Organisatiegraad van werknemers 1995-2011

Het CBS heeft gegevens berekend over het aantal werknemers met een baan van ten minste twaalf uur per week en hun organisatiegraad, dat wil zeggen het aandeel dat lid is van een vakorganisatie. De gegevens hebben betrekking op de periode 1995-2011. Het gaat om de volgende tabellen.

1. De organisatiegraad van werknemers naar persoonskenmerken, kenmerken van de werkkring en regio

2. Aantal werknemers dat lid is van een vakorganisatie naar persoonskenmerken, kenmerken van de werkkring en regio

3. Aantal werknemers naar persoonskenmerken, kenmerken van de werkkring en regio

4. Vakbondsleden naar positie op de arbeidsmarkt

5. Betrouwbaarheidsmarges bij de uitkomsten

Toelichting op de uitkomsten

De gegevens die hier gepresenteerd worden, zijn afkomstig uit de Enquête beroepsbevolking (EBB). De EBB is een steekproefonderzoek onder personen die in Nederland wonen, met uitzondering van personen in inrichtingen, instellingen en tehuizen (institutionele bevolking).

Vanaf oktober 1999 is de methodiek herzien: van een dwarsdoorsnede-onderzoek in een roterend panelonderzoek. In 2000 is het weegmodel van de EBB gewijzigd. De informatie voor verslagjaar 2000 wordt op basis van het oude weegmodel (2000-a) en het nieuwe (2000-b) gepresenteerd. Door de aanpassing van het weegmodel is het aantal vakbondsleden in 2000 gedaald met 20,3 duizend (Tabel 2) en het totaal aantal werknemers (Tabel 3) met 35,5 duizend. In verslagjaar 2005 is de vakbondsmodule niet opgenomen in de EBB en zijn er geen cijfers met betrekking tot de organisatiegraad. Vanaf 2006 is de onderwijsindeling en de indeling in bedrijfsgrootte anders dan voor de periode 1995-2004. Ter vergelijking is ook voor verslagjaar 2004 de nieuwe onderwijsindeling en indeling in bedrijfsgrootte opgenomen.

In 2008 is het weegmodel van de EBB gewijzigd. De EBB is een zogenaamd roterend panelonderzoek, waarbij de respondenten in totaal vijf maal worden benaderd. Voor de eerste benadering bezoekt een interviewer van het CBS de mensen thuis (Computer Assisted Personal Interviewing, CAPI). De vier vervolgpeilingen worden telefonisch afgenomen (Computer Assisted Telephone Interviewing, CATI). Bij de nieuwe weging worden voor het eerst jaarcijfers gepubliceerd die gebaseerd zijn op alle vijf EBB-peilingen samen (panelweging). Ook wordt bij de nieuwe weging, meer dan bij de tot nu toe gehanteerde weegmodellen, gebruik gemaakt van registers. Er worden drie registers gebruikt, te weten de Gemeentelijke basisadministratie (GBA), Ingeschreven Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en Belastingdienstgegevens (Fibase). Door alle vijf de peilingen van de EBB samen te kunnen gebruiken, zijn de jaarcijfers gebaseerd op gegevens van veel méér respondenten dan wanneer alleen de eerste peiling wordt gebruikt. Hierdoor worden de onnauwkeurigheidsmarges op de uitkomsten kleiner.

De informatie voor verslagjaar 2007 wordt op basis van het oude weegmodel (2007-a) en het nieuwe weegmodel (panelweging; 2007-b) gepresenteerd. Door de aanpassing van het weegmodel is het aantal vakbondsleden in 2007 gedaald met 36,3 duizend (Tabel 2) en het totaal aantal werknemers (Tabel 3) met 64,9 duizend.

Aan alle personen van 15 jaar en ouder worden vragen gesteld over hun positie op de arbeidsmarkt. Met uitzondering van degenen die opgeven een eigen bedrijf/praktijk te hebben, wordt ook gevraagd naar het lidmaatschap van een vakbond. Aan de personen die lid zijn van een vakbond wordt vervolgens gevraagd van welke vakcentrale men lid is.

In 2010 is vanaf het 3e kwartaal van dat jaar de vakbondsmodule opgenomen in de 3e peiling en niet meer in de eerste peiling.

Op basis van de EBB wordt informatie samengesteld over achtergrondkenmerken van mensen die lid zijn van een vakbond, zoals: geslacht, herkomstgroepering, leeftijd, opleidingsniveau, beroepsniveau, positie op de arbeidsmarkt, arbeidsduur, arbeidsrelatie, werktijden, bedrijfstak, bedrijfsgrootte en woonprovincie. De belangrijkste informatie uit de EBB is de afleiding van de ‘organisatiegraad van werknemers’. De informatie die uit de EBB beschikbaar komt, is veel uitgebreider dan welke ontleend kan worden aan de administraties van de vakbonden (detaillering van aantal leden naar geslacht en leeftijd).

De belangrijkste bron voor het aantal vakbondsleden is de structuurenquête van de Statistiek van de Vakbeweging.

De uitkomsten uit de EBB verschillen van de uitkomsten uit de Statistiek van de Vakbeweging. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te geven. In de cijfers van de Statistiek van de Vakbeweging zijn ook de vakbondsleden opgenomen die woonachtig zijn in het buitenland. Deze personen worden niet waargenomen in de Enquête beroepsbevolking omdat voor de EBB alleen woonadressen in Nederland worden aangeschreven. De gegevens van de structuurenquête hebben betrekking op een peildatum. De uitkomsten van de EBB betreffen jaargemiddelden. De Statistiek van de Vakbeweging is gebaseerd op administraties van de vakbonden en de EBB-informatie op een steekproef, waarbij rekening moet worden gehouden met steekproeffouten. Doordat de EBB een steekproefonderzoek is, hebben de uitkomsten een onnauwkeurigheidsmarge (Tabel 5). Echter, voor de informatie van de organisatiegraad naar de verschillende kenmerken is het verschil in aantal vakbondsleden tussen EBB en de Statistiek van de Vakbeweging niet verstorend.

2011 nog voorlopig

De uitkomsten van 2011 zijn gebaseerd op vier kwartaalbestanden en niet op een samengesteld jaarbestand. Hierdoor moeten de uitkomsten voor 2011 nog als voorlopig beschouwd worden.

Begrippenlijst

Arbeidsrelatie

Werknemers met een vaste arbeidsrelatie hebben een arbeidscontract dat niet van beperkte duur is én zijn in dienst voor een vast overeengekomen aantal uren. Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie hebben een arbeidscontract van beperkte duur én/of zijn niet voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst. Een arbeidscontract van beperkte duur is een contract van korter dan één jaar zonder toezegging van aanstelling in vaste dienst. Voorbeelden van werknemers met een flexibele arbeidsrelatie zijn: uitzendkrachten, oproepkrachten en invalkrachten.

Bedrijfsgrootte

De bedrijfsgrootte voor de periode 1995-2004 is gebaseerd op het aantal werknemers in loondienst. De nieuwe indeling gaat uit van het aantal werkzame personen. Bij deze indeling zijn de werkzame zelfstandigen en de meewerkende gezinsleden meegeteld.

Bedrijfstak / bedrijfssector

Voor de indeling van bedrijven naar bedrijfstak / bedrijfssector wordt de Standaard bedrijfsindeling 1993 (SBI 1993) gebruikt. In deze indeling wordt de economische activiteit van een bedrijf gekenmerkt door het voortgebrachte product, de in het productieproces gebruikte grondstoffen en hulpdiensten plus de aard van het productieproces. Het gaat hierbij niet alleen om activiteiten van het bedrijfsleven, maar ook om activiteiten van niet op winst gerichte instellingen en de overheid. De onderscheiden groepen zijn genummerd met bijbehorende SBI-codes.

Beroepsniveau

Beroep is de verzameling van werkzaamheden en taken, die samen een betrekking vormen. De beroepen zijn ingedeeld op grond van het niveau en de aard van de werkzaamheden volgens de Standaard beroepenclassificatie 1992 (SBC 1992). Veelal worden vijf verschillende beroepsniveaus onderscheiden: elementair, lager, middelbaar, hoger en wetenschappelijk.

Herkomstgroepering

De herkomstgroepering is een indeling van personen (in de categorie autochtoon of allochtoon) op basis van het geboorteland van henzelf en van hun ouders. Autochtonen zijn personen van wie beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het land waar ze zelf zijn geboren. Tot de allochtonen wordt eenieder gerekend van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). De herkomstgroepering wordt bepaald aan de hand van het geboorteland van de persoon zelf of dat van de moeder, tenzij de moeder in Nederland is geboren. In dat geval is gerubriceerd naar het geboorteland van de vader. Naast de nieuwe definitie is een standaardindeling van allochtonen geïntroduceerd waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen westerse en niet-westerse allochtonen. Tot de categorie niet-westerse allochtonen behoren allochtonen uit Turkije, Afrika, Latijns-Amerika (inclusief de Nederlandse Antillen en Aruba) en Azië, met uitzondering van Indonesië en Japan. Tot de categorie westerse allochtonen behoren allochtonen uit Europa, Noord-Amerika, Oceanië, Indonesië en Japan.

Landsdeel

Bij landsdeel worden de volgende categorieën onderscheiden:

  • Noord: Groningen, Friesland, Drenthe;
  • Oost: Overijssel, Flevoland, Gelderland;
  • West: Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland;
  • Zuid: Noord-Brabant, Limburg.

Landsdeel West is onderverdeeld in: de 4 grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, ’s-Gravenhage en Utrecht) en de overige gemeenten.

Opleidingsniveau

Het behaalde opleidingsniveau is het niveau van de hoogste met succes gevolgde opleiding. De opleidingen zijn ingedeeld naar opleidingsniveau volgens de Standaard onderwijsindeling 1978 (SOI 1978). Het niveau wordt veelal aangeduid met de meest typerende schoolsoort: basisonderwijs, mavo, vbo, havo/vwo, mbo, hbo en wo.

De indeling van het onderwijsniveau is aangepast (onder andere om internationale vergelijkingen te vergemakkelijken en de aansluiting met de ISCED te verbeteren).

  • Basisonderwijs
    alle opleidingen op niveau 1 en 2 van de SOI. Dit omvat het gehele basisonderwijs en de eerste fase van het voortgezet onderwijs: lbo/vbo/vmbo, mulo/mavo.
  • Vmbo, mbo 1, avo onderbouw
    alle opleidingen op niveau 3 van de SOI. Dit omvat de eerste 3 leerjaren van havo/vwo (en hun voorgangers), het laagste niveau van het beroepsonderwijs, vergelijkbaar met de huidige assistentenopleiding (mbo kwalificatieniveau 1) en avo onderbouw.
    Avo onderbouw omvat de eerste drie jaren van havo/vwo (SOI-niveau 3.3), mulo, ulo en de theoretische en gemengde leerwegen in het mbo.
  • Havo, vwo, mbo
    omvat de opleidingen op niveau 4 van de SOI, dat wil zeggen de tweede fase van het voortgezet onderwijs: bovenbouw havo/vwo en opleidingen vergelijkbaar met mbo 2, 3 en 4.
    Mbo 2 en 3 omvatten de basisberoeps- en vakopleidingen (beroepsopleidingen op SOI-niveau 4.1 en 4.2); Mbo 4 (beroepsopleidingen op SOI-niveau 4.3); Havo, vwo (algemene opleidingen op SOI-niveau 4.2 en 4.3).
  • Hbo, wo bachelor
    omvat de opleidingen op niveau 5 van de SOI.
  • Wo
    omvat de opleidingen op niveau 6 en 7 van de SOI.

De onderwijsindeling in lager-middelbaar-hoger is als volgt samengesteld:

  • Lager : opleidingen op niveau 1, 2 en 3 van de SOI.
  • Middelbaar : opleidingen op niveau 4 van de SOI.
  • Hoger : opleidingen op niveau 5, 6 en 7 van de SOI.

Organisatiegraad

Onder de organisatiegraad van werknemers wordt verstaan het aantal georganiseerde werknemers jonger dan 65 jaar met betaald werk voor ten minste twaalf uur per week in procenten van het totaal aantal werknemers met betaald werk voor ten minste twaalf uur per week.

Vakvereniging

Een vereniging van werknemers die zich ten doel stelt de collectieve en/of individuele belangen van de leden te behartigen bij hun werkgevers of bij instanties die invloed op de arbeidsvoorwaarden uitoefenen. De meeste vakverenigingen zijn aangesloten bij een centrale of overkoepelende organisatie, zoals FNV, CNV, Vakcentrale MHP en de beroepsfederaties. Onder de vakbeweging wordt verstaan alle vakverenigingen samen.

Werktijden

Bij werktijden is een onderscheid gemaakt in regelmatige en onregelmatige werktijden. Onder regelmatige werktijden wordt verstaan: het werken overdag op werkdagen. Bij onregelmatige werktijden is een onderverdeling gemaakt in: werken in de nacht en avond, werken in de avond en werken in het weekend overdag. Alle personen zijn slechts in één van de hierboven genoemde categorieën ingedeeld. Hierbij is de genoemde volgorde aangehouden.

Werkzame personen

Indeling waarbij naast de werkzame beroepsbevolking, personen die ten minste twaalf uur per week werken, ook de personen uit de werkloze beroepsbevolking en de niet-beroepsbevolking die voor één uur of meer per week betaalde arbeid verrichten, zijn opgenomen. Bij werkzame personen worden werknemers en zelfstandigen onderscheiden. Dit onderscheid is gebaseerd op het criterium van het al dan niet dragen van economisch risico. Zelfstandigen zijn mensen die een inkomen verdienen door arbeid te verrichten in het bedrijf of het beroep dat zij zelfstandig uitoefenen. Hiertoe worden ook de meewerkende gezinsleden van zelfstandigen gerekend, tenzij uitdrukkelijk een arbeidsovereenkomst is aangegaan. Tot de zelfstandigen behoren onder andere personen die werkzaam zijn in hun eigen bedrijf/praktijk of in het bedrijf van hun partner of ouders, zelfstandige beroepsbeoefenaars en freelancers. Werknemers daarentegen zijn mensen die arbeid verrichten in loondienst (arbeidscontract) en daarvoor loon of salaris ontvangen.