnen de business economy zijn de verschillen kleiner. Alleen bedrijven in de sector informatie en communicatie hoeven beduidend minder vaak onderpand te bieden: slechts in 23 procent van de succesvolle aanvragen.
  • Bedrijven ouder dan vijf jaar (49 procent) moeten vaker een onderpand bieden dan jongere bedrijven (35 procent).
  • Bedrijven die zichzelf typeren als sociale onderneming (28 procent) of startup (29 procent) hoeven het minst vaak een onderpand te bieden als voorwaarde voor het verkrijgen van financiering.
  • Bij aanvragen die lopen via een bancaire financier wordt vaker gevraagd om onderpand dan bij een non-bancaire financier (respectievelijk 56 procent versus 29 procent). Deze aandelen zijn vergelijkbaar met de vorige meting: toen was het 51 procent voor bancaire en 31 procent voor non-bancaire financiers.

7.3 Past niet binnen beleid van financier is vaker reden van afwijzing 

Bedrijven waren in 87 procent van de meest recente aanvragen geheel succesvol in het aantrekken van financiering; in 7 procent is het bedrag slechts deels aangetrokken en in 6 procent van de gevallen werd de aanvraag niet ingewilligd. In de gevallen dat (een deel van) de financiering niet verkregen wordt, kan dat meerdere redenen hebben. In minder dan de helft van de gevallen waar een (deel van) de financiering niet werd toegekend was dit omdat de financier (een deel van) het bedrag niet verstrekt heeft. Dit is vergelijkbaar met het aandeel in de meting van 2023. Van 2021 tot en met 2023 nam het aandeel jaarlijks af, van 62 procent naar 44 procent. In de vorige meting was er juist een piek te zien en was het aandeel niet verstrekte bedragen bijna 70 procent. Andere redenen dat de financiering (deels) niet wordt verstrekt kunnen zijn dat de aanvraag nog loopt of dat het bedrijf zelf de aanvraag heeft ingetrokken.

Meestal geeft de financier wel een reden om de aanvraag af te wijzen. Dit jaar, anders dan in de vorige twee metingen, was de voornaamste reden dat de aanvraag niet binnen het beleid van de financier past. Eén op de negen bedrijven heeft na een afgewezen aanvraag wel weer nieuwe aanknopingspunten en bijna 20 procent wordt door de afwijzende partij wel gewezen op andere financieringsvormen of aanbieders.

Bedrijven kunnen meerdere gevolgen ervaren van een afgewezen financieringsaanvraag. Het meest genoemde gevolg van een niet (volledig) toegekende aanvraag is dat het bedrijf niet kan uitbreiden: iets meer dan de helft van alle bedrijven noemt dit als reden. Naast het niet kunnen uitbreiden kan een derde van de bedrijven de bedrijfsactiviteiten niet verder vernieuwen en kan bijna een kwart van de bedrijven geen personeel aannemen of opleiden.

8. Verwachte externe financieringsbehoefte

Het aandeel bedrijven in het mkb dat verwacht in de toekomst een externe financieringsbehoefte te hebben, is gedaald ten opzichte van de afgelopen metingen. Bedrijven die geen toekomstige externe financieringsbehoefte voorzien, verwachten daarnaast vaker over voldoende liquide middelen te beschikken om aan de korte termijn betalingsverplichtingen te voldoen en verwachten vaker een positief bedrijfsresultaat.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de laatste stap in de zoektocht naar financiering door het bedrijfsleven verder uiteengezet. Het gaat daarbij om de externe financieringsbehoefte in het komende jaar. De volgende figuur geeft de positie van dit hoofdstuk in het gehele proces weer. De analyses in dit hoofdstuk hebben weer betrekking op alle bedrijven.

8.0

8.1 Verwachte financieringsbehoefte daalt

Van de bedrijven in het mkb in de business economy verwacht 9 procent in de periode van juli 2025 tot juli 2026 een financieringsbehoefte te hebben. Hierbij worden bedrijven die aangeven nog niet te weten of zij een financieringsbehoefte zullen hebben, uitgesloten. Het betreft een statistisch significante afname van 3 procentpunt ten opzichte van de vorige meting. In de afgelopen drie jaren, bleef dit aandeel nagenoeg stabiel.

8.1.1 Aandeel bedrijven met een verwachte toekomstige externe financieringsbehoefte1)
Categorie2025 (%)2025, marge (%)2024 (%)2024, marge (%)2023 (%)2023, marge (%)2022 (%)2022, marge (%)2021 (%)2021, marge (%)
Mkb9,37,9 - 10,612,010,1 - 13,911,69,7 - 13,511,810,1 - 13,512,510,3 - 14,7
Bedrijfsgrootte
Micro8,16,5 - 9,710,58,2 - 12,710,48,1 - 12,69,87,8 - 11,812,09,4 - 14,7
Klein14,311,9 - 16,718,815,9 - 21,716,714,0 - 19,420,917,8 - 24,015,112,7 - 17,5
Midden17,914,7 - 21,220,016,2 - 23,819,415,8 - 23,022,518,7 - 26,313,410,7 - 16,2
Groot24,519,1 - 29,919,113,9 - 24,416,311,3 - 21,416,911,8 - 21,919,314,0 - 24,7
1)Het gaat hier om 95%-betrouwbaarheidsinterval marges, zie de onderzoeksverantwoording voor meer toelichting op de weergegeven marges.

  • Voor alle grootteklassen binnen het mkb is een afname zichtbaar. De afname is enkel bij het kleinbedrijf statistisch significant. In die grootteklasse is de afname met 5 procentpunt dan ook het grootst. In tegenstelling tot het mkb, nam het aandeel bedrijven met een verwachte toekomstige financieringsbehoefte bij het grootbedrijf juist toe (5 procentpunt). Deze verschuiving is echter niet statistisch significant vanwege de grotere betrouwbaarheidsmarges.
  • De informatie en communicatie en landbouw bleven de sectoren met de hoogste aandelen bedrijven die een toekomstige financieringsbehoefte verwachten (respectievelijk 15 en 14 procent). Ook bij deze sectoren was sprake van een daling ten opzichte van vorig jaar. De daling was met 5 procentpunt het grootst in de sector handel, vervoer en horeca, waar het aandeel vanaf 2021 rond de 13 procent schommelde. Bedrijven in deze sector voorzien dit jaar het minst vaak een toekomstige financieringsbehoefte. Samen met de sector nijverheid (waar het aandeel met 4 procentpunt afnam), waren dit de enige sectoren met een statistisch significante verschuiving ten opzichte van het vorige jaar.
  • Net als de afgelopen jaren, is het aandeel bedrijven dat een toekomstige financieringsbehoefte verwacht groter bij jongere bedrijven (13 procent) dan bij oudere bedrijven (8 procent). Beide daalden ten opzichte van vorig jaar, maar het verschil tussen de leeftijdscategorieën bleef gelijk.
  • In de vorige meting gaven bedrijven die in de fase uitbouw of opschalen na start van de onderneming zaten veel vaker aan een financieringsbehoefte te verwachten dan het jaar daarvoor. Dit jaar nam dit aandeel weer af tot het oude niveau en daalde met 19 procentpunt. Samen met de levensfases uitbreiding en overleven, bleven dit de fases waarin het aandeel bedrijven met een verwachte toekomstige financieringsbehoefte het grootst is.
  • Startups verwachten dit jaar weer veel minder vaak een toekomstige financieringsbehoefte dan een jaar eerder (23 procent), toen sprake was van een grote toename tot 38 procent. Onder de andere typen bedrijven was dit jaar ook sprake van een afname. Enkel bij bedrijven die zich typeren als sociale onderneming, nam het aandeel licht toe (1 procentpunt). Vorig jaar nam het aandeel daar nog met 13 procentpunt af en herstelde daarmee naar het niveau van voorgaande jaren.

8.2 Mkb zonder verwachte financieringsbehoefte positiever over verwachte financiële ontwikkeling

Van de bedrijven met een financieringsbehoefte in de periode van juli 2024 tot juli 2025 voorziet 44 procent in de periode van juli 2025 tot juli 2026 ook een financieringsbehoefte te hebben. Vorig jaar betrof dit nog iets meer dan de helft van de bedrijven en lag het aandeel nog 8 procentpunt hoger. Van de bedrijven in de huidige meting zonder financieringsbehoefte, verwacht slechts 4 procent deze behoefte in de toekomst te hebben.

Van de bedrijven in de huidige meting die niet succesvol waren in hun aanvraag verwacht een groter deel een toekomstige financieringsbehoefte te hebben, dan de bedrijven die (deels) succesvol waren in hun aanvraag. Voor acht op de tien bedrijven waarvan de aanvraag niet tot financiering leidde, geldt dat zij verwachten een toekomstige financieringsbehoefte te hebben. Vorig jaar betrof dit nog zeven op de tien bedrijven. Voor de bedrijven met een (deels) succesvolle aanvraag, nam het aandeel juist met 10 procentpunt af tot 35 procent. Het verschil tussen deze bedrijfsgroepen is dus toegenomen ten opzichte van de vorige metingen.

De verwachte financieringsbehoefte houdt verband met het verwachte bedrijfsresultaat. Figuur 8.2.1 laat het verschil zien tussen de verwachte bedrijfsresultaten van bedrijven met en zonder verwachte financieringsbehoefte. In de figuur is te zien dat bedrijven die geen toekomstige financieringsbehoefte verwachten in de periode van juli 2025 tot juli 2026, ook vaker verwachten dat het bedrijf winstgevend zal zijn (72 procent), ten opzichte van de bedrijven met een verwachte financieringsbehoefte (61 procent). De verdeling van de verwachte bedrijfsresultaten van bedrijven met een verwachte toekomstige financieringsbehoefte verschilt statistisch significant ten opzichte van bedrijven zonder verwachte financieringsbehoefte.

8.2.1 Verwachte winstgevendheid van mkb-bedrijven met of zonder verwachte toekomstige financieringsbehoefte
categorie,Winst,Verlies,Gelijk resultaat,Weet niet Mkb,67,6,14,13 Verwachte behoefte,58,15,24,3 Geen verwachte behoefte,72,5,13,11Winst (%)Verlies (%)Gelijk resultaat (%)Weet niet (%)
Mkb6761413
Verwachte behoefte5815243
Geen verwachte behoefte7251311

Bedrijven die verwachten een toekomstige financieringsbehoefte te hebben, hebben niet alleen vaker een negatieve verwachting over hun bedrijfsresultaat, ook zijn zij gemiddeld minder positief over hun liquiditeitspositie voor het komende jaar. Van de bedrijven met een verwachte financieringsbehoefte, geeft 74 procent aan te verwachten over voldoende liquide middelen te beschikken om te voldoen aan de korte termijn betalingsverplichtingen in de periode van juli 2025 tot juli 2026, een stijging van 5 procentpunt ten opzichte van vorig jaar. Voor de bedrijven zonder toekomstige financieringsbehoefte ligt dit aandeel aanzienlijk hoger (93 procent). Dit aandeel steeg met 2 procentpunt ten opzichte van vorig jaar. De verdeling van de voorziene liquiditeit van bedrijven met een verwachte financieringsbehoefte wijkt statistisch significant af van de verdeling van de voorziene liquiditeit van bedrijven zonder verwachte financieringsbehoefte.

8.2.2 Verwachte toekomstige liquiditeit van mkb bedrijven met of zonder verwachte toekomstige financieringsbehoefte
Category,Voldoende,Onvoldoende,Weet niet Mkb,86, 2, 11 Verwachte behoefte,74, 13, 13 Geen verwachte behoefte,93, 1, 6 Voldoende (%)Onvoldoende (%)Weet niet (%)
Mkb86 2 11
Verwachte behoefte74 13 13
Geen verwachte behoefte93 1 6

Daarnaast hangt het succes van een aanvraag samen met het verwachte bedrijfsresultaat en de verwachte liquiditeit. Van bedrijven met een (deels) succesvolle aanvraag verwacht 83 procent over voldoende liquide middelen te zullen beschikken, onder bedrijven zonder succesvolle aanvraag betreft dit 72 procent. Voor zowel de bedrijven met een (deels) succesvolle aanvraag als bedrijven waarbij de aanvraag in het geheel niet tot financiering heeft geleid, is het aandeel gestegen ten opzichte van vorig jaar, de stijging is het grootst bij de bedrijven waarvan de aanvraag niet succesvol was (10 procentpunt).

Net als vorig jaar, verwacht driekwart van de bedrijven met een (deels) succesvolle aanvraag volgend jaar een positief bedrijfsresultaat. In tegenstelling tot vorig jaar is dit aandeel gelijk voor bedrijven die geen succesvolle aanvraag hadden. Bij de bedrijven zonder succesvolle aanvraag steeg het aandeel met 7 procent ten opzichte van vorig jaar.

Bijlage A: Onderzoeksverantwoording

De onderzoeksverantwoording voor de Financieringsmonitor bestaat uit drie onderdelen: 
  1. methodologie achter de enquête; 
  2. begrippen; 
  3. afkortingen.

I. Onderzoeksmethode enquête

Cijfers over de manier waarop het bedrijfsleven op zoek gaat naar externe financiering zijn verzameld door middel van een digitale enquête. De enquête is uitgezet onder 10 693 bedrijfseenheden waarvan 52 procent ook daadwerkelijk heeft deelgenomen. De netto steekproef bedraagt 5 583 bedrijfseenheden. De onderzoekspopulatie van de monitor wordt gevormd door het gehele mkb in de business economy met tenminste 2 werkzame personen (zie I.1). Aan de enquête hebben ook grote bedrijven en ondernemingen die actief zijn in de landbouw deelgenomen. Hun uitkomsten maken geen deel uit van de uitkomsten als er alleen totaalcijfers voor het mkb in de business economy worden gepresenteerd, maar vormen wel een benchmark. De verantwoordingsonderdelen I.1 tot en met I.3 gaan nader in op de populatie, stratificatie, weging en onzekerheidsmarges van de enquête.

Bewerkingen

Op de ruwe enquêtedata zijn verschillende bewerkingen uitgevoerd. Zo zijn er controles uitgevoerd op de routing van de vragenlijst om er zeker van te zijn dat vragen alleen zijn beantwoord door respondenten die de vraag ook horen te beantwoorden. 

Sommige vragen bevatten een categorie “anders, namelijk…”. De open respons op die categorie is in detail bekeken. Wanneer mogelijk zijn antwoorden toegekend aan gegeven antwoordcategorieën. Zo bleken met name veel van de open antwoorden bij de financieringsdoelen en redenen voor geen financieringsbehoefte of geen financieringsaanvraag toch toe te kunnen worden geschreven aan specifieke doelen of redenen.  

Corrigeren voor extreme waarden

De enquête bevat slechts een beperkt aantal kwantitatieve vragen. Het gaat dan om het aantal aanvragen, de omvang van de financieringsaanvraag en het daadwerkelijk aangevraagde bedrag en om de vaste en variabele rentepercentages die betaald zijn op die financiering. 

Omdat deze variabelen (de bedragen in het bijzonder) gevoelig zijn voor uitschieters naar boven is winsorising toegepast op 1,5 keer de standaardafwijking boven het gemiddelde.24) Dat wil zeggen dat iedere waarde boven dat punt is vervangen door de waarde die gelijk is aan 1,5 keer de standaardafwijking boven het gemiddelde. Dat maakt de variabelen beter geschikt voor het berekenen van representatieve rekenkundige gemiddelden. Het heeft geen invloed op de mediaan (de middelste waarde van alle waarnemingen). Deze blijft ongewijzigd, omdat het aantal waarnemingen niet verandert en alleen de extremere waarden worden afgekapt.

I.1 Populatie en stratificatie

De onderzoekspopulatie van de Financieringsmonitor bestaat uit het mkb in de business economy. De business economy bestaat uit het bedrijfsleven met uitzondering van de landbouw (SBI-code A) en financiële dienstverlening (SBI-code K). Het mkb is gedefinieerd als ondernemingen met minder dan 250 werkzame personen. Er wordt een ondergrens van 2 werkzame personen gehanteerd. De onderzoekseenheid is de bedrijfseenheid (BEID) zoals die door het CBS gedefinieerd wordt. De BEID is bepalend voor de bedrijfsgrootte, niet de omvang van het (eventuele) gehele concern. 

Tabel A.1 Afbakeningen binnen de Financieringsmonitor
BedrijfstakSBIGrootteklasseWpLeeftijdJaren
Business economy mkb
NijverheidB-Emicrobedrijf2-9Jong<5
BouwFkleinbedrijf10-49Oud5+
Handel, vervoer, horecaG-Imiddenbedrijf50-249
Informatie en communicatieJ
Zakelijke dienstverleningM-N
Onroerend goed en reparatieL, 95
Niet-business economy niet-mkb
LandbouwAgrootbedrijf250+
Bron: CBS

In de Financieringsmonitor wordt binnen de business economy een onderscheid gemaakt naar zes bedrijfstakken, ingedeeld op basis van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI). 25) De combinatie van de bedrijfstak onroerend goed (L) en de sector reparatie (95) is geen voor de hand liggende. Hier is voor gekozen, omdat de sector reparatie op zichzelf te klein is voor veel uitsplitsingen en dan onderdrukt zou moeten worden in de weergave van de resultaten. Uitkomsten voor de landbouw worden aanvullend gepresenteerd wanneer relevant. 

Binnen het mkb worden drie grootteklassen onderscheiden op basis van de werkzame personen (wp). Voor het grootbedrijf worden uitkomsten aanvullend gepresenteerd als benchmark. Uitkomsten zijn ook opgenomen naar twee klassen van bedrijfsleeftijd: jong en oud.

De steekproef van de enquête is disproportioneel gestratificeerd naar drie dimensies: sector (7), grootteklasse (4) en bedrijfsleeftijd (2). Dit leidt in beginsel tot een totaal van 56 strata waarvoor consistente uitkomsten gepresenteerd kunnen worden. Drie strata zijn niet gevuld in de steekproef. Het grootbedrijf in de landbouw, jong en oud, is bewust niet opgenomen in de steekproef. Als cijfers betrekking hebben op de landbouw, is dat namelijk alleen voor het mkb in de landbouw. Als cijfers betrekking hebben op het grootbedrijf, is dat dus alleen voor de business economy. Daarnaast is er in de sector onroerend goed en reparatie geen bedrijf dat én jong én groot is. Dit stratum kan daarom ook niet ondervraagd worden.

Tabel A.2 Steekproef
Jong Oud
MicroKleinMiddenGroot MicroKleinMiddenGroot
Bruto steekproef (totaal: 10 693)
Landbouw300151120 3382421320
Nijverheid4411897233 33723611650
Bouw5961824710 393260119139
Handel, vervoer, horeca5192288136 33726212459
Informatie en communicatie5002086314 413298153127
Zakelijke dienstverlening4641828754 39027912554
Onroerend goed en reparatie42672100 36321013030
Netto steekproef (totaal: 5 583)
Landbouw998880 119142890
Nijverheid1701275929 16517110441
Bouw140108367 11817395114
Handel, vervoer, horeca1431295930 16617610547
Informatie en communicatie1451084710 16919110994
Zakelijke dienstverlening1731076945 1801939747
Onroerend goed en reparatie2044480 18515611728
Bron: CBS

Tabel A.3 Respons (%)
Jong Oud
MicroKleinMiddenGroot MicroKleinMiddenGroot
Landbouw335867 355967
Nijverheid39678288 49729082
Bouw23597770 30678082
Handel, vervoer, horeca28577383 49678580
Informatie en communicatie29527571 41647174
Zakelijke dienstverlening37597983 46697887
Onroerend goed en reparatie486180 51749093
Bron: CBS

Disproportionele stratificatie betekent dat de aandelen van strata in de steekproef niet gelijk zijn aan hun aandelen in de populatie. Zo maakt het microbedrijf 83 procent uit van het mkb in de business economy, maar slechts 43 procent van de uiteindelijke steekproef. De reden is tweeledig. Enerzijds is er efficiëntie: er zijn op deze wijze minder waarnemingen nodig om uitspraken met voldoende betrouwbaarheid te doen. Anderzijds zou een proportionele verdeling er toe leiden dat er in absolute zin bijna geen grote bedrijven in de steekproef zitten. 

I.2 Ophoging

De populatie voor de Financieringsmonitor bestond uit 343 730 bedrijfseenheden, waaronder 304 340 in het mkb in de business economy, toen in juni 2025 een steekproef werd getrokken. Uiteindelijk hebben er 5 583 bedrijfseenheden deelgenomen aan de enquête. Door ophoging kunnen op basis van de enquête uitspraken gedaan worden over de gehele onderzoekspopulatie. Elke bedrijfseenheid in de steekproef krijgt een ophooggewicht. Er vindt weging plaats naar werkgelegenheid binnen de strata.

De ophoogfactoren worden berekend per stratum: een driedimensionale combinatie van bedrijfstak, grootteklasse en bedrijfsleeftijd. Omdat de stratificering erg gedetailleerd is, wijken de ophoogfactoren bij weging naar werkgelegenheid en naar het aantal bedrijven weinig van elkaar af. De impact op de hoofduitkomsten ligt in de orde van grootte van enkele tienden van procentpunten.

Insluitgewichten

In eerste instantie worden insluitgewichten berekend. Het insluitgewicht van een bedrijf in stratum h wordt genoteerd met ih. Het insluitgewicht van een respondent is gelijk aan 1 gedeeld door de insluitkans. 

De insluitkans van een bedrijf wordt gedefinieerd als de kans dat het bedrijf in de respons voorkomt. De kans dat een bedrijf in de respons voorkomt, is gelijk aan de kans dat een bedrijf in de steekproef voorkomt (aantal in steekproef in stratum gedeeld door het aantal in populatie in stratum), vermenigvuldigd met de kans dat een bedrijf in de respons voorkomt gegeven dat het bedrijf in de steekproef voorkomt (aantal in respons in stratum gedeeld door aantal in steekproef in stratum). In formulevorm:

\begin{align*}
              i_h         &= \frac{1}{\frac{n_h}{N_h}\cdot\frac{r_h}{n_h}} \\
                            &= \frac{1}{\frac{r_h}{N_h}} \\
                            &= \frac{N_h}{r_h}
\end{align*}

met hn de steekproefomvang in stratum h, Nh de populatieomvang in stratum h en rh de responsomvang in stratum h. Merk op dat de insluitgewichten van respondenten in stratum h op deze manier optellen tot de populatieomvang in stratum h. In formulevorm:

\begin{equation} \label{eq2}
    i_h \cdot r_h = \frac{N_h}{r_h}\cdot r_h = N_h
\end{equation}

Correctiegewichten

Vervolgens worden de insluitgewichten vermenigvuldigd met correctiegewichten om te komen tot eindgewichten. Het eindgewicht van een bedrijf in stratum h wordt genoteerd met wh. 

Alle indicatoren in de monitor worden op een hoger niveau bekeken dan op dat van het stratum. Doelvariabelen zoals de financieringsbehoefte en zeker de slaagkans correleren met het economische gewicht van bedrijven. Als proxy voor het economische gewicht van een stratum kan beter het aantal werkzame personen in dat stratum worden gebruikt dan het aantal bedrijven. 

De correctiegewichten worden daarom zodanig bepaald dat het eindgewicht van een bedrijf gelijk is aan het aantal werkzame personen in de populatie van het betreffende stratum gedeeld door het aantal werkzame personen in de respons van het betreffende stratum. In formulevorm:

\begin{equation} \label{eq3} w_h = \frac{A_h}{a_h} \end{equation}

met Ah het aantal werkzame personen in de populatie van stratum h en ah het aantal werkzame personen in de respons van stratum h. 

Bedrijven in de steekproef tellen na ophoging niet op tot de bedrijvenpopulatie

Merk op dat de eindgewichten van respondenten in stratum h op deze manier niet optellen tot de populatieomvang in stratum h. Dit komt doordat de responsfractie (aandeel respons in populatie) uitgedrukt in bedrijven anders kan zijn dan de fractie uitgedrukt in werkzame personen. 

Dat de eindgewichten van respondenten in een stratum niet optellen tot de populatie-omvang in het stratum, is geen probleem als de doelvariabelen worden uitgedrukt in aandelen. Dat is ook het geval in de Financieringsmonitor. Doelvariabelen kunnen dan niet in aantallen bedrijven worden uitgedrukt. Als de berekende eindgewichten niet aan bedrijfseenheden in de respons worden toebedeeld, maar aan alle werkzame personen in de respons, tellen de eindgewichten in stratum h wel op tot het aantal werkzame personen in de populatie van stratum h. 

Deze manier van ophoging naar werkgelegenheid wordt ook toegepast in de Survey on the Access to Finance for Enterprises (SAFE), een soort financieringsmonitor voor de hele Europese Unie, van de Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Commissie. 26)

Ten slotte gaat op dat de berekende eindgewichten minimaal gelijk zijn aan 1. Bedrijven die gerespondeerd hebben, tellen na weging dus minimaal voor 1 bedrijfseenheid mee: zichzelf.

I.3 Betrouwbaarheidsintervallen 

De enquêtering heeft plaatsgevonden onder een klein deel van de daadwerkelijke populatie. De resultaten die gebaseerd zijn op deze steekproef vertegenwoordigen schattingen van de uitkomsten. Er zit een bepaalde onzekerheid rondom die geschatte waarde. Dit zijn de 95%-betrouwbaarheidsintervallen waarbinnen de uitkomsten vallen. Dat wil zeggen dat bij herhaling de geschatte uitkomst in 95 procent van de gevallen binnen dat interval ligt.

Marges zijn te berekenen voor alle indicatoren, maar deze zijn in de monitor uiteindelijk alleen opgenomen voor de vijf voornaamste indicatoren. Het gaat om het aandeel van het mkb in de business economy…

  1. … met een financieringsbehoefte;
  2. … dat vervolgens de mogelijkheden verkend heeft;
  3. … dat vervolgens een financieringsaanvraag heeft gedaan;
  4. … met een succesvolle financieringsaanvraag;
  5. … dat een financieringsbehoefte verwacht in het komende jaar.

Iedere indicator leidt tot een fractie voor ieder van de 53 strata. Deze fracties kunnen worden geschat per stratum h maar ook voor combinaties U van strata. Dat speelt bijvoorbeeld bij het schatten van de uitkomsten voor het gehele microbedrijf. Dit is immers een combinatie van 12 strata: 6 bedrijfstakken in 2 leeftijdsklassen. Dit resulteert voor een dergelijke deelpopulatie U in de volgende schattingen van relatieve fracties:

\begin{equation} \label{eq4} \hat{r}_U^{\frac{y}{x}} = \frac{r_U^y}{r_U^x} \end{equation}

met uit de respons

\begin{equation} \label{eq5} r_U^y = \frac{\sum_{h \in U} \left(w_{h}n_{h}^{y}\right)}{\sum_{h \in U} \left(w_{h}n_{h}\right)} \end{equation}

met ophooggewichten w_h gelijk aan A_h/a_h, n_h^y het aantal bedrijven in de respons in stratum h met categorie y_hi=1 voor enquêtevraag y, en n_h het aantal bedrijven in de respons in stratum h. Analoog in de notatie voor enquêtevraag x. De bijbehorende variantie voor doelgroep U is:

\begin{equation} \label{eq6} Var\left(\hat{r}_U^{\frac{y}{x}}\right) = \frac{\left(Var\left(r_U^y\right)+\left(\hat{r}_U^{\frac{y}{x}}\right)^2Var(r_U^x)-2r_U^{\frac{y}{x}}Cov(r_U^y, r_U^x)\right)}{(r_U^x)^2} \end{equation}

Met als variantie en covariantie voor de doelgroepen U: 

\begin{equation} \label{eq7} Var\left(r_U^y\right) = \sum_{h \in U} W_h^2Var(r_h^y) \end{equation}

\begin{equation} \label{eq8} Cov\left(r_U^y, r_U^x\right) = \sum_{h \in U} W_h^2Cov(r_h^y, r_h^x), \text{ met } W_h = \frac{N_h}{N_U}. \end{equation}

Opgebouwd vanuit de variantie en covariantie van de individuele strata h: 

\begin{equation} \label{eq9} Var\left(r_h^y\right) = (1-r_h)r_h^y\frac{1-r_h^y}{n_h-1} \end{equation}

\begin{equation} \label{eq10} Cov\left(r_h^y, r_h^x\right) = (1-r_h)r_h^y\frac{1-r_h^x}{n_h-1} \end{equation}

Analoog in de notatie voor enquêtevraag x. De gebruikte variantieschatter is een eerste-orde linearisatie inclusief eindige-populatie correctie. Hieruit worden 95%-betrouwbaarheidsintervallen berekend waarbij de marge gelijk is aan 1,96*SE met de standaardfout berekend als:

\begin{equation} \label{eq11} SE = \sqrt{Var\left(\hat{r}_U^{\frac{y}{x}}\right)} \end{equation}

De betrouwbaarheidsintervallen worden groter naarmate de berekende schatting op minder waarnemingen gebaseerd is en de geschatte ratio dichter bij 50 procent in de buurt komt. In de praktijk betekent dit dat de marges veelal het grootst zijn voor het grootbedrijf en de landbouw. Deze groepen behoren ook niet tot de onderzoekspopulatie en zijn alleen opgenomen als benchmarks.

Aan de hand van de variantie kan bepaald worden of verschillen tussen twee groepen of tussen twee jaren significant zijn. Als uit een statistische test blijkt dat dat de overschrijdingskans (de kans dat een dergelijk verschil wordt gevonden, terwijl er in werkelijkheid geen verschil is) kleiner is dan 5 procent, dan is er een statistisch significant verschil tussen de twee groepen of tussen de twee jaren die met elkaar worden vergeleken. Bijvoorbeeld, als A en B normaal verdeeld zijn, dan verschillen ze statistisch significant van elkaar als:

\begin{equation} \label{eq12} \textit{Absolute waarde}\left(A - B\right) > 1,96 \cdot \sqrt{Var(A)+Var(B)} \end{equation}

I.4 Verrijking

De resultaten uit de enquête zijn verrijkt met gegevens uit andere bedrijvenstatistieken van het CBS. Op die manier is informatie over de rechtsvorm en regio toegevoegd, een reeks samengesteld met jaarlijkse werkgelegenheid (vanaf mei 2013) en kwartaalomzet (vanaf 2016) en de gehele balans en resultatenrekening voor responderende bedrijven die in 2023 al bestonden. Kernindicatoren zoals de solvabiliteit en liquiditeit zijn berekend als maatstaf van de financiële gezondheid van ondernemingen.

Bronnen en peilmomenten

De steekproef voor de enquête is getrokken op basis van de populatie in juni 2025. De ophooggewichten zijn ook op basis van die populatie bepaald. Dezelfde peilmaand geldt voor kenmerken van ondernemingen: bedrijfstak, grootteklasse, bedrijfsleeftijd, regio, en rechtsvorm. Deze kenmerken komen allen uit het Algemeen Bedrijven Register (ABR) en het Bedrijfsdemografisch Kader (BDK) van het CBS.

De jaarlijkse werkgelegenheid is bepaald op basis van de Polisadministratie. De Polisadministratie bevat gegevens van banen in een inkomstenperiode en is gebaseerd op data uit de loonaangiften. Het peilmoment is steeds de maand mei van een jaar. Alle werknemers die in die maand actief waren, worden gerekend tot de werkgelegenheid. Er worden zowel personen geteld als fte. Als een persoon twee banen heeft binnen dezelfde onderneming, telt deze mee als één werknemer, maar in termen van fte als de optelling van de twee bijbehorende fte-factoren. Deze werkgelegenheidscijfers hebben alleen betrekking op werknemers, niet op zelfstandigen die actief zijn bij bedrijven. Als er in deze monitor over werkzame personen wordt gesproken, gaat het wél over werknemers en zelfstandigen, bovendien uitgedrukt in fte. 

Omzetcijfers zijn afkomstig uit de Directe Ramingen Totaal (DRT) en vertegenwoordigen de totale omzet per kwartaal van ondernemingen. De cijfers bestaan voor een groot deel uit btw-aangiftecijfers. Ondernemingen die geen btw hoeven te betalen of een ontheffing hebben, komen niet in deze bestanden voor. Dat betekent bijvoorbeeld dat de omzet voor landbouwbedrijven vaak ontbreekt: zij vielen tot begin 2018 onder de landbouwregeling en hoefden geen btw af te dragen over hun agrarische activiteiten.

De financiële indicatoren zijn afkomstig uit twee bronnen. De Statistiek Financiën van Niet-Financiële Ondernemingen (NFO) voor bedrijven mét rechtspersoonlijkheid en de Satelliet Zelfstandige Ondernemers (SZO) voor bedrijven zónder rechtspersoonlijkheid. Die bronnen zijn gecombineerd om zo compleet mogelijk de balans en resultatenrekening van respondenten in beeld te brengen. Beiden zijn (deels) gebaseerd op aangiftegegevens en voor deze monitor daarom niet recenter beschikbaar dan 2023. Gegevens hebben betrekking op dat gehele jaar.

Financiële indicatoren

De balans en resultatenrekening van ondernemingen worden gebruikt om indicatoren te berekenen die hun financiële positie uitdrukken. De primaire bron voor deze cijfers is de NFO. De NFO bevat gegevens op het niveau van het fiscale nummer. De enquête voor de Financieringsmonitor en alle andere gekoppelde data betreffen gegevens op het niveau van de bedrijfseenheid van het CBS. Een bedrijfseenheid kan meerdere fiscale nummers hebben of een fiscaal nummer kan bij meerdere bedrijfseenheden horen. Alleen voor die gevallen waar één fiscaal nummer hoort bij één bedrijfseenheid, zijn de waarden uit de NFO één-op-één overgenomen.

Als die link niet eenduidig bestaat, is de balans en resultatenrekening gebruikt van het gehele concern: de ondernemingengroep (OG). Dat zorgt ervoor dat de balans van een bedrijfseenheid die onderdeel vormt van een groter ondernemingengroep nu groter is. Dit gebeurt vanuit het idee dat het de financiële positie van het gehele concern is die er toe doet bij een financieringsbehoefte en -aanvraag en niet alleen die van de business unit. Er wordt in de monitor bovendien alleen gewerkt met de financiële positie van het concern, uitgedrukt in samenvattende indicatoren. 

Gegevens uit de NFO hebben alleen betrekking op bedrijven met rechtspersoonlijkheid. De natuurlijke personen (eenmanszaken, stichtingen, vof) ontbreken dus. Die bedrijven maken een wezenlijk deel uit van de populatie en komen bovendien veelvuldig voor in het microbedrijf. Om ook voor die bedrijven een beeld te krijgen van hun financiële positie is gebruik gemaakt van de SZO. Dit is een statistisch halffabricaat binnen het CBS dat alleen gebruikt wordt als input om statistieken en microdatabestanden te maken. Deze bron wordt ook niet gaafgemaakt en is daardoor van mindere kwaliteit. Er zijn op de koppeling voor de monitor diverse controles uitgevoerd. Waarnemingen die niet aan deze controles voldeden, zijn uitgesloten. 

Er zijn twee indicatoren berekend om de financiële gezondheid van deelnemers aan de enquête uit te drukken. De solvabiliteit meet de mate waarin ondernemingen met eigen middelen gefinancierd zijn en ze kunnen voldoen aan betalingsverplichtingen op de lange termijn. De liquiditeit meet de mate waarin bedrijven kunnen voldoen aan verplichtingen op korte termijn. De indicatoren worden als volgt berekend:

solvabiliteit = eigen vermogen / balanstotaal

liquiditeit = vlottende activa / kortlopend vreemd vermogen

Op de financiële indicatoren is ook winsorising toegepast om te corrigeren voor extreme waarden.

In de monitor wordt gesproken over significante verschillen betreffende de solvabiliteit en liquiditeit tussen bedrijven met verschillende financieringsbehoeften of doelen. Voor het bepalen van deze significantie is gebruik gemaakt van de Mann-Whitney U test in het geval van een numerieke variabele (solvabiliteit en liquiditeit op basis van de verrijkte gegevens uit de NFO en SZO). Er is gebruik gemaakt van een Chi-kwadraat test in het geval van een kruistabel (verwachte solvabiliteit en liquiditeit in hoofdstuk 8, welke is uitgevraagd in de enquête). Deze testen werden in versies tot en met 2022 uitgevoerd met IBM Statistics SPSS 25.0, hierbij werd de dataset groter gemaakt op basis van de weging. Een bedrijf met een gewicht 30 kreeg hierdoor 30 rijen in de dataset. Sinds de versie van 2023 wordt R gebruikt om de berekeningen voor de Financieringsmonitor uit te voeren, in R wordt op een juistere manier rekening gehouden met gewichten in de dataset. Hierdoor zijn resultaten minder snel significant, maar reflecteren ze beter de werkelijke onzekerheid.

I.5 Privacy

Privacy is een groot goed. Ook als je niks te verbergen hebt, heb je heel wat te beschermen. Het CBS is het Statistisch Bureau van Nederland dat onafhankelijk onderzoek uitvoert. Het CBS werkt bij elk onderzoek met strenge eisen om data op een veilige manier te verwerven, te verwerken en te publiceren en is transparant over de manier van werken en de methodieken. 

Het CBS verzamelt gegevens van natuurlijke personen, bedrijven en instellingen. Dit is wettelijk vastgelegd in de CBS-wet en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Identificerende persoonskenmerken worden na ontvangst direct gepseudonimiseerd. Hierdoor kan het onderzoek alleen worden uitgevoerd op gegevens met een pseudosleutel. Bij publicatie zorgt het CBS er bovendien voor dat natuurlijke personen of bedrijven niet herkenbaar of herleidbaar zijn. Ook hanteert het CBS diverse maatregelen tegen diefstal, verlies of misbruik van persoonsgegevens. Het CBS levert geen herkenbare gegevens aan derden, ook niet aan andere overheidsinstellingen. Wel kunnen sommige (wetenschappelijke) instellingen onder strenge voorwaarden toegang krijgen tot gegevens met pseudosleutel op persoons- of bedrijfsniveau. Dit noemen we microdata. 

Voor meer informatie, zie onze website: www.cbs.nl/privacy

 

Begrippen

Achtergestelde lening

Een kredietvorm die kenmerken van vreemd en eigen vermogen combineert. In het geval van faillissement wordt de crediteur bij uitbetaling achtergesteld op de andere kredietverstrekkers. De verstrekker van een achtergestelde lening heeft nog wel voorrang op houders van obligaties of aandelen.

Asset-based finance

Financiering op basis van een onderpand, zoals debiteuren, machines of auto’s. Omdat het door het onderpand zekerheden met zich meebrengt, is deze vorm interessant voor zowel de financier als het bedrijf in kwestie.

Bedrijfseenheid

De feitelijke transactor in het productieproces gekenmerkt door zelfstandigheid ten aanzien van de beslissingen over dat proces en door het aanbieden van zijn producten aan derden.

Business angel

Een business angel is een andere benaming voor een informele durfkapitaalverstrekker, een vermogende particulier (meestal een ex-ondernemer die zijn bedrijf heeft verkocht) die een gedeelte van zijn eigen geld actief investeert in het kapitaal van veelbelovende bedrijven in ruil voor aandelen, een achtergestelde lening of een combinatie van beide.

Business economy

De term ‘business economy’ wordt internationaal het meest gebruikt om het marktgerichte bedrijfsleven af te bakenen. De business economy telt de overheidssector niet mee. Ook de agrarische sector, financiële dienstverlening, onderwijs, zorg, cultuur, sport en recreatie, belangen- en hobbyverenigingen en overige persoonlijke dienstverlening worden niet tot de business economy gerekend. De business economy is dus een deel van alle economische activiteiten en beslaat de SBI-codes B tot en met N en 95, exclusief K.

Crowdfunding

Bij crowdfunding wordt financiering opgehaald bij een grote groep donateurs of investeerders. Een belangrijk voordeel is dat geldvragers zelf de voorwaarden kunnen bepalen. Zo beslissen ze zelf welke financieringsvorm ze gebruiken en wat de tegenprestatie zal zijn.

Digitalisering

Aanpassen van het bedrijf aan door digitalisering veranderende markt. Digitalisering gaat over de structurele verandering van de economie en maatschappij door mensen en bedrijven die steeds meer van digitale technologie gebruik maken.

Direct lending

Vorm van ondernemingsfinanciering, waarbij niet bancaire geldverstrekkers rechtstreeks leningen verstrekken aan bedrijven. In de praktijk werken soms meerdere geldverstrekkers samen die tezamen geld investeren in een fonds dat als financier optreedt voor ondernemers.

Durfkapitaal

Vorm van ondernemingsfinanciering, ook wel aangeduid wordt als venture capital, dat verstrekt wordt aan een onderneming die een meer dan gemiddeld risico loopt.

Embedded finance

Financiering die wordt verstrekt door een niet-financieel platform of service. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een niet-financieel platform waar de ondernemer ook goederen of diensten aanbiedt.

Equipment lease

Lease is een vorm van kredietverstrekking waarbij de verstrekker een goed koopt en deze gedurende een overeengekomen termijn en tegen een vergoeding ter beschikking stelt aan het bedrijf. Bij equipment lease gaat het om objecten anders dan auto’s, zoals kranen, grondverzetmachines, industriële machines, koffieapparaten, kopieermachines, computers en ICT-oplossingen.

Externe financiering

Alle financiering die van buiten de onderneming aangetrokken wordt. Een combinatie van vreemd vermogen en extern eigen vermogen. Voorbeelden van extern eigen vermogen zijn aandelenuitgifte, geld van informele investeerders of private equity. Intern eigen vermogen behoort niet tot externe financiering. Ingehouden winsten en eigen inleg door de ondernemer behoren dus niet tot dit begrip.

Factoring

Dit is een vorm van debiteurenfinanciering of voorraadfinanciering. Hierbij draagt de ondernemer de facturatie over aan een extern bedrijf dat zorg voor de facturering, de debiteurenadministratie en de incassering van de debiteuren. Het externe bedrijf ontvangt in ruil meestal een percentage van de omzet, maar draagt ook het risico over de schulden.

Grootbedrijf

Tot het grootbedrijf behoren ondernemingen met ten minste 250 werkzame personen. Deze grootteklasse komt voor in de monitor als benchmark maar behoort niet tot het mkb.

Informele investeerders

Onder informele investeerders worden vrienden, familie, collega’s en andere bekenden verstaan. Ze verschillen onder meer van business angels omdat zij niet actief betrokken blijven bij de bedrijfsvoering

Innovatief bedrijf

Ondernemingen die doen aan product-, proces-, marketing- en organisatorische vernieuwingen of sterke verbeteringen.

Ketenfinanciering

Financiering binnen een leveranciersketen. Een afnemer kan bijvoorbeeld een lening of specifieke voorfinanciering verstrekken om in een nieuwe productielijn te investeren. Dit staat ook bekend als supply chain finance.

Ketenmacht

Beperkende voorwaarden vanuit afnemers. Dit kan zich uiten in langere betaaltermijnen of aanvullende voorwaarden.

Kleinbedrijf

Tot het kleinbedrijf behoren ondernemingen met tenminste 10 en minder dan 50 werkzame personen.

Kredietunies

Een kredietunie is een coöperatieve kredietvereniging zonder winstoogmerk waarin ondernemers zich per regio of per branche organiseren om elkaar geld te lenen. Het is als non-bancair alternatief voor bankfinanciering ontstaan, wordt door de politiek gedragen en is voornamelijk een fenomeen in de Verenigde Staten van Amerika, Canada en Engeland.

Liquiditeit

De verhouding van de vlottende activa tot het kortlopend vreemd vermogen wordt ook wel de current ratio genoemd. Het is een maatstaf van hoe goed bedrijven in staat zijn om aan hun verplichtingen op korte termijn te voldoen.

Microbedrijf

De kleinste grootteklasse binnen het mkb. Tot het microbedrijf behoren ondernemingen met minder dan 10 werkzame personen. In de Financieringsmonitor wordt daarnaast een ondergrens gehanteerd van 2 werkzame personen.

Middenbedrijf

Tot het kleinbedrijf behoren ondernemingen met tenminste 50 en minder dan 250 werkzame personen.

Midden- en kleinbedrijf

Tot het mkb behoren ondernemingen met minder dan 250 werkzame personen. In de Financieringsmonitor wordt daarnaast een ondergrens gehanteerd van 2 werkzame personen. De bedrijfsgrootte is bepaald op het niveau van de individuele bedrijfseenheid en niet het gehele concern. Binnen het mkb wordt een onderverdeling gemaakt naar drie onderliggende grootteklassen: het microbedrijf, het kleinbedrijf en het middenbedrijf. Het grootbedrijf, dat ook voorkomt in de monitor, behoort niet tot het mkb.

Mkb-beurs

Een platform waarbij beleggers rechtstreeks kunnen investeren in mkb-bedrijven. Dat kan in de vorm van (certificaten van) aandelen en obligaties (leningen). De (certificaten van) aandelen en de obligaties zijn verhandelbaar.

Onderhandse lening

Een geldlening zonder tussenkomst van een bank, bijvoorbeeld bij familie of vrienden. Rente en afspraken worden wel vastgelegd in een contract.

Ondernemingengroep

De eenheid die feitelijk optreedt als financiële transactor. De ondernemingengroep (OG) wordt gedefinieerd als de meest omvattende verzameling van in Nederland gevestigde juridische eenheden waarover zeggenschap kan worden uitgeoefend en die homogeen is naar institutionele sector. De ondernemingengroep is de statistische eenheid op basis waarvan het financieringsproces in Nederland wordt beschreven. Vooral bij grotere eenheden komt deze feitelijke transactor doorgaans niet overeen met één juridische eenheid, maar is een combinatie van juridische eenheden.

Private equity

Een financieringsvorm waarbij investeerders buiten de aandelenbeurs om financieel in bedrijven participeren. Deze participatiemaatschappijen nemen dan een meerderheids- of een groot minderheidsbelang in een bedrijf. Binnen private equity zijn drie soorten investeringen te onderscheiden: een buy-out, een groei-investering, of een investering in vaak jonge ondernemingen met hoge risico’s, het zogenaamde venture capital.

Rekening-courant

Doorlopend krediet dat ondernemingen gebruiken voor alledaagse uitgaven en om hun rekeningen te betalen, ook wel bekend als een betaalrekening.

Solvabiliteit

Het aandeel van het eigen vermogen in het balanstotaal. De solvabiliteit is een indicator die gebruikt wordt om de financiële positie van ondernemingen te meten. Het geeft een indicatie van de mate waarin zij in staat zijn te voldoen aan verplichtingen op langere termijn. Een hogere solvabiliteit duidt op een financieel gezonder bedrijf.

Startup

Een startende onderneming met een vernieuwend, schaalbaar idee rondom een nieuwe technologie.

Stratum

Een combinatie van bedrijfskenmerken waardoor bedrijven in de populatie en in de steekproef van de enquête aan hokjes toe te kennen zijn. In de Financieringsmonitor wordt gewerkt met 54 driedimensionale strata door bedrijfstak, grootteklasse en leeftijd te combineren.

Venture capital

Een vorm van private equity waarbij het specifiek om investeringen in vaak jonge ondernemingen met hoge risico’s gaat.

Werkzame persoon

Persoon die een baan heeft bij een in Nederland gevestigd bedrijf of bij een particulier huishouden in Nederland. Tot de werkzame personen behoren alle personen die betaalde arbeid verrichten, ook al is het maar voor één of enkele uren per week. Zij kunnen worden onderscheiden in werknemers en zelfstandigen.

Afkortingen

ABR

Algemeen Bedrijven Register

Bbp

Bruto binnenlands product

BDK

Bedrijfsdemografisch Kader

BEID

Bedrijfseenheid

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CPB

Centraal Planbureau

CV

Commanditaire Vennootschap

DNB

De Nederlandsche Bank

DRT

Directe Ramingen Totaal

ECB

Europese Centrale Bank

FAAN

Factoring & Asset-based finance Association Netherlands

ICT

Informatie- en Communicatie Technologie

Mkb

Midden- en Kleinbedrijf

MFI

Monetaire Financiële Instelling

NFO

Statistiek Financiën Niet-Financiële Ondernemingen

NVB

Nederlandse Vereniging van Banken

NVL

Nederlandse Vereniging van Leasemaatschappijen

NVP

Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen

R&D

Research and development

SAFE

Survey on the Access to Finance of Enterprises

SBI

Standaard Bedrijfsindeling

SMF

Stichting MKB Financiering

SZO

Satelliet Zelfstandige Ondernemingen

Vof

Vennootschap onder firma

Wp

Werkzame personen

Zzp

Zelfstandigen zonder personeel

Literatuur

Bieleveldt, E. & Smid, H. (2025), Nederlandse bedrijfskredietverlening bezig aan opmars, ESB: Amsterdam.

CBS (2024a), Arbeidsmarkt in eerste kwartaal iets minder krap, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025a), De Nederlandse Economie in 2024, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025b), Economie groeit in tweede kwartaal 2025 een fractie, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025c), Economie groeit met 0,4 procent in eerste kwartaal 2025, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025d), Investeringen blijven achter bij inkomen bedrijven, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025e), Financieringsmonitor 2024, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025f), Inflatie 3,3 procent in 2024, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025g), Dashboard consumentenprijzen, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025h), Inflatie daalt naar 3,1 procent in juni, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025i), Vertrouwen consumenten fractie minder negatief in juni, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025j), Consumentenvertrouwen, economische klimaat en koopbereidheid; gecorrigeerd, Statline, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025k), Producenten in juni opnieuw negatiever, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025l), Producentenvertrouwen; stemmingsindicator van de industrie, bedrijfstak, Statline, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025m), Omzet industrie bijna 3 procent hoger in eerste kwartaal 2025, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025n), Arbeidsmarkt minder krap in het eerste kwartaal van 2025, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025o), Spanning op de arbeidsmarkt niet veranderd, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025p), Ruim 4 op de 10 bedrijven verwachten minder zzp’ers in te huren in 2025, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2025q), Vacatures; vacaturegraad naar SBI 2008, Statline, Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CPB (2022), Risicorapportage financiële markten 2022, Centraal Planbureau: Den Haag.

Crowdfundingcijfers.nl (2023), Crowdfunding in Nederland 2022.

DNB (2025a), Waarom de ECB de rente ongewijzigd heeft gelaten, De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

DNB (2025b), Inflatie, www.dnb.nl/de-euro-en-europa/inflatie/, De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

DNB (2025c), Tabel 5.5: Ontwikkeling acceptatiecriteria en vraag bancaire kredietverlening bij in Nederland gevestigde MFI’s (Kwartaal), De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

DNB (2025d), Tabel 5.14: Kredietverlening Nederlandse grootbanken aan Nederlands midden- en kleinbedrijf (kwartaal), De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

DNB (2025e), Tabel 5.2.4: Leningen en deposito’s verstrekt door MFI’s aan niet-financiële bedrijven in Nederland, uitgesplitst naar bedrijfstak (Kwartaal), De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

ECB (2025a), Bank business volumes – loans to corporations (new business), https://data.ecb.europa.eu/data/datasets/MIR/MIR.M.U2.B.A2A.A.B.1.2240.EUR.N European Central Bank: Frankfurt am Main.

ECB (2025b), Monetary Policy Decisions, 5 June 2025, European Central Bank: Frankfurt am Main.

ECB (2025c), Bank interest rates – loans to corporations (new business), https://data.ecb.europa.eu/data/datasets/MIR/MIR.M.U2.B.A2A.A.R.1.2240.EUR.N, European Central Bank: Frankfurt am Main.

FAAN (2025), Rapportage Marktinformatie + Cijfers en Trends, Factoringnederland.nl: Tilburg. 

NVL (2025a), Leasingmarkt voor bedrijfsmiddelen in Nederland – Marktcijfers 2024, Leasing Nederland – NVL: Haarlem.

NVL (2025b), Leasingmarkt voor bedrijfsmiddelen in Nederland – Marktcijfers eerste kwartaal 2025, Leasing Nederland – NVL: Haarlem.

NVP (2024), Trendrapport 2023, Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen: Amsterdam.

NVP (2025), Trendrapport Nederland 2007 – 2024, Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen: Amsterdam.

SMF (2025), Onderzoek non-bancaire financiering 2024, Stichting MKB Financiering: Amsterdam.

Van de Kerke, J.-P. & Van Huisseling, A. (2025), Nederlandse economie in zicht – Onzekerheid troef, ABN AMRO: Amsterdam.