Auteur(s): Sanneke de la Rie, Tristan Fromberg, Ilona Veer, Ruben van Gaalen
Kansen en risico’s in de eerste duizend dagen

4. Conclusie en discussie

Het aandeel kinderen dat de eerste duizend dagen opgroeit in een gezin met een of meer risicofactoren is gedaald van 42 procent van de in 2007 geboren kinderen, naar 38 procent in 2021. Ook een stapeling van risicofactoren komt minder voor. In 2007 had 16 procent van de gezinnen twee of meer risicofactoren, in 2021 nog 13 procent. 

Minder gezinnen bevinden zich in het laagste welvaartskwintiel en meer in het hoogste, en minder ouders hebben basisonderwijs, vmbo of mbo-1 als hoogste onderwijsniveau. De arbeidsparticipatie en het aandeel gezinnen met verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica is nauwelijks veranderd. Wel groeien wat meer kinderen op in een eenoudergezin.

Bij kinderen die opgroeien in een gezin met lage welvaart is de situatie wel verslechterd: daar zijn in 2021 vaker ook andere risicofactoren aanwezig dan in 2007. De ouders hebben vaker een basis, vmbo, of mbo-1-opleiding en werken minder vaak. Ook groeien deze kinderen steeds vaker op in een eenoudergezin tijdens de eerste duizend dagen. Wel is er bij de laagste welvaartsniveaus een lichte daling van het aandeel ouders met antidepressiva of antipsychotica.

Onder alle herkomstgroepen is het aandeel gezinnen met een of meer risicofactoren afgenomen, het meest bij gezinnen met in Turkije geboren ouder(s). Een stapeling van risicofactoren in dit onderzoek komt vaker voor in gezinnen met een ouder uit Marokko of een ander Afrikaans land, de Nederlandse Cariben, Turkije en Suriname, vergeleken met gezinnen met ouders die in Nederland zijn geboren. 

Kinderen hebben vaker een moeder ouder dan 30, en minder vaak een moeder jonger dan 25. Dat laatste geldt vooral voor de laagste welvaartsgroep. Het aandeel kinderen met een onbekende vader blijft stabiel op 3 tot 4 procent. In de laagste welvaartsgroep is dit toegenomen van 14 procent in 2007 naar 15 procent in 2021. In gezinnen met basisonderwijs, vmbo of mbo-1 is dit toegenomen van 10 procent (2007) naar 15 procent (2021). Deels overlapt dit kenmerk met de risicofactor gezinsstabiliteit: gezinnen met een onbekende juridische vader zijn in dit onderzoek per definitie een eenoudergezin. 

4.1 Discussie

De bevinding dat gezinnen met zeer jonge kinderen er in het algemeen financieel op vooruit zijn gegaan tot en met 2021, is in lijn met de resultaten van de Landelijke Jeugdmonitor: het aantal minderjarige bijstandskinderen in Nederland is al voor het zevende jaar op rij gedaald (CBS, 2024a). Daaruit blijkt ook dat gezinnen met jonge kinderen het grootste armoederisico lopen. Dit geldt niet alleen voor Nederland. Western et al. (2008) vonden dat de toegenomen inkomensongelijkheid in de VS (1975-2005) veel groter was onder gezinnen met kinderen dan in huishoudens zonder kinderen.

Hetzelfde werd gevonden voor vermogensongelijkheid (Gibson-Davis & Percheski, 2018). Naast gezinnen met kinderen zijn er ook andere specifiek kwetsbare groepen geïdentificeerd, op basis van onderzoek van Vethaak & Jongen (2024). Uit dat onderzoek blijkt dat de inkomensongelijkheid voor mannen in de werkzame leeftijd is toegenomen tussen 1981 en 2021.

De bevinding dat minder ouders basisonderwijs, vmbo of mbo-1 als hoogste onderwijsniveau hebben, sluit aan bij de algemene trend dat mensen in Nederland steeds vaker minimaal havo hebben afgerond (CBS, 2024b). Kinderen uit de laagste welvaartscategorie hebben echter steeds minder vaak hbo- of wo-opgeleide ouders en kinderen uit de hoogste welvaartscategorie juist steeds vaker. Voor een bredere groep mensen van 35 tot 80 jaar is deze ontwikkeling ook gerapporteerd voor andere Europese landen, waaronder België, Denemarken, Engeland en Wales, Frankrijk, Slovenië, en Zwitserland (Hoffmann et al., 2026).

Hoewel de arbeidsparticipatie voor de totale groep gezinnen weinig fluctueert, is deze duidelijk lager onder ouders in de laagste welvaartsgroep en onder ouders met ten hoogste basisonderwijs, vmbo of mbo-1. Ook uit eerder CBS-onderzoek (Veer et al., 2023b) blijkt dat minder welvarende ouders vaker niet actief zijn op de arbeidsmarkt. Ander Nederlands onderzoek rapporteert dat arbeidsparticipatie van ouders samenhangt met latere schoolprestaties van kinderen (Veer et al., 2023a). Kinderen van werkende armen scoren aan het einde van het basisonderwijs ruim 1,5 punt hoger op de centrale eindtoets dan kinderen die aan het begin van hun leven opgroeien in gezinnen met bijstand. In dit onderzoek ligt de arbeidsparticipatie onder ouders in de laagste welvaartsgroep en onder ouders met ten hoogste basisonderwijs, vmbo of mbo-1 flink lager in 2021 dan in 2007. Wel is vanaf 2017 een stijging zichtbaar van de arbeidsparticipatie die tussen 2017 en 2019 ook te zien is voor een bredere groep binnen de Nederlandse bevolking, namelijk 15- tot 75-jarigen (CBS StatLine, 2026).

Over het algemeen groeien wat meer kinderen op in een eenoudergezin. Het aandeel eenoudergezinnen neemt vooral flink toe onder gezinnen in de lagere welvaartsniveaus en onder gezinnen met ouders met ten hoogste basisonderwijs, vmbo of mbo-1. Dit is in lijn met de toename in het aandeel gezinnen met een onbekende juridische vader in de laagste welvaartsgroep. Voor andere landen is een vergelijkbare ontwikkeling gerapporteerd. In de Verenigde Staten ging het zelfs om een verdubbeling van het aandeel alleenstaande moeders in de periode 1980-2015 (Manning et al., 2015). Doordat er meer complexe familiesamenstellingen ontstaan, zullen meer kinderen worden blootgesteld aan familietransities, met name in gezinnen met lage welvaart (Brown et al., 2016; Meyer & Carlson, 2014). Volgens ander CBS-onderzoek hadden eenoudergezinnen vergeleken met overige huishoudens in 2013 het hoogste armoederisico. Wel daalde dit risico vanaf 2013, mede door een verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders (CBS, 2023).

Over het algemeen is het aandeel gezinnen met verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica nauwelijks veranderd. Wel komt dit relatief vaker voor in gezinnen met een lager welvaartsniveau en in gezinnen met ouders met maximaal een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau. Dat is in lijn met de conclusie van een overzichtsstudie dat mensen met een lagere sociaaleconomische positie een hogere kans hebben op een angst- of depressieve stoornis (Freyers et al., 2003). Binnen deze groepen nemen verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica licht af. Mogelijk heeft deze daling te maken met de daling van het aantal minderjarige bijstandskinderen (CBS, 2024a). Onderzoek van het Trimbos-instituut laat zien dat de stress die schulden en een laag inkomen veroorzaken de belangrijkste oorzaak zijn van psychische klachten (Trimbos-instituut, 2025).

Ongelijkheid in de opeenstapeling van risicofactoren

In lijn met de resultaten van dit onderzoek, blijkt uit eerder CBS-onderzoek (Veer et al., 2023b) dat een opeenstapeling van risicofactoren tijdens de eerste duizend dagen van het kind voornamelijk voorkomt binnen gezinnen met de laagste welvaartsniveaus. Bij kinderen die opgroeiden in een gezin met een bijstandsuitkering was bij 9 procent een opeenstapeling van vier risicofactoren. Bij kinderen in een gezin zonder bijstand was dat slechts bij 0,2 procent het geval (Veer et al., 2023b). In de internationale literatuur komt eveneens naar voren dat gezinnen met een lage welvaart vaker te maken krijgen met een combinatie van risicofactoren, zoals financiële onzekerheid, ouderlijke depressie, en ouders in detentie (Cooper & Pugh, 2020; Sabates & Dex, 2022). 

Nederlandse kinderen kregen in de periode 2007-2021 tijdens de eerste duizend dagen over het algemeen in de loop van de tijd met minder risicofactoren te maken. Dat is een gunstige ontwikkeling, te meer omdat eerder onderzoek uitwijst dat de last van risicofactoren vooral voortkomt uit de combinatie van meerdere risicofactoren, en in mindere mate uit de afzonderlijke factoren (Fergusson & Horwood, 2003; Sabates & Dex, 2012).

Hoewel voor de groep als geheel de stapeling van risicofactoren over de tijd minder wordt, neemt stapeling bij kinderen uit gezinnen met een lagere welvaart juist toe. Dit is zorgwekkend, omdat een opstapeling van risicofactoren zorgt voor grotere ongelijkheid in de ontwikkelingskansen van kinderen (Walker et al., 2011). Zo is uit ander onderzoek gebleken dat blootstelling aan risicofactoren zoals een laag inkomen, laag ouderlijk onderwijsniveau, en gezondheidsproblemen bij ouders negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van kinderen en voor de latere schoolse ontwikkeling (Shen & Hannum, 2023).

Verschuivingen in sociaal-demografische kenmerken en ongelijkheid daarin

Uitgesplitst naar herkomst, blijkt een opeenstapeling van risicofactoren in dit onderzoek vaker voor te komen in gezinnen met een ouder uit Afrika, Marokko, de Nederlandse Cariben, Turkije en Suriname, dan in gezinnen met ouders die in Nederland zijn geboren. Wel neemt het aandeel gezinnen zónder risicofactor onder alle herkomstgroepen toe in de periode 2007-2021. In het bijzonder onder gezinnen met een ouder van Turkse komaf. Als onderdeel van de in november 2026 te verschijnen Rapportage Integratie en Samenleven zullen trends naar herkomstgroepen nader worden bekeken. Zo wordt verder inzicht verkregen in welke herkomstgroepen kwetsbaar zijn wat betreft een opeenstapeling van risicofactoren in de eerste duizend dagen en welke risicofactoren vooral voorkomen.

Het aandeel jonge moeders loopt over het algemeen af, terwijl het aandeel moeders boven de 30 jaar oploopt. Dit sluit aan bij ander CBS-onderzoek waaruit blijkt dat er minder jonge moeders zijn, omdat de leeftijd waarop vrouwen aan kinderen beginnen, opschuift (CBS, 2025). Jong moederschap komt vaker voor in gezinnen met een lager welvaartsniveau, maar over de tijd neemt het aandeel jonge moeders in deze groep af. Dit is een gunstige ontwikkeling, aangezien uit eerder onderzoek blijkt dat jong moederschap samenhangt met een hogere kans op negatieve uitkomsten voor kinderen, zoals perinatale sterfte, een laag geboortegewicht en —later in het leven—een hogere bijstandsafhankelijkheid en werkloosheid (Boden et al., 2008; Marvin-Dowle & Soltani, 2020).

Ook de meest kwetsbare groep gezinnen, die te maken krijgt met een opeenstapeling van vier of vijf risicofactoren, is in de periode 2007-2021 van samenstelling veranderd. Net als voor de groep gezinnen als geheel, komen bepaalde herkomstlanden meer voor en andere minder, loopt het aandeel kinderen met een moeder onder de 25 jaar terug en loopt het aandeel kinderen met een onbekende juridische vader juist op.

Vervolgonderzoek

In vervolgonderzoek kunnen de gevolgen van blootstelling aan een stapeling van risicofactoren voor latere levensuitkomsten van kinderen nader worden onderzocht. Daarbij kan worden nagegaan of de sterkte van de samenhang tussen verschillende risicofactoren en specifieke ontwikkelingsdomeinen in de loop van de tijd toe- of afneemt. Ook kan aandacht worden besteed aan mogelijke bufferende factoren die de negatieve gevolgen van een opeenstapeling van risicofactoren kunnen beperken.

Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar zorggebruik en zorgkosten na de eerste duizend dagen van het leven. Door kinderen die in hun vroege levensfase zijn blootgesteld aan een stapeling van risicofactoren over een langere periode te volgen, kan worden nagegaan in hoeverre dit samenhangt met latere zorgconsumptie, bijvoorbeeld binnen de jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, ziekenhuiszorg of het gebruik van jeugdhulp. Ook kan worden onderzocht in hoeverre vroege risicostapeling leidt tot hogere zorgkosten op latere leeftijd, en of bufferende factoren deze relatie kunnen verzwakken. Hiermee kan beter inzicht worden verkregen in de langetermijnimpact van vroege risicofactoren op gezondheid en zorguitgaven.

Daarnaast kan toekomstig onderzoek voor specifieke risicofactoren nader analyseren wat mogelijke verklaringen zijn voor de hier waargenomen ontwikkelingen, zoals de afgenomen arbeidsparticipatie van ouders met een lagere welvaart, de toename van het aandeel eenoudergezinnen en het aandeel kinderen zonder juridisch vastgestelde vader.

Verder kan het analytisch kader worden uitgebreid met aanvullende risicofactoren. Opvoedingspraktijken en ouder-kindrelaties zijn cruciale factoren voor het begrijpen van verschillen in ontwikkelingsuitkomsten van kinderen. Registerdata bevatten hier echter weinig directe informatie over. Wel kunnen indicatoren als detentie van een ouder, langdurig beroep op de ziektewet of arbeidsongeschiktheid, sterke fluctuaties in het inkomen, baanverlies of problematische schulden bij ouders worden bekeken. Ook kunnen indicatoren rond kinderbeschermingsmaatregelen of meldingen bij Veilig Thuis worden betrokken.