Sociaaleconomische trends

Het CBS verricht veel onderzoek naar ontwikkelingen en achtergronden op sociaaleconomisch en maatschappelijk terrein. Sociaaleconomische trends is het belangrijkste online medium om de resultaten van dit onderzoek in uitgebreidere informatieve artikelen onder de aandacht te brengen.

Sociaaleconomische trends

Zorggedrag en verlofgebruik voor de zorg voor langdurend zieke naasten door mannelijke en vrouwelijke werknemers.

Veiligheidsgevoelens van herkomstgroepen en factoren die hiermee samen kunnen hangen.

Ervaren werkdruk bij de meest voorkomende beroepen en factoren die hiermee samen kunnen hangen

Rol van gezondheid voor duurzame inzetbaarheid en langer willen en kunnen doorwerken bij werknemers van 45 tot 65 jaar

Incidenteel en gewoonlijk thuiswerken door werknemers en zelfstandigen.

Melding en aangifte door slachtoffers van traditionele criminaliteit en cybercrime bij politie en andere instanties

Kenmerken en inkomenspositie van verschillende typen flexwerkers

Aandeel mannen en vrouwen in het basisonderwijs en op de lerarenopleiding basisonderwijs.

Kenmerken zzp'ers met een werkweek korter dan 12 uur

ICT-vaardigheden in algemeen en op gebied van informatie, communicatie, computer/online diensten en software.

In 2015 waren in Nederland bijna 3,8 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar niet actief opde arbeidsmarkt.

Meningen van jongeren over taakverdelingen tussen mannen en vrouwen

Sociaaleconomische Trends 2016: De arbeidsdeelname is hoog onder gepromoveerden. Toch blijkt dat gepromoveerde vrouwen in vergelijking met gepromoveerde mannen minder vaak een voltijdbaan hebben, minder vaak een leidinggevende functie bekleden en een lager inkomen hebben.

Sociaaleconomische trends 2016: Nederland scoort vergeleken met andere EU-landen relatief hoog op deelname aan een leven lang leren. Vooral jongeren, hoogopgeleiden en werkenden in de financiële dienstverlening, de gezondheidszorg en het onderwijs volgen cursussen en opleidingen voor werk of in de vrije tijd.

Sociaaleconomische trends 2016: CBS publiceert met grote regelmaat cijfers over het aantal werknemers en zelfstandigen. Dit gebeurt op basis van diverse bronnen, en ook definities en operationalisaties kunnen uiteen lopen. In dit artikel worden de belangrijkste CBS-cijfers over werknemers en zelfstandigen op een rij gezet en de verschillen tussen deze cijfers verklaard.

Sociaaleconomische trends 2015: Mbo-schoolverlaters die hun opleiding binnen de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) hebben gevolgd zijn één jaar, en ook vier jaar na schoolverlaten vaker aan het werk dan degenen met een beroepsopleidende leerweg (bol). De arbeidsparticipatie is het hoogst onder schoolverlaters met een opleiding in de techniek en procesindustrie of in transport, scheepvaart en logistiek.

Sociaaleconomische trends 2015: Vrouwen zijn iets vaker de dupe van cyberpesten dan mannen. Vooral jonge vrouwen, niet-westers allochtone vrouwen en laag- en middelbaaropgeleide vrouwen komen met cyberpesten in aanraking. De seksuele geaardheid is bij vrouwen niet van belang voor de kans op cyberpesten. Onder mannen krijgen homo- en biseksuelen vaker dan heteroseksuelen met cyberpesten te maken. Verder zijn, evenals bij vrouwen, jonge mannen en laag- en middelbaar opgeleide mannen vaker slachtoffer.

Sociaaleconomische trends 2015: In de Nederlandse regio’s waar tussen 2008 en 2015 het inwonertal is teruggelopen – de zogeheten krimpgebieden – is de werkgelegenheid in diezelfde periode sterker gedaald dan in de rest van Nederland. Ook tussen 2013 en 2014, toen het aantal banen in Nederland weer groeide, bleef de werkgelegenheid in het grootste deel van deze regio’s dalen. De banenkrimp was bovendien binnen de meeste sectoren verhoudingsgewijs groter dan in de rest van Nederland.

Sociaaleconomische trends 2015: Tussen autochtonen en allochtonen bestaan weliswaar grote verschillen in netto arbeidsparticipatie, toch blijken er ook overeenkomsten te bestaan: in het afgelopen decennium nam voor zowel autochtonen als westerse en niet-westerse allochtonen de arbeidsdeelname onder ouderen toe. Ook bij de vrouwen vanaf 27 jaar was in alle herkomstgroepen sprake van een toename.

Sociaaleconomische trends 2015: De verschillen in participatiegraad tussen buurten wijzigen nauwelijks als met de verschillenin participatiegraad tussen gemeenten rekening wordt gehouden. Dat blijkt bij eenanalyse van de participatiegraad per buurt en per gemeente. De spreiding in de nettoarbeidsparticipatie over buurten is over de periode 2003–2013 nagenoeg constant gebleven. Ook is nagegaan of buurten met een hoog dan wel laag aandeel werkenden gekarakteriseerd kunnen worden met een beperkt aantal buurtkenmerken.

Sociaaleconomische trends 2015: Met de komst van computers en internet in het bijzonder is cybercrime onderdeel geworden van onze dagelijkse wereld. In dit artikel wordt beschreven in welke mate burgers te maken hebben met verschillende vormen van cybercrime, te weten digitale identiteitsfraude, online koop- en verkoopfraude en hacken. Hoe vaak zijn burgers hier slachtoffer van en is dit slachtofferschap de laatste jaren veranderd? Daarbij wordt ook nagegaan of eventuele ontwikkelingen komen door trends in internetgebruik en internetactiviteiten. Meer mensen actief op internet betekent immers meer doelwitten voor cybercriminelen.

Sociaaleconomische trends 2015: Tussen regio's in Nederland bestaan aanzienlijke verschillen in arbeidsparticipatie, werkloosheid en het aantal vacatures. In 2014 was de arbeidsparticipatie het hoogst in de provincie Utrecht en het laagst in Limburg en Groningen. Regionale verschillen in arbeidsparticipatie en werkloosheid hangen in belangrijke mate samen met de demografische samenstelling en het onderwijsniveau van de bevolking.

Sociaaleconomische trends 2015: Van alle mannen van 20 tot 65 jaar met werk had 13 procent in 2013 een arbeidsinkomen onder het bijstandsniveau. Werkende vrouwen waren tweemaal zo vaak niet in staat zichzelf financieel te onderhouden. Financiële kwetsbaarheid gaat doorgaans samen met deeltijd werken, meestal tot 20 uur per week. Een deel van de financieel kwetsbaren wil graag een langere werkweek, maar de meerderheid wil niets veranderen of heeft andere redenen waarom ze niet meer uren willen of kunnen werken.

Sociaaleconomische trends 2015: In dit artikel wordt beschreven hoe de volwassen bevolking in Nederland over het belang van werken denkt, ofwel hoe het met het arbeidsethos staat. Hoewel werken een belangrijk deel van het leven van volwassenen uitmaakt en door velen als een maatschappelijke plicht wordt gezien, staat werk niet zo centraal in ons leven. De helft van de volwassenen vindt bijvoorbeeld niet dat werken altijd op de eerste plaats komt. En ruim 80 procent zegt dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan werken.

Sociaaleconomische trends 2015: Dit artikel gaat in op subjectief welzijn, ofwel de mate waarin mensen tevreden zijn metbepaalde aspecten van hun leven, zoals hun financiële situatie, hun gezondheid en hunsociale leven. Met name jongeren en hoogopgeleiden zijn vaker tevreden met verschillendeonderdelen van hun leven in vergelijking met ouderen en lager opgeleiden.

Sociaaleconomische trends 2015: De kwaliteit van het leven kent meerdere dimensies. Naast inkomen en bezit dragen ook niet-materiële zaken als een goede woonomgeving, gezondheid en veiligheid er aan bij. Waar de Oost- en Zuid-Europese EU-lidstaten achterblijven, scoren Nederland en andere Noordwest-Europese relatief hoog op economisch gerelateerde zaken: het doorsnee inkomen is betrekkelijk hoog en er is relatief weinig werkloosheid. Wel is het opleidingsniveau in Oost-Europa naar verhouding hoog, terwijl Nederland daar – ook ten opzichte van andere Noordwest-Europese landen – achter blijft. Ook voelen Nederlanders zich minder veilig dan veel andere Europeanen.

Sociaaleconomische trends 2015: In 2012/2013 heeft de helft van de bevolking van 15 jaar en ouder zich minstens één keer per jaar als vrijwilliger ingezet voor een organisatie of vereniging. Dertig procent was maandelijks als vrijwilliger actief. De meeste vrijwilligers zetten zich in voor sportverenigingen, scholen, levensbeschouwelijke organisaties en in de verzorging en verpleging. Vrijwilligers hebben over het algemeen een hoger opleidingsniveau, een kerkelijke achtergrond, zijn autochtoon en van middelbare leeftijd. Ook hebben vrijwilligers vaker betaald werk dan mensen die geen vrijwilligerswerk doen.

Sociaaleconomische trends 2015: Bijna iedereen in Nederland kan in zijn of haar sociale netwerk terecht voor praktische, persoonlijke of financiële hulp. Daarbij zijn gezins- en familieleden de belangrijkste hulpbron, gevolgd door vrienden. Bij buren en kennissen kunnen mensen minder vaak terecht. Alleen voor klusjes in en om huis en voor toezicht op de woning wordt relatief vaak bij buren aangeklopt. Ouderen kunnen doorgaans minder goed in hun sociale netwerk terecht voor hulp en steun dan jongeren. Ook laagopgeleiden missen soms bepaalde hulpbronnen in hun kring van bekenden.

Sociaaleconomische trends 2015: Verschillende uitgangspunten leiden tot andere afbakeningen van de beroepsbevolking. In CBS-publicaties over de werkzame en werkloze beroepsbevolking staat sinds februari 2015 de ILO-definitie van de beroepsbevolking centraal. Deze internationaal gehanteerde definitie gaat uit van de productiefactor arbeid. Voorheen werd een definitie gebruikt met als uitgangspunt arbeid als sociaal verschijnsel. Volgens de ILO-definitie ligt de werkloosheid in Nederland lager. Het aandeel van jongeren in de werkloosheid is juist hoger. Wel laten beide benaderingen dezelfde ontwikkeling van de werkloosheid zien.

Sociaaleconomische trends 2015. Kinderen die opgroeiden in een gezin dat rond moest komen van een uitkering zijn rond hun dertigste lager opgeleid dan hun leeftijdsgenoten. Bovendien moeten deze kinderen ongeacht hun opleidingsniveau later bovengemiddeld vaak zelf ook van een uitkering rondkomen. Het gaat hierbij niet om een caustaal verband, maar om een correlatie en die kan meer oorzaken hebben, zoals erfelijke aanleg en waarden en normen die iemand in de opvoeding meekrijgt. Zoons en dochters zijn het hoogst opgeleid en het vaakst werkzaam als tijdens hun jeugd beide ouders werkzaam waren of als alleen de vader werkte en de moeder geen eigen inkomsten had.

Sociaaleconomische trends 2014. Mannen zijn vaker economisch zelfstandig dan vrouwen. Dit verschil ontstaat niet pas wanneer vrouwen kinderen krijgen, maar al ruim daarvoor, en wordt grotendeels verklaard doordat jonge mannen (15 tot 27 jaar) met een baan gemiddeld meer uren per week werken dan jonge vrouwen. In 2012 was 42 procent van de jonge werkende mannen economisch zelfstandig. Van de jonge werkende vrouwen was dat 36 procent. Sinds 2005 zijn deze percentages afgenomen; er zijn nu minder jonge mensen economisch zelfstandig dan toen.

Sociaaleconomische trends 2014. Jongere werknemers worden gezien als flexibeler dan oudere werknemers, met een hogere bereidheid tot het volgen van opleidingen en meer competent als het gaat om het invoeren van nieuwe technologieën. Oudere werknemers zouden loyaler zijn, nauwkeuriger en stressbestendiger, maar ook duurder. De perceptie over jongere en oudere werknemers is sterk afhankelijk van de leeftijd van degene die beoordeelt. Ook opleidingsniveau speelt een rol bij de perceptie van werknemers. Over het algemeen hebben hoger opgeleiden een positiever beeld van jongere werknemers en een negatiever beeld van oudere werknemers.

Sociaaleconomische trends 2014. Het aantal leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs is de afgelopen jaren sterk toegenomen, met name het aantal leerlingen met een ontwikkelingsstoornis. Waar komen de jongeren die het voortgezet speciaal onderwijs verlaten terecht? Gaan ze door in het regulier onderwijs, vinden ze een baan of krijgen ze een uitkering voor jonggehandicapten (Wajong)? Bijna de helft van de leerlingen van 15 jaar en ouder die in 2010/'11 het speciaal onderwijs verlieten, studeert verder in het regulier onderwijs. Dat maakt het CBS vandaag bekend. Ongeveer een kwart van de jongeren vindt een baan. Ruim twee derde van de jongeren van 18 jaar en ouder ontvangt een Wajong-uitkering.

Sociaaleconomische trends 2014. Mannen die gearresteerd zijn voor een misdrijf hebben gemiddeld een derde minder legale inkomsten dan mannen die nooit werden gearresteerd. Dit is deels te wijten aan verschillen in hun onderwijsloopbaan en de verschillende leeftijdsopbouw van beide groepen. Dat maakt het CBS vandaag bekend. Crimineel gedrag en een daaropvolgende arrestatie leidt tot een slechtere arbeidsmarktposite en lagere inkomsten. Maar ook het omgekeerde is het geval: een slechte arbeidsmarktpositie en lage inkomsten kunnen aanleiding geven tot crimineel gedrag. Voorafgaand aan het criminele feit dalen de inkomsten van mannen die verdacht zijn van een misdrijf. Ná de arrestatie herstelt de inkomstenontwikkeling zich weer.

Sociaaleconomische trends 2014. Dit artikel geeft een beeld van alle leeractiviteiten waaraan 25- tot 65-jarigen in Nederland gedurende het jaar 2011 hebben deelgenomen: formeel, niet-formeel en informeel leren. De gegevens zijn afkomstig uit de Adult Education Survey (AES), die werd uitgevoerd in opdracht van Eurostat in het eerste kwartaal van 2012.

Sociaaleconomische trends 2014. Tot nu toe werd het arbeidsvolume in de Groeirekeningen geraamd op basis van gewerkte uren. Door het compositie-effect op te nemen wordt de arbeidsvolumeverandering nauwkeuriger gemeten.

Sociaaleconomische trends 2014. De pensioenproblematiek in Nederland staat volop in de belangstelling. Zowel de pensioenfondsen als de overheid nemen diverse maatregelen om de pensioenen betaalbaar houden. Maar wat moet er volgens werknemers, die via hun werkgever pensioen opbouwen, gebeuren? Vinden deze werknemers bijvoorbeeld dat de pensioenen verlaagd moeten worden of dat er langer doorgewerkt moet worden? Of: Hebben zij liever een hoger pensioen, ook al moet dan meer premie worden betaald, of geven ze de voorkeur aan een lager pensioen tegen een lagere premie?

Sociaaleconomische trends 2014. In 2012 was bijna een half miljoen werknemers betrokken bij een arbeidsongeval waarbij zij lichamelijk letsel of geestelijke schade opliepen. In bijna de helft van de gevallen leidde het ongeval tot één of meer dagen ziekteverzuim. Vooral in de horeca en de bouw was het aandeel werknemers met een arbeidsongeval relatief hoog.

Sociaaleconomische trends 2014. Werknemers zijn over het algemeen tevreden met hun werk en de arbeidsvoorwaarden. Wel zijn er duidelijke verschillen naar beroepsgroep. Managers blijken het vaakst tevreden te zijn over hun werk en arbeidsvoorwaarden, terwijl werknemers in elementaire beroepen (zoals schoonmakers en vuilnisophalers) en bedieners van machines en assemblagemedewerkers hier het minst tevreden over zijn.

Sociaaleconomische trends 2014. Werkenden volgden in 2011 vaker dan werklozen en mensen buiten de beroepsbevolking een korte opleiding. Ook was er meer opleidingsdeelname onder hoogopgeleiden en mensen met een hoger inkomen. Bij de werkloze en niet-beroepsbevolking waren de kosten vaak een belemmering tot deelname. Wel betaalde deze groep, met meestal weinig inkomen, de opleiding het vaakst (deels) zelf en investeerde zij financieel naar verhouding het meest.

Sociaaleconomische trends 2013. Bedrijven met internationale activiteiten betalen hogere salarissen dan vergelijkbare bedrijven die zich op de binnenlandse markt richten. Ceteris paribus hebben het vallen onder buitenlandse zeggenschap, buitenlandse investeringen, in- en uitvoer van goederen en een hoge arbeidsproductiviteit een positieve invloed op het salaris. Veruit de belangrijkste verklaring voor salarisverschillen lijkt het opleidings- en kennisniveau van de werknemer te zijn. Toch verdienen werknemers van buitenlandse bedrijven gemiddeld bijna 7 procent meer dan gelijkgeschoolde collega’s bij vergelijkbare Nederlandse bedrijven.

Sociaaleconomische trends 2013. Tussen 2011 en 2012 veranderde ongeveer 15 procent van de werknemers van werkgever en/of beroep. Meestal veranderden werknemers van beroep bij dezelfde werkgever (6,7 procent van de werknemers) of veranderde men van beroep bij een andere werkgever (5,6 procent). Jonge werknemers, werknemers met een flexibel dienstverband en werknemers die nog niet zo lang in dienst zijn, gaan het vaakst bij een andere werkgever aan de slag. Werknemers met een hoog beroepsniveau veranderen relatief vaak van beroep bij dezelfde werkgever. Werknemers die van werkgever en/of beroep veranderen gaan er sterker in loon op vooruit dan werknemers die bij dezelfde werkgever in hetzelfde beroep blijven werken.

Sociaaleconomische trends. Themanummer Levensloop en generatie. In dit artikel wordt beschreven hoe individuele levenslopen zijn veranderd sinds 1945. Opeenvolgende geboortegeneraties gingen vaker ongehuwd samenwonen en stelden het ouderschap langer uit. Ook gingen ze vaker (echt)scheiden en hadden ze een hogere levensverwachting. Zowel onder mannen als vrouwen nam het gemiddelde onderwijsniveau toe, wel was de stijging bij vrouwen sterker dan bij mannen. Daarnaast steeg door de generaties heen ook de arbeidsdeelname van vrouwen fors.

Sociaaleconomische trends. Themanummer Levensloop en generatie. Vanaf de jaren zestig is de onderwijsdeelname van de Nederlandse bevolking sterk gestegen. Omstandigheden waaronder jonge mannen en vrouwen hun onderwijsloopbaan starten en vervolgens de stap naar de arbeidsmarkt maken, verschillen voor opeenvolgende geboortegeneraties. In dit artikel wordt de onderwijs- en beroepsloopbaan van de huidige generatie jongeren vergeleken met die van de jongeren uit de jaren zestig en zeventig.

Sociaaleconomische trends. Themanummer Levensloop en generatie. De beroepsloopbaan voor mannen en vrouwen is veranderd door de opeenvolgende generaties heen. Zo blijven mannen korter bij dezelfde werkgever en zijn ze minder uren per week gaan werken. Mannen uit de jongste generaties werken vaker als zelfstandige zonder personeel. Ook heeft er bij mannen een verschuiving plaatsgevonden van technische beroepen naar economisch-administratieve beroepen. Bij de vrouwen zijn de jongere generaties steeds meer gaan participeren op de arbeidsmarkt. Daarbij onderbreken ze minder vaak de beroepsloopbaan bij de geboorte van kinderen, waardoor ze nu langer bij dezelfde werkgever werken dan vroeger.

Sociaaleconomische trends. Themanummer Levensloop en generatie. De arbeidsparticipatie van 50- tot 65-jarigen is sinds de jaren negentig opgelopen. Dit komt in belangrijke mate door de instroom van jongere generaties vrouwen, die steeds vaker werken. Ook stromen in de jongere generaties steeds minder mannen tussen de 50 en 65 uit vanwege arbeidsongeschiktheid, en neemt het aandeel vrouwen dat voortijdig stopt met werken zonder daarna een uitkering te ontvangen af met de generaties.

Sociaaleconomische trends: Met het ouder worden van de kinderen neemt zowel het inkomen als het vermogen van ouders toe. Vooral de welvaartspositie van paren met meerderjarige kinderen is gunstig. De welvaartspositie van oudere paren zonder (thuiswonende) kinderen is vergelijkbaar met die van ouders met meerderjarige kinderen. Ouders met jonge kinderen lopen het grootste risico op armoede en geven naar verhouding vaak aan moeilijk rond te kunnen komen. Ondanks hun relatief gunstige welvaartspositie ervaren ook paren met oudere kinderen dikwijls financiële beperkingen.

Sociaaleconomische trends: In 2012 zijn de cao-lonen per uur, inclusief bijzondere beloningen, met 1,4 procent gestegen. Bij de sector overheid zijn de lonen in 2012 met 0,7 procent het minst toegenomen. Vooral de loonstijgingen bij de bedrijfstakken onderwijs en openbaar bestuur bleven achter. In de bedrijfstakken industrie en bouwnijverheid stegen de lonen met 1,8 procent het hardst. In 2012 stegen de loonkosten meer dan de cao-lonen. Dit komt vooral door de stijging van de werkgeversbijdrage voor de werkloosheidswet, de pensioenpremies en de wijzigingen in de ziektekosten.

Sociaaleconomische trends: Dit artikel belicht de welvaartsontwikkeling van drie verschillende leeftijdsgeneraties in de jaren 2005-2010: de pragmatisten, de generatie X en de babyboomers. De babyboomers waren in 2005 tussen de 50 en 60 jaar oud en bevonden zich veelal aan het eind van hun carrière. In hoeverre konden ze hun welvaart vasthouden? Wisten de pragmatisten die in 2005 tussen de 25 en de 35 jaar oud waren, sneller uit een uitkeringssituatie te komen dan de oudere generaties? En groeiden bij de vertegenwoordigers van generatie X (35 tot 50 jaar in 2005) de lonen harder of juist minder hard dan bij de pragmatisten?

Sociaaleconomische trends: De afgelopen tien jaar duurde het voor oudere werklozen aanmerkelijk langer om een baan te vinden dan voor jongere werklozen. In 2012 had 34 procent van de in totaal 179 duizend werklozen van 45 tot 65 jaar een verwachte baanvindduur van twee jaar of langer. Bij werklozen van 25 tot 45 jaar was dat 18 procent en bij jonge werklozen van 15 tot 25 jaar 8 procent.

Sociaaleconomische trends: Verschillende uitgangspunten leiden tot andere afbakeningen van de beroepsbevolking. InCBS-publicaties over de werkloze en de werkzame beroepsbevolking staat arbeid als sociaal verschijnsel centraal. De internationale richtlijnen van de ILO gaan uit van de productiefactor arbeid. Ook hierover maakt het CBS cijfers. Volgens de internationale richtlijnen ligt de werkloosheid in Nederland lager, terwijl het aandeel van jongeren in de werkloosheid hoger is.

Sociaaleconomische trends: Hoge en lage inkomenswelvaart worden in Nederland slechts in beperkte mate doorgegeven van ouders op hun kinderen. Wel blijken kinderen uit ondernemersgezinnen later vaker ondernemer te worden dan kinderen van wie de ouders geen zelfstandige zijn. Ook uitkeringsafhankelijkheid wordt betrekkelijk vaak doorgegeven. Internationaal gezien is de loonmobiliteit tussen generaties in Nederland vrij hoog. Bij zonen is sprake van een hogere mobiliteit dan bij dochters.

Sociaaleconomische trends: De volwassen Nederlandse bevolking vindt sommige taken meer de verantwoordelijkheid van de overheid dan andere. In de ogen van de meeste Nederlanders hoort de overheid te zorgen voor kwetsbare groepen, zoals ouderen en arbeidsongeschikten. Vooral taken gericht op het voorkomen van een ongezonde leefstijl worden minder dikwijls als een verantwoordelijkheid van de overheid gezien.

Sociaaleconomische trends: Als het aantal mensen dat werkloos wordt groter is dan het aantal werklozen dat er in slaagt weer aan het werk te komen of zich terugtrekt van de arbeidsmarkt, neemt de werkloosheid toe. In de periode 2004-2011 werden fluctuaties in de werkloosheid meer door de instroom dan door de uitstroom bepaald. Zowel de kans om werkloos te worden als de kans om weer aan het werk te gaan, hangen samen met leeftijd en opleidingsniveau.