Vrouw stabiele factor op boerderij

Boerin met koe
Het aandeel vrouwen dat werkzaam is in de landbouwsector schommelt sinds het jaar 2000 rond een derde van het aantal werkzame personen. In 2017 ging het om ruim 56 duizend vrouwen. De meesten waren werkzaam op familiebedrijven. Dat blijkt uit de definitieve cijfers van de Landbouwtelling van het CBS.

Regelmatig werkzame personen op landbouwbedrijven (% )
 MannenVrouwen
20006733
20016733
20026535
20036535
20046535
20056535
20066436
20076436
20086436
20096436
20106436
20116535
20126733
20136832
20146733
20156733
20166733
20176733
 

In Nederland waren in 2017 –volgens de laatste landbouwtelling- 170 duizend personen regelmatig werkzaam in de landbouwsector. In totaal waren er vorig jaar ruim 138 duizend personen op familiebedrijven werkzaam, waaronder 46 duizend vrouwen. Van alle vrouwen die werkzaam waren in de landbouw werkten 8 op de 10 op een familiebedrijf

Van de vrouwelijke arbeidskrachten op familiebedrijven werkt 55 procent gemiddeld 20 uur per week of meer.

Vrouwen op agrarische familiebedrijven (%)
 VrouwenMannen
Paard- en ponybedrijven4753
Geitenhouderij4060
Glastuinbouw3664
Fruitteelt3565
Overig3565
Pluimveehouderij3466
Schapenbedrijven3466
Melkveehouderij3367
Varkenshouderij3268
Boomkwekerij2971
Akkerbouw2971
Bloembollenteelt2674
 

Meeste vrouwen op paard- en ponybedrijven

Het aandeel vrouwen op agrarische familiebedrijven is het grootst op paard- en ponybedrijven. In 2017 was 47 procent van de arbeidskrachten op deze bedrijven een vrouw. Deze sector wordt gevolgd door de geitenhouderij en de glastuinbouw, waar achtereenvolgens 40 en 36 procent van de werkzame personen vrouw was. Het aandeel vrouwen is het laagst in de bloembollensector, in deze sector was 26 procent van het aantal werkzame personen een vrouw.

Vrouwelijke bedrijfshoofden op agrarische familiebedrijven (%)
 Vrouwen
Paard- en ponybedrijven20
Schapenbedrijven11
Geitenhouderij8
Akkerbouw8
Overig7
Boomkwekerij6
Bloembollenteelt5
Fruitteelt5
Varkenshouderij4
Pluimveehouderij4
Glastuinbouw3
Melkveehouderij2

Lichte daling aantal vrouwelijke bedrijfshoofden

In 2017 waren zo’n 2800 vrouwen actief als bedrijfshoofd. Het aandeel vrouwelijke bedrijfshoofden is in de periode 2005-2017 afgenomen van 9 naar 6 procent.

De meeste vrouwelijke bedrijfshoofden zijn in de landbouwsector te vinden op paard- en ponybedrijven. Op 20 procent van deze bedrijven staat een vrouw aan het roer. Het aandeel vrouwelijke bedrijfshoofden is het laagst op melkveehouderijbedrijven (2 procent).

De gemiddelde leeftijd van vrouwelijke bedrijfshoofden is 55 jaar, deze leeftijd is gelijk aan die van de mannelijke bedrijfshoofden. Van de vrouwelijke bedrijfshoofden werkte vorig jaar 71 procent gemiddeld 20 uur per week of meer.

Vrouwen hoger opgeleid dan mannen

Vrouwelijke bedrijfshoofden hebben vaker een hogere opleiding dan mannelijke. Minstens 22 procent van de vrouwen had in 2016 een hogere beroepsopleiding of een universitaire studie afgerond. Bij de mannen is dat minstens 12 procent. Wel is de hoogst genoten opleiding van vrouwen minder vaak een agrarische opleiding. 28 procent van de vrouwelijke bedrijfshoofden heeft een agrarische opleiding gevolgd tegenover 82 procent van de mannen.

Vrouwelijke bedrijfshoofden hebben vaker een baan buiten het bedrijf

Boerinnen hebben iets vaker een baan buiten het bedrijf dan boeren. In 2016 had 27 procent van de vrouwelijke bedrijfshoofden een baan buiten het bedrijf, bij de mannen was dat 23 procent. Mannen zijn wel vaker betrokken bij de uitvoering van verbredingsactiviteiten dan vrouwen. 29 procent van de mannelijke bedrijfshoofden voerde verbredingsactiviteiten uit, van de vrouwen was dat 24 procent.

Behalve met natuur en landschapsbeheer houden vrouwen zich voornamelijk bezig met agrotoerisme of vrijetijdsbesteding en de verkoop van landbouwproducten. Van alle verbredingsactiviteiten wordt 17 procent besteed aan agrotoerisme of vrijetijdsbesteding en 16 procent aan verkoop van landbouwproducten. Mannen zijn naast natuur en landschapsbeheer voornamelijk actief in energieproductie voor eigen gebruik en agrarisch loonwerk voor derden (respectievelijk 16 en 15 procent van de uitgevoerde verbredingsactiviteiten).