Kansen en risico’s in de eerste duizend dagen
Een trendanalyse Kansrijke Start voor de geboortejaren 2007–2021Over deze publicatie
Deze publicatie beschrijft de ontwikkeling van sociale, economische en gezinsgerelateerde omstandigheden in de eerste duizend dagen van kinderen die in Nederland zijn geboren tussen 2007 en 2021. Verandert de aanwezigheid van risicofactoren in de gezinnen waarin kinderen opgroeien? Zijn er verschuivingen in de sociaal-demografische samenstelling van gezinnen met de meeste risicofactoren over de tijd heen?
In het kort:
─ Over het algemeen beschouwd zijn gezinnen met zeer jonge kinderen erop vooruitgegaan in de periode 2007-2021.
─ Wel neemt de stapeling van risicofactoren bij kinderen uit gezinnen met een lagere welvaart toe.
─ Arbeidsparticipatie is het laagst onder ouders in de laagste welvaartsgroep en daalt daar flink.
─ Binnen de groep met het laagste welvaartsniveau neemt het aandeel eenoudergezinnen over de tijd toe.
─ Het aandeel gezinnen zónder risicofactoren neemt onder alle herkomstgroepen toe tussen 2007 en 2021.
1. Inleiding
1.1 Aanleiding
Een goede start in het leven vormt een krachtige voorspeller van latere gezondheid, welzijn en maatschappelijke participatie. Zowel nationale als internationale studies laten zien dat omstandigheden in de eerste levensjaren – vaak aangeduid als de eerste duizend dagen – een blijvende invloed kunnen hebben op de cognitieve, lichamelijke en sociale ontwikkeling van kinderen (Rindermann & Baumeister, 2015; Van den Hof et al., 2025). De omstandigheden waarin kinderen hun eerste levensjaren doorbrengen, vormen een belangrijke basis voor hun verdere ontwikkeling. Niet ieder kind krijgt echter dezelfde kansen. Zowel sociale als economische en gezondheidsgerelateerde factoren blijken gedurende deze periode sterk samen te hangen met latere uitkomsten op het gebied van gezondheid, onderwijs, arbeidsdeelname en maatschappelijke participatie (zie bijvoorbeeld Veer et al., 2023a). Een omvangrijke internationale literatuurstudie beschrijft deze eerste duizend dagen – van het jaar vóór de geboorte tot en met het jaar erna – als een kritieke fase waarin vroege verschillen zich kunnen vertalen in duurzame ongelijkheid (Capitani et al., 2022; Darling et al., 2020). Recente epidemiologische studies, waaronder Van den Hof et al. (2025), benadrukken dat sociale omstandigheden rondom de geboorte sterk samenhangen met verschillen in morbiditeit en welzijn op latere leeftijd. Daarbij speelt het principe van ‘cumulative disadvantage’ een cruciale rol: vroege risico’s versterken elkaar en hebben gestapeld een blijvend effect, tenzij er daarna verbetering optreedt in de omstandigheden.
Nederlandse analyses bevestigen dit beeld. In eerder CBS-onderzoek (Veer et al., 2023b) is vastgesteld dat kinderen die in huishoudens met lage inkomens worden geboren aanzienlijk vaker worden geconfronteerd met een stapeling van risicofactoren dan hun leeftijdsgenoten uit huishoudens met hogere inkomens. Deze cumulatie betreft onder meer lagere onderwijsniveaus en beperkte arbeidsparticipatie van ouders, instabiele gezinssituaties en gezondheidsproblemen. Het onderzoek laat zien dat ongelijke omstandigheden al vroeg in het leven zichtbaar zijn en dat deze verschillen gedurende het verdere leven vaak structureel aanwezig blijven.
De maatschappelijke en beleidsmatige relevantie van deze inzichten is groot. Het landelijke programma Kansrijke Start richt zich sinds 2018 expliciet op het versterken van de sociale, medische en pedagogische omgeving in de eerste duizend dagen van kinderen. In december 2025 is aangekondigd dat Kansrijke Start structureel wordt verankerd binnen het VWS-beleid vanaf 2026 (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [VWS], 2025).
Deze inzichten maken duidelijk dat het van belang is om ontwikkelingen in de sociale omstandigheden van jonge kinderen nauwkeurig en langdurig te volgen. Tot op heden ontbrak een consistente, over meerdere geboortejaren vergelijkbare trendanalyse die beschrijft hoe de omstandigheden in de eerste duizend dagen van in Nederland geboren kinderen zich door de tijd heen ontwikkelen. De periode van de eerste duizend dagen geldt internationaal als een kritiek ‘window of development’ waarin sociale en biologische processen elkaar beïnvloeden en waarin eventuele interventies het meest effectief kunnen zijn.
Veel onderzoek naar de gevolgen van risicofactoren tijdens de vroege kindertijd is gericht op een enkele determinant, zoals de negatieve consequenties van ouderlijke scheiding op de kwaliteit van de relatie tussen ouders en kinderen (Spaan et al., 2022), of het moment waarop zij het ouderlijk huis verlaten (Harmsen et al., 2013). Er is ook veel onderzoek gericht op sociale ongelijkheid in ontwikkelingsuitkomsten voor kinderen, zoals overgewicht (Wardle & Cole, 2010) of cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling (Cattan et al., 2024). Daarbij worden soms ook trends in kaart gebracht. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de opeenstapeling van (meer dan twee) risicofactoren (Sabates & Dex, 2022), en wat voornamelijk ontbreekt zijn de ontwikkelingen daarin. De monitor Kansrijke Start van het RIVM vormt hier een uitzondering op (Van Meijeren-van Lunteren et al., 2025).
In het verlengde van de doelstellingen van het programma Kansrijke Start is het zinvol om onderzoek te doen naar de combinatie van verschillende factoren. Dit artikel gaat daarom, naast een beschrijving van de aparte hulpbronnen, verder in op de afwezigheid van meerdere hulpbronnen tegelijkertijd, oftewel een opeenstapeling van risicofactoren.
1.2 Doel van dit artikel
Het doel van deze publicatie is om de ontwikkeling van sociale, economische en gezinsgerelateerde omstandigheden in de eerste duizend dagen van kinderen die in Nederland worden geboren systematisch in kaart te brengen. De nadruk ligt op trends over de tijd: verandert de aanwezigheid van risicofactoren in de gezinnen waarin kinderen opgroeien? Zo ja, welke risicofactoren vallen op, en verandert de demografische samenstelling van de meest kwetsbare subgroep (met de meeste risicofactoren) over de tijd heen?
Door trends in risicofactoren over meerdere geboortejaren in kaart te brengen, kan worden vastgesteld of omstandigheden structureel verbeteren, verslechteren of stabiel blijven, en welke groepen in toenemende mate risico lopen. Daarmee levert deze studie empirische inzichten voor zowel beleidsvorming als verder wetenschappelijk onderzoek.
1.3 Onderzoeksvragen
De volgende onderzoeksvragen worden beantwoord:
- In welke mate komen risicofactoren voor gedurende de eerste duizend dagen van tussen 2007 en 2021 in Nederland geboren kinderen, en wat zijn daarin ontwikkelingen?
- Treden er verschuivingen op in stapeling van deze risicofactoren binnen gezinnen van kinderen?
- Treden er verschuivingen op in sociaal-demografische kenmerken, zoals de herkomst van kinderen en de leeftijd van moeders?
2. Data en methode
2.1 Databronnen
Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van diverse integrale registraties die bij het CBS beschikbaar zijn binnen het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB; zie Bakker et al., 2014). Deze bestanden bevatten informatie over demografie, inkomen, vermogen, huishoudenssamenstelling, onderwijs, zorg en arbeid. De belangrijkste bronnen zijn:
- Basisregistratie Personen (BRP) voor vaststelling van geboortejaar, woonland, woonsituatie en de juridische ouder-kindrelatie.
- Inkomensstatistiek en Vermogensstatistiek voor het bepalen van het welvaartsniveau van ouders.
- Onderwijsregisters (DUO) voor het vaststellen van het onderwijsniveau van ouders.
- Polisadministratie (UWV) en Inkomensstatistiek voor de arbeidsparticipatie via de belangrijkste inkomensbron van ouders.
- Medicijnverstrekkingen uit Genees- en hulpmiddelen Informatie Project (GIP, Vektis) voor het meten van ouderlijke mentale gezondheid.
2.2 Onderzoekspopulatie
De onderzoekspopulatie bestaat uit alle kinderen die van 2007 tot en met 2021 in Nederland zijn geboren en van wie ten minste één juridische ouder bekend is in de BRP. Dit betreft 2.633.120 kinderen. Om de omstandigheden in de eerste duizend dagen volledig en vergelijkbaar te kunnen reconstrueren, gelden de volgende selectiecriteria:
- Het kind woont in het geboortejaar en het daaropvolgende kalenderjaar in Nederland.
- Ten minste één ouder woont in het jaar vóór de geboorte, het geboortejaar en het daaropvolgende jaar in Nederland.
Na toepassing van deze criteria vallen 39.400 kinderen af door migratie en 10.090 kinderen overleden in de eerste duizend dagen. De onderzochte cohorten omvatten in totaal 2.583.630 kinderen. Een verdere omschrijving van de populatie staat in Bijlage 1.
2.3 Operationalisering eerste duizend dagen
De eerste duizend dagen worden in dit onderzoek benaderd als drie kalenderjaren:
- het kalenderjaar vóór de geboorte;
- het geboortejaar;
- het kalenderjaar daarna.
Deze operationalisering sluit aan bij bestaande CBS-methoden en bij programmatische kaders van Kansrijke Start, waarbinnen pre-conceptie, zwangerschap, geboorte, en de eerste levensfase samenhangend worden beschouwd.
2.4 Indicatoren
Voor elk kind zijn vijf indicatoren vastgesteld.
1. Welvaartsniveau van ouder(s)
Het welvaartsniveau is bepaald aan de hand van het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen en het vermogen van de ouder(s), gemiddeld over de drie relevante kalenderjaren. Als de ouders niet hetzelfde huishouden delen, vormen beide welvaartsniveaus de basis voor deze indicator, waarbij het kind centraal staat. De resulterende welvaartsscore is ingedeeld in vijf kwintielgroepen, waarbij het eerste kwintiel de 20 procent kinderen omvat die in huishoudens met de laagste welvaart wonen.
2. Onderwijsniveau van ouder(s)
Voor elke ouder is het hoogst behaalde diploma bepaald aan de hand van DUO-registraties. Wanneer het onderwijsniveau van beide juridische ouders bekend is, wordt het hoogste niveau als indicator gebruikt.
3. Arbeidsparticipatie van ouder(s)
Arbeidsparticipatie wordt benaderd via de belangrijkste inkomensbron van het ouderlijk huishouden tijdens de eerste duizend dagen. Indien voor ten minste één ouder in ten minste één van de drie jaren inkomen uit arbeid de belangrijkste inkomensbron is, wordt het huishouden als participerend geclassificeerd.
4. Gezinsstabiliteit
Op basis van de adresbewoning van beide juridische ouders is vastgesteld in welke mate kinderen gedurende de eerste duizend dagen opgroeien in een tweeoudergezin. Er worden drie categorieën onderscheiden: volledig een eenoudergezin, deels een eenoudergezin en volledig tweeoudergezin.
5. Mentale gezondheid van ouder(s)
Mentale gezondheid wordt benaderd via verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica aan ten minste één ouder in de drie kalenderjaren. Deze medicatie wordt vaak verstrekt bij psychische problemen.
Voor een beschrijving van relevante beperkingen in de operationalisering van deze indicatoren, zie Bijlage 1 (kwaliteitsaspecten).
Stapeling van risicofactoren
Er is gekeken naar het tegelijkertijd voorkomen van de vijf risicofactoren in de eerste duizend dagen: basisonderwijs, vmbo of mbo-1-onderwijsniveau, geen arbeidsparticipatie, laag welvaartsniveau (laagste kwintiel), onderdeel zijn van een eenoudergezin en verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica aan ouder(s).
2.5 Trendanalyse: cohortaanpak
Alle indicatoren zijn beschreven per geboortejaar. Dit maakt een trendanalyse mogelijk over een periode van vijftien cohorten (2007–2021).
Om te bekijken in hoeverre gezinnen met het laagste welvaartsniveau in de periode 2007-2021 meer te maken krijgen met een opeenstapeling van risicofactoren zijn ordinale logistische regressieanalyses uitgevoerd. Tot slot is voor de meest kwetsbare groep –gezinnen die te maken kregen met een opeenstapeling van vier of vijf risicofactoren– bekeken of deze over tijd van sociaal-demografische samenstelling is veranderd.
3. Resultaten
3.1 Indicatoren
Welvaartsniveau van ouders: iets minder in laagste kwintiel
Ruim 1 op de 10 in 2007 geboren kinderen groeide op in een huishouden met het laagste welvaartsniveau (1e kwintiel), en ook ruim 1 op de 10 in een gezin met het hoogste welvaartsniveau. Bijna 30 procent behoort tot de middelste welvaartsgroep. Tussen 2007 en 2021 is het aandeel en het aantal gezinnen in het laagste welvaartskwintiel licht gedaald en dat in het hoogste kwintiel licht gestegen.
| Cohort | Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) (%) | Tweede 20%-groep (%) | Derde 20%-groep (%) | Vierde 20%-groep (%) | Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) (%) | Onbekend (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2007 | 13,5 | 21,1 | 27,9 | 24,1 | 12,9 | 0,5 |
| 2008 | 13,1 | 21,5 | 28,5 | 24,1 | 12,4 | 0,5 |
| 2009 | 13,2 | 21,6 | 28,5 | 24,2 | 12 | 0,5 |
| 2010 | 12,8 | 21,5 | 29,4 | 24,5 | 11,4 | 0,4 |
| 2011 | 13,3 | 21,1 | 29,3 | 24,5 | 11,4 | 0,4 |
| 2012 | 14 | 20,8 | 28,9 | 24,5 | 11,5 | 0,4 |
| 2013 | 14,4 | 20,4 | 28,3 | 25 | 11,6 | 0,3 |
| 2014 | 14,7 | 20 | 28,1 | 25 | 11,8 | 0,4 |
| 2015 | 14,6 | 19,5 | 27,4 | 25,7 | 12,4 | 0,4 |
| 2016 | 14,8 | 18,8 | 27 | 25,9 | 13,1 | 0,4 |
| 2017 | 14,2 | 18,1 | 27,1 | 26,5 | 13,9 | 0,3 |
| 2018 | 14 | 17,7 | 27 | 26,5 | 14,5 | 0,3 |
| 2019 | 13,1 | 17,4 | 27,2 | 27 | 14,9 | 0,4 |
| 2020 | 12,1 | 17 | 27 | 27,7 | 15,8 | 0,4 |
| 2021 | 11 | 16,4 | 27 | 28,4 | 16,8 | 0,3 |
Onderwijsniveau van ouders: vaker hbo of wo
Van de in 2007 geboren kinderen heeft 44 procent van de ouders een hbo- of wo-opleiding afgerond. Dit aandeel stijgt naar 53 procent bij in 2021 geboren kinderen. Het aandeel ouders met ten hoogste basisonderwijs, vmbo of mbo-1 daalt van 11 procent in 2007 naar 7 procent in 2021.
| Cohort | Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (%) | Havo, vwo, mbo2-4 (%) | Hbo, wo (%) | Onbekend (%) |
|---|---|---|---|---|
| 2007 | 11,1 | 30,8 | 43,9 | 14,3 |
| 2008 | 10,7 | 31,3 | 44,9 | 13,2 |
| 2009 | 10,3 | 31,8 | 46,2 | 11,7 |
| 2010 | 10,1 | 32,1 | 47,2 | 10,6 |
| 2011 | 9,7 | 33,1 | 47,7 | 9,4 |
| 2012 | 9,5 | 33,8 | 48,5 | 8,3 |
| 2013 | 9 | 34,5 | 49,3 | 7,2 |
| 2014 | 9 | 35,1 | 49,4 | 6,5 |
| 2015 | 8,6 | 35,6 | 50 | 5,8 |
| 2016 | 8,6 | 36 | 49,9 | 5,5 |
| 2017 | 8,3 | 36,1 | 50,2 | 5,4 |
| 2018 | 8,2 | 35,9 | 50,6 | 5,3 |
| 2019 | 8 | 35,7 | 50,9 | 5,4 |
| 2020 | 7,6 | 35,8 | 51,6 | 5 |
| 2021 | 7 | 35,7 | 52,6 | 4,8 |
Bij lage welvaart minder vaak ouders met hbo of wo
Van de kinderen uit 2007 met het laagste welvaartsniveau heeft 34 procent van de ouders basisonderwijs, vmbo of mbo-1 als onderwijsniveau. Dit aandeel is vrij stabiel tot en met 2021 (zie voor de cijfers van alle jaren de tabel in Bijlage 2).
Van de groep met de laagste welvaart heeft 14 procent in 2007 ouders met een afgeronde hbo- of wo-opleiding. Dat is afgenomen naar 10 procent in 2021.
Bij kinderen geboren in 2007 die opgroeien in een huishouden met het hoogste welvaartsniveau heeft 2 procent van de ouders basisonderwijs, vmbo of mbo-1 afgerond. Het aandeel ouders dat een hbo- of wo-opleiding heeft afgerond is met 72 procent van de ouders juist hoog. Dit aandeel is ook het sterkst toegenomen binnen het hoogste welvaartskwintiel, naar 84 procent in 2021.
Kinderen uit de laagste welvaartscategorie hebben dus steeds minder vaak hbo- of wo-opgeleide ouders, kinderen uit de hoogste welvaartscategorie steeds vaker.
| Welvaart | Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (%) | Havo, vwo, mbo2-4 (%) | Hbo, wo (%) | Onbekend (%) |
|---|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 33,7 | 38,5 | 13,6 | 14,1 |
| Tweede 20%-groep | 15,4 | 44,4 | 25,9 | 14,4 |
| Derde 20%-groep | 7,6 | 35,2 | 42,4 | 14,8 |
| Vierde 20%-groep | 3,3 | 20 | 63,7 | 13,1 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 1,6 | 11,4 | 72,2 | 14,8 |
| Onbekend | 32,1 | 16,7 | 16,4 | 34,8 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||
| Welvaart | Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (%) | Havo, vwo, mbo2-4 (%) | Hbo, wo (%) | Onbekend (%) |
|---|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 33,2 | 42,6 | 10,4 | 13,7 |
| Tweede 20%-groep | 11 | 57,9 | 25 | 6 |
| Derde 20%-groep | 3,5 | 48,1 | 45,6 | 2,7 |
| Vierde 20%-groep | 1,2 | 22,8 | 73,6 | 2,3 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 0,9 | 11,4 | 83,9 | 3,8 |
| Onbekend | 16,4 | 12,5 | 5,5 | 65,7 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||
Arbeidsparticipatie van ouders
Bij 4 procent van de in 2007 geborenen is werk gedurende de eerste duizend dagen niet de belangrijkste inkomensbron van het huishouden. Dit aandeel loopt tot en met het geboortecohort van 2018 iets op tot 6 procent, en daalt daarna weer licht tot 4 procent in 2021.
| Cohort | Wel arbeidsparticipatie (%) | Geen arbeidsparticipatie (%) |
|---|---|---|
| 2007 | 96,1 | 3,9 |
| 2008 | 96,3 | 3,7 |
| 2009 | 96,3 | 3,7 |
| 2010 | 95,7 | 4,3 |
| 2011 | 95,1 | 4,9 |
| 2012 | 95 | 5 |
| 2013 | 94,7 | 5,3 |
| 2014 | 94,4 | 5,6 |
| 2015 | 94,3 | 5,7 |
| 2016 | 93,9 | 6,1 |
| 2017 | 94,2 | 5,8 |
| 2018 | 94,4 | 5,6 |
| 2019 | 94,8 | 5,2 |
| 2020 | 95,4 | 4,6 |
| 2021 | 96 | 4 |
Daling arbeidsparticipatie in laagste welvaartsgroep
Voornamelijk in het laagste welvaartskwintiel komen gezinnen voor waarbinnen ouders niet deelnemen op de arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie loopt vanaf 2009 tot 2017 iets af in het laagste welvaartskwintiel, om vervolgens weer iets op te lopen. Het aandeel niet-werkenden is in 2021 met 31 procent aanzienlijk groter dan in 2007 (23 procent).
| Welvaart | Wel arbeidsparticipatie (%) | Geen arbeidsparticipatie (%) |
|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 76,8 | 23,2 |
| Tweede 20%-groep | 98,6 | 1,4 |
| Derde 20%-groep | 99,8 | 0,2 |
| Vierde 20%-groep | 99,9 | 0,1 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 99,7 | 0,3 |
| Onbekend | 24,1 | 75,9 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||
| Welvaart | Wel arbeidsparticipatie (%) | Geen arbeidsparticipatie (%) |
|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 69,4 | 30,6 |
| Tweede 20%-groep | 98,6 | 1,4 |
| Derde 20%-groep | 99,8 | 0,2 |
| Vierde 20%-groep | 99,9 | 0,1 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 99,7 | 0,3 |
| Onbekend | 14,5 | 85,5 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||
Eenzelfde trend is zichtbaar voor ouders met een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau. Onder deze groep daalt de arbeidsparticipatie tussen 2008 en 2017 van 84 naar 69 procent, om vervolgens tot 2021 te stijgen naar 77 procent.
| Opleidingsniveau | Wel arbeidsparticipatie (%) | Geen arbeidsparticipatie (%) |
|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 83,1 | 16,9 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 96,5 | 3,5 |
| Hbo, wo | 99,2 | 0,8 |
| Onbekend | 95,5 | 4,5 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||
| Opleidingsniveau | Wel arbeidsparticipatie (%) | Geen arbeidsparticipatie (%) |
|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 77,2 | 22,8 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 96,5 | 3,5 |
| Hbo, wo | 99,5 | 0,5 |
| Onbekend | 81,8 | 18,2 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||
Gezinsstabiliteit
Ongeveer 5 procent van de in 2007 geboren kinderen woonde de eerste duizend dagen in een eenoudergezin. Dit aandeel stijgt licht, tot 7 procent in 2012-2018 en verder tot 8 procent in 2019-2021. Van de kinderen uit 2007 woonde 19 procent een deel van de eerste duizend dagen in een eenoudergezin. Dit aandeel stijgt enigszins en loopt daarna weer iets af tot 17 procent in 2021.
| Cohort | Volledig twee-oudergezin (%) | Deels eenoudergezin (%) | Volledig eenoudergezin (%) |
|---|---|---|---|
| 2007 | 75,6 | 19,1 | 5,3 |
| 2008 | 74,9 | 19,6 | 5,5 |
| 2009 | 74,6 | 19,7 | 5,7 |
| 2010 | 74,1 | 19,8 | 6 |
| 2011 | 73,8 | 20,1 | 6,1 |
| 2012 | 73,1 | 20,4 | 6,5 |
| 2013 | 73,1 | 20,3 | 6,6 |
| 2014 | 72,7 | 20,6 | 6,8 |
| 2015 | 72,8 | 20,3 | 6,8 |
| 2016 | 72,5 | 20,6 | 7 |
| 2017 | 73 | 19,8 | 7,3 |
| 2018 | 73,1 | 19,4 | 7,5 |
| 2019 | 73,6 | 18,7 | 7,8 |
| 2020 | 74,3 | 17,7 | 8 |
| 2021 | 75,4 | 16,6 | 8 |
Stijging aandeel eenoudergezinnen in laagste welvaartsgroep
In de lagere welvaartskwintielen stijgt het aandeel kinderen dat de volledige eerste duizend dagen opgroeit in een eenoudergezin flink, van 19 naar 29 procent. Dit geldt ook voor de groep met een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau. Daar stijgt het aandeel eenoudergezinnen van 15 naar 31 procent. Het aandeel kinderen dat een gedeelte van de eerste duizend dagen opgroeit in een eenoudergezin neemt onder beide groepen af.
| Welvaart | Volledig twee-oudergezin (%) | Deels eenoudergezin (%) | Volledig eenoudergezin (%) |
|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 50,1 | 30,5 | 19,3 |
| Tweede 20%-groep | 69,9 | 23,4 | 6,7 |
| Derde 20%-groep | 80,6 | 16,7 | 2,6 |
| Vierde 20%-groep | 84,7 | 14 | 1,2 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 85,6 | 13,7 | 0,7 |
| Onbekend | 16,5 | 52,7 | 30,8 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
| Welvaart | Volledig twee-oudergezin (%) | Deels eenoudergezin (%) | Volledig eenoudergezin (%) |
|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 47,9 | 23,3 | 28,8 |
| Tweede 20%-groep | 63,1 | 22,4 | 14,5 |
| Derde 20%-groep | 78,6 | 15,8 | 5,6 |
| Vierde 20%-groep | 85,1 | 12,9 | 2,1 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 85,3 | 13,6 | 1,1 |
| Onbekend | 20,2 | 37,2 | 42,6 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
| Opleidingsniveau | Volledig twee-oudergezin (%) | Deels eenoudergezin (%) | Volledig eenoudergezin (%) |
|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 57,5 | 28 | 14,5 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 70,6 | 22,6 | 6,8 |
| Hbo, wo | 82,1 | 16,1 | 1,8 |
| Onbekend | 80,4 | 14,2 | 5,4 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
| Opleidingsniveau | Volledig twee-oudergezin (%) | Deels eenoudergezin (%) | Volledig eenoudergezin (%) |
|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 45,6 | 23,7 | 30,8 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 70,4 | 18,9 | 10,7 |
| Hbo, wo | 83,6 | 13,7 | 2,8 |
| Onbekend | 67,3 | 21,3 | 11,5 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
Mentale gezondheid van ouders
Van de in 2007 geboren kinderen groeit 12 procent op met ten minste één ouder die antidepressiva en/of antipsychotica verstrekt krijgt tijdens de eerste duizend dagen. Dit aandeel blijft gedurende de periode 2007-2021 stabiel.
| Cohort | Geen medicatie verstrekt (%) | Medicatie verstrekt aan één ouder (%) | Medicatie verstrekt aan beide ouders (%) |
|---|---|---|---|
| 2007 | 87,6 | 11,5 | 0,9 |
| 2008 | 87,7 | 11,3 | 0,9 |
| 2009 | 87,7 | 11,4 | 1 |
| 2010 | 87,6 | 11,5 | 0,9 |
| 2011 | 87,7 | 11,4 | 0,9 |
| 2012 | 87,7 | 11,4 | 1 |
| 2013 | 87,6 | 11,5 | 0,9 |
| 2014 | 87,7 | 11,4 | 0,9 |
| 2015 | 87,8 | 11,2 | 0,9 |
| 2016 | 88,1 | 11 | 0,9 |
| 2017 | 88,2 | 11 | 0,8 |
| 2018 | 88,3 | 10,9 | 0,8 |
| 2019 | 88,5 | 10,7 | 0,8 |
| 2020 | 88,5 | 10,7 | 0,8 |
| 2021 | 88,5 | 10,7 | 0,8 |
Lichte daling antidepressiva/antipsychotica bij laagste welvaartsniveau
Verstrekking van antidepressiva en/of antipsychotica komt relatief vaker voor in gezinnen met een lager welvaartsniveau en in gezinnen met ouders met maximaal een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau. Binnen deze groepen nemen verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica in de periode 2007-2021 licht af. Binnen het laagste welvaartskwintiel daalt het aandeel gezinnen waarbij één ouder een verstrekking kreeg van 19 procent (2007) naar 16 procent (2021). Binnen gezinnen met ouders met maximaal een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau daalt dit van 20 procent (2007) naar 16 procent (2021).
| Welvaart | Geen medicatie verstrekt (%) | Medicatie verstrekt aan één ouder (%) | Medicatie verstrekt aan beide ouders (%) |
|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 78,5 | 19,2 | 2,3 |
| Tweede 20%-groep | 83,6 | 15 | 1,4 |
| Derde 20%-groep | 88,2 | 11,1 | 0,7 |
| Vierde 20%-groep | 91,9 | 7,8 | 0,3 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 94 | 5,8 | 0,2 |
| Onbekend | 92,7 | 7,2 | 0,1 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
| Welvaart | Geen medicatie verstrekt (%) | Medicatie verstrekt aan één ouder (%) | Medicatie verstrekt aan beide ouders (%) |
|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 81,8 | 16,3 | 1,9 |
| Tweede 20%-groep | 83,8 | 14,8 | 1,3 |
| Derde 20%-groep | 88 | 11,3 | 0,7 |
| Vierde 20%-groep | 91,5 | 8,1 | 0,4 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 93,1 | 6,7 | 0,2 |
| Onbekend | 94,5 | 4,9 | 0,6 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
| Opleidingsniveau | Geen medicatie verstrekt (%) | Medicatie verstrekt aan één ouder (%) | Medicatie verstrekt aan beide ouders (%) |
|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 77,7 | 19,9 | 2,4 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 84,8 | 14,1 | 1,1 |
| Hbo, wo | 91,5 | 8 | 0,4 |
| Onbekend | 89,1 | 10,2 | 0,7 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
| Opleidingsniveau | Geen medicatie verstrekt (%) | Medicatie verstrekt aan één ouder (%) | Medicatie verstrekt aan beide ouders (%) |
|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 82,1 | 16,2 | 1,7 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 85,6 | 13,4 | 1 |
| Hbo, wo | 91,1 | 8,4 | 0,5 |
| Onbekend | 91,2 | 8,3 | 0,5 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | |||
3.2 Stapeling van risicofactoren
Omdat kinderen die in de eerste fase van hun leven een opeenstapeling van risicofactoren ervaren minder kansen hebben om hun potentieel te ontwikkelen (Evans et al., 2013; Schroeder et al., 2018) is gekeken naar het gelijktijdig voorkomen van de vijf risicofactoren.
Iets minder stapeling
Meer dan de helft van de kinderen groeit op in een gezin zonder (de hier beschouwde) risicofactoren. Dit aandeel ligt in 2021 hoger (62 procent) dan in 2007 (58 procent). Het aandeel kinderen waarbij sprake is van minstens twee risicofactoren in het gezin loopt af van 16 procent in 2007 tot 13 procent in 2021. Het aandeel gezinnen met vier of vijf risicofactoren daalt van 2 procent (2007) naar 1,6 procent (2021).
| Cohort | Geen risicofactoren (%) | 1 risicofactor (%) | 2 risicofactoren (%) | 3 risicofactoren (%) | 4 risicofactoren (%) | 5 risicofactoren (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2007 | 58,4 | 26 | 9,7 | 3,9 | 1,7 | 0,3 |
| 2008 | 58,4 | 26,3 | 9,6 | 3,9 | 1,6 | 0,3 |
| 2009 | 58,2 | 26,6 | 9,6 | 3,8 | 1,5 | 0,3 |
| 2010 | 58,3 | 26,4 | 9,4 | 3,9 | 1,7 | 0,3 |
| 2011 | 58,1 | 26,2 | 9,3 | 4,1 | 1,9 | 0,3 |
| 2012 | 57,7 | 26,3 | 9,5 | 4,2 | 1,9 | 0,4 |
| 2013 | 57,6 | 26,3 | 9,4 | 4,3 | 2 | 0,4 |
| 2014 | 57,1 | 26,5 | 9,5 | 4,3 | 2,1 | 0,4 |
| 2015 | 57,4 | 26,6 | 9,2 | 4,3 | 2,1 | 0,4 |
| 2016 | 57,5 | 26,2 | 9,3 | 4,5 | 2,2 | 0,4 |
| 2017 | 58,2 | 25,9 | 9,1 | 4,3 | 2,1 | 0,3 |
| 2018 | 58,4 | 26 | 9,2 | 4,3 | 1,9 | 0,3 |
| 2019 | 59,3 | 25,6 | 9 | 4 | 1,8 | 0,3 |
| 2020 | 60,2 | 25,7 | 8,6 | 3,7 | 1,6 | 0,3 |
| 2021 | 61,7 | 25,2 | 8,1 | 3,3 | 1,4 | 0,2 |
Stijging in stapeling risicofactoren in gezinnen met lagere welvaart
De mate waarin risicofactoren zich in de eerste duizend dagen opstapelen varieert aanzienlijk tussen gezinnen van verschillende welvaarts- en onderwijsniveaus. Dit is inherent aan de operationalisering omdat beide deel uitmaken van de beschouwde risicofactoren. Daarom komen in het laagste welvaartskwintiel en in de groep met een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau geen gezinnen voor zonder risicofactor. Een opeenstapeling van alle vijf risicofactoren komt daarom ook alleen voor in het laagste welvaartskwintiel en in de groep met een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau.
In het laagste welvaartskwintiel stijgt het aandeel gezinnen met drie risicofactoren vanaf 2010 licht. Een soortgelijke trend is zichtbaar binnen de groep met een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau: het aandeel gezinnen met drie en vier risicofactoren neemt toe.
In het tweede welvaartskwintiel neemt het aandeel gezinnen zonder risicofactor tussen 2007 en 2021 af, terwijl dit in de hogere welvaartskwintielen gelijk blijft of oploopt. Dit wordt verklaard door de toename van het aandeel eenoudergezinnen in het tweede welvaartskwintiel.
| Welvaart | Geen risicofactoren (%) | 1 risicofactor (%) | 2 risicofactoren (%) | 3 risicofactoren (%) | 4 risicofactoren (%) | 5 risicofactoren (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 26,3 | 35,6 | 24 | 12 | 2,2 | |
| Tweede 20%-groep | 52,3 | 34,3 | 11,2 | 2 | 0,2 | |
| Derde 20%-groep | 67,2 | 27,1 | 5,3 | 0,5 | 0 | |
| Vierde 20%-groep | 76,1 | 21,3 | 2,5 | 0,1 | ||
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 79,4 | 19 | 1,5 | 0 | ||
| Onbekend | 4,5 | 19,1 | 50,8 | 24,3 | 1,3 | |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage Een waarde van 0% betekent dat het aandeel kinderen in deze groep kleiner dan 0,05% is | ||||||
| Welvaart | Geen risicofactoren (%) | 1 risicofactor (%) | 2 risicofactoren (%) | 3 risicofactoren (%) | 4 risicofactoren (%) | 5 risicofactoren (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 23,2 | 35,9 | 26,5 | 12,3 | 2,1 | |
| Tweede 20%-groep | 49,4 | 37,3 | 11,8 | 1,4 | 0,1 | |
| Derde 20%-groep | 68 | 27,2 | 4,5 | 0,3 | 0 | |
| Vierde 20%-groep | 77,4 | 20,5 | 2 | 0,1 | 0 | |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 78,9 | 19,5 | 1,5 | 0,1 | ||
| Onbekend | 4,2 | 20,9 | 60 | 13,4 | 1,5 | |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage Een waarde van 0% betekent dat het aandeel kinderen in deze groep kleiner dan 0,05% is | ||||||
| Onderwijsniveau | Geen risicofactoren (%) | 1 risicofactor (%) | 2 risicofactoren (%) | 3 risicofactoren (%) | 4 risicofactoren (%) | 5 risicofactoren (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 31,3 | 32,5 | 21 | 12,5 | 2,7 | |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 54,6 | 30,3 | 11,3 | 3,3 | 0,5 | |
| Hbo, wo | 73,5 | 22,3 | 3,6 | 0,5 | 0,1 | |
| Onbekend | 65,7 | 24 | 7,1 | 2,7 | 0,5 | |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||||
| Onderwijsniveau | Geen risicofactoren (%) | 1 risicofactor (%) | 2 risicofactoren (%) | 3 risicofactoren (%) | 4 risicofactoren (%) | 5 risicofactoren (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 20,6 | 34 | 25,7 | 16,5 | 3,3 | |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 56,2 | 30,6 | 9,9 | 2,8 | 0,5 | |
| Hbo, wo | 75,3 | 21,8 | 2,6 | 0,3 | 0 | |
| Onbekend | 43,8 | 29,5 | 18,6 | 7,4 | 0,7 | |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||||
De uitkomsten van de ordinale logistische regressieanalyses onderschrijven dat in de totale groep stapeling van risicofactoren in het gezin minder voorkomt naarmate kinderen later geboren zijn. Uitgesplitst naar welvaartsniveau zijn er grote verschillen. Bij kinderen in een gezin met een hoger welvaartsniveau is er, ook over de tijd heen, in mindere mate opeenstapeling van risicofactoren.
Dit staat in contrast met de ontwikkeling voor kinderen uit gezinnen met een lagere welvaart: zij krijgen over de tijd heen juist meer te maken met een opeenstapeling van risicofactoren in de eerste duizend dagen.
3.3 Sociaal-demografische kenmerken
Herkomst
Van 25 procent van de kinderen uit de onderzoekspopulatie is ten minste één ouder buiten Nederland geboren. Voor bijna 13 procent van de kinderen zijn dat twee ouders.
Vaker stapeling risicofactoren bij enkele herkomstgroepen
Vooral in gezinnen met in Marokko of een ander Afrikaans land, de Nederlandse Cariben, Turkije of Suriname geboren ouder(s) is vaker een stapeling van risicofactoren, vergeleken met gezinnen met ouders die in Nederland zijn geboren.
Wel neemt het aandeel gezinnen zónder risicofactoren onder alle herkomstgroepen toe tussen 2007 en 2021. Bij gezinnen met een ouder die in Turkije is geboren is die stijging het grootst.
| Herkomstland_Kind | Geen risicofactoren (%) | 1 risicofactor (%) | 2 risicofactoren (%) | 3 risicofactoren (%) | 4 risicofactoren (%) | 5 risicofactoren (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Afrika (excl. Marokko) | 21,9 | 28,1 | 24,8 | 16,6 | 7,7 | 0,9 |
| Amerika en Oceanië (excl. Suriname en NL Cariben) | 44,4 | 34,4 | 14 | 4,6 | 2,4 | 0,2 |
| Azië (excl. Indonesië en Turkije) | 30,1 | 31,1 | 22,2 | 11,5 | 4,4 | 0,7 |
| Europa (excl. Nederland) | 50,3 | 30,3 | 13,2 | 4,4 | 1,5 | 0,3 |
| Indonesië | 52,8 | 33,2 | 11,6 | 2 | 0,4 | |
| Marokko | 22,9 | 32,1 | 23,1 | 13,4 | 7,2 | 1,3 |
| Nederland | 66,3 | 24,2 | 6,4 | 2,1 | 0,8 | 0,2 |
| Nederlandse Cariben | 22,1 | 30,4 | 24,7 | 14,9 | 7,2 | 0,6 |
| Suriname | 32,6 | 36,3 | 19,5 | 7,4 | 3,6 | 0,6 |
| Turkije | 26,1 | 33,7 | 24,3 | 10,9 | 4,2 | 0,8 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||||
| Herkomstland_Kind | Geen risicofactoren (%) | 1 risicofactor (%) | 2 risicofactoren (%) | 3 risicofactoren (%) | 4 risicofactoren (%) | 5 risicofactoren (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Afrika (excl. Marokko) | 23,8 | 26,1 | 24,2 | 18 | 7,3 | 0,7 |
| Amerika en Oceanië (excl. Suriname en NL Cariben) | 53,9 | 31,3 | 10,5 | 2,9 | 1,2 | 0,1 |
| Azië (excl. Indonesië en Turkije) | 40,3 | 28,3 | 18,7 | 9,3 | 3,2 | 0,2 |
| Europa (excl. Nederland) | 53,4 | 30,7 | 11 | 3,6 | 1,1 | 0,1 |
| Indonesië | 63 | 27,8 | 7,8 | 1,2 | 0,2 | |
| Marokko | 30,1 | 33 | 20,4 | 10,8 | 4,7 | 1,1 |
| Nederland | 68,4 | 23,5 | 5,4 | 1,8 | 0,8 | 0,2 |
| Nederlandse Cariben | 26,7 | 34,1 | 21,6 | 11,7 | 5,4 | 0,6 |
| Suriname | 38,3 | 37,7 | 15,7 | 5,1 | 2,6 | 0,5 |
| Turkije | 45,2 | 31 | 16 | 5,7 | 1,8 | 0,2 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||||
Leeftijd moeder
Van de in 2007 geboren kinderen heeft 6 procent een moeder die jonger is dan 25 jaar tijdens de eerste duizend dagen. Dit aandeel daalt naar 3 procent in 2021. Er zijn juist meer kinderen met moeders die aan het einde van de duizend dagen ouder zijn dan 30 jaar: 74 procent van de moeders van de in 2007 geboren kinderen, en 80 procent van die uit 2021.
Aandeel jonge moeders in laagste welvaartsgroep neemt af
Binnen het laagste welvaartsniveau loopt het aandeel moeders boven de 30 jaar op van 56 procent bij in 2007 geboren kinderen, naar 67 procent in 2021. Bij het hoogste welvaartsniveau blijft dit stabiel op 94 procent. Naar onderwijsniveau zijn deze verschillen niet zo uitgesproken als naar welvaartsniveau.
Het aandeel moeders dat tijdens de eerste duizend dagen jonger is dan 25 jaar is in het laagste welvaartskwintiel 16 procent in 2007, en dat loopt af naar 9 procent in 2021. In het hoogste kwintiel is dat ongeveer 1 procent. Wederom zijn de verschillen naar onderwijsniveau niet zo uitgesproken als naar welvaartsniveau.
| Welvaart | Jonger dan 25 jaar (%) | 25 tot 30 jaar (%) | Ouder dan 30 jaar (%) | Onbekend (%) |
|---|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 15,6 | 28,7 | 55,5 | 0,2 |
| Tweede 20%-groep | 9,4 | 27,8 | 62,8 | 0,1 |
| Derde 20%-groep | 4,1 | 25,1 | 70,8 | |
| Vierde 20%-groep | 1,4 | 13,4 | 85,3 | |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 0,5 | 5,1 | 94,3 | |
| Onbekend | 14,8 | 22 | 62,6 | 0,6 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||
| Welvaart | Jonger dan 25 jaar (%) | 25 tot 30 jaar (%) | Ouder dan 30 jaar (%) | Onbekend (%) |
|---|---|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 9,1 | 24,2 | 66,6 | 0,2 |
| Tweede 20%-groep | 5,6 | 24 | 70,3 | 0,1 |
| Derde 20%-groep | 2,5 | 21,3 | 76,1 | |
| Vierde 20%-groep | 0,9 | 13,4 | 85,6 | |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 0,4 | 5,6 | 94 | |
| Onbekend | 11,5 | 20,2 | 67,4 | 0,9 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||||
Juridische vader vaker onbekend in laagste welvaartsgroep
Niet van alle kinderen is een juridische vader bekend. Voor de tussen 2007 en 2021 geboren kinderen is het aandeel kinderen zonder juridische vader stabiel op 3 tot 4 procent. Een onbekende vader komt aanzienlijk vaker voor binnen gezinnen met een lagere welvaart en binnen gezinnen met ten hoogste een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau. In 2007 is in 14 procent van de gezinnen in het laagste welvaartskwintiel en in minder dan 1 procent van het hoogste kwintiel de juridische vader onbekend. In de gezinnen met basisonderwijs, vmbo of mbo-1 is 10 procent van de juridische vaders in 2007 onbekend. Dit stijgt naar 15 procent in 2021, zowel binnen het laagste welvaartskwintiel als in de groep met basisonderwijs, vmbo of mbo-1.
| Welvaart | Vader bekend (%) | Vader onbekend (%) |
|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 86 | 14 |
| Tweede 20%-groep | 96,6 | 3,4 |
| Derde 20%-groep | 98,9 | 1,1 |
| Vierde 20%-groep | 99,4 | 0,6 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 99,6 | 0,4 |
| Onbekend | 73,9 | 26,1 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||
| Welvaart | Vader bekend (%) | Vader onbekend (%) |
|---|---|---|
| Eerste 20%-groep (laagste welvaartsniveau) | 84,7 | 15,3 |
| Tweede 20%-groep | 95,2 | 4,8 |
| Derde 20%-groep | 98,3 | 1,7 |
| Vierde 20%-groep | 99,2 | 0,8 |
| Vijfde 20%-groep (hoogste welvaartsniveau) | 99,5 | 0,5 |
| Onbekend | 67 | 33 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||
| Opleidingsniveau | Vader bekend (%) | Vader onbekend (%) |
|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 90,1 | 9,9 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 96,2 | 3,8 |
| Hbo, wo | 99,2 | 0,8 |
| Onbekend | 95,8 | 4,2 |
| 1)Zie voor andere jaren de tabel in de bijlage | ||
| Opleidingsniveau | Vader bekend (%) | Vader onbekend (%) |
|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 85 | 15 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 96,2 | 3,8 |
| Hbo, wo | 98,9 | 1,1 |
| Onbekend | 92,1 | 7,9 |
| 1 Zie voor de tussenliggende jaren de tabel in de bijlage | ||
Verandert de sociaal-demografische samenstelling van de meest kwetsbare groep?
De groep kinderen in gezinnen met een opeenstapeling van vier of vijf risicofactoren is in de periode 2007-2021 van samenstelling veranderd. In 2021 hebben relatief meer van deze kinderen een Nederlandse, Afrikaanse (anders dan de Marokkaanse) of Aziatische (exclusief Indonesië en Turkije) herkomst dan in 2007. Relatief minder van deze kinderen hebben een Marokkaanse, Turkse, of Surinaamse herkomst. Het aandeel kinderen met moeders onder de 25 jaar loopt in de groep met vier of vijf risicofactoren terug in deze periode, en het aandeel kinderen met moeders ouder dan 30 jaar loopt op. Het aandeel kinderen met een onbekende juridische vader stijgt van 35 procent in 2007 naar 41 procent in 2021.
4. Conclusie en discussie
Het aandeel kinderen dat de eerste duizend dagen opgroeit in een gezin met een of meer risicofactoren is gedaald van 42 procent van de in 2007 geboren kinderen, naar 38 procent in 2021. Ook een stapeling van risicofactoren komt minder voor. In 2007 had 16 procent van de gezinnen twee of meer risicofactoren, in 2021 nog 13 procent.
Minder gezinnen bevinden zich in het laagste welvaartskwintiel en meer in het hoogste, en minder ouders hebben basisonderwijs, vmbo of mbo-1 als hoogste onderwijsniveau. De arbeidsparticipatie en het aandeel gezinnen met verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica is nauwelijks veranderd. Wel groeien wat meer kinderen op in een eenoudergezin.
Bij kinderen die opgroeien in een gezin met lage welvaart is de situatie wel verslechterd: daar zijn in 2021 vaker ook andere risicofactoren aanwezig dan in 2007. De ouders hebben vaker een basis, vmbo, of mbo-1-opleiding en werken minder vaak. Ook groeien deze kinderen steeds vaker op in een eenoudergezin tijdens de eerste duizend dagen. Wel is er bij de laagste welvaartsniveaus een lichte daling van het aandeel ouders met antidepressiva of antipsychotica.
Onder alle herkomstgroepen is het aandeel gezinnen met een of meer risicofactoren afgenomen, het meest bij gezinnen met in Turkije geboren ouder(s). Een stapeling van risicofactoren in dit onderzoek komt vaker voor in gezinnen met een ouder uit Marokko of een ander Afrikaans land, de Nederlandse Cariben, Turkije en Suriname, vergeleken met gezinnen met ouders die in Nederland zijn geboren.
Kinderen hebben vaker een moeder ouder dan 30, en minder vaak een moeder jonger dan 25. Dat laatste geldt vooral voor de laagste welvaartsgroep. Het aandeel kinderen met een onbekende vader blijft stabiel op 3 tot 4 procent. In de laagste welvaartsgroep is dit toegenomen van 14 procent in 2007 naar 15 procent in 2021. In gezinnen met basisonderwijs, vmbo of mbo-1 is dit toegenomen van 10 procent (2007) naar 15 procent (2021). Deels overlapt dit kenmerk met de risicofactor gezinsstabiliteit: gezinnen met een onbekende juridische vader zijn in dit onderzoek per definitie een eenoudergezin.
4.1 Discussie
De bevinding dat gezinnen met zeer jonge kinderen er in het algemeen financieel op vooruit zijn gegaan tot en met 2021, is in lijn met de resultaten van de Landelijke Jeugdmonitor: het aantal minderjarige bijstandskinderen in Nederland is al voor het zevende jaar op rij gedaald (CBS, 2024a). Daaruit blijkt ook dat gezinnen met jonge kinderen het grootste armoederisico lopen. Dit geldt niet alleen voor Nederland. Western et al. (2008) vonden dat de toegenomen inkomensongelijkheid in de VS (1975-2005) veel groter was onder gezinnen met kinderen dan in huishoudens zonder kinderen.
Hetzelfde werd gevonden voor vermogensongelijkheid (Gibson-Davis & Percheski, 2018). Naast gezinnen met kinderen zijn er ook andere specifiek kwetsbare groepen geïdentificeerd, op basis van onderzoek van Vethaak & Jongen (2024). Uit dat onderzoek blijkt dat de inkomensongelijkheid voor mannen in de werkzame leeftijd is toegenomen tussen 1981 en 2021.
De bevinding dat minder ouders basisonderwijs, vmbo of mbo-1 als hoogste onderwijsniveau hebben, sluit aan bij de algemene trend dat mensen in Nederland steeds vaker minimaal havo hebben afgerond (CBS, 2024b). Kinderen uit de laagste welvaartscategorie hebben echter steeds minder vaak hbo- of wo-opgeleide ouders en kinderen uit de hoogste welvaartscategorie juist steeds vaker. Voor een bredere groep mensen van 35 tot 80 jaar is deze ontwikkeling ook gerapporteerd voor andere Europese landen, waaronder België, Denemarken, Engeland en Wales, Frankrijk, Slovenië, en Zwitserland (Hoffmann et al., 2026).
Hoewel de arbeidsparticipatie voor de totale groep gezinnen weinig fluctueert, is deze duidelijk lager onder ouders in de laagste welvaartsgroep en onder ouders met ten hoogste basisonderwijs, vmbo of mbo-1. Ook uit eerder CBS-onderzoek (Veer et al., 2023b) blijkt dat minder welvarende ouders vaker niet actief zijn op de arbeidsmarkt. Ander Nederlands onderzoek rapporteert dat arbeidsparticipatie van ouders samenhangt met latere schoolprestaties van kinderen (Veer et al., 2023a). Kinderen van werkende armen scoren aan het einde van het basisonderwijs ruim 1,5 punt hoger op de centrale eindtoets dan kinderen die aan het begin van hun leven opgroeien in gezinnen met bijstand. In dit onderzoek ligt de arbeidsparticipatie onder ouders in de laagste welvaartsgroep en onder ouders met ten hoogste basisonderwijs, vmbo of mbo-1 flink lager in 2021 dan in 2007. Wel is vanaf 2017 een stijging zichtbaar van de arbeidsparticipatie die tussen 2017 en 2019 ook te zien is voor een bredere groep binnen de Nederlandse bevolking, namelijk 15- tot 75-jarigen (CBS StatLine, 2026).
Over het algemeen groeien wat meer kinderen op in een eenoudergezin. Het aandeel eenoudergezinnen neemt vooral flink toe onder gezinnen in de lagere welvaartsniveaus en onder gezinnen met ouders met ten hoogste basisonderwijs, vmbo of mbo-1. Dit is in lijn met de toename in het aandeel gezinnen met een onbekende juridische vader in de laagste welvaartsgroep. Voor andere landen is een vergelijkbare ontwikkeling gerapporteerd. In de Verenigde Staten ging het zelfs om een verdubbeling van het aandeel alleenstaande moeders in de periode 1980-2015 (Manning et al., 2015). Doordat er meer complexe familiesamenstellingen ontstaan, zullen meer kinderen worden blootgesteld aan familietransities, met name in gezinnen met lage welvaart (Brown et al., 2016; Meyer & Carlson, 2014). Volgens ander CBS-onderzoek hadden eenoudergezinnen vergeleken met overige huishoudens in 2013 het hoogste armoederisico. Wel daalde dit risico vanaf 2013, mede door een verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders (CBS, 2023).
Over het algemeen is het aandeel gezinnen met verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica nauwelijks veranderd. Wel komt dit relatief vaker voor in gezinnen met een lager welvaartsniveau en in gezinnen met ouders met maximaal een basis-, vmbo- of mbo-1-onderwijsniveau. Dat is in lijn met de conclusie van een overzichtsstudie dat mensen met een lagere sociaaleconomische positie een hogere kans hebben op een angst- of depressieve stoornis (Freyers et al., 2003). Binnen deze groepen nemen verstrekkingen van antidepressiva en/of antipsychotica licht af. Mogelijk heeft deze daling te maken met de daling van het aantal minderjarige bijstandskinderen (CBS, 2024a). Onderzoek van het Trimbos-instituut laat zien dat de stress die schulden en een laag inkomen veroorzaken de belangrijkste oorzaak zijn van psychische klachten (Trimbos-instituut, 2025).
Ongelijkheid in de opeenstapeling van risicofactoren
In lijn met de resultaten van dit onderzoek, blijkt uit eerder CBS-onderzoek (Veer et al., 2023b) dat een opeenstapeling van risicofactoren tijdens de eerste duizend dagen van het kind voornamelijk voorkomt binnen gezinnen met de laagste welvaartsniveaus. Bij kinderen die opgroeiden in een gezin met een bijstandsuitkering was bij 9 procent een opeenstapeling van vier risicofactoren. Bij kinderen in een gezin zonder bijstand was dat slechts bij 0,2 procent het geval (Veer et al., 2023b). In de internationale literatuur komt eveneens naar voren dat gezinnen met een lage welvaart vaker te maken krijgen met een combinatie van risicofactoren, zoals financiële onzekerheid, ouderlijke depressie, en ouders in detentie (Cooper & Pugh, 2020; Sabates & Dex, 2022).
Nederlandse kinderen kregen in de periode 2007-2021 tijdens de eerste duizend dagen over het algemeen in de loop van de tijd met minder risicofactoren te maken. Dat is een gunstige ontwikkeling, te meer omdat eerder onderzoek uitwijst dat de last van risicofactoren vooral voortkomt uit de combinatie van meerdere risicofactoren, en in mindere mate uit de afzonderlijke factoren (Fergusson & Horwood, 2003; Sabates & Dex, 2012).
Hoewel voor de groep als geheel de stapeling van risicofactoren over de tijd minder wordt, neemt stapeling bij kinderen uit gezinnen met een lagere welvaart juist toe. Dit is zorgwekkend, omdat een opstapeling van risicofactoren zorgt voor grotere ongelijkheid in de ontwikkelingskansen van kinderen (Walker et al., 2011). Zo is uit ander onderzoek gebleken dat blootstelling aan risicofactoren zoals een laag inkomen, laag ouderlijk onderwijsniveau, en gezondheidsproblemen bij ouders negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van kinderen en voor de latere schoolse ontwikkeling (Shen & Hannum, 2023).
Verschuivingen in sociaal-demografische kenmerken en ongelijkheid daarin
Uitgesplitst naar herkomst, blijkt een opeenstapeling van risicofactoren in dit onderzoek vaker voor te komen in gezinnen met een ouder uit Afrika, Marokko, de Nederlandse Cariben, Turkije en Suriname, dan in gezinnen met ouders die in Nederland zijn geboren. Wel neemt het aandeel gezinnen zónder risicofactor onder alle herkomstgroepen toe in de periode 2007-2021. In het bijzonder onder gezinnen met een ouder van Turkse komaf. Als onderdeel van de in november 2026 te verschijnen Rapportage Integratie en Samenleven zullen trends naar herkomstgroepen nader worden bekeken. Zo wordt verder inzicht verkregen in welke herkomstgroepen kwetsbaar zijn wat betreft een opeenstapeling van risicofactoren in de eerste duizend dagen en welke risicofactoren vooral voorkomen.
Het aandeel jonge moeders loopt over het algemeen af, terwijl het aandeel moeders boven de 30 jaar oploopt. Dit sluit aan bij ander CBS-onderzoek waaruit blijkt dat er minder jonge moeders zijn, omdat de leeftijd waarop vrouwen aan kinderen beginnen, opschuift (CBS, 2025). Jong moederschap komt vaker voor in gezinnen met een lager welvaartsniveau, maar over de tijd neemt het aandeel jonge moeders in deze groep af. Dit is een gunstige ontwikkeling, aangezien uit eerder onderzoek blijkt dat jong moederschap samenhangt met een hogere kans op negatieve uitkomsten voor kinderen, zoals perinatale sterfte, een laag geboortegewicht en —later in het leven—een hogere bijstandsafhankelijkheid en werkloosheid (Boden et al., 2008; Marvin-Dowle & Soltani, 2020).
Ook de meest kwetsbare groep gezinnen, die te maken krijgt met een opeenstapeling van vier of vijf risicofactoren, is in de periode 2007-2021 van samenstelling veranderd. Net als voor de groep gezinnen als geheel, komen bepaalde herkomstlanden meer voor en andere minder, loopt het aandeel kinderen met een moeder onder de 25 jaar terug en loopt het aandeel kinderen met een onbekende juridische vader juist op.
Vervolgonderzoek
In vervolgonderzoek kunnen de gevolgen van blootstelling aan een stapeling van risicofactoren voor latere levensuitkomsten van kinderen nader worden onderzocht. Daarbij kan worden nagegaan of de sterkte van de samenhang tussen verschillende risicofactoren en specifieke ontwikkelingsdomeinen in de loop van de tijd toe- of afneemt. Ook kan aandacht worden besteed aan mogelijke bufferende factoren die de negatieve gevolgen van een opeenstapeling van risicofactoren kunnen beperken.
Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar zorggebruik en zorgkosten na de eerste duizend dagen van het leven. Door kinderen die in hun vroege levensfase zijn blootgesteld aan een stapeling van risicofactoren over een langere periode te volgen, kan worden nagegaan in hoeverre dit samenhangt met latere zorgconsumptie, bijvoorbeeld binnen de jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, ziekenhuiszorg of het gebruik van jeugdhulp. Ook kan worden onderzocht in hoeverre vroege risicostapeling leidt tot hogere zorgkosten op latere leeftijd, en of bufferende factoren deze relatie kunnen verzwakken. Hiermee kan beter inzicht worden verkregen in de langetermijnimpact van vroege risicofactoren op gezondheid en zorguitgaven.
Daarnaast kan toekomstig onderzoek voor specifieke risicofactoren nader analyseren wat mogelijke verklaringen zijn voor de hier waargenomen ontwikkelingen, zoals de afgenomen arbeidsparticipatie van ouders met een lagere welvaart, de toename van het aandeel eenoudergezinnen en het aandeel kinderen zonder juridisch vastgestelde vader.
Verder kan het analytisch kader worden uitgebreid met aanvullende risicofactoren. Opvoedingspraktijken en ouder-kindrelaties zijn cruciale factoren voor het begrijpen van verschillen in ontwikkelingsuitkomsten van kinderen. Registerdata bevatten hier echter weinig directe informatie over. Wel kunnen indicatoren als detentie van een ouder, langdurig beroep op de ziektewet of arbeidsongeschiktheid, sterke fluctuaties in het inkomen, baanverlies of problematische schulden bij ouders worden bekeken. Ook kunnen indicatoren rond kinderbeschermingsmaatregelen of meldingen bij Veilig Thuis worden betrokken.
Referenties
Bakker, B. F. M., Rooijen, J. van, & Toor, L. van (2014). The system of social statistical datasets of Statistics Netherlands: An integral approach to the production of register-based social statistics. Statistical Journal of the IAOS, 30, 411–424.
Boden, J. M., Fergusson, D. M., & Horwood, L. J. (2008). Early motherhood and subsequent life outcomes. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 49(2), 151–160.
Capitani, E., Lorenzini, C., Biuzzi, A., Alaimo, L., Messina, G., & Nante, N. (2022). Factors influencing the first thousand days of life. European Journal of Public Health, 32(Supplement_3), ckac129-671.
Cattan, S., Fitzsimons, E., Goodman, A., Phimister, A., Ploubidis, G. B., & Wertz, J. (2024). Early childhood inequalities. Oxford Open Economics, 3(Supplement_1), i711–i740.
CBS (2023). Risico op armoede bij huishoudens. In Armoede en sociale uitsluiting 2023.
CBS (2024a). Jaarrapport landelijke jeugdmonitor 2024: Opgroeien in de bijstand.
CBS (2024b). Wat is het onderwijsniveau van Nederland? In Nederland in cijfers 2024.
CBS StatLine (2026). Bevolking; onderwijsniveau; geslacht, leeftijd en migratieachtergrond.
CBS (2025). Moeders iets ouder bij geboorte eerste kind.
Cooper, M., & Pugh, A. J. (2020). Families across the income spectrum: A decade in review. Journal of Marriage and Family, 82(1), 272–299.
Darling, J. C., Bamidis, P. D., Burberry, J., & Rudolf, M. C. (2020). The first thousand days: Early, integrated and evidence-based approaches to improving child health. Archives of Disease in Childhood, 105(9), 837–841.
Evans, G. W., Li, D., & Whipple, S. S. (2013). Cumulative risk and child development. Psychological Bulletin, 139(6), 1342–1396.
Fergusson, D. M., & Horwood, L. J. (2003). Resilience and vulnerability: Adaptation in the context of childhood adversities. In Resilience and vulnerability (pp. 130–155).
Fryers, T., Melzer, D., & Jenkins, R. (2003). Social inequalities and the common mental disorders: A systematic review of the evidence. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 38, 229–237.
Gibson-Davis, C. M., & Percheski, C. (2018). Children and the elderly: Wealth inequality among America’s dependents. Demography, 55(3), 1009–1032.
Harmsen, C., Wobma, E., & Gaalen, R. van (2013). Kinderen van gescheiden ouders gaan jonger samenwonen. Bevolkingstrends, 1–10.
Hoffmann, R., Hu, Y., Gelder, R. de, Menvielle, G., Bopp, M., & Mackebback, J.P.(2016). The impact of increasing income inequalities on educational inequalities in mortality: An analysis of six European countries. International Journal for Equity in Health, 15, 103.
Marvin-Dowle, K., & Soltani, H. (2020). A comparison of neonatal outcomes between adolescent and adult mothers in developed countries: A systematic review and meta-analysis. European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology: X, 6, 100109.
Meijeren-van Lunteren, A. W. van, Brouwer-Prusak, A. J., Molenaar, J. M., Boesveld, I. C., Crone, G. C., Klein, P. P. F., Snijders, B. E. P., & Koster, M. P. H. (2025). Monitor Kansrijke Start 2024. RIVM.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2025, 20 november). Structurele aanpak Kansrijke Start en actieagenda 2026 t/m 2030 ‘Samen zorgen we voor de eerste 1000 dagen’ (Kamerbrief, 32 279, nr. 267).
Rindermann, H., & Baumeister, A. E. (2015). Parents' SES vs. parental educational behavior and children's development. Learning and Individual Differences, 37, 133–138.
Sabates, R., & Dex, S. (2012). Multiple risk factors in young children’s development. Centre for Longitudinal Studies.
Schroeder, A., Slopen, N., & Mittal, M. (2018). Accumulation, timing, and duration of early childhood adversity and behavior problems at age 9. Journal of Clinical Child and Adolescent Psychology.
Shen, W., & Hannum, E. (2023). Context-relevant risk and protective factors for children in rural communities. Journal of Community Psychology, 51(2), 724–744.
Spaan, J., Gaalen, R. van, & Kalmijn, M. (2022). Disentangling the long-term effects of divorce circumstances on father-child closeness in adulthood. European Journal of Population.
Trimbos-instituut. (2025). Effecten van sociale determinanten op mentale gezondheid.
Van den Hof, M., Veer, I., Gaalen, R. van, & Roseboom, T. (2025). Clustering of circumstances during the first 1000 days after conception and their association with school performance. BMJ Public Health, 3, e002176.
Veer, I., van den Hof, M., Gaalen, R. van, & Roseboom, T. (2023a). Het belang van ouderlijke arbeidsparticipatie voor schooluitkomsten. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 39(3), 371–392.
Veer, I., van den Hof, M., Roseboom, T., & Gaalen, R. van (2023b). Vooral kinderen uit bijstandsgezinnen geen kansrijke start. Statistische Trends.
Vethaak, H., & Jongen, E. (2024). Stille wateren hebben diepe gronden: Een analyse van de inkomensverdeling en haar determinanten over de afgelopen veertig jaar.
Walker, S. P., Wachs, T. D., Grantham-McGregor, S., Black, M. M., Nelson, C. A., Huffman, S. L., & Richter, L. (2011). Inequality in early childhood. The Lancet, 378(9799), 1325–1338.
Wardle, J., & Cole, T. J. (2010). Childhood obesity and overweight prevalence trends in England. International Journal of Obesity, 34(1), 41–47.
Western, B., Bloome, D., & Percheski, C. (2008). Inequality among American families with children, 1975 to 2005. American Sociological Review, 73(6), 903–920.
Begrippenlijst
Arbeidsparticipatie
Arbeidsparticipatie is vastgesteld op basis van de belangrijkste inkomensbron van het huishouden van kinderen in de eerste duizend dagen. Indien deze inkomensbron in één van deze jaren bij ten minste één van de ouders inkomen uit arbeid betrof, is sprake van arbeidsparticipatie.
Het ontbreken van arbeidsparticipatie houdt in dat in de eerste duizend dagen in geen enkel jaar inkomen uit arbeid de belangrijkste inkomensbron was.
Eerste duizend dagen
De eerste duizend dagen worden in dit onderzoek benaderd als drie kalenderjaren: het kalenderjaar vóór de geboorte, het geboortejaar, en het kalenderjaar daarna.
Gezinsstabiliteit
Voor het vaststellen van de gezinsstabiliteit tijdens de periode van de eerste duizend dagen is allereerst de juridische moeder geïdentificeerd en vervolgens de juridische vader. Daarna is nagegaan in welke periode deze juridische ouders met elkaar samenwoonden tijdens de exacte periode van de eerste duizend. Daaruit zijn drie categorieën naar voren gekomen: een volledig tweeoudergezin, een deels eenoudergezin en een volledig eenoudergezin.
Herkomstland
Kenmerk dat weergeeft in welk land de ouders van het kind geboren zijn. Wanneer beide ouders in het buitenland zijn geboren, is het geboorteland van de moeder leidend in het bepalen van de herkomst. Wanneer de moeder in Nederland is geboren of het geboorteland van de moeder onbekend is, dan wordt het geboorteland van de vader gebruikt.
Juridische ouders
Bij het bepalen van de ouder(s) van kinderen is in deze studie gekeken naar de juridische ouders. Het betreft een ouder die bij het CBS, volgens de Basisregistratie Personen (BRP) als juridisch ouder geregistreerd staat.
De juridische moeder is:
- de vrouw uit wie het kind is geboren, ook wanneer sprake was van eiceldonatie;
- de vrouw die het kind heeft geadopteerd;
- de duomoeder die automatisch ouder is geworden of het kind heeft erkend;
- de duomoeder van wie de rechter het ouderschap heeft vastgesteld.
De juridische vader is:
- de echtgenoot of geregistreerde partner van de moeder op het moment dat het kind wordt geboren;
- de man die het kind heeft erkend of geadopteerd;
- de man van wie de rechter het vaderschap heeft vastgesteld.
Het komt voor dat één of beide juridische ouders van een persoon in de BRP ontbreken.
Daarbij gaat het voornamelijk om personen van wie de biologische vader het kind niet heeft erkend.
Personen van wie geen van beide juridische ouders bekend is, zijn buiten de analyses gelaten.
Leeftijd moeder
De leeftijd van de moeder tijdens de eerste duizend dagen. Hierin worden drie groepen onderscheiden:
- jonger dan 25 jaar;
- 25 tot 30 jaar;
- ouder dan 30 jaar.
Mentale gezondheid ouders
Voor het benaderen van de mentale gezondheid van de ouders is gekeken of aan vader en/of moeder in de eerste duizend dagen antipsychotica en/of antidepressiva is verstrekt. Hierin wordt verder onderscheid gemaakt door te kijken of dit verstrekt is aan één ouder of aan beide ouders.
Onderwijsniveau
Het onderwijsniveau van het ouderlijk huishouden wordt bepaald aan de hand van het hoogst behaalde opleidingsniveau van de ouders. Daarin worden de volgende categorieën onderscheiden:
- Basisonderwijs, vmbo, mbo1
- Havo, vwo, mbo2-4
- Hbo, wo
- Onderwijsniveau onbekend
Wanneer het onderwijsniveau van beide juridische ouders bekend is, wordt het onderwijsniveau van de ouder met het hoogst behaalde onderwijsniveau gekozen.
Welvaartsniveau
Het welvaartsniveau is gebaseerd op een combinatie van het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen en het vermogen. Er worden vijf welvaartsgroepen onderscheiden, naar kwintielen van het welvaartsniveau van alle private huishoudens in Nederland. Het welvaartsniveau is vastgesteld op basis van de gemiddelde welvaart van vader en moeder in de eerste duizend dagen.
Bijlage 1. Methode
Onderzoekspopulatie
Het aandeel meisjes in de onderzoekspopulatie ligt met 49 procent iets lager dan het aandeel jongens. Van alle kinderen woonde 28 procent in zeer sterk stedelijk gebied. Verder had drie kwart twee in Nederland geboren ouders en bijna 13 procent één ouder die geboren is in het buitenland. Nog eens bijna 13 procent had twee ouders die buiten Nederland geboren zijn.
| Geboortejaar | Aantal | |
|---|---|---|
| 2007 | 177 977 | |
| 2008 | 181 608 | |
| 2009 | 181 584 | |
| 2010 | 180 871 | |
| 2011 | 176 271 | |
| 2012 | 172 116 | |
| 2013 | 167 510 | |
| 2014 | 171 242 | |
| 2015 | 166 755 | |
| 2016 | 168 818 | |
| 2017 | 166 256 | |
| 2018 | 165 171 | |
| 2019 | 166 410 | |
| 2020 | 165 262 | |
| 2021 | 175 783 | |
| Totaal | 2 583 634 | |
Kwaliteitsaspecten
CBS-registraties zijn integraal en volledig voor de onderzochte populatie. Niettemin gelden enkele aandachtspunten:
- Onderwijsniveau is voor bepaalde groepen (met name oudere of buitenlands opgeleide ouders) minder vaak geregistreerd.
- Medicijnverstrekking geeft een benadering van mentale gezondheid, maar weerspiegelt niet alle vormen van mentale gezondheid. Daarbij betekent het verstrekt krijgen van medicatie niet per se daadwerkelijk gebruik daarvan.
- Gezinsstabiliteit is gebaseerd op adresregistratie en geeft geen inzicht in feitelijke opvoedsituatie in complexere gezinssamenstellingen.
- Hoewel deze beperkingen relevant zijn voor de interpretatie van de resultaten, zijn de indicatoren robuust voor trendvergelijkingen.