Auteur: Sabrina de Regt en Lucienne Reichardt

Interlandelijke adoptie in Nederland

Leefsituatie, welzijn en zoekgedrag van geadopteerde volwassenen

Over deze publicatie

Het CBS heeft, op verzoek van de Commissie onderzoek interlandelijke adoptie in het verleden, een onderzoek uitgevoerd naar de leefsituatie, het welzijn en het zoekgedrag van interlandelijk geadopteerde personen in Nederland die zijn geboren tussen 1970 en 1998.

Samenvatting

Aanleiding

Op verzoek van de Commissie onderzoek interlandelijke adoptie in het verleden heeft het CBS in de eerste helft van 2020 een onderzoek uitgevoerd onder geadopteerde personen in Nederland. Deze commissie is door de minister voor Rechtsbescherming ingesteld om onderzoek te doen naar de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid bij interlandelijke adoptie in de periode 1967 – 1998 en mogelijke misstanden daarbij. Tijdens dit onderzoek heeft de Commissie tientallen geadopteerde personen gesproken. Naar aanleiding van deze gesprekken ontstond de behoefte om op een breder terrein van leefsituatie, welzijn en zoekgedrag een representatief beeld te verkrijgen van geadopteerde volwassenen. Dit om goede conclusies te kunnen trekken en valide aanbevelingen te kunnen doen aan de minister. Het doel van dit onderzoek is dan ook om een representatief beeld te kunnen schetsen van wat er leeft onder (interlandelijk) geadopteerde personen in Nederland.

Opzet onderzoek

Er bestaat in Nederland geen register van geadopteerde personen. Het CBS heeft dus geen directe informatie over welke personen in Nederland wel en welke niet zijn geadopteerd. Om geadopteerde personen toch te kunnen benaderen voor onderzoek is gewerkt met een zogenaamd afgeleid kader. Dat houdt in dat er een kader is opgesteld met daarin personen die geboren zijn in landen waarvan bekend is dat er veel personen uit geadopteerd zijn naar Nederland terwijl (minimaal één van) de ouders in Nederland geboren zijn (is). Verder mocht de geboortedatum van het kind niet gelijk zijn aan de ingang van het juridische ouderschap van de ouders. Vervolgens is uit dit kader een random steekproef getrokken. Dit betekent dat door middel van toeval bepaald wordt of een persoon al dan niet geselecteerd wordt voor het onderzoek. Dit is essentieel om een representatieve steekproef te kunnen trekken. Indien personen bijvoorbeeld zichzelf (kunnen) aanmelden voor een onderzoek bestaat de kans dat er een vertekend beeld ontstaat. Het doel was om gegevens van minimaal 3 000 geadopteerde personen te verzamelen. Uiteindelijk was de respons hoger dan verwacht en hebben bijna 3 500 geadopteerde personen meegewerkt aan het onderzoek. Om de antwoorden van geadopteerde personen beter te kunnen kaderen, zijn voor dit onderzoek ook niet-geadopteerde personen bevraagd. Omdat de focus van het onderzoek ligt op geadopteerde personen (en deze groep ook in meer detail is bestudeerd in dit rapport – op sommige plekken is bijvoorbeeld onderscheid gemaakt naar geboorteland) kon de steekproef voor niet-geadopteerde personen kleiner zijn dan voor geadopteerde personen. Er hebben iets meer dan 400 niet-geadopteerde personen meegewerkt.

Voor het onderzoek is deels gebruik gemaakt van een vragenlijst die eerder toegepast is in het onderzoek Ouders en Kinderen in Nederland (OKiN). Thema’s die in het onderzoek aan bod zijn gekomen zijn ‘jeugd’ (feitelijke woonsituatie tijdens de jeugd, de band met de ouders, de beleving van de jeugd in het algemeen en de schooltijd), ‘het volwassen leven’ (de huidige band met ouders, huidige gezinssamenstelling en gezondheid en welzijn), ‘houding tegenover adoptie’ (houdingen ten aanzien van interlandelijke adoptie in het algemeen en houdingen ten aanzien van eigen adoptie plus verbondenheid met Nederland en het geboorteland) en de ‘zoektocht’ (naar meer informatie over de adoptie en achtergrond). Personen hebben de vragenlijst op internet in kunnen vullen. Indien verschillen tussen geadopteerde en niet-geadopteerde volwassenen gerapporteerd zijn in dit rapport, is altijd rekening gehouden met achtergrondkenmerken (leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, opleiding, inkomen, stedelijkheid en opleiding en sociaaleconomische status van de ouders). In het rapport staan enkel verschillen weergegeven die statistisch significant zijn.

Jeugd

In het eerste inhoudelijke hoofdstuk wordt ingegaan op de jeugd van personen. Vierenzeventig procent van de adoptieouders kon financieel (zeer) gemakkelijk rondkomen in vergelijking met 53% van de ouders van niet-geadopteerde personen. Iets meer dan de helft van de geadopteerde personen (51%) geeft aan een hechte band te hebben gehad met de adoptievader tijdens de jeugd en 61% geeft aan een hechte band te hebben gehad met de adoptiemoeder. Voor niet-geadopteerden waren deze percentages respectievelijk 55% en 80%. Twee op de tien geadopteerde personen (22%) heeft regelmatig tot vaak spanningen en/of conflicten gehad met de adoptievader en drie op de tien met de adoptiemoeder. Voor niet-geadopteerden zijn deze aantallen vooral lager voor conflicten met de moeder (16% met de biologische vader en 11% met de biologische moeder). Bijna 70% van de geadopteerde personen kijkt in het algemeen met plezier terug op hun jeugd. Voor niet-geadopteerde personen ligt dit percentage 10 procentpunt hoger. Geadopteerde volwassenen hebben vaker dan niet-geadopteerde volwassenen de volgende gedachte weleens gehad: ‘was ik maar in een andere familie opgegroeid’ (20% versus 8%). Geadopteerde personen geven significant iets vaker aan gepest te zijn als kind dan niet-geadopteerde personen (34% versus 33%) en geven ook vaker aan zelf andere kinderen gepest te hebben tijdens hun jeugd (19% versus 12%). Verder rapporteerden geadopteerde personen vaker dan niet-geadopteerde personen probleemgedrag tijdens de schooltijd (spijbelen (21% versus 15%), weglopen van huis (15% versus 3%), schorsingen op school (11% versus 7%) en gaven ze vaker aan in aanraking te zijn gekomen met de politie en/of justitie (14% versus 8%). Tot slot rapporteerde 5% van de geadopteerde personen een klas te hebben overgeslagen tijdens zijn/haar schooltijd en 46% gaf aan weleens te zijn blijven zitten. Voor niet-geadopteerden is dit respectievelijk 3% en 38%. Samenvattend was voor veel geadopteerde personen de jeugd in Nederland goed. Zij geven aan een goede band te hebben gehad met de adoptieouders en met plezier terug te kijken op de jeugd. Wel is er vaker sprake geweest van probleemgedrag tijdens de jeugd indien dit vergeleken wordt met volwassenen die niet geadopteerd zijn.

Volwassen leven

Net als tijdens de jeugd, is ook in het volwassen leven de band met de adoptieouders gemiddeld genomen goed bij geadopteerde personen: 58% van de geadopteerde volwassenen geeft aan een (hele) hechte band te hebben met de adoptievader en 67% heeft een (hele) hechte band met de adoptiemoeder. Voor niet-geadopteerde personen liggen deze percentages respectievelijk 4 en 14 procentpunten hoger. Zes procent van de geadopteerde personen ervaart hedendaags regelmatig tot vaak spanningen en/of conflicten met de adoptievader en een kleine 10% met de adoptiemoeder. Voor niet-geadopteerden zijn deze percentages: 6% met de biologische vader en 3% met de biologische moeder. Ondanks het ontbreken van de biologische banden, geeft ongeveer 6 op de 7 geadopteerde personen aan de adoptievader en adoptiemoeder te beschouwen als de (echte) ouders. Tachtig procent geeft aan dat zijn/haar adoptievader zich gedraagt als echte vader en 85% geeft aan dat zijn/haar adoptiemoeder zich gedraagt als echte moeder. Geadopteerde personen hebben iets minder vaak een vaste partner dan niet-geadopteerde personen (61% versus 69%). Geadopteerde personen geven in vergelijking met niet-geadopteerde personen minder vaak aan een (heel) hechte relatie te hebben met hun partner (89% versus 95%), geven vaker aan regelmatig tot vaak spanningen en/of conflicten te hebben met hun partner (13% versus 7%) en minder vaak (heel veel vertrouwen in de toekomst van de relatie te hebben (84% versus 91%). Geadopteerde personen hebben minder vaak zelf biologische kinderen in vergelijking met niet-geadopteerde personen (42% versus 51%). Er is verder in het onderzoek veel aandacht geweest voor het welzijn van personen. Eénentachtig procent van de geadopteerde personen ervaart zijn/haar algemene gezondheid als (zeer) goed. Dit ligt 4 procentpunt lager dan voor niet-geadopteerde personen. Verder geeft 64% van de geadopteerde personen aan psychologische hulp te hebben ontvangen ten opzichte van 48% van de niet-geadopteerde personen. Uit de toelichtingen die personen aan het einde van het onderzoek konden geven, komt de behoefte naar voren aan meer gespecialiseerde psychologische hulp voor geadopteerde personen. Er wordt aangegeven dat het beter zou zijn om hulp te kunnen krijgen van deskundigen op het gebied van adoptie in plaats van de reguliere psychologische zorgverleners. Tot slot blijkt dat geadopteerde personen op een vijfpuntsschaal vaker gevoelens van eenzaamheid (gemiddeld 1,48 versus 1,35) en neerslachtigheid (gemiddeld 2,50 versus 2,38) ervaren dan niet-geadopteerde personen. Dit wordt door sommige respondenten gekoppeld aan het feit dat zij geadopteerd zijn.

Houding ten aanzien van adoptie

Geadopteerde personen zijn gemiddeld genomen overwegend positief over interlandelijke adoptie. Zo geeft 84% aan dat adoptie hen meer kansen heeft gegeven en geeft 70% aan blij te zijn dat hij/zij geadopteerd is. Eénendertig procent geeft aan met gemengde gevoelens terug te kijken op zijn/haar adoptie en 25% heeft soms het gevoel in de steek te zijn gelaten door zijn/haar biologische moeder/vader. Ruim 40% van de geadopteerde personen geeft aan dat het feit dat hij/zij uit een ander land komt een belangrijke rol in zijn/haar leven speelt. Wat betreft de mening over interlandelijke adoptie: bijna de helft (47%) van de geadopteerde personen geeft aan het (helemaal) eens te zijn over het feit dat interlandelijke adoptie altijd beter is dan kinderen in slechte omstandigheden in het geboorteland te laten opgroeien in vergelijking met iets meer dan helft van de niet-geadopteerde personen (53%). Zevenenvijftig procent van de geadopteerden vindt dat de Nederlandse overheid meer hulp moet bieden bij het achterhalen van de afkomst tegenover 41% van de niet-geadopteerde personen. Verder vindt zowel 82% van de geadopteerde volwassenen als niet-geadopteerde volwassenen dat een persoon altijd zijn/haar achtergrond moet kunnen achterhalen en bijna 70% van beide groepen dat interlandelijke adoptie altijd mogelijk moet blijven. Geadopteerde personen geven vaker dan niet-geadopteerde personen aan dat er in de media te negatief geschreven wordt over interlandelijke adoptie (30% versus 13%) en dat zij zelf nooit een kind zouden adopteren (26% versus 24%). Verder geeft 27% van de geadopteerde volwassenen aan dat de band die een kind met zijn/haar biologische ouder heeft door niemand kan worden vervangen. Voor niet-geadopteerde volwassenen is dit percentage 67%. Van de geadopteerde volwassenen geeft 45% aan dat het voor een kind niet uit maakt of hij/zij door een adoptieouder of door een biologische ouder wordt opgevoed. Achtentwintig procent van de niet-geadopteerde volwassenen is het hier (helemaal) mee eens. Tot slot blijkt dat geadopteerde personen zich sterker verbonden voelen met Nederland (85%) dan met het geboorteland (28%), 60% is wel geïnteresseerd in de taal en cultuur van het geboorteland en 56% geeft aan dat zijn/haar karakter kenmerken van de cultuur van het geboorteland heeft.

Zoektocht naar meer informatie over adoptie en achtergrond

Bijna 9 op de 10 geadopteerde volwassenen geeft aan dat de ouders open zijn geweest over de adoptie. De meeste geadopteerde volwassenen (70%) geven aan dat de ouders uit zichzelf informatie gedeeld hebben over hun adoptie en nog eens bijna 20% geeft aan dat de ouders dergelijke informatie gedeeld hebben op het moment dat zij erom vroegen. Informatie of documenten die personen relatief vaak van hun ouders ontvangen hebben zijn naam van het kindertehuis of het ziekenhuis waar ze geboren zijn (69%) en het paspoort van geboorteland (67%). De helft van de geadopteerde volwassenen is zelf op zoek gegaan naar meer informatie over hun adoptie en achtergrond (51%). Van de personen die dit niet gedaan hebben geeft 35% aan (misschien of zeker) wel op zoek te gaan in de toekomst. De meeste geadopteerde personen gingen of gaan dus op zoek naar meer informatie over hun adoptie en achtergrond. De meest voorkomende redenen waarom mensen zelf op zoek zijn gegaan, zijn als volgt: meer willen weten over waar men vandaan komt (82%), over de biologische familie (69%), of ze op familie lijken qua uiterlijk en karakter (61%) en of men broers of zussen heeft (56%). Van de geadopteerde volwassenen die aangeven niet zelf op zoek te zijn gegaan, geeft 73% aan hier geen behoefte aan te hebben. Geadopteerde personen hebben de meeste hulp bij hun zoektocht ontvangen van hun adoptieouders (61%). Deze hulp vond men ook heel nuttig en vaak nuttiger dan de hulp van verschillende organisaties. De zoektocht naar meer informatie kan echter een moeizaam proces zijn. Ongeveer een vijfde van de personen die op zoek zijn geweest geeft aan dat zij alle informatie hebben gevonden die zij zochten. Net zo veel mensen geven echter aan dat zij (nog) niets gevonden hebben en ook bijna een vijfde geeft aan dat zij de zoektocht moesten staken omdat ze niet verder kwamen met de zoektocht. Bovendien blijkt dat er tijdens de zoektocht relatief vaak informatie of documenten naar boven komen die niet kloppen. Ongeveer een derde van alle personen die op zoek zijn geweest, geeft aan dat alle informatie die zij tegen zijn gekomen juist was. Bij alle andere personen is er informatie naar boven gekomen die niet juist bleek te zijn. Het soort informatie dat niet juist blijkt zijn is heel uiteenlopend, bijvoorbeeld de geboorteakte en de naam van de biologische ouders. Uit de toelichtende opmerkingen blijkt dat ook de reden dat personen ter adoptie zijn aangeboden meermaals niet bleek te kloppen. Ruim 70% van de geadopteerde volwassenen waarvan tijdens de zoektocht informatie onjuist bleek te zijn, geeft aan dat ook de adoptieouders niet op de hoogte waren dat er informatie of documenten niet juist waren. In de toelichtingen die respondenten aan het einde van de vragenlijst konden geven, klinkt een oproep door naar één goed informatiepunt waar geadopteerde personen met alle vragen of problemen terecht kunnen. Het zou een informatiepunt moeten zijn waar personen altijd met alle vragen terecht zouden moeten kunnen indien zij meer begeleiding nodig hebben bij hun zoektocht. Ook wordt gesteld dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om meer hulp te bieden bij deze zoektocht en dat de overheid de plicht heeft geadopteerden financieel te ondersteunen bij deze zoektocht. 

Zoektocht per adoptieland

Omdat er veel geadopteerde personen hebben meegewerkt aan dit onderzoek kon ook worden gekeken naar verschillen tussen de geadopteerde volwassenen (in plaats van enkel te kijken naar geadopteerden als één groep en naar verschillen tussen geadopteerde en niet-geadopteerde personen). Zo is in dit onderzoek ook bekeken of het voor de zoektocht naar informatie uitmaakt uit welk land personen zijn geadopteerd. Er is zowel gekeken naar de landen waarvan de Commissie de opdracht kreeg om die in ieder geval te onderzoeken (Bangladesh, Brazilië, Colombia, Indonesië en Sri Lanka) als naar andere landen waaruit veel personen in Nederland geadopteerd zijn (China, India en Zuid-Korea). Er blijken grote verschillen te zijn tussen de landen wat betreft de mate waarin personen op zoek gaan en de uitkomst van deze zoektocht. Ruim een kwart van de geadopteerde personen uit China geeft aan op zoek te zijn gegaan naar meer informatie over hun adoptie en achtergrond. Voor de overige onderzochte landen ligt dit percentage tussen de 48% en 56%. Van de geadopteerde personen uit Bangladesh en China die op zoek zijn gegaan naar meer informatie geeft 8% aan alle informatie te hebben gevonden die zij zochten. Voor de overige onderzochte landen lagen deze percentages tussen de 15% en 23%. Gemiddeld genomen geeft 5% van de geadopteerde personen aan tijdens hun zoektocht te zijn tegengewerkt door instellingen in Nederland. Geadopteerde personen uit India of Bangladesh geven vaker aan te zijn tegengewerkt door instellingen in Nederland (respectievelijk 10% en 20%). Van de personen die uit Bangladesh, Zuid-Korea of India geadopteerd zijn, geeft respectievelijk 10%, 11% en 20% aan tegengewerkt te zijn door instellingen uit het geboorteland. Voor de overige onderzochte landen lagen deze percentages tussen de 2% en 4%. Geadopteerde personen uit Brazilië en Colombia geven het vaakst aan (respectievelijk 44% en 34%) dat alle informatie die zij gevonden hebben tijdens hun zoektocht juist is. Personen die geadopteerd zijn uit Bangladesh geven het minst vaak aan dat alle informatie die zij gevonden hebben klopte (3%).

Adoptie en de zoektocht: een meer gedetailleerd beeld

Naast dat onderzocht is of het uitmaakt uit welk land personen geadopteerd zijn, is ook onderzocht of het uitmaakt of personen in hun eerste levensjaar geadopteerd zijn of daarna. Drieënvijftig procent van de personen is in het eerste levensjaar geadopteerd. In vergelijking met personen die na het eerste levensjaar zijn geadopteerd, geven personen die tijdens hun eerste levensjaar geadopteerd zijn vaker aan een gelukkige jeugd te hebben gehad (69% versus 56%), vaker aan gelukkig te zijn in hun volwassen leven (81% versus 76%), minder vaak aan psychologische hulp te hebben gehad (63% versus 66%) en vaker aan positief te zijn over hun adoptie (73% versus 66%). Tot slot is aandacht besteed aan de relatie tussen welzijn en de zoektocht. Geadopteerde personen die aangeven gelukkig te zijn, zijn ook vaker positief over hun adoptie (82% versus 48%) en gaan minder vaak op zoek naar meer informatie over hun adoptie en achtergrond (47% versus 60%). Geadopteerde personen die aangeven gelukkig te zijn geven minder vaak aan gestuit te zijn op foute of onvolledige informatie tijdens hun zoektocht dan personen die aangeven minder gelukkig te zijn (28% versus 44%). Ook geven geadopteerde personen die onjuiste informatie tegengekomen zijn tijdens hun zoektocht minder vaak aan blij te zijn geadopteerd te zijn dan personen die geen onjuiste informatie tegengekomen zijn tijdens deze zoektocht (46% versus 69%).

1. Inleiding

1.1 Doel van het onderzoek

Door de minister voor Rechtsbescherming (J&V) is de Commissie onderzoek interlandelijke adoptie in het verleden ingesteld. Deze commissie is gevraagd onderzoek te doen naar de feitelijke gang van zaken rondom adopties vanuit het buitenland in de periode 1967-1998 en de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid hierbij. Aanleiding is informatie die wijst op mogelijke misstanden bij de adoptie van kinderen in de jaren zeventig en tachtig waarbij Nederlandse overheidsfunctionarissen betrokken zouden zijn geweest. In het onderzoek naar de feitelijke gang van zaken rondom adopties vanuit het buitenland en de rol van de Nederlandse overheid daarbij, heeft de Commissie tientallen geadopteerde volwassenen gesproken. Naast vragen over de feitelijke gang van zaken, waaronder mogelijk opgetreden misstanden, is daarbij ook steeds aan de orde geweest hoe het met hen gaat, hoe zij hun adoptie hebben ervaren, in hoeverre zij op zoek zijn naar hun herkomst en welke problemen zij daarbij ondervinden. Ook heeft de Commissie gevraagd wat hen zou helpen verder te komen. De Commissie acht het voor haar onderzoek essentieel om een zo volledig mogelijk beeld te verkrijgen van interlandelijk geadopteerde personen in Nederland, maar kan in de gegeven tijd niet met alle geadopteerden spreken. Ze heeft daarom het CBS gevraagd aanvullend onderzoek te doen. Met dit onderzoek wil de Commissie nagaan in hoeverre het beeld dat uit de gesprekken naar voren is gekomen ook bij andere geadopteerde volwassenen leeft. Het helpt de Commissie om verantwoorde conclusies te trekken en aanbevelingen te doen aan de minister. Deze rapportage bevat de resultaten van dit aanvullende onderzoek.

1.2 Opzet onderzoek

Hieronder staat de belangrijkste informatie over de opzet van het onderzoek. Meer gedetailleerde informatie over de randvoorwaarden van het onderzoek, de steekproef, de vragenlijst, de benaderstrategie en de veldwerkresultaten is te vinden in de separate onderzoeksdocumentatie (de Regt et al., 2021).

Onderzochte populatie/steekproef

De doelpopulatie van het onderzoek is personen die in Nederland wonen, geboren zijn in de periode van 19701)  - 1998 en geadopteerd zijn vanuit het buitenland. Er is in Nederland géén adoptieregister. Om geadopteerde personen te kunnen onderzoeken moet daarom gewerkt worden met een afgeleid kader dat naar verwachting veel geadopteerde personen bevat. Hiertoe is een kader opgesteld met personen die tussen 1970 en 1998 geboren zijn in Bangladesh, Brazilië, Bolivia, Chili, China, Colombia, Costa Rica, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Ethiopië, Filipijnen, Haïti, Honduras, India, Indonesië, Israël, Korea, Libanon, Mauritius, Nepal, Pakistan, Peru, Sierra Leone, Sri Lanka, Taiwan, Thailand of Vietnam en waarvan minimaal één ouder in Nederland is geboren, maar waar beide ouders niet in het geboorteland van het kind zijn geboren.2) De genoemde geboortelanden zijn landen waarvan uit bestaand onderzoek bekend is dat hier relatief veel kinderen uit werden geadopteerd in deze periode (Hoksbergen, 2006). Verder zijn alleen personen in dit (afgeleide) kader opgenomen indien de datum van de ingang van het juridische ouderschap niet gelijk was aan de geboortedatum van het kind.3) Voor de samenstelling van dit kader maakt het CBS gebruik van informatie in de Basisregistratie Personen (BRP) zoals bijgehouden door gemeenten.4) Vervolgens is een random steekproef getrokken. Dit houdt in dat personen door middel van toeval al dan niet uit het kader geselecteerd zijn om deel te nemen aan het onderzoek. Om een representatief beeld te kunnen krijgen van geadopteerde personen is het essentieel dat de steekproef op deze manier tot stand komt en niet door middel van bijvoorbeeld zelfselectie (dat personen zichzelf kunnen aanmelden voor het onderzoek). Om de antwoorden van de geadopteerde personen beter te kunnen begrijpen en te kaderen zijn in dit onderzoek ook niet-geadopteerde personen (geboren tussen 1970 en 1998) bevraagd. Ook hier zijn mensen door middel van toeval geselecteerd voor het onderzoek en niet door middel van bijvoorbeeld zelfselectie zodat een representatief beeld kan ontstaan.5) Alle benaderde personen, hebben zelf in de vragenlijst aangegeven of zij wel of niet geadopteerd zijn.6) 

Vragenlijst

Voor de vragenlijst is deels gebruik gemaakt van de vragenlijst die eerder is gebruikt voor het door het CBS uitgevoerde onderzoek Ouders en Kinderen in Nederland (OKiN, zie (Kalmijn et al., 2018) voor meer informatie).7) Dit is aangevuld met vragen die belangrijk zijn voor dit specifieke onderzoek op verzoek van de Commissie. Thema’s die in de vragenlijst aan bod zijn gekomen zijn:

  1. De jeugd: het opgroeien in een adoptiegezin in Nederland (versus in een gezin met biologische ouders). Meer specifiek gaat het over de feitelijke woonsituatie tijdens de jeugd, de band tussen (geadopteerde) personen en hun (adoptie)ouders tijdens hun jeugd, de beleving van de jeugd in het algemeen en de schooltijd.
  2. Volwassenheid: leefsituatie en welzijn van geadopteerden (versus niet-geadopteerden). Onderwerpen die hierbij aan bod komen zijn de huidige band met ouders, huidige gezinssamenstelling en gezondheid en welzijn.
  3. Houding tegenover adoptie: hieronder vallen de houding ten aanzien van (interlandelijke) adoptie in het algemeen en de houding ten aanzien van eigen adoptie. Ook komt verbondenheid met Nederland en het geboorteland aan bod.
  4. Op zoek naar de roots: in dit deel van de vragenlijst wordt meer informatie verzameld over de zoektocht die geadopteerde personen al dan niet hebben afgelegd naar meer informatie over hun achtergrond en adoptie.

Aan het einde van de vragenlijst hebben personen de ruimte gekregen om gegeven antwoorden nader toe te lichten en om eventuele opmerkingen over hun adoptie weer te geven.8) Het is belangrijk te realiseren dat doorgaans de personen met de sterkste gevoelens over bepaalde onderwerpen gebruik maken van de ruimte om antwoorden en gevoelens toe te lichten. Aangezien niet iedereen gebruik heeft gemaakt van deze optie zijn deze antwoorden dan ook niet per se representatief voor de hele groep geadopteerde personen. Wel geven ze goed inzicht in zaken die er spelen. Daarom zijn inhoudelijke opmerkingen en toelichtingen die meermaals gegeven zijn door de respondenten in dit rapport verwerkt.

Benaderstrategie9)

Het onderzoek is uitgevoerd via online waarneming. Dit houdt in dat personen online de vragenlijst in konden vullen.10) Men is door middel van een aanschrijfbrief uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek. Bij deze aanschrijfbrief is een onderzoekspecifieke folder toegevoegd met meer informatie over het onderzoek en de onderzoekscommissie. Er zijn maximaal drie rappels/herinneringen verstuurd door middel van brieven/kaartjes.

Respons geadopteerde en niet-geadopteerde personen

Het doel van het onderzoek was om gegevens van minimaal 3 000 geadopteerde personen te verzamelen. In totaal zijn in dit onderzoek uiteindelijk van 3 454 geadopteerde personen gegevens verzameld.11) Er hebben dus meer geadopteerde personen meegewerkt aan dit onderzoek dan initieel verwacht.12) Daarnaast hebben 436 niet-geadopteerde personen meegewerkt aan het onderzoek.13) Omdat de focus van het onderzoek ligt op geadopteerde personen is de steekproef van (potentieel) geadopteerde personen groter geweest dan de steekproef van (potentieel) niet-geadopteerde personen. Geadopteerde personen zijn in dit onderzoek in meer detail onderzocht dan niet-geadopteerde personen. Zo zijn bij geadopteerde personen bijvoorbeeld uitsplitsingen gemaakt naar geboorteland (zie hoofdstuk 6). Dit is de reden dat voor dit onderzoek meer geadopteerde personen zijn benaderd dan niet-geadopteerde personen.14)

Privacy

De resultaten die in dit rapport weergegeven zijn, zijn gebaseerd op vragenlijsten die personen ingevuld hebben. De privacy van deze personen heeft in het hele onderzoeksproces te allen tijde centraal gestaan. Zo zijn alle herleidbare persoonsgegevens (denk aan namen en adressen) direct ontkoppeld,15) nadat de vragenlijst ingestuurd is door de respondenten. Ook zijn andere persoonsgegevens (zoals e-mailadressen) die in de open antwoorden gegeven zijn, verwijderd voordat het bestand voor analyses opgeleverd is aan de onderzoekers.16) Verder publiceert het CBS nooit informatie waarin individuele personen die meegewerkt hebben aan het onderzoek herkenbaar of herleidbaar zijn. Ook levert het CBS nooit herkenbare persoonsgegevens aan derden. De Commissie heeft deze data dus ook niet ontvangen. Meer informatie over privacy en bescherming van gegevens.

1.3 Leeswijzer

In de volgende hoofdstukken worden de onderzoeksresultaten per thema beschreven. In Hoofdstuk 2 staat het thema jeugd centraal. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de woonsituatie tijdens de jeugd, de band met de (adoptie)ouders tijdens de jeugd, de beleving van de jeugd in het algemeen en de schooltijd. Hoofdstuk 3 gaat over de band met ouders, gezinssamenstelling en gezondheid en welzijn in het volwassen leven. Hoofdstuk 4 gaat in op de houdingen ten aanzien van adoptie. Hier wordt zowel ingegaan op houdingen ten aanzien van adoptie in het algemeen en houdingen ten aanzien van de eigen adoptie. In hoofdstuk 5 wordt het zoeken van geadopteerde personen naar meer informatie over hun achtergrond en adoptie beschreven. In hoeverre zijn geadopteerde personen op zoek gegaan en waarom, door wie zijn zij geholpen bij hun zoektocht en wat was het resultaat van deze zoektocht? In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op welke mate personen tijdens het zoeken informatie of documenten tegenkwamen die niet bleken te kloppen. Dit is het grootste representatieve onderzoek onder geadopteerde personen in Nederland. Hierdoor kan in meer detail gekeken worden naar de groep geadopteerde personen en onderzocht worden of er binnen deze groep verschillen zijn. In hoofdstuk 6 staat per adoptieland weergegeven in hoeverre personen op zoek zijn gegaan naar meer informatie over hun achtergrond en adoptie en wat het resultaat van deze zoektocht was. In hoofdstuk 7 wordt gekeken of de leeftijd waarop men geadopteerd is (binnen het eerste levensjaar of na het eerste levensjaar) invloed heeft op het welzijn tijdens de jeugd en in het volwassen leven, hoe men aankijkt tegen adoptie en of men al dan niet op zoek is gegaan. In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de relatie tussen welzijn en (het resultaat van) de zoektocht. In het laatste hoofdstuk worden de belangrijke resultaten in samenhang en bredere context beschouwd. In elk hoofdstuk wordt de situatie van geadopteerde personen beschreven. Waar mogelijk wordt aangegeven of, en zo ja hoe, de situatie verschilt van niet-geadopteerde personen. In het rapport staan enkel verschillen genoemd indien deze statistisch significant zijn. Statistisch significant betekent dat ervan uitgegaan kan worden dat het gevonden verschil in de steekproeven/data niet gebaseerd is op toeval, maar dat de populaties (geadopteerde versus niet-geadopteerde personen) ook daadwerkelijk van elkaar verschillen. Voor alle verschillen tussen geadopteerde en niet-geadopteerde personen die in dit rapport vermeld staan is onderzocht of deze verschillen ook statistisch significant zijn indien rekening gehouden wordt met verschillende achtergrondkenmerken: leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, opleiding, inkomen, stedelijkheid en opleiding en sociaaleconomische status van de ouders.17,18) Dit zijn kenmerken waarvan bekend is dat ze samenhangen met de uitkomstvariabelen die in dit rapport beschreven zijn (bijvoorbeeld ervaren gezondheid). Door deze kenmerken op te nemen in de analyses wordt getoetst in hoeverre mogelijk geconstateerde (en beschreven) verschillen tussen geadopteerde personen en niet-geadopteerde personen wat betreft de uitkomstvariabelen in dit onderzoek overeind blijven (nog steeds statistisch significant zijn) nadat rekening is gehouden met deze achtergrondkenmerken.
Uitdrukkelijk wordt niet gesuggereerd dat er een (eenduidig) causaal verband bestaat tussen de adoptie-ervaring en bepaalde uitkomstmaten. Blijken verschillen tussen geadopteerde en niet-geadopteerde personen statistisch significant, dan nog is niet uit te sluiten dat deze (deels) ook kunnen zijn veroorzaakt door niet gemeten factoren. Ook kunnen op basis van de data die voor dit rapport zijn gebruikt geen uitspraken worden gedaan over de richting van de relatie tussen twee kenmerken. Zo zou bijvoorbeeld iemands algemene welzijn invloed kunnen hebben op de kans dat hij of zij op zoek gaat naar meer informatie over zijn of haar achtergrond en adoptie, maar de zoektocht zou ook juist invloed kunnen hebben op iemands welzijn. Met andere woorden: op basis van de data die voor dit rapport zijn gebruikt, kunnen wél uitspraken worden gedaan over in hoeverre bepaalde zaken met elkaar samenhangen, maar niet over oorzaak en gevolg.  

1) De onderzoeksopdracht van de Commissie is om interlandelijke adoptie tussen 1967-1998 te onderzoeken. Het CBS is door de Commissie gevraagd om interlandelijk geadopteerden uit de periode 1970-1998 te onderzoeken. Dit omdat de aantallen in eerdere jaren klein(er) waren waardoor betrouwbare analyses bemoeilijkt werden.
2) Personen zijn dus enkel in het kader opgenomen indien minimaal één ouder in Nederland is geboren en beide ouders niet in het geboorteland van het kind geboren zijn. Het is mogelijk dat personen kinderen adopteren uit het land waar zij zelf geboren zijn. Bij de opzet van dit onderzoek is ervoor gekozen om deze personen niet mee te nemen in het onderzoek/in het kader. Dit omdat de kans op kaderfouten dan te groot werd geacht. Met andere woorden er zouden dan waarschijnlijk te veel personen aangeschreven worden voor het onderzoek die niet geadopteerd zouden zijn.
3) Met andere woorden er wordt een kader gemaakt met personen waarvan verwacht kan worden dat een groot deel geadopteerd is. Het geboorteland van het kind in combinatie met het geboorteland van de ouders én de datum van de ingang van het juridische ouderschap die niet gelijk is aan de geboortedatum van het kind zijn indicatoren dat het mogelijk om geadopteerde personen gaat. Een aanvullende eis was verder dat de ingang van het juridische ouderschap voor beide ouders tegelijkertijd moest zijn zodat bijvoorbeeld mensen uitgesloten worden waarvan een nieuwe partner een kind adopteert.
4) Het CBS ontvangt informatie uit de BRP uitsluitend ten behoeve van de verrichting van zijn wettelijke taak ‘het verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken’. Zie deze website voor een overzicht van organisaties die gemachtigd zijn informatie uit de BRP te verkrijgen, om welke gegevens dat gaat en waarvoor ze mogen worden gebruikt. Het CBS is opgenomen onder Overige organisaties. Ook alle autorisatiebesluiten staan daar vermeld, zodat tevens zichtbaar is voor welke doel of welke doelen een organisatie gegevens verkrijgt. Gegevens uit het BRP zoals de namen en de adresgegevens zijn enkel gebruikt om personen aan te schrijven/uit te nodigen voor het onderzoek. Deze informatie is ontkoppeld van de antwoorden die personen gegeven hebben. Ook de onderzoekers binnen het CBS die de gegevens geanalyseerd hebben, hadden dus geen toegang tot persoonsgegevens zoals de namen en adressen. Het was voor de onderzoekers dus onmogelijk om te achterhalen wie de personen zijn geweest die deelgenomen hebben aan het onderzoek.
5) Voor meer informatie over de steekproef wordt u verwezen naar de onderzoeksdocumentatie.
6) Het is dus onmogelijk dat personen door dit onderzoek en de daarmee samenhangende communicatie erachter zijn gekomen dat zij geadopteerd zijn.
7) Meer informatie over dit onderzoek is te vinden op deze website
8) Iets meer dan 1 000 personen (op een totaal van ongeveer 4 000 respondenten) hebben iets ingevuld op de vraag ‘Tot slot. Als u nog opmerkingen heeft over de vragenlijst of zaken wilt toelichten, kunt u deze hieronder noteren.’ en ongeveer 1 500 personen hebben iets ingevuld op de vraag ‘Heeft u verder nog vragen of opmerkingen over uw adoptie, dan horen we deze graag. U kunt deze hieronder invullen.’ Onder deze antwoorden vallen ook personen die ‘nee’ of ‘niet van toepassing’ ingevuld hebben. Een deel van de opmerkingen ging specifiek over het onderzoek en of de vragenlijst. Sommige van deze opmerkingen waren negatief (bijvoorbeeld enkel gesloten vragen zonder ruimte voor toelichting, dat de vragen confronterend of lastig konden zijn of opmerkingen over de lay-out) en andere opmerkingen waren positief (dankbaar dat het onderzoek uitgevoerd werd en/of dat ze mee mochten werken, goed onderzoek en interesse naar de uitkomsten van het onderzoek). Er waren ook meerdere personen die hun contactgegevens achterlieten omdat ze graag mee wilden werken aan eventuele vervolgonderzoeken of beschikbaar waren voor nadere toelichting. Inhoudelijke opmerkingen en toelichtingen die meermaals gegeven zijn door de respondenten zijn in dit rapport verwerkt.
9) Het veldwerk voor dit onderzoek vond plaats van 17 april tot en met 14 juni 2020. Dit was tijdens de lockdown als gevolg van de verspreiding van het COVID-19 virus. Dit heeft natuurlijk (potentieel) een grote impact (gehad) op het (dagelijks) leven van mensen. Na beraad is besloten het veldwerk wel door te laten gaan. Ook het veldwerk van andere belangrijke onderzoeken van het CBS is doorgegaan tijdens deze periode. Alle personen hebben bij de brief die zij ontvingen een speciaal kaartje gekregen waarop uitgelegd staat waarom het CBS (juist) in deze periode doorging met het verzamelen van gegevens. Ook werden de personen en hun naasten gezondheid en sterkte toegewenst. Ook in de brieven is ingegaan op de coronacrisis. Aangegeven is dat sommige vragen over onderwerpen gaan die men nu mogelijk anders ervaart dan eerder. Respondenten wordt gevraagd bij het beantwoorden van de vragen terug te denken aan hoe zij zich voelden voor de coronacrisis. Dit om het effect van corona op de beantwoording van de vragen af te vlakken.
10) Gemiddeld hebben personen 25,7 minuten gedaan over het invullen van de vragenlijst. Voor geadopteerde personen is dit gemiddeld 26,6 minuten en voor niet-geadopteerde personen 17,2 minuten (de vragenlijst voor geadopteerde personen was uiteraard langer dan voor niet-geadopteerde personen aangezien deze laatst groep geen vragen voorgelegd heeft gekregen over hun adoptie). Indien gewenst kan de vragenlijst worden opgevraagd bij het CBS met verwijzing naar dit onderzoeksrapport.
11) Personen konden aan het begin van de vragenlijst aangeven of zij al dan niet geadopteerd zijn. Er zijn 239 personen uit het afgeleide ‘adoptiekader’ die aangegeven hebben niet geadopteerd te zijn (in totaal hebben uit dit kader dus 3 693 personen meegewerkt aan het onderzoek). Deze 239 personen zijn verder niet meegenomen in het onderzoek. Deze zijn voor dit onderzoek dus ook niet toegevoegd aan de groep niet-geadopteerden. Dit omdat niet met zekerheid vastgesteld kan worden dat deze personen daadwerkelijk niet geadopteerd zijn (mogelijk is een deel van deze personen wel geadopteerd, maar weet men dit zelf niet, of wil men dit niet zeggen). Ook had deze groep zeer specifieke kenmerken, deels overlappend met de geadopteerde personen aangezien ze uit hetzelfde kader kwamen. Hierdoor was het voor dit onderzoek niet mogelijk om deze bij de groep niet-geadopteerde volwassenen te voegen aangezien dit een verstorend effect zou hebben op de representativiteit van de onderzochte groep niet-geadopteerden.
12) Het responspercentage bij personen uit het kader voor geadopteerden was meer dan 30%. Dit is hoger dan verwacht. Het is hoger dan bij andere onderzoeken die enkel gebruik maken van cawi-waarneming (online waarneming). Het is ook hoger dan het responspercentage bij het eerder genoemde OKiN. Dit is opvallend aangezien bij het huidige onderzoek, vanwege de gevoeligheid van het onderwerp, geen gebruik werd gemaakt van responsverhogende incentives. Het responspercentage voor niet-geadopteerde personen was 24%. Het is gezien het onderwerp en de daarmee samenhangende communicatie begrijpelijk dat de respons bij deze groep lager was. Ook voor deze groep zijn de antwoorden op basis van dit onderzoek representatief. Voor meer informatie over de respons en weging wordt u verwezen naar de onderzoeksdocumentatie.
13) In totaal hebben uit het kader voor niet-geadopteerde personen 437 personen gerespondeerd/meegewerkt aan het onderzoek. Eén persoon uit deze groep heeft echter aangegeven wel geadopteerd te zijn. Deze persoon is verder niet meegenomen in de analyses die weergegeven zijn in dit rapport aangezien het hier niet om een interlandelijk geadopteerd persoon gaat, maar om een persoon die in Nederland geboren is.
14) In het eerdergenoemde OKiN-onderzoek is een grotere groep niet-geadopteerde personen onderzocht. De resultaten die uit dit onderzoek naar voren kwamen, waren grotendeels vergelijkbaar met de resultaten die naar voren kwamen uit het huidige onderzoek. Met andere woorden ook al was de groep niet-geadopteerde personen in dit onderzoek relatief klein, op basis van de vergelijking met de OKiN-data kan geconcludeerd worden dat er waarschijnlijk geen andere resultaten gevonden zouden worden indien meer niet-geadopteerde personen meegewerkt zouden hebben aan het onderzoek. Voor meer informatie wordt u verwezen naar de onderzoeksdocumentatie
15) Uit de database halen zodat deze niet zichtbaar zijn voor onderzoekers.
16) Het was vanuit privacy-oogpunt dan ook niet mogelijk dat de onderzoekers contact opnamen met personen naar aanleiding van informatie die zij gegeven hadden op de open vragen.
17) In Bijlage 1 staat per achtergrondkenmerk de verdeling voor zowel geadopteerde als niet-geadopteerde volwassenen weergegeven.
18) Bij alle analyses is gebruik gemaakt van gewogen data. Dit houdt in dat aan ieder persoon in de data een bepaald gewicht toegekend wordt zodat de resultaten meer representatief zijn voor de populatie. Voor meer informatie over de weging wordt u verwezen naar de onderzoeksdocumentatie.



2. Jeugd: het opgroeien in een adoptiegezin in Nederland (versus in een gezin met biologische ouders)

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de woonsituatie tijdens de jeugd (paragraaf 2.1), de band met de (adoptie)ouders tijdens de jeugd (paragraaf 2.2), de beleving van de jeugd in het algemeen (paragraaf 2.3) en de ervaringen tijdens de schooltijd (paragraaf 2.4).

2.1 Woonsituatie tijdens de jeugd

Om inzicht te krijgen hoe respondenten hun jeugd hebben doorgebracht is onderzocht hoe de woonsituatie van geadopteerde personen was tijdens de jeugd in hun adoptiegezin in Nederland, ten opzichte van niet-geadopteerden. Wat betreft de woonsituatie tijdens de jeugd heeft iedere geadopteerde respondent aangegeven met één of twee adoptieouders19)  te hebben gewoond tijdens zijn/haar jeugd. Van de niet-geadopteerde volwassenen geeft 98% aan met één of twee van zijn/haar biologische ouders te hebben gewoond. Uit de resultaten komt verder naar voren dat minder dan 1% van de geadopteerden aangeeft ook een periode tijdens hun jeugd bij een andere verzorger dan hun adoptieouders te hebben gewoond. Dit percentage is bijna 2% voor niet-geadopteerden. Verder geeft 1% van de geadopteerden aan in een instelling te hebben gewoond tijdens hun jeugd. Van de niet-geadopteerden geeft minder dan 1% aan in een instelling te hebben gewoond tijdens hun jeugd. Tot slot geeft bijna 90% van de geadopteerde volwassenen aan dat zij 18 jaar of ouder waren toen ze voor het eerst uit huis gingen. Tien procent van de geadopteerde personen is dus uit huis gegaan toen ze jonger waren dan 18 jaar. Bij de niet-geadopteerde volwassenen was 92% volwassen (18 jaar of ouder) toen zij het huis verlieten.

In figuur 2.1.1 is te zien dat bijna 74% van de adoptieouders (zeer) gemakkelijk kon rondkomen in vergelijking met ruim 53% van ouders van niet-geadopteerde personen.

2.1.1 Percentage hoe gemakkelijk of moeilijk (adoptie)ouders financieel konden rondkomen
Hoe goed konden uw adoptie ouders rondkomen? voor de scheiding/in de periode tussen uw 12e en het moment waarop u voor het eerst zelfstandig ging wonen/ toen u tussen de 12 en 18 jaar oud was/voordat uw vader/moeder overleed Dat wil zeggen, de gebruikelijGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weet niet3,52,6
Zeer moeilijk0,71,3
Moeilijk3,27,0
Niet moeilijk, maar ook niet gemakkelijk18,535,7
Gemakkelijk40,135,9
Zeer gemakkelijk33,917,4


In figuur 2.1.2 is te zien dat 16% van de adoptieouders is gescheiden of uit elkaar gegaan in vergelijking met 21% van de ouders van niet-geadopteerde personen.

2.1.2 Percentage al dan niet gescheiden ouders
Zijn uw adoptieouders-biologische ouders ooit van elkaar gescheiden of uit elkaar gegaan?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Nee, niet gescheiden83,679,1
Ja, wel gescheiden16,420,9


Aan geadopteerde personen zijn nog aanvullende vragen gesteld over de samenstelling van het gezin tijdens de jeugd. Zo is gevraagd of ze alleen of tegelijk met andere kinderen geadopteerd zijn. In figuur 2.1.3 blijkt dat de meeste geadopteerde personen (82%) aangeven alleen geadopteerd te zijn op het moment dat zij geadopteerd werden. Elf procent van de personen geeft aan dat zij tegelijk met een biologische broer of zus geadopteerd zijn en 6% van de personen is tegelijk met een ander adoptiekind (maar geen broer of zus) geadopteerd.

2.1.3 Percentage dat alleen of met andere kinderen geadopteerd is
titleGeadopteerd (%)
Alleen82,0
Tegelijk met biologische broer/zus11,3
Tegelijk met ander adoptiekind6,3
Tegelijk met biologische broer/zus en ander adoptiekind0,4


In het onderzoek is ook gevraagd of de adoptieouders nadat de respondent was geadopteerd, nog andere biologische kinderen hebben gekregen of andere kinderen hebben geadopteerd. Ongeveer 12% geeft aan dat hun adoptieouders nog biologische kinderen gekregen hebben en 38% geeft aan dat er nog één of meer kinderen geadopteerd zijn (nadat zij geadopteerd zijn in het gezin).

2.2 De band met de (adoptie)ouders tijdens de jeugd

In het onderzoek is de respondenten ook gevraagd naar de band met hun (adoptie)ouders tijdens hun jeugd. Uit figuur 2.2.1 blijkt dat ruim 51% van de geadopteerde personen een (hele) hechte band had met de adoptievader tijdens de jeugd. Voor de niet-geadopteerde personen geldt dat 55% een (hele) hechte band had met zijn/haar biologische vader tijdens de jeugd. Figuur 2.2.2 laat zien dat 22% van de geadopteerde volwassenen regelmatig tot vaak conflicten of spanningen had met zijn/haar adoptievader tijdens de jeugd. Van de niet-geadopteerde volwassenen geeft 16% aan regelmatig tot vaak conflicten of spanningen te hebben gehad met zijn/haar biologische vader tijdens de jeugd.

2.2.1 Hechtheid van de band met de adoptievader/biologische vader tijdens de jeugd
Mate van hechting met adoptievader/biologische vader tijdens de jeugdGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Helemaal niet hecht6,83,9
Niet hecht16,014,0
Redelijk hecht26,026,9
Hecht30,835,0
Heel hecht20,520,3

2.2.2 Percentage spanningen en/of conflicten tussen kind en vader
Percentage spanningen en/of conflicten tussen kind en vaderGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Nooit28,134,2
Soms50,249,9
Regelmatig12,710,1
Vaak9,05,8


In figuur 2.2.3 is weergegeven dat 61% van de geadopteerden een (hele) hechte band had met de adoptiemoeder tijdens de jeugd. Voor de niet-geadopteerden geldt dat ruim 80% een (hele) hechte band had met de moeder tijdens de jeugd. Figuur 2.2.4 laat zien dat bijna 30% van de geadopteerde volwassenen aangeeft spanningen of conflicten te hebben gehad met zijn/haar adoptiemoeder tijdens de jeugd. Van de niet-geadopteerde volwassenen geeft 11% aan deze spanningen of conflicten te hebben gehad met zijn/haar moeder.

2.2.3 Hechtheid van de band met de adoptiemoeder/biologische moeder tijdens de jeugd
Mate van hechting met adoptiemoeder/biologische moeder tijdens de jeugdGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Helemaal niet hecht7,42,0
Niet hecht10,23,9
Redelijk hecht21,113,8
Hecht34,343,0
Heel hecht27,137,3

2.2.4 Percentage spanningen en/of conflicten tussen kind en moeder
Percentage spanningen en/of conflicten tussen kind en moederGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Nooit21,533,8
Soms48,955,3
Regelmatig16,28,2
Vaak13,42,7


Geadopteerde personen hebben gemiddeld genomen dus een goede band met zowel de adoptievader als de adoptiemoeder. Ze geven aan dat tijdens hun jeugd de band met de ouders hecht was en er was niet heel vaak sprake van conflicten. Gemiddeld genomen is de relatie tussen geadopteerde personen en hun adoptieouders minder goed dan de relatie tussen niet-geadopteerde personen en hun ouders.

Zoals in de inleiding aangegeven was er aan het einde van de vragenlijst ruimte om gegeven antwoorden nader toe te lichten en om eventuele opmerkingen over de adoptie weer te geven. Het is gezien de aard van de data (uitgeschreven opmerkingen) niet mogelijk om statistische analyses te doen met deze gegevens en uitspraken te doen over de representativiteit van de opmerkingen. Wel geven ze inzicht in zaken die er spelen. Daarom zijn de open antwoorden die meermaals naar voren kwamen in de vragenlijst in dit rapport als aanvulling op de statische analyses van de gesloten vragen toegevoegd. Er zijn meerdere geadopteerde personen die in deze ruimte ingegaan zijn op de vroegere thuissituatie en de relatie met de adoptieouders. Zo geven meerdere personen aan dat zij van mening zijn dat hun adoptieouders eigenlijk nooit kinderen hadden mogen adopteren, omdat zij hier niet toe in staat zouden zijn vanwege bijvoorbeeld psychische problemen, omdat zij reeds overspannen zouden zijn of omdat zij gewelddadig zouden zijn. Er klinkt ook de roep om een betere screening van de adoptieouders. Er wordt aangegeven dat er streng getoetst moet worden of ouders ‘mentaal, emotioneel en financieel’ in staat zijn om adoptiekinderen op te voeden alvorens toestemming voor adoptie gegeven wordt.20)

2.3 Beleving jeugd in het algemeen

De respondenten is verder gevraagd naar hoe zij hun jeugd hebben ervaren. In het onderzoek zijn enkele algemene stellingen voorgelegd aan de respondenten over de algemene jeugdbeleving: 1) Ik kijk meestal met plezier terug op mijn jeugd, 2) Ik denk weleens, was ik maar in een andere familie opgegroeid, 3) Ik heb al met al een gelukkige jeugd gehad, en 4) Ik was opgelucht toen ik uit huis ging. Respondenten konden aangeven in hoeverre ze het eens of oneens waren met deze stellingen.

Uit figuur 2.3.1 komt naar voren dat 69% van de geadopteerde volwassenen met plezier terugkijkt op zijn/haar jeugd. Voor de niet-geadopteerde volwassenen is dat 79%. Daarnaast kijkt 17% van de geadopteerde volwassenen niet met plezier terug op zijn/haar jeugd ten opzichte van 8% onder de niet-geadopteerden.

2.3.1 Percentage dat met plezier terugkijkt op zijn/haar jeugd
Ik kijk meestal met plezier terug op mijn jeugdGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Helemaal oneens6,52,0
Oneens10,56,3
Niet oneens, niet eens13,612,8
Eens31,935,9
Helemaal eens37,543,0


Uit figuur 2.3.2 blijkt dat ruim 20% van de geadopteerde volwassenen weleens de volgende gedachte heeft gehad: ‘was ik maar in een andere familie opgegroeid’. Zij zijn het dus (helemaal) eens met deze stelling. Voor de niet-geadopteerde volwassenen is dat 8%. Van de geadopteerde volwassenen geeft 69% aan nooit deze gedachte te hebben gehad ten opzichte van 86% onder de niet-geadopteerden. Zij zijn het dus (helemaal) oneens met deze stelling.

2.3.2 Percentage dat weleens denkt 'was ik maar in een andere familie opgegroeid'
Ik denk weleens, was ik maar in een andere familie opgegroeidGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Helemaal oneens49,160,6
Oneens19,725,7
Niet oneens, niet eens10,95,2
Eens12,76,6
Helemaal eens7,71,8


Figuur 2.3.3 laat zien dat 72% van de geadopteerde volwassenen aangeeft al met al een gelukkige jeugd te hebben gehad (zij zijn het (helemaal) eens met de stelling). Voor de niet-geadopteerde volwassenen is dat 82%. Van de geadopteerde volwassenen geeft 14% aan al met al geen gelukkige jeugd te hebben gehad ten opzichte van 6% onder de niet-geadopteerde volwassenen (zij zijn het (helemaal) oneens met de stelling).

2.3.3 Percentage dat al met al een gelukkige jeugd heeft gehad
Ik heb al met al een gelukkige jeugd gehadGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Helemaal oneens5,11,0
Oneens8,94,6
Niet oneens, niet eens13,812,6
Eens32,332,3
Helemaal eens39,949,5


Uit figuur 2.3.4 komt naar voren dat 36% van de geadopteerde volwassenen aangeeft opgelucht te zijn geweest toen zij uit huis gingen. Voor niet-geadopteerde personen is dat bijna 23%. Bijna 36% van de geadopteerde volwassenen geeft aan dat ze niet opgelucht waren toen ze uit huis gingen ten opzichte van 53% onder de niet-geadopteerden.

2.3.4 Percentage dat opgelucht was toen zij/hij uit huis ging tijdens zijn/haar jeugd
Ik was opgelucht toen ik uit huis gingGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Helemaal oneens15,423,4
Oneens20,329,8
Niet oneens, niet eens28,424,2
Eens19,916,0
Helemaal eens16,06,6


Samenvattend geven geadopteerde personen aan gemiddeld genomen een fijne jeugd te hebben gehad. De meeste geadopteerde personen kijken met plezier terug op hun jeugd en geven aan al met al een gelukkige jeugd te hebben gehad. Verder geven de meeste geadopteerde personen niet aan weleens te wensen dat ze in een andere familie opgegroeid zouden zijn. Gemiddeld genomen kijken geadopteerde personen met iets minder plezier terug op de jeugd dan niet-geadopteerde personen.

2.4 Schooltijd

Het laatste onderdeel van het hoofdstuk jeugd gaat in op de ervaring van de schooltijd. In het onderzoek zijn meerdere stellingen voorgelegd aan de respondenten over de ervaringen tijdens hun schooltijd. Er is ingegaan op de relaties van personen met docenten en leeftijdsgenoten, pestgedrag, prestaties op school en probleemgedrag tijdens de jeugd/op school.

Uit figuur 2.4.1 komt naar voren dat bijna 84% van de geadopteerde volwassenen aangeeft het goed met leraren te kunnen vinden tijdens zijn/haar schooltijd. Voor niet-geadopteerden is dit bijna 90%.

2.4.1 Percentage dat het goed kon vinden met leraren tijdens zijn/haar schooltijd
Ik kon het goed vinden met lerarenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing3,21,6
Nee12,510,4
Ja84,388,0


Uit figuur 2.4.2 komt naar voren dat 73% van de geadopteerden aangeeft veel vrienden te hebben gehad tijdens zijn/haar schooltijd. Voor niet-geadopteerden is dit 70%. Na controle voor de verschillende achtergrondkenmerken (zie bijlage 1) zijn de verschillen tussen geadopteerde personen en niet-geadopteerde personen niet statistisch significant.

2.4.2 Percentage dat veel vrienden had tijdens zijn/haar schooltijd
Ik had veel vriendenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing1,50,7
Nee25,629,2
Ja72,970,1


In het onderzoek is ook gevraagd naar pestgedrag: werden personen gepest op school en/of pestten zij zelf andere kinderen op school? Uit figuur 2.4.3 komt naar voren dat 34% van de geadopteerde volwassenen aangeeft dat ze door andere kinderen gepest werden tijdens hun schooltijd. Voor niet-geadopteerde volwassenen is dit 33%.

2.4.3 Percentage dat werd gepest door andere kinderen tijdens zijn/haar schooltijd
Ik werd gepest door andere kinderenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing2,00,6
Nee64,166,0
Ja33,933,4


Figuur 2.4.4 toont dat 19% van de geadopteerde personen aangeeft andere kinderen te hebben gepest tijdens zijn/haar schooltijd. Voor niet-geadopteerde personen is dit 12%. Kortom, geadopteerde volwassenen geven significant iets vaker aan gepest te zijn als kind. Zij geven ook vaker aan zelf andere kinderen gepest te hebben tijdens hun jeugd.21)

2.4.4 Percentage dat andere kinderen heeft gepest tijdens zijn/haar schooltijd
Ik heb andere kinderen gepestGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing2,71,5
Nee78,287,0
Ja19,111,5


Voor probleemgedrag tijdens de jeugd/op school is gevraagd naar of personen al dan niet vaak gespijbeld hebben, of zij weleens zijn weggelopen van huis, of zij weleens van school gestuurd zijn of geschorst werden en of ze weleens in aanraking zijn gekomen met politie en/of justitie. Uit figuur 2.4.5 komt naar voren dat 21% van de geadopteerden aangeeft vaak te hebben gespijbeld tijdens zijn/haar schooltijd. Voor niet-geadopteerden is dit 15%.

2.4.5 Percentage dat vaak gespijbeld heeft tijdens zijn/haar schooltijd
Ik heb vaak gespijbeldGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing3,61,7
Nee75,583,8
Ja20,914,5


Zoals in figuur 2.4.6 te zien is geeft 15% van de geadopteerden aan weg te zijn gelopen van huis tijdens zijn/haar schooltijd. Voor niet-geadopteerden is dit 3%.

2.4.6 Percentage dat weggelopen is van huis tijdens zijn/haar schooltijd
Ik ben weggelopen van huisGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing2,60,6
Nee82,296,1
Ja15,13,3


Uit figuur 2.4.7 komt naar voren dat 11% van de geadopteerde volwassenen aangeeft van school gestuurd te zijn of te zijn geschorst tijdens de schoolperiode. Voor niet-geadopteerden is dit 7%.

2.4.7 Percentage dat van school gestuurd of geschorst is tijdens zijn/haar schooltijd
Ik werd van school gestuurd of geschorstGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing2,30,6
Nee86,392,6
Ja11,46,8


Figuur 2.4.8 toont dat 14% van de geadopteerden aangeeft in aanraking te zijn gekomen met politie en/of justitie tijdens zijn/haar schoolperiode. Voor niet-geadopteerden is dit 8%.

2.4.8 Percentage dat in aanraking is gekomen met de politie en/of justitie tijdens zijn/haar schooltijd
Ik ben in aanraking gekomen met politie en/of justitieGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing2,81,3
Nee82,890,7
Ja14,38,0


Er blijkt bij geadopteerde personen dus vaker sprake te zijn geweest van probleemgedrag tijdens de jeugd. Zij geven vaker aan veel gespijbeld te hebben, van huis te zijn weggelopen, van school te zijn gestuurd of geschorst en vaker in aanraking te zijn gekomen met politie en/of justitie dan niet-geadopteerde personen.

Zoals eerder aangeven was er in het onderzoek aan het einde van de vragenlijst de ruimte om bepaalde antwoorden toe te lichten en/of om meer informatie te geven over bijvoorbeeld de adoptie. Er zijn meerdere geadopteerde personen die in deze ruimte ingegaan zijn op de beleving van de jeugd en eventuele problemen vroeger thuis. Meerdere geadopteerde personen geven aan dat ze vinden dat er meer hulp geboden moet worden aan adoptiegezinnen. Dit zou standaard (meer) moeten gebeuren zo wordt beargumenteerd. Er wordt aangegeven dat er een betere voorlichting moet komen over de impact van adopteren. Er zijn ook geadopteerden die van mening zijn dat de adoptieouders zich meer zouden moeten verdiepen in de taal en cultuur van het geboorteland van het adoptiekind alvorens zij een kind adopteren. Verder zou er na de adoptie (dus tijdens de jeugd) standaard meer nazorg en pedagogische begeleiding moeten komen. Ook benoemen respondenten dat regelmatige controles bij adoptiegezinnen en gesprekken met direct betrokkenen (ouders en kinderen) waardevol zouden zijn. Dit om meer inzicht en begeleiding te geven aan adoptiegezinnen over bijvoorbeeld adoptie en hechting. De belangen van het adoptiekind, en niet van de adoptieouders, moeten altijd centraal staan, zo wordt opgemerkt.

Tot slot is nog in het algemeen ingegaan op schoolprestaties. Meer specifiek is gevraagd of personen weleens zijn blijven zitten en of zij weleens een klas hebben overgeslagen. Uit figuur 2.4.9 komt naar voren dat 46% van de geadopteerde volwassenen aangeeft te zijn blijven zitten tijdens zijn/haar schooltijd. Voor niet-geadopteerden is dit 38%.

2.4.9 Percentage dat is blijven zitten tijdens zijn/haar schooltijd
Ik ben blijven zittenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing1,82,8
Nee52,459,4
Ja45,737,8


Uit figuur 2.4.10 komt naar voren dat 5% van de geadopteerden aangeeft een klas te hebben overgeslagen tijdens zijn/haar schooltijd. Voor niet-geadopteerden is dit 3%. Kortom, geadopteerde personen zijn op school vaker blijven zitten, maar hebben ook vaker een klas overgeslagen dan niet-geadopteerde personen.

2.4.10 Percentage dat een klas heeft overgeslagen tijdens zijn/haar schooltijd
Ik heb een klas overgeslagenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Niet van toepassing2,91,9
Nee91,895,0
Ja5,33,1

19) In dit onderzoek is de term adoptieouders gebruikt. Het was voor het onderzoek essentieel dat het altijd duidelijk was voor de respondent of de vragen gingen over de biologische ouders of over de ouders die de persoon geadopteerd hebben. De onderzoekers realiseren zich dat deze term mogelijk als kwetsend of ongepast kan worden ervaren, maar het was om onderzoekstechnische redenen (om de validiteit van de onderzoeksresultaten te waarborgen) nodig om dit zo aan te duiden.
20) Voor een beschrijving van de huidige adoptieprocedure in Nederland zie Ter Meulen (2019).
21) Uit eerder onderzoek is gebleken dat veel leerlingen die pesten, zelf ook gepest worden. Uit het Landelijk onderzoek pesten 2012 (Van der Gaag en Duiven, 2013) blijkt dat op de basisschool 15% van de pesters zelf ook wordt gepest.

3. Volwassenheid: leefsituatie en welzijn van geadopteerden (versus niet-geadopteerden)

In het vorige hoofdstuk is ingegaan op verschillen tussen geadopteerde en niet-geadopteerde volwassenen wat betreft de woonsituatie en ervaringen in de jeugd. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de leefsituatie, relaties en ervaringen in het volwassen leven. Meer specifiek wordt gekeken naar de band die men nu heeft met de ouders (paragraaf 3.1), de huidige gezinssituatie (paragraaf 3.2) en gezondheid en welzijn (paragraaf 3.3, 3.4 en 3.5).

3.1 Huidige band met ouders

Als eerste wordt in dit hoofdstuk gekeken naar de relatie die personen tijdens hun volwassen leven hebben met de ouders. In het vorige hoofdstuk kwam naar voren dat geadopteerde personen in hun jeugd in het algemeen een goede relatie bleken te hebben met hun adoptieouders. Wel is de relatie met de ouders iets minder goed dan bij niet-geadopteerde personen. Hoe goed is de relatie met de (adoptie)ouders in het volwassen leven?

In het onderzoek zijn enkele algemene stellingen voorgelegd aan de respondenten over de band met de ouders: 1) Ik denk vaak aan mijn (adoptie)ouders, 2) Ik vertel mijn (adoptie)ouders veel over mijn leven, 3) Ik heb vaak dat bepaalde dingen me doen denken aan mijn (adoptie)ouders, 4) Ik ben geïnteresseerd in het leven van mijn (adoptie)ouders en 5) Ik voel me helemaal op mijn plek in mijn (adoptie)gezin. Respondenten kunnen aangeven in hoeverre ze het eens of oneens zijn met deze stellingen. De antwoorden op deze vijf stellingen zijn samengevoegd om de algemene band met de ouders te meten. Het kan robuuster (beter) zijn om een bepaald kenmerk, in dit geval de band van de ouders, te meten door middel van antwoorden op meerdere stellingen in plaats van door middel van één afzonderlijke stelling. Op deze manier ontstaat een meer dekkende meting van dit kenmerk. Door de antwoorden op de vijf afzonderlijke stellingen te combineren wordt een zogenoemde schaal gemaakt om de band met de ouders te meten. Samen vormen deze items een betrouwbare schaal om de globale band met de (adoptie)ouders te meten (zie bijlage 2 voor meer informatie hierover). Een hoge score op deze schaal (5) staat voor een goede band met de ouders en een lage score (1) voor een slechte band met de ouders. Gemiddeld genomen scoren geadopteerde volwassenen 3,69 op deze vijfpuntsschaal. Dit geeft aan dat geadopteerde volwassenen gemiddeld genomen een redelijk goede band hebben met de adoptieouders. Niet-geadopteerde personen scoren gemiddeld genomen 3,93 op de schaal. Dit betekent dat niet-geadopteerde personen een iets betere, maar niet heel veel betere band met de ouders blijken te hebben in vergelijking met geadopteerde volwassenen.

Aan geadopteerde volwassenen uit adoptiegezinnen met ook biologische kinderen is ook nog de stelling voorgelegd ‘Mijn ouders maken geen onderscheid tussen hun biologisch(e) kind(eren) en adoptiekind(eren)’. 3.1.1 laat zien dat een grote meerderheid (80%) van de personen die opgegroeid is in een gezin met zowel adoptiekinderen als biologische kinderen aangeeft het (helemaal) eens te zijn met de stelling dat hun ouders geen onderscheid maken tussen hun biologische kind(eren) en adoptiekind. Van de personen die opgegroeid zijn in een gezin met zowel adoptiekinderen als biologische kinderen geeft 12% aan dat er wel een onderscheid gemaakt werd (zij zijn het (helemaal) oneens met de stelling).

3.1.1 Percentage in hoeverre zijn/haar ouders geen onderscheid maken tussen hun biologisch(e) kind(eren) en adoptiekind(eren)
Mijn ouders maken geen onderscheid tussen hun biologisch(e) kind(eren) en hun adoptiekind(eren)Geadopteerd (%)
Helemaal oneens6,6
Oneens4,9
Niet eens,niet oneens8,3
Eens21,6
Helemaal eens58,6

Relatie met de adoptievader

In het onderzoek zijn ook enkele vragen gesteld specifiek over de band met de vader. Zo is respondenten gevraagd hoe hecht de band met de vader is op het moment van het invullen van de vragenlijst.

Uit figuur 3.1.2 komt naar voren dat de meeste geadopteerde volwassenen aangeven een goede band te hebben met de vader. Meer dan de helft (58%) van de geadopteerde volwassenen geeft aan een (hele) hechte band te hebben met de vader. In totaal heeft meer dan driekwart van de geadopteerde volwassenen een (redelijk tot heel) hechte band met de vader. Een minderheid (13%) geeft aan geen goede band te hebben met de vader. Minder dan 10% van de geadopteerde volwassenen geeft aan helemaal geen contact te hebben met de vader. Gemiddeld genomen is de band met de vader voor geadopteerde personen iets minder hecht dan voor niet-geadopteerde personen.

3.1.2 Hechtheid van de band met adoptievader/biologische vader op dit moment
Hoe hecht is de band met uw adoptie-vader op dit moment?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Er is geen contact9,36,2
Helemaal niet hecht4,03,6
Niet hecht9,37,9
Redelijk hecht19,920,8
Hecht31,939,0
Heel hecht25,622,5


Figuur 3.1.3 laat zien dat meer dan de helft (52%) van de geadopteerde volwassenen aangeeft nooit conflicten en/of spanningen te ervaren met de vader en 42% geeft aan dat dergelijke conflicten en spanningen er soms zijn. Zes procent van de geadopteerde volwassenen geeft aan regelmatig of vaak conflicten te hebben met de vader. Niet-geadopteerde volwassenen geven ongeveer even vaak aan conflicten en/of spanningen te hebben met de vader dan geadopteerde volwassenen.

3.1.3 Percentage spanningen en/of conflicten tussen kind en (adoptie)vader
Zijn er weleens spanningen en/of conflicten tussen u en uw adoptie-vader?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Nooit52,159,7
Soms42,234,7
Regelmatig4,03,6
Vaak1,81,9


Zoals hierboven aangegeven heeft een deel van de volwassenen geen contact met de vader. In het onderzoek is ook gevraagd waarom er geen contact (meer) is. Figuur 3.1.4 laat zien dat de meest genoemde reden is dat geadopteerde personen de vader niet meer willen zien (44%). Ook voor niet-geadopteerde volwassenen is de vader niet meer willen zien de meest genoemde reden dat er geen contact meer is met de vader (47%).

3.1.4 Percentage reden van geen contact meer met (adoptie)vader
Waarom is er geen contact meer? Kies de voor u belangrijkste reden.Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
We zijn uit elkaar gegroeid7,01,9
Er is ruzie geweest19,825,0
Ik wil hem niet meer zien44,146,8
Hij wil mij niet meer zien8,93,8
Er zijn wettelijke beperkingen0,40,0
Het is zo gegaan, er is geen duidelijke reden9,83,1
Er was eigenlijk nooit contact9,919,4


Tot slot zijn aan geadopteerde volwassenen nog twee stellingen voorgelegd over de adoptievader: 1) Ik beschouw hem als mijn vader en 2) Hij gedraagt zich tegenover mij als een echte vader. Respondenten konden op een 5-puntschaal aangeven in hoeverre ze het eens of oneens waren met deze stellingen. Uit figuur 3.1.5 komt naar voren dat 85% van de geadopteerde volwassenen aangeeft de adoptievader als hun vader te beschouwen. Bijna 70% geeft aan het hier helemaal mee eens te zijn. Ook geeft een grote meerderheid (80%) aan dat de adoptievader zich gedraagt als een echte vader (figuur 3.1.6).

3.1.5 Percentage dat zijn/haar adoptievader beschouwt als zijn/haar vader
Ik beschouw hem als mijn vaderGeadopteerd (%)
Helemaal oneens5,5
Oneens3,3
Niet eens, niet oneens6,4
Eens18,0
Helemaal eens66,7

3.1.6 Percentage dat aangeeft dat zijn/haar adoptievader zich gedraagt als een echte vader
Hij gedraagt zich tegenover mij als een echte vaderGeadopteerd (%)
Helemaal oneens7,4
Oneens5,6
Niet eens, niet oneens7,2
Eens15,4
Helemaal eens64,4


Samenvattend, is de relatie tussen geadopteerde volwassenen en hun adoptievader vaak goed. De meeste geadopteerde volwassenen geven aan een (hele) hechte band te hebben met de adoptievader, niet vaak conflicten te hebben met de adoptievader en hem te beschouwen als hun vader. De relatie met de vader blijkt bij geadopteerde volwassenen gemiddeld genomen iets minder goed te zijn dan bij niet-geadopteerde volwassenen.

Relatie met de adoptiemoeder

Bovenstaande vragen zijn ook gesteld met betrekking tot de moeder. De relatie met de adoptiemoeder is in het algemeen (nog) beter dan met de adoptievader (figuur 3.1.7). Meer dan een derde van de geadopteerde volwassenen geeft aan een hele hechte band te hebben met de adoptiemoeder en meer dan 30% geeft aan een hechte band te hebben. Ongeveer 6% van de geadopteerde volwassenen geeft aan geen contact te hebben met moeder. Niet-geadopteerde volwassenen hebben gemiddeld genomen een hechtere band met hun moeder dan geadopteerde volwassenen.

3.1.7 Hechtheid van de band met adoptiemoeder/biologische moeder op dit moment
Hoe hecht is de band met uw adoptie-moeder op dit moment?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Er is geen contact6,21,4
Helemaal niet hecht4,01,8
Niet hecht6,03,6
Redelijk hecht17,212,5
Hecht30,440,9
Heel hecht36,239,9


In figuur 3.1.8 staat weergegeven hoe vaak geadopteerde volwassenen conflicten hebben met hun moeder. Geadopteerde volwassen geven vaker aan regelmatig tot vaak conflicten te hebben met hun adoptiemoeder dan met hun adoptievader (10% versus 6%). Slechts een kleine minderheid heeft regelmatig of vaak conflicten met de moeder. Vergelijkbaar bij de adoptievader, geven niet-geadopteerde volwassenen minder vaak aan dat er spanningen en/of conflicten zijn met de moeder dan geadopteerde volwassenen. De verschillen tussen geadopteerde en niet-geadopteerde volwassenen lijken bij de moeder groter te zijn dan bij de vader. Ongeveer 63% van de niet-geadopteerde volwassenen geeft aan nooit conflicten en/of spanningen te hebben met de moeder tegenover 44% van de geadopteerde volwassenen (bij de vader was dit respectievelijk 60% en 52%).

3.1.8 Percentage spanningen en/of conflicten tussen kind en (adoptie)moeder
Zijn er weleens spanningen en/of conflicten tussen u en uw adoptie-moeder?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Nooit43,963,2
Soms46,534,1
Regelmatig7,12,5
Vaak2,40,3


Ook voor de moeder is gevraagd waarom er geen contact meer is met de adoptiemoeder indien respondenten aangaven dat er geen contact meer is (figuur 3.1.9). Opnieuw is de reden ‘ik wil haar niet meer zien’ de meest voorkomende reden (47%). De aantallen voor de niet-geadopteerde volwassenen zijn in dit geval te klein om een betrouwbare vergelijking te kunnen maken tussen geadopteerde en niet-geadopteerde volwassenen.

3.1.9 Percentage reden van geen contact meer met (adoptie)moeder
Waarom is er geen contact meer? Kies de voor u belangrijkste reden.Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
We zijn uit elkaar gegroeid5,00,0
Er is ruzie geweest30,70,0
Ik wil haar niet meer zien47,274,2
Zij wil mij niet meer zien6,40,0
Er zijn wettelijke beperkingen2,00,0
Het is zo gegaan, er is geen duidelijke reden2,125,8
Er was eigenlijk nooit contact6,50,0


Tot slot hebben de geadopteerde volwassenen ook over hun adoptiemoeder aangegeven in hoeverre zij haar beschouwen als hun moeder en in hoeverre zij zich gedraagt als een echte moeder. Ook in de figuren 3.1.10 en 3.1.11 zien we dat de 87% van de geadopteerde volwassenen aangeeft hun adoptiemoeder als hun moeder te beschouwen en 85% geeft aan dat zij zich ook als een echte moeder gedraagt.

3.1.10 Percentage dat zijn/haar adoptiemoeder beschouwt als zijn/haar moeder
Ik beschouw haar als mijn moederGeadopteerd (%)
Helemaal oneens4,4
Oneens3,1
Niet eens, niet oneens5,7
Eens16,3
Helemaal eens70,5

3.1.11 Percentage dat aangeeft dat zijn/haar adoptiemoeder zich gedraagt als een echte moeder
Zij gedraagt zich tegenover mij als een echte moederGeadopteerd (%)
Helemaal oneens5,3
Oneens4,1
Niet eens, niet oneens5,9
Eens14,4
Helemaal eens70,3


Net als bij de vader zien we ook voor de moeder dat de relatie tussen de adoptiemoeder en geadopteerde volwassenen vaak goed is. Ook hier geeft een meerderheid aan een hechte relatie met de moeder te hebben en dat er niet vaak conflicten en/of spanningen zijn. De relatie met de moeder blijkt voor geadopteerde volwassenen gemiddeld genomen iets minder goed dan voor niet-geadopteerde volwassenen. In het vorige hoofdstuk kwam naar voren dat geadopteerde volwassenen tijdens hun jeugd aangaven een minder hechte band te hebben gehad met hun ouders dan niet-geadopteerde personen. Deze verschillen zijn ook zichtbaar in het volwassen leven.

3.2 Huidige gezinssamenstelling

Hierboven is ingegaan op de relatie die volwassenen hebben met hun ouders. Hieronder wordt beschreven in hoeverre personen zelf een gezin, dat wil zeggen een partner en/of kinderen, hebben.22) Ook wordt ingegaan op de kwaliteit van de relatie met de partner.

Van de geadopteerde respondenten heeft 61% langer dan zes maanden een vaste partner. Dit is minder vaak dan de niet-geadopteerde volwassenen (in dezelfde leeftijdscategorie). Van de niet-geadopteerde volwassenen die deelgenomen hebben aan het onderzoek geeft 69% aan een vaste partner te hebben. In het onderzoek is ook gevraagd hoe hecht de band met de partner is. Figuur 3.2.1 laat zien dat de meeste personen aangeven dat de relatie met de partner (heel) hecht is (89% en 95%). Niet-geadopteerde personen geven vaker aan dat de relatie met de partner heel hecht is (73%) dan geadopteerde personen (63%).

3.2.1 Hechtheid van de band met partner
Hoe hecht is uw band met uw partner?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Helemaal niet hecht0,40,0
Niet hecht1,31,0
Redelijk hecht9,14,0
Hecht26,022,1
Heel hecht63,172,9
 

Indien gekeken wordt naar hoe vaak er conflicten en/of spanningen in de relatie zijn, is hetzelfde beeld te zien: de meeste mensen geven aan dat de relatie met de partner goed is in de zin dat er niet vaak sprake is van conflicten en/of spanningen (figuur 3.2.2). Niet-geadopteerde volwassenen geven vaker aan nooit spanningen en/of conflicten te hebben met de partner (24%) dan geadopteerde volwassenen (17%).

3.2.2 Percentage spanningen en/of conflicten met de partner
Zijn er weleens spanningen en/of conflicten tussen u en uw partner?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Nooit17,024,2
Soms69,668,8
Regelmatig10,85,3
Vaak2,61,7


Verder is in het onderzoek gevraagd in welke mate men vertrouwen heeft in de toekomst van de relatie met de partner. Figuur 3.2.3 laat zien dat in het algemeen de meeste personen aangeven veel of heel veel vertrouwen te hebben in de relatie. Dit geldt zowel voor geadopteerde als voor niet-geadopteerde volwassenen (84% en 91%). Ook hier geven niet-geadopteerde personen vaker aan heel veel vertrouwen te hebben in de toekomst van de relatie (63%) dan geadopteerde personen (52%).

3.2.3 Percentages vertrouwen in de toekomst van de relatie met de partner
In welke mate heeft u vertrouwen in de toekomst van uw relatie met uw partner?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weinig of geen vertrouwen0,70,8
Niet zo veel vertrouwen3,31,0
Niet veel en niet weinig vertrouwen9,06,8
Veel vertrouwen31,928,1
Heel veel vertrouwen52,362,9
Wil ik niet zeggen2,70,5


Door middel van een schaal (samenvoeging van antwoorden op meerdere stellingen) is aan personen gevraagd in hoeverre zij vertrouwen hebben in andere mensen. Meer specifiek is respondenten gevraagd in hoeverre zij het eens of oneens waren met de volgende stellingen: 1) De meeste mensen zijn wel te vertrouwen, 2) Als je anderen helpt kom je vaak bedrogen uit, 3) Ik vind/vond het in een relatie moeilijk om mijn partner te vertrouwen, 4) Het is riskant om je open te stellen voor anderen en 5) In relaties twijfel ik vaak of het wel goed zal blijven gaan. De antwoorden op deze vijf stellingen worden samengevoegd in één schaal om algemeen vertrouwen te meten (de items vormen een betrouwbare schaal, zie bijlage 2). Het eerste item is positief geformuleerd in de zin dat wanneer mensen het eens zijn met de stelling dit betekent dat ze veel vertrouwen hebben in mensen om hen heen. De andere items zijn negatief geformuleerd in de zin dat wanneer personen het eens zijn met deze stellingen dit duidt op weinig vertrouwen in mensen om hen heen. Door zowel positief als negatief geformuleerde items af te wisselen in een vragenlijst wordt de kans verkleind dat de respondenten routinematig de vragen beantwoorden (bijvoorbeeld door altijd eens aan te vinken) en wordt de kans vergroot dat respondenten beter nadenken over de stelling alvorens hun antwoord te geven. Om de items te kunnen combineren in één schaal om algemeen vertrouwen in mensen te meten, moeten de items in de analysefase gehercodeerd worden. Dit houdt in dat de antwoorden op alle items zo gecodeerd worden dat een hoge score op alle items hetzelfde betekent. In dit geval betekent een lage score op de schaal (1) dat personen veel moeite hebben om mensen te vertrouwen en een hoge score op de schaal (5) geeft aan dat personen in het algemeen veel vertrouwen hebben in mensen om hen heen. Op basis van deze analyses hebben geadopteerde personen meer moeite om mensen te vertrouwen dan niet-geadopteerde personen (gemiddelde is respectievelijk 3,33 en 3,63).

In de beschikbare ruimte aan het einde van de vragenlijst geven meerdere geadopteerde personen aan dat zij het gevoel hebben dat hun adoptie invloed heeft op de relaties die zij aangaan met mensen. Meer specifiek geven meerdere mensen aan verlatingsangst te hebben die zij koppelen aan het feit dat zij geadopteerd zijn.

In het onderzoek is ook gevraagd naar hoe vaak men in het verleden lange relaties gehad heeft. Iets meer dan 40% van de geadopteerde volwassenen heeft in het verleden 1 of 2 lange relaties gehad en iets meer dan 30% van de geadopteerde volwassenen geeft aan in het verleden geen lange relatie gehad te hebben (figuur 3.2.4).

3.2.4 Percentage aantal relaties die in het verleden langer dan 6 maanden hebben geduurd
Heeft u in het verleden een relatie gehad die tenminste 6 maanden heeft geduurd?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Geen eerdere relaties32,137,7
1-242,530,7
3-618,119,7
7-91,80,8
10 of meer5,511,0


Tot slot is nog gevraagd of personen al dan niet kinderen hebben. Van de geadopteerde volwassenen geeft 42% aan biologische kinderen te hebben. Dit is minder vaak dan bij niet-geadopteerde volwassenen (51%). Het zelf adopteren van kinderen gebeurt iets vaker bij geadopteerde volwassenen (ongeveer 1%) dan bij niet-geadopteerde volwassenen, maar na controle voor de verschillende achtergrondkenmerken zijn deze verschillen tussen geadopteerde volwassenen en niet-geadopteerde volwassenen statistisch niet meer significant.

3.3 Gezondheid en welzijn23)

In het onderzoek is verder ingegaan op de gezondheid en het welzijn van geadopteerde volwassenen. Om algemeen welzijn te onderzoeken zijn aan respondenten de volgende drie stellingen voorgelegd: 1) Mijn leven is ideaal in de meeste opzichten, 2) Mijn levensomstandigheden zijn uitstekend, en 3) Ik ben tevreden met mijn leven, alles bij elkaar genomen. Hier is een schaal van gemaakt (door de antwoorden op bovengenoemde drie stellingen te combineren) waar een hoge score staat voor een hoger welzijn (1 = ‘helemaal oneens’ met alle stellingen en 5 = ‘helemaal eens’ met alle stellingen). Het welzijn onder geadopteerde personen is in het algemeen hoog (gemiddelde = 3,91 dus gemiddeld ‘eens’ met de stellingen). Wel zijn zij minder tevreden met het leven in het algemeen in vergelijking met niet-geadopteerde volwassenen (gemiddeld 4,02). Hoewel deze verschillen klein lijken, verschillen de twee groepen wel statistisch significant van elkaar voor wat betreft tevredenheid met het leven.

Verder is respondenten gevraagd hoe goed de gezondheid in het algemeen is (1 = ‘zeer slecht’ en 5 = ‘zeer goed’). Figuur 3.3.1 toont dat de meeste geadopteerde volwassenen aangeven dat hun gezondheid in het algemeen goed is. Eénentachtig procent geeft aan dat de gezondheid (heel) goed is. Wel geven geadopteerde volwassenen iets minder vaak aan dat de gezondheid goed is in vergelijking met niet-geadopteerde volwassenen (85%). Dus in het algemeen vinden veel geadopteerde personen hun gezondheid goed, maar niet-geadopteerde personen geven statistisch significant vaker aan een goede gezondheid te hebben dan geadopteerde personen.

3.3.1 Percentage algemene gezondheid
Hoe is over het algemeen uw gezondheid?Geadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Zeer slecht0,80,0
Slecht3,31,2
Gaat wel15,213,4
Goed50,856,4
Zeer goed29,928,9

3.4 Zorggebruik psychisch welzijn

In het onderzoek is uitgebreid aandacht geweest voor het psychisch welzijn van (geadopteerde) volwassenen. Er is onder andere gevraagd of men zelf weleens contact heeft gehad met een psycholoog, psychiater of psychotherapeut. Hier zijn duidelijke verschillen te zien tussen geadopteerde volwassenen en niet-geadopteerde volwassenen. Figuur 3.4.1 toont dat van de niet-geadopteerde volwassenen minder dan de helft aangeeft weleens contact te hebben gehad met een psycholoog, psychiater of psychotherapeut (48%). Bij geadopteerde volwassenen is dit 64%.

3.4.1 Percentage dat weleens contact heeft gehad met een psycholoog, psychiater of psychotherapeut
Percentage dat weleens contact heeft gehad met een psycholoog psychiater of psychotherapeutgeadopteerd (%)niet geadopteerd (%)
Ja64,247,7


Meerdere geadopteerde personen schrijven in het open veld aan het einde van de vragenlijst over de psychologische hulpverlening. Er wordt aangegeven dat de standaard (GGZ-)hulp niet altijd volstaat en dat meer specifieke hulp gericht op geadopteerde personen gewenst is. Het gevaar bestaat, zo wordt aangegeven, dat door de reguliere psychologische zorgverlening verkeerde diagnoses worden gesteld, omdat er niet voldoende begrip en kennis over interlandelijke adoptie aanwezig is bij de zorgverleners. Geadopteerde personen geven aan dat zij hierdoor mogelijk juist extra schade op kunnen lopen door de behandeling. Er zouden meer adoptiespecialisten en adoptiecoaches beschikbaar moeten zijn voor psychologische hulp en vragen (mogelijk ook in de vorm van ervaringsdeskundigen). Ook wordt gesteld dat er een budget beschikbaar zou moeten zijn waaruit dergelijke hulp standaard gefinancierd zou moeten worden.

In het onderzoek is verder gevraagd of personen ooit professionele hulp hebben gekregen voor een verslaving, bijvoorbeeld voor een alcohol-, drugs- of gokverslaving. Ook hier zijn er verschillen tussen geadopteerde en niet-geadopteerde volwassenen. Van de geadopteerde personen geeft 6% aan weleens professionele hulp te hebben gekregen voor een verslaving terwijl dit bij niet-geadopteerde volwassenen 2% is.

3.5 Psychisch welzijn

In deze paragraaf worden achtereenvolgend verschillen in persoonlijkheidskenmerken, gevoelens van eenzaamheid en depressieve gevoelens tussen geadopteerde volwassenen en niet-geadopteerde volwassenen weergegeven. In Tabel 3.5.1 zijn de verschillen in persoonlijkheidskenmerken gepresenteerd. Hieruit valt op te maken dat de meerderheid van de geadopteerde volwassenen zichzelf ziet als een persoon die sociaal/op de omgeving gericht is, kritisch is op anderen en geïnteresseerd is in anderen. In vergelijking met niet-geadopteerde volwassenen geven geadopteerde volwassenen vaker aan zichzelf terughoudend/gereserveerd te vinden en snel nerveus en onzeker te zijn. Ook geven geadopteerde volwassenen minder vaak aan dan niet-geadopteerde personen andere personen makkelijk te vertrouwen/te geloven in het goede van mensen. Na controle voor de verschillende achtergrondkenmerken (zie bijlage 1) verschillen de groepen niet statistisch significant van elkaar op het kenmerk: ‘ontspannen zijn en niet te snel gestrest worden’.

3.5.1 Persoonlijkheidskenmerken geadopteerde en niet-geadopteerde volwassenen, %
GeadopteerdNiet-geadopteerd
Terughoudend/gereserveerd41,739,3
Andere makkelijk vertrouwen/geloven in het goede van mensen48,953,8
Ontspannen/niet snel gestrest53,252,2
Sociaal/op de omgeving gericht zijn79,178,8
Kritisch op anderen zijn53,351,1
Snel nerveus/onzeker29,621,3
Geïnteresseerd zijn in anderen84,878,8


Verder is in het onderzoek, door middel van twee schalen, ook ingegaan op gevoelens van eenzaamheid en depressie. Om gevoelens van eenzaamheid in kaart te brengen zijn aan respondenten de volgende zes stellingen voorgelegd: 1) Ik ervaar een leegte om me heen, 2) Er zijn genoeg mensen waarop ik in geval van narigheid kan terugvallen, 3) Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen, 4) Er zijn voldoende mensen met wie ik mij nauw verbonden voel, 5) Ik mis mensen om me heen, 6) Vaak voel ik me in de steek gelaten. Respondenten konden aangeven in hoeverre deze uitspraken van toepassing waren op hoe zij zich de laatste tijd voelden (ja, min of meer of nee). Alle items zijn in de analysefase gehercodeerd zodat een hoge score staat voor (meer) gevoelens van eenzaamheid. De antwoorden op de zes stellingen zijn vervolgens samengevoegd in één schaal om gevoelens van eenzaamheid te meten. Op de uiteindelijke schaal (1 = ‘niet eenzaam’ en 3 =’ heel eenzaam’) scoorden geadopteerde volwassenen gemiddeld een 1,48 en niet-geadopteerde volwassenen gemiddeld een 1,35. Met andere woorden, geadopteerde volwassenen zijn gemiddeld genomen niet heel eenzaam. Wel geven zij vaker aan gevoelens van eenzaamheid te hebben dan niet-geadopteerde volwassenen.

Tot slot is door middel van een schaal onderzocht in welke mate personen zich de afgelopen (vier) weken neerslachtig hebben gevoeld.24) Meer specifiek zijn respondenten de volgende vragen voorgelegd over de laatste weken: 1) Voelde u zich erg zenuwachtig?, 2) Zat u zo erg in de put dat niets u kon opvrolijken?, 3) Voelde u zich kalm en rustig?, 4) Voelde u zich neerslachtig en somber?, 5) Voelde u zich gelukkig? en 6) Had u veel energie? Respondenten konden aangeven hoe vaak zij deze gevoelens hadden. Ook hier zijn de antwoorden op deze vragen samengevoegd om een robuuste meting te krijgen van gevoelens van neerslachtigheid (zie bijlage 2 voor meer informatie over de betrouwbaarheid van de schaal). Voor de analyses zijn de items zo gehercodeerd dat een hoge score staat voor meer sombere gevoelens van neerslachtigheid (1 = ‘geen neerslachtige gevoelens’ en 6 = ‘heel veel neerslachtige gevoelens’). Gemiddeld genomen blijken geadopteerde personen dus geen hele sterke gevoelens van neerslachtigheid te hebben. Wel blijken geadopteerde volwassenen vaker sombere gevoelens van neerslachtigheid te hebben (gemiddelde is 2,50) dan niet-geadopteerde volwassenen (gemiddelde is 2,38).

In het open veld aan het einde van de vragenlijst om eerdere antwoorden toe te lichten of opmerkingen te plaatsen, zijn meerdere personen ingegaan op gevoelens van eenzaamheid. Zo zegt iemand ‘mijn ervaring als geadopteerde is dat je altijd een leegte voelt’. Redenen voor deze gevoelens die genoemd worden zijn onder andere het niet kennen van de biologische ouders, het ‘losgerukt’ zijn van de biologische familie en de hoeveelheid onbeantwoorde vragen die mensen hebben. Een onderwerp dat in dit open veld regelmatig aan bod komt is ervaren discriminatie. Er zijn meerdere geadopteerde personen die aangeven te maken hebben gehad met discriminatie, in hun jeugd of tijdens het volwassen leven. Dit omdat zij bijvoorbeeld een andere huidskleur hebben (dan bijvoorbeeld de adoptieouders, collega’s of buurtbewoners). Het zijn ook dergelijke uiterlijke kenmerken waardoor geadopteerden, zo wordt aangegeven, elke keer als ‘anders’ gezien of behandeld worden en waardoor zij er steeds (op een negatieve manier) aan herinnerd worden geadopteerd te zijn.

3.6 Special need adoptie

In dit onderzoek gaf bijna 8% van de geadopteerde personen aan dat er bij hun adoptie sprake was van een zogenoemde special need adoptie. Dit houdt in dat kinderen een medische aandoening of een verhoogd risico op medische of andere beperkingen hebben. Dit kan uiteraard invloed hebben op de ervaren gezondheid en welzijn als volwassene. Daarom is in dit onderzoek in meer detail gekeken naar de relatie tussen special need adoptie en gezondheid en welzijn. Personen die aangeven dat er bij hun adoptie sprake was van een special need adoptie geven aan over het algemeen een slechtere gezondheid te hebben dan personen die aangeven dat hier bij hun adoptie geen sprake van was. Bij geadopteerden waar geen sprake is geweest van special need geeft 83% aan een (zeer) goede gezondheid te ervaren, in vergelijking met 72% van geadopteerden waar hiervan wel sprake is geweest. Ook geven geadopteerde personen met een special need adoptie vaker aan psychologische hulp (70% versus 64%) en professionele hulp voor een verslaving (11% versus 5%) te hebben gehad. Verder geven geadopteerde personen bij wie sprake was van een special need adoptie op een vijfpuntsschaal aan minder tevreden te zijn met hun leven (gemiddeld 3,70 versus 3,96, waarbij een hogere score een hogere mate van tevredenheid indiceert), vaker eenzaam te zijn (gemiddeld 2,66 versus 2,45, waarbij een hogere score een hogere mate van eenzaamheid indiceert) en vaker neerslachtig te zijn (gemiddeld 1,54 versus 1,46, waarbij een hogere score een hogere mate van neerslachtigheid indiceert) dan personen die aangeven dat er bij hun adoptie geen sprake was van een special need adoptie.

Hierboven zijn verschillen tussen geadopteerde volwassenen en niet-geadopteerde volwassenen beschreven wat betreft gezondheid en welzijn. Gemiddeld genomen is de gezondheid en het welzijn van geadopteerde personen lager dan van niet-geadopteerde personen. Dit kan deels veroorzaakt worden doordat er bij een deel van de geadopteerde personen sprake was van een special need adoptie (aangezien de gezondheid en welzijn voor deze specifieke groep geadopteerden lager is). Daarom is in het onderzoek nogmaals gekeken of de gezondheid en het welzijn van geadopteerde personen lager is dan die van niet-geadopteerde personen indien de groep geadopteerden met een special need adoptie buiten beschouwing wordt gelaten. Ook indien de groep geadopteerden bij wie sprake was van een special need buiten beschouwing wordt gelaten ervaren geadopteerde personen, in vergelijking met niet-geadopteerde personen, hun gezondheid als minder goed, maken ze vaker gebruik van psychologische hulp en professionele hulp voor verslaving en zijn ze minder tevreden met hun leven en vaker eenzaam en neerslachtig.
22) In dit blok zijn variabelen als burgerlijke staat vanwege de overlap met de uitkomstvariabelen niet meegenomen als controlevariabele (om te kijken of de gerapporteerde verschillen tussen geadopteerde niet-geadopteerde volwassenen nog steeds significant zijn nadat rekening wordt gehouden met achtergrondkenmerken).
23) Zoals aangegeven heeft het veldwerk/de dataverzameling van dit onderzoek plaatsgevonden tijdens de lockdown als gevolg van de verspreiding het coronavirus. Dit heeft mogelijk een invloed gehad op hoe mensen denken over zaken zoals gezondheid. Doorlopende onderzoeken van het CBS tonen in deze periode echter aan dat er, gemiddeld genomen, geen drastische verschuivingen hebben plaatsgevonden door corona wat betreft ervaren gezondheid en psychische gesteldheid.
24) Zoals eerder aangegeven lijkt de coronacrisis geen drastische invloed te hebben gehad op het gemiddelde gerapporteerde welzijn. Het percentage psychisch ongezonde mensen was dit jaar hetzelfde als een jaar eerder.

4. Houding tegenover adoptie

In het onderzoek is ook ingegaan op houdingen ten aanzien van (interlandelijke) adoptie. Dit is zowel voor geadopteerde als niet-geadopteerde volwassenen gedaan (paragraaf 4.1 en 4.2). Ook zijn houdingen van geadopteerde volwassenen ten aanzien van hun eigen adoptie in kaart gebracht (paragraaf 4.3 en 4.4).

4.1 Houdingen ten aanzien van adoptie algemeen

Om algemene gevoelens ten aanzien van interlandelijke adoptie te onderzoeken hebben geadopteerde en niet-geadopteerde personen de volgende zeven stellingen voorgelegd gekregen: 1) Interlandelijke adoptie is altijd beter dan kinderen in slechte omstandigheden in het geboorteland te laten opgroeien, 2) Een persoon moet altijd zijn of haar achtergrond kunnen achterhalen, 3) Er wordt in de media te negatief geschreven over interlandelijke adoptie, 4) Al met al zou het beter zijn om kinderen in het geboorteland en de eigen cultuur te laten opgroeien, 5) De Nederlandse overheid moet meer hulp bieden bij het achterhalen van de afkomst van geadopteerden, 6) Ik zou zelf nooit een kind adopteren en 7) Interlandelijke adoptie moet altijd mogelijk blijven. Respondenten konden aangeven in hoeverre ze het eens of oneens waren met de stellingen. Hieronder wordt per stelling aangegeven in hoeverre geadopteerde personen het eens of oneens waren met deze stelling en in hoeverre zij hierin verschillen van niet-geadopteerde personen.

De eerste stelling was ‘Interlandelijke adoptie is altijd beter dan kinderen in slechte omstandigheden in het geboorteland te laten opgroeien’. Figuur 4.1.1 laat zien dat 47% van de geadopteerde personen het (helemaal) eens is met deze stelling. Iets meer dan een kwart (28%) geeft aan het niet eens en niet oneens te zijn met de stelling. De minderheid van de geadopteerde personen geeft aan het (helemaal) oneens te zijn met de stelling dat interlandelijke adoptie beter is dan kinderen in slechte omstandigheden in het geboorteland te laten opgroeien (5%). Niet-geadopteerde personen geven vaker aan geen mening te hebben over deze stelling (14% versus 8%). In het algemeen zijn niet-geadopteerde personen het iets vaker (helemaal) eens met deze stelling dan geadopteerde personen (53% versus 47%).

4.1.1 Percentage dat het eens of oneens is met de stelling: 'Interlandelijke adoptie is altijd beter dan kinderen in slechte omstandigheden in het geboorteland te laten opgroeien'
Interlandelijke adoptie is altijd beter dan kinderen in slechte omstandigheden in het geboorteland te laten opgroeienGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weet niet8,414,4
Helemaal oneens5,02,6
Oneens12,27,8
Niet eens, niet oneens27,622,8
Eens29,138,4
Helemaal eens17,614,1

Vervolgens is respondenten gevraagd in hoeverre ze het eens of oneens waren met de stelling ‘Een persoon moet altijd zijn of haar achtergrond kunnen achterhalen’. Geadopteerde personen zijn het veelal (helemaal) eens met deze stelling. Tweeëntachtig procent is het (helemaal) eens met de stelling dat personen altijd hun achtergrond moet kunnen achterhalen. Niet-geadopteerde personen geven iets vaker aan het niet te weten en waren het gemiddeld genomen minder vaak helemaal eens met deze stelling dan geadopteerde personen (figuur 4.1.2).

4.1.2 Percentage dat het eens of oneens is met de stelling: 'Een persoon moet altijd zijn of haar achtergrond kunnen achterhalen'
Een persoon moet altijd zijn of haar achtergrond kunnen achterhalenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weet niet2,96,3
Helemaal oneens0,80,4
Oneens2,93,2
Niet eens, niet oneens11,07,9
Eens41,249,3
Helemaal eens41,232,9

Vervolgens is respondenten gevraagd naar hun mening over de stelling ‘Er wordt in de media te negatief geschreven over interlandelijke adoptie’. Figuur 4.1.3 laat zien dat de meningen over deze stelling verdeeld zijn. Dertig procent van de geadopteerde personen geeft aan het (helemaal) eens te zijn met de stelling dat er in de media te negatief geschreven wordt over interlandelijke adoptie. Verder geven geadopteerde personen het meest aan het niet eens of oneens te zijn met de stelling (31%). Er zijn grote verschillen tussen geadopteerde personen en niet-geadopteerde personen. Vooral het grote aantal niet-geadopteerde personen dat aangeeft niet te weten of ze het eens of oneens zijn met deze stelling valt op (42% versus 25%). Indien ‘weet niet’ buiten beschouwing wordt gelaten zijn geadopteerde personen gemiddeld genomen het vaker eens met deze stelling dan niet-geadopteerde personen. 

4.1.3 Percentage dat het eens of oneens is met de stelling: 'Er wordt in de media te negatief geschreven over interlandelijke adoptie'
Er wordt in de media te negatief geschreven over interlandelijke adoptieGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weet niet24,641,9
Helemaal oneens4,01,5
Oneens10,811,0
Niet eens, niet oneens30,632,8
Eens19,211,3
Helemaal eens10,91,6

Al met al zou het beter zijn om kinderen in het geboorteland en de eigen cultuur te laten opgroeien’ was de volgende stelling die personen voorgelegd hebben gekregen in het onderzoek. Ook bij deze stelling zien we dat geadopteerde personen sterk verdeeld zijn (figuur 4.1.4). Ruim 30% is het (helemaal) eens met deze stelling, 30% is het niet eens en niet oneens met de stelling en nog eens ruim 30% is het (helemaal) oneens met de stelling. Niet-geadopteerde personen geven vaker ‘weet niet’ als antwoord op deze stelling en waren het minder vaak helemaal eens met de stelling dan geadopteerde volwassenen. 

4.1.4 Percentage dat het eens of oneens is met de stelling: 'Al met al zou het beter zijn om kinderen in het geboorteland en de eigen cultuur te laten opgroeien'
Al met al zou het beter zijn om kinderen in het geboorteland en de eigen cultuur te laten opgroeienGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weet niet7,412,1
Helemaal oneens8,01,5
Oneens23,525,9
Niet eens, niet oneens30,130,8
Eens18,424,4
Helemaal eens12,55,3

Over de rol van de overheid hebben de respondenten de volgende stelling voorgelegd gekregen ‘De Nederlandse overheid moet meer hulp bieden bij het achterhalen van de afkomst van geadopteerden’. Uit figuur 4.1.5 komt naar voren dat 57% van de geadopteerde volwassenen het (helemaal) eens is met deze stelling, bijna een kwart is neutraal en 9% van de geadopteerde personen is het niet eens met de stelling. Geadopteerde personen zijn het vaker helemaal eens met deze stelling dan niet-geadopteerde personen (respectievelijk 28% en 9%). Niet-geadopteerde personen geven vaker aan niet te weten of ze het eens of oneens zijn met de stelling dan geadopteerde personen (10% versus 22%).

4.1.5 Percentage dat het eens of oneens is met de stelling: 'De Nederlandse overheid moet meer hulp bieden bij het achterhalen van de afkomst van geadopteerden'
De Nederlandse overheid moet meer hulp bieden bij het achterhalen van de afkomst van geadopteerdenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weet niet10,322,3
Helemaal oneens1,91,9
Oneens7,59,6
Niet eens, niet oneens23,125,7
Eens28,931,3
Helemaal eens28,29,2
 
De een-na-laatste stelling over adoptie die zowel geadopteerde als niet-geadopteerde personen voorgelegd hebben gekregen is ‘Ik zou zelf nooit een kind adopteren’. Geadopteerde personen zijn verdeeld, maar het eerder oneens dan eens. Bijna 40% van de geadopteerde volwassenen geeft aan het (helemaal) oneens te zijn met de stelling zelf nooit een kind te adopteren ten opzichte van 34% van niet-geadopteerde volwassenen. Ook hier is te zien dat niet-geadopteerde personen vaker aangeven het niet te weten en het iets minder vaak helemaal eens waren met de stelling (figuur 4.1.6).

4.1.6 Percentage dat het eens of oneens is met de stelling: 'Ik zou zelf nooit kinderen adopteren'
Ik zou zelf nooit een kind adopterenGeadopteerd (%)Niet geadopteerd (%)
Weet niet13,319,4
Helemaal oneens17,612,8
Oneens21,721,5
Niet eens, niet oneens21,222,6
Eens11,213,2
Helemaal eens15,010,5

De laatste stelling die personen voorgelegd hebben gekregen om algemene attitudes ten aanzien van adoptie te onderzoeken is ‘Interlandelijke adoptie moet altijd mogelijk blijven’. Figuur 4.1.7 laat zien dat geadopteerde volwassenen het overwegend eens waren met deze stelling. Bijna 70% van de geadopteerde en niet-geadopteerde volwassenen was het (helemaal) eens met de stelling dat interlandelijke adoptie mogelijk moet blijven. Indien ‘weet niet’ buiten beschouwing wordt gelaten (dus wanneer enkel gekeken wordt naar respondenten die in het in bepaalde mate eens of oneens zijn met de stelling en niet naar de respondenten die geen mening hebben) zijn niet-geadopteerde volwassenen het niet statistisch significant vaker eens of oneens met deze stelling. Na controle voor de verschillende achtergrondkenmerken verschillen de groepen niet statistisch significant van elkaar op deze stelling.