Auteur: Charlotte Brand

De verduurzaming van de landbouw – deel I: productie en verbruik

Over deze publicatie

In dit eerste artikel wordt vanuit milieuoogpunt gekeken naar de ontwikkeling van de landbouw in de afgelopen 25 jaar. Hoe zien productie en verbruik, voor zover dit milieuconsequenties heeft, voor deze groeisector eruit? Bij milieurelevant verbruik gaat in dit artikel het om de inzet van (niet-hernieuwbare) energie, dierlijke mest en kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen, water en veevoer. Het gebruik van kunstmest en dierlijke mest blijkt in deze periode te zijn gedaald. Het verbruik van niet-hernieuwbare energie en gewasbeschermingsmiddelen bleef min of meer gelijk. De productie ging omhoog. Er is dus wat dit betreft sprake van ontkoppeling: terwijl de productie stijgt, neemt het milieurelevante verbruik niet toe. In het tweede en laatste deel van deze reeks komen de landbouwemissies aan de orde.

1. Inleiding

Na de Tweede Wereldoorlog is de productie van de landbouw in Nederland snel gegroeid. Landbouwhistorici spreken zelfs van een ‘groene revolutie’. Terwijl de economie en industriële productie herstelden, moest voedsel goedkoop zijn en blijven. Ook moest de landbouw arbeidsextensiever worden, zodat mankracht kon worden vrijgemaakt voor de industrie. De landbouwproductie werd verhoogd door specialisatie en schaalvergroting van bedrijven. De opbrengst werd vergroot door het gebruik van tractoren, kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen en krachtvoer voor vee. De landbouw werd verder geoptimaliseerd om met zo min mogelijk mankracht en grondstoffen een zo hoog mogelijke productie te bereiken (Van der Bie en Dehing (red.), 1999).

De afgelopen decennia groeide de landbouwproductie verder. De zeer hoge productie heeft echter een prijs: de Nederlandse landbouw legt een grote druk op het milieu en het dierenwelzijn. Vanuit de landbouw worden bijvoorbeeld grote hoeveelheden methaan uitgestoten en komen stikstofhoudende stoffen en residuen van gewasbeschermingsmiddelen in het milieu terecht.

De landbouw staat echter niet stil. Via wetgeving en tal van innovaties wordt geprobeerd de landbouw milieu- en diervriendelijker te maken. In een serie van twee artikelen wordt bekeken in hoeverre de landbouw hierin slaagt, dat wil zeggen: in hoeverre daalde in de voorbije 25 jaar het gebruik van onwenselijke inputs, zoals (niet-biologische) bestrijdingsmiddelen, en daalden de emissies? Hierbij wordt niet alleen absoluut gekeken, maar ook relatief: hoe verhouden die dalingen zich tot de ontwikkeling van de productie? We kijken hierbij naar de landbouw als geheel, het gaat dus specifiek niet om de ontwikkeling van de biologische landbouw. De ontwikkeling van de biologische en van de niet-biologische landbouw bepalen samen de vertoonde ontwikkelingen.

In dit eerste artikel uit de reeks van twee staat de productie en het milieurelevante gebruik centraal. Door ze op onderdelen met elkaar te confronteren kan tevens worden geconcludeerd of er sprake is van ontkoppeling: ging de groei van het verbruik hand in hand met de productie, of slaagden boeren er bijvoorbeeld in meer te produceren met minder milieurelevante inputs? Om te bepalen welke inputs milieurelevant zijn, is gekeken naar de uitgangspunten van de biologische landbouw. Hierbij worden kunstmest en chemisch-gesynthetiseerde bestrijdingsmiddelen vermeden, mag geen mestoverschot ontstaan, is het veevoer biologisch, en moet 60 procent van het voer van het eigen bedrijf of uit de regio komen (Milieu Centraal, 2022a). Ook worden in dit artikel energie- en watergebruik meegenomen. Hier stelt de biologische teelt geen eisen aan en scoort de biologische landbouw ook niet per se beter op. Wel kan in het algemeen worden gesteld dat het verbruik van niet-hernieuwbare energie omlaag moet (bijvoorbeeld volgens de European Green Deal) evenals als het verbruik van grond- en oppervlaktewater.

Concreet gaat het in het onderhavige artikel om de inzet van (niet-hernieuwbare) energie, dierlijke mest en kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen, water en veevoer. Per onderdeel wordt waar mogelijk en relevant onderscheid gemaakt tussen verschillende branches, bijvoorbeeld plantaardige en dierlijke landbouw, of akkerbouw, tuinbouw op open grond en glastuinbouw. De milieu-impact van de diverse onderdelen van de landbouw verschillen nogal en hebben vaak betrekking op totaal verschillende zaken. Zo is de glastuinbouw bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het grootste deel van het aardgasverbruik door de landbouw, en is voor veeteelt het meeste water nodig. In deel twee van dit artikel, dat later wordt gepubliceerd, komen de emissies aan de orde.

In dit artikel wordt eerst een totaaloverzicht gegeven van zowel productie als verbruik. In hoofdstuk 3 wordt meer in detail ingegaan op de productie. De verschillende vormen van verbruik staan centraal in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 volgen de conclusies.

2. Totaaloverzicht

Figuur 2.1 geeft een overzicht van de onderwerpen die in de komende hoofdstukken aan bod komen. Uit de figuur blijkt dat terwijl de productie van de landbouw langzaam steeg, het gebruik van dierlijke mest en kunstmest daalde. Het energieverbruik en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bleven min of meer gelijk. De ontwikkeling van het krachtvoergebruik is tweeledig: de aanvoer van stikstof in krachtvoer naar varkens en pluimvee daalde. De aanvoer naar rundvee daalde vanaf 1995, maar nam na 2012 weer sterk toe. Het watergebruik is niet opgenomen in de grafiek; dit hangt veel sterker samen met het weer dan met de productie.

2.1 Ontwikkeling productie en verbruik van de landbouw
 Productievolume (1995=100)Energieverbruik (1995=100)Aanvoer stikstof in dierlijke mest naar landbouwgrond (1995=100)Aanvoer stikstof in kunstmest naar landbouwgrond (1995=100)Gebruik bestrijdingsmiddelen (1995=100)Aanvoer stikstof in krachtvoer naar varkens en pluimvee (1995=100)Aanvoer stikstof in krachtvoer naar rundvee (1995=100)
1995100100100100100100100
199699,3110,4100,495,999,793
1997103,198,196,798,796,284,8
1998100,897,989,199,2101,296,283,6
1999104,896,28694,398,478,4
2000105,897,280,98389,793,476
2001101,694,977,872,487,873,7
2002101,388,87170,983,771,3
2003101,788,970,370,47371,9
2004106,590,267,472,992,176,871,9
2005106,293,166,867,581,870,2
2006105,883,166,369,681,869
2007108,184,665,861,983,767,8
2008110,687,4655794,187,174,3
2009112,988,16354,487,872,5
2010113,3100,263,952,888,175,4
2011112,689,262,751,588,173,1
2012112,890,859,451,599,585,970,2
2013114,490,661,655,785,976
2014115,68463,654,985,383
2015117,188,763,963,187,584,2
2016119,689,364,559,396,986,894,2
2017120,489,76759,385,993,6
2018117,996,36754,68489,5
201912096,364,855,482,486
2020119,5946556,786,181,590,6
2021119,694,6

2.1 De landbouw in de Nederlandse economie

Volgens eerder onderzoek was de landbouw in 2019 goed voor circa 1,4 procent van het bruto binnenlands product (Afrian, Van der Wal en Hoeksma, 2020). In 2021 was de toegevoegde waarde van de landbouw bijna 11 miljard euro, wat neerkomt op 1,3 procent van het bbp. De toegevoegde waarde is de waarde van geproduceerde goederen en diensten minus de waarde van goederen en diensten die tijdens de productie verbruikt zijn. De primaire landbouw bestaat uit akkerbouw, tuinbouw, veehouderij en agrarische diensten. Andere activiteiten die onder het agrocomplex (de benaming voor het geheel van directe en indirecte activiteiten rond de landbouw) vallen, zoals de verwerkende industrie van voedingsmiddelen, zijn in die 1,3 procent niet meegerekend. Het aandeel van de landbouw in het bbp is een maatstaf voor het belang van de landbouw in de Nederlandse economie. In 1995 bedroeg het aandeel van de landbouw in de Nederlandse economie nog 2,8 procent. Het belang nam tussen 1995 en 2009 gestaag af tot 1,3 procent en is sindsdien niet verder gedaald. Absoluut gezien stegen de productie en de toegevoegde waarde van de landbouw in de afgelopen decennia, maar het bbp steeg sneller, waardoor het aandeel afnam. De toegevoegde waarde van de landbouw ontwikkelde zich traag ten opzichte van het bbp doordat de outputprijzen van de landbouw minder snel stegen dan de verbruiksprijzen van bijvoorbeeld krachtvoer, energie of kunstmest.

De totale productiewaarde van landbouwgoederen bedroeg 1,6 procent van de totale productie (goederen en diensten) van de Nederlandse economie in 2021. Het energieverbruik was 6,8 procent van het totale energieverbruik in Nederland. Het waterverbruik van de landbouw bedroeg 2,3 procent van het totaal. Het gebruik van veevoer, kunstmest en bestrijdingsmiddelen komt vrijwel volledig op conto van de landbouw.

3. Productie van de landbouw

De afgelopen decennia is de Nederlandse landbouw meer gaan produceren. Gemeten in volume lag de productie in 2021 een vijfde hoger dan in 1995. Het productievolume is de omzet van de landbouw, gecorrigeerd voor prijsveranderingen. In dit cijfer zijn veranderingen in kwaliteit en in het productenpakket (als de samenstelling van goederen verandert) meegenomen.

De productie van plantaardige producten is over de hele periode sterker gestegen dan die van dierlijke producten. Tussen 1995 en 2003 daalde de dierlijke productie met 8 procent. Daarna volgde de dierlijke productie tot 2016 een opwaartse trend; sindsdien ligt deze ongeveer rond hetzelfde niveau.

3.1 Volumeontwikkeling geproduceerde landbouwgoederen
 Totaal producten (1995=100)Totaal plantaardige producten (1995=100)Totaal veeteelt (1995=100)
1995100,0100,0100,0
199699,398,5100,0
1997103,1104,4101,7
1998100,8102,499,2
1999104,8108,2101,3
2000105,8112,398,8
2001101,6108,394,4
2002101,3107,794,3
2003101,7110,991,6
2004106,5115,197,2
2005106,2114,597,1
2006105,8113,597,5
2007108,1115,4100,2
2008110,6118,5101,9
2009112,9121,2103,9
2010113,3121,0104,9
2011112,6120,3104,2
2012112,8119,9105,1
2013114,4120,1108,1
2014115,6124,3106,1
2015117,1122,7110,6
2016119,6122,0117,0
2017120,4125,1115,0
2018117,9121,6113,3
2019120,0123,5115,8
2020119,6121,7117,0
2021*120,9126,0114,7
*voorlopige cijfers

De hogere productie werd tot stand gebracht met minder landbouwgrond. In totaal nam het cultuurgrondoppervlak, de grond die bestemd is voor het voortbrengen van landbouwproducten, tussen 2000 en 2021 met 8 procent af. In 2021 bedroeg het totale cultuurgrondoppervlak 1,8 miljoen hectare. Twee derde van de cultuurgrond werd gebruikt als grasland en voor groenvoedergewassen, doorgaans gebruikt als vers veevoer. De rest werd gebruikt door de akker- en tuinbouw voor de plantaardige productie. Het akker- en tuinbouwareaal daalde tussen 2000 en 2021 met 13 procent, dat van grasland en groenvoedergewassen met 5 procent.

3.2 Grondgebruik door de landbouw
 Akker- en tuinbouw (mln ha)Grasland en groenvoedergewassen (veeteelt) (mln ha)
20000,731,25
20010,721,22
20020,721,24
20030,711,24
20040,711,24
20050,71,24
20060,681,24
20070,671,24
20080,661,27
20090,651,27
20100,641,23
20110,631,22
20120,621,22
20130,631,22
20140,611,23
20150,611,24
20160,611,21
20170,611,21
20180,621,2
20190,631,18
20200,631,18
20210,631,18
 

3.1 Plantaardige producten: akker- en tuinbouw

Van de 631 duizend hectare akker- en tuinbouwgrond in 2021 werd 526 duizend hectare gebruikt voor de akkerbouw, 95 duizend voor de tuinbouw op open grond en 10 duizend voor tuinbouw onder glas. Tussen 2000 en 2021 daalde het Nederlandse akkerbouwareaal met 17 procent. Het areaal van de tuinbouw op open grond steeg in die periode met 17 procent. Het gebruikte oppervlak voor tuinbouw onder glas schommelt al sinds 2000 rond de 10 duizend hectare.

Het grootste deel van het akkerbouwoppervlak wordt gebruikt voor de teelt van granen (33 procent in 2021) en aardappelen (30 procent). Bij tuinbouw op open grond gaat het vooral om bloembollen en –knollen (29 procent van het oppervlak), groenten (28 procent) en fruit (21 procent). Onder glas besloegen groenten 55 procent van het oppervlak, waarvan het grootste deel tomaten (18 procent) en paprika’s (15 procent). Ook worden veel bloemkwekerijgewassen onder glas geteeld, ze besloegen 38 procent van het oppervlak in 2021.

3.1.1 Oppervlakte cultuurgrond akker- en tuinbouw
 Akkerbouw (1 000 ha)Tuinbouw open grond (1 000 ha)Tuinbouw onder glas (1 000 ha)
2000634,4481,0610,52
2001631,4279,6610,52
2002628,9884,0110,54
2003615,9983,7110,54
2004613,5381,9810,49
2005604,0581,3910,54
2006579,8985,3610,38
2007573,2186,5110,37
2008563,4788,4710,17
2009554,0887,8810,32
2010542,0787,0710,31
2011535,0488,5510,25
2012520,886,429,96
2013532,4186,369,82
2014517,2887,19,49
2015505,6790,469,21
2016503,6692,249,28
2017509,1593,529,08
2018515,9594,338,99
2019531,9393,159,69
2020526,8493,1310,08
2021525,7594,8110,55

Planten, bloemen, verse groenten en aardappelen zijn, wat de productiewaarde betreft, de belangrijkste productgroepen in de akker- en tuinbouw. De productie van aardappelen steeg tussen 1995 en 2021 met 84 procent. In 2021 bedroeg de aardappelopbrengst in Nederland 6,7 miljard kg.

De productie van planten en bloemen steeg tussen 1995 en 2000, en volgt sinds 2004 een licht dalende trend. In 2020 lag het productievolume lager dan in 2019 en 2021, omdat tuinders hun productie afschaalden in verband met onzekerheid rond corona (CBS, 2020). De productie van verse groenten steeg tussen 1995 en 2021 met 34 procent. Zo steeg de uien-opbrengst bijvoorbeeld van 0,5 miljard kg in 1995 naar 1,9 miljard kg in 2021. De opbrengst aan tomaten (onder glas) bedroeg in 880 miljoen kg in 2021, bijna anderhalf keer zo veel als in 1995.

3.1.2 Plantaardige productie landbouw, waarde prijsniveau 2015
 Planten en bloemen (mld euro)Verse groenten (mld euro)Aardappelen (incl. pootgoed) (mld euro)Vers fruit (mld euro)Granen (incl. zaaigoed) (mld euro)Voeder- en handelsgewassen en andere plantaardige producten (mld euro)
19956,122,320,760,250,281,47
19966,232,20,720,210,31,44
19976,472,380,760,250,271,58
19986,472,340,680,250,261,53
19996,82,390,780,260,251,64
20006,882,311,090,280,341,58
20016,642,330,990,250,351,45
20026,552,370,990,260,341,39
20036,682,460,970,310,361,45
20046,92,521,030,330,351,55
20056,742,591,080,360,351,5
20066,742,541,040,370,331,48
20076,742,651,10,420,311,43
20086,782,761,160,390,41,49
20096,72,871,210,430,41,65
20106,762,791,210,50,361,56
20116,632,811,240,540,321,56
20126,562,781,240,530,351,58
20136,522,831,250,550,351,55
20146,592,931,320,660,341,61
20156,582,951,320,680,341,45
20166,632,861,310,680,281,49
20176,5531,440,670,281,64
20186,452,911,370,670,271,51
20196,463,011,370,710,311,52
20206,173,051,430,70,271,55
2021*6,583,111,390,690,261,58
*voorlopige cijfers

3.2 Dierlijke producten

De omvang van de veestapel laat in de afgelopen decennia geen eenduidig beeld zien, er is sprake van toe- en afname (zie ook CLO, 2022). Het aantal runderen bewoog mee met de omvang van de melkveestapel. Deze daalde sterk nadat in 1984 de melkquota in de Europese Unie werden ingevoerd. In 1984 waren er nog 5,5 miljoen koeien in Nederland, in 2006 waren dit er 3,7 miljoen. Tussen 2006 en 2014 nam de rundveestapel iets toe, onder meer door een lichte toename van het aantal vleeskoeien. Nadat de melkquota op 1 april 2015 werden afgeschaft, steeg het aantal runderen tot 4,3 miljoen in 2016. Mede als gevolg van deze stijging produceerde de Nederlandse veehouderij in 2015 meer fosfaat dan toegestaan op basis van Europese afspraken. Daarom trad in 2017 het fosfaatreductieplan voor de Nederlandse melkveehouderij in werking. Hierdoor nam de rundveestapel weer af. In 2021 bedroeg het aantal runderen nog 3,8 miljoen.

De varkensstapel piekte in 1997 met 15,2 miljoen dieren. Na een uitbraak van de varkenspest in februari 1997 daalde het aantal varkens in een jaar tijd snel. Daarna daalde het aantal varkens verder tot 11,2 miljoen in 2004, als gevolg van marktontwikkelingen, de Wet herstructurering varkenshouderij en milieu- en dierenwelzijnsmaatregelen. Na 2004 nam de omvang van de varkensstapel weer toe, maar tussen 2018 en 2021 nam deze weer af. In 2021 waren er 11,5 miljoen varkens, 2,9 miljoen minder dan in 1995.

Het aantal kippen steeg tussen 1995 en 2002 en kelderde in 2003 ten gevolge van de vogelgriepepidemie. In 2003 waren er 22 miljoen minder kippen dan in 2002. Na 2003 groeide de pluimveestapel gestaag. Sinds 2014 ligt deze weer rond het niveau van 2002. In 2021 waren er 90 miljoen kippen in Nederland.

Onder de categorie overig worden geiten, schapen, eenden, kalkoenen en paarden en pony’s gerekend. De daling na 1992 heeft vooral te maken met een daling van het aantal schapen. Vanaf 1992 vielen schapen onder de mestwetgeving en daalde de premie voor het laten grazen van dieren. Het aantal geiten is de afgelopen decennia zeer sterk gegroeid. In 2021 waren er 643 duizend geiten, 8,5 keer zoveel als in 1995.

3.2.1 Veeteelt, aantal dieren
 Rundvee (1995=100)Varkens (1995=100)Kippen (1995=100)Overig (1995=100)
1980112,370,492,846
1981111,571,696,937,7
1982112,671,298,435,4
1983116,27492,649,3
1984118,577,494,149,8
1985112,78610154,4
1986110,193,6103,662,6
1987105,299,7108,565,6
1988101,296,8104,674
1989102,595,4100,480,4
1990105,896,7104,3101,1
1991108,891,8105112,5
1992105,798,4111,6114,7
1993103,1103,9107,4107,8
1994101,3101,2102,4101,3
1995100100100100
199697,7100,299,7100,5
199794,8105,5103,8100,8
199888,493,4109,7104,7
199990,494,2116,7106,6
200087,491,1115,8104,5
200186,990,8113,3102,5
200282,880,9114,198,4
200380,777,688,886,6
200480,977,597,591,8
200581,678,6104,3103,5
200680,578,9101,9101,8
200780,881103,2106,8
200883,683,5108,197,3
200985,284,6108,398,1
201085,485,111395,5
201183,586,3107,892
201283,385105,784,4
201385,984,8108,682,2
201487,485114,280,6
201588,887,5118,184,8
201691,386,7116,477,9
20178886,1115,578,9
201884,286,3117,476,6
201981,885,2113,479,5
202082,483112,776,8
2021*82,179,611072,3
*voorlopige cijfers

De productie van melk heeft het hoogste aandeel binnen de dierlijke productie gecorrigeerd voor prijsstijgingen. De melkproductie steeg gestaag tussen 1995 en 2014 en versneld tussen 2014 en 2016. Die piek in 2016 hangt samen met een piek in de omvang van de melkveestapel. De melkproductie per koe steeg ook in de afgelopen decennia. In 1995 was de melkaanvoer aan zuivelfabrieken van Nederlandse melkveehouders 10,8 miljard kg (CBS StatLine, 2022d). Dat komt neer op 6,3 duizend kg per koe. In 2021 was dit 13,6 miljard kg, 8,7 duizend kg per koe. Die toename was mogelijk dankzij een toename van het aantal koeien per bedrijf en per hectare (intensivering), verbeterde huisvesting, nieuwe veevoedingstechnieken en een doelmatiger aanfok.

Na de melkproductie levert de productie van varkens en rundvee het meest op. Die omvat de fok en verkoop van deze dieren, en ook een waardering in euro’s van veranderingen in de veestapel ten opzichte van het jaar daarvoor. De productie van de varkens- en rundveehouderij daalde tussen 1995 en 2000 en schommelde sindsdien rond hetzelfde niveau. De productie van pluimvee en eieren daalde in 2003 door de vogelgriepepidemie. Sindsdien schommelen de eier- en pluimveeproductie, net als het aantal kippen, rond hetzelfde niveau.

3.2.2 Productie veeteelt, waarde prijsniveau 2015
 Rundvee (mld euro)Varkens (mld euro)Pluimvee (mld euro)Rauwe (onbewerkte) melk (mld euro)Eieren (mld euro)Overige dierlijke producten (mld euro)
19951,832,490,773,530,580,2
19961,822,510,813,470,590,21
19971,812,60,873,470,60,19
19981,72,370,943,510,630,19
19991,682,450,943,590,620,25
20001,472,220,963,630,640,32
20011,322,070,913,570,630,32
20021,392,030,863,50,620,44
20031,341,970,533,720,450,43
20041,472,020,753,660,60,49
20051,532,020,733,530,620,57
20061,422,060,793,580,630,56
20071,512,140,83,640,650,53
20081,512,180,833,770,660,47
20091,532,250,823,830,680,48
20101,462,250,83,950,720,51
20111,432,210,773,960,740,52
20121,442,20,833,970,720,55
20131,52,220,844,150,740,54
20141,482,170,84,080,720,57
20151,622,030,864,40,740,56
20161,642,120,874,90,720,57
20171,542,120,854,850,670,59
20181,552,090,844,70,690,62
20191,582,210,874,710,650,7
20201,722,220,814,770,630,7
2021*1,642,180,784,660,650,72
*voorlopige cijfers

4. Verbruik door de landbouw

4.1 Energie

De relatie tussen landbouw en energie is complex. De landbouw is namelijk zowel verbruiker als producent van energie. Bovendien produceert de landbouw zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare energie. In het navolgende gaan we achtereenvolgens in op het totale energieverbruik van de landbouw, en op het verbruik én de productie van beide vormen. Daarna volgt de hamvraag: hoe zit het met het netto verbruik van niet-hernieuwbare energie door de landbouw? Hierna wordt in meer detail ingegaan op de vraag hoe de opwekking en het verbruik van energie in de landbouw precies verloopt.

De groeiende landbouwproductie ging in de afgelopen decennia niet samen met een groeiend energieverbruik; in 2021 lag het totale energieverbruik van de landbouw ongeveer 5 procent lager dan in 1995. Het verbruik van aardgas en aardoliegrondstoffen, de niet-hernieuwbare energiebronnen gebruikt in de landbouw, schommelde tussen 1995 en 2021 rond de 150 PJ. Het verbruik van hernieuwbare energie in de landbouw stijgt sinds 2005 gestaag. Daarnaast verbruikt de landbouw elektriciteit en warmte. Voor een deel produceert de landbouw dit zelf, zowel uit hernieuwbare als niet-hernieuwbare bronnen, en voor een deel neemt ze dit af uit het net, hiervan is niet bekend uit welke bronnen dit is opgewekt. Het verbruik dat gemoeid is met de opwekking van elektriciteit en warmte door de landbouw is in grafiek 4.1.1 meegenomen in de lijntjes over hernieuwbaar en niet-hernieuwbaar energieverbruik. Per saldo (verbruik – productie) verbruikte de landbouw tot 2008 meer elektriciteit en warmte dan ze opwekte. Daarna was het saldo tot en met 2015 negatief en was de productie hoger dan het verbruik. Sindsdien schommelt het saldo rond de 0.

Ondertussen steeg het productievolume van de landbouw tussen 1995 en 2021 met 20 procent. Het verbruik van niet-hernieuwbare energie, dat ongeveer gelijk bleef, is dus sterk gedaald in verhouding tot het productievolume. Er is dus sprake van ontkoppeling tussen niet-hernieuwbaar energieverbruik en de landbouwproductie; voor een groeiende landbouwproductie was niet steeds meer niet-hernieuwbare energie nodig.

4.1.1 Totaal verbruik verschillende energiebronnen in de landbouw
 Niet-hernieuwbaar (aardgas, aardoliegrondstoffen) (petajoule)Hernieuwbaar (biomassa, aardwarmte en omgevingswarmte, zonnestroom, windenergie) (petajoule)Elektriciteit en warmte (saldo verbruik - productie) (petajoule)
1995158,10,218,7
1996172,30,323
1997147,50,325,9
1998146,20,426,8
1999142,10,427,8
20001450,526,5
2001141,60,626
2002132,50,724
2003134122,5
2004137,21,621
2005143,61,819,6
20061322,812,4
2007140,44,35,2
2008153,86,9-6
2009153,38,3-5,6
2010181,49-12,8
2011162,69,2-14
2012161,99,5-10,6
2013159,19,9-8,5
201413911,8-2
2015144,813,4-1,1
2016142,813,61,7
2017143,814,60,4
201815017,43,2
2019147,421,91,4
2020**142,826,2-2,4
2021**147,327,9-7,7
**nader voorlopige cijfers

De landbouw is zoals gezegd zowel verbruiker als opwekker van energie. In de glastuinbouw wordt elektriciteit en warmte opgewekt door middel van warmtekrachtinstallaties of warmtekrachtkoppeling (WKK). Tot 2005 werden kassen vaak nog verwarmd door middel van gasgestookte ketels en verlicht door elektriciteit uit het net. Het gebruik van WKK nam vanaf 2006 toe. Bij WKK zorgen verbrandingsmotoren, aangedreven door aardgas, voor stroom en verwarming van de kas. Dit proces is efficiënter dan het gescheiden opwekken van elektriciteit en warmte. Tevens kunnen gewassen in gesloten kassen het uitgestote broeikasgas CO2 gebruiken. WKK biedt ook flexibiliteit. Glastuinbouwbedrijven kunnen de installaties aanzetten op momenten dat de vraag naar stroom hoog is (evenals de prijs), en als de vraag laag is zetten ze de installaties uit en nemen ze stroom van het net. Ook kunnen ze stroom terugleveren aan het net. In 2021 kocht de landbouw 132,4 PJ aan energie in de vorm van aardgas, waarvan driekwart werd gebruikt voor het opwekken van elektriciteit en warmte met WKK. De rest werd direct gebruikt, bijvoorbeeld in ketels in kassen. Hierdoor komt het grootste deel (93 procent in 2020) van het aardgasverbruik in de landbouw voor rekening van de glastuinbouw (CBS, 2022a). Door het toenemende gebruik van WKK ging de uitstoot van zowel CO2 als methaan in de landbouw na 2005 omhoog, na 2010 nam de uitstoot samen met het aardgasverbruik weer af. Methaan wordt uitgestoten omdat de verbranding in een WKK-installatie niet helemaal volledig is. Landelijk gezien draagt de inzet van WKK bij aan CO2-reductie vanwege de gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte, die efficiënter is dan een gescheiden opwekking in een elektriciteitscentrale en een warmteketel, alleen komt een groter deel van de uitstoot hierdoor op conto van de glastuinbouw.

Naast energieomzetting met WKK in de glastuinbouw wordt in de landbouw op kleinere schaal hernieuwbare energie gewonnen in de vorm van biomassa, zonnestroom en windenergie. Een klein deel van de elektriciteit die opgewekt wordt door de landbouw komt uit deze bronnen. In 2021 nam de landbouw 22,5 PJ aan elektriciteit van het net, en leverde 32,9 PJ terug. Netto was het elektriciteitsverbruik van de landbouw dus negatief, vooral door de productie van elektriciteit met WKK en in mindere mate dankzij zonnestroom, windenergie en biomassa.

De landbouw gebruikt ook aardolie, vooral als brandstof voor tractoren. Net als het aardgasgebruik is het gebruik van aardolie door de jaren heen stabiel gebleven. De stijging van het gebruik van hernieuwbare energie in de landbouw komt door toenemend gebruik van zelf gewonnen biomassa, zonnestroom, windenergie, aardwarmte en omgevingsenergie.

4.1.3 Totaal energieverbruik in de landbouw
 Aardgas (saldo gekocht - verkocht) (petajoule)Totaal aardoliegrondstoffen en producten (petajoule)Biomassa (petajoule)Warmte (saldo verbruik - productie, gelijk aan saldo gekocht - verkocht, 0 PJ verkocht in 2021) (petajoule)Aardwarmte en omgevingsenergie (petajoule)Zonnestroom (petajoule)Windenergie (petajoule)Elektriciteit (saldo verbruik - productie, gelijk aan saldo gekocht - verkocht) (petajoule)
'95139,618,50,18,400,110,3
'96154,917,40,112,100,210,9
'97131,5160,114,700,211,2
'98130,2160,115,400,311,4
'99125,316,80,115,500,312,3
'00127,817,20,114,900,411,6
'01124,417,20,114,100,511,9
'02116,116,40,112,400,611,6
'03117,716,30,110,90,10,811,6
'04121,415,80,19,30,11,411,7
'05127,216,40,29,30,11,510,3
'06115,916,11,18,50,11,63,9
'07124,316,12,47,30,21,7-2,1
'08137,915,94,76,20,41,8-12,2
'09137,615,76,35,50,41,6-11,1
'10164,916,575,50,601,4-18,3
'11146,216,46,94,80,601,7-18,8
'12146,115,86,94,50,80,11,7-15,1
'13142,516,66,74,21,30,21,7-12,7
'14121,517,57,93,31,80,41,7-5,3
'15126,618,28,33,52,70,61,8-4,6
'16125,916,98,33,73,10,81,4-2
'17127,416,48,73,73,31,11,5-3,3
'18131,318,710,23,441,71,5-0,2
'19129,41811,72,85,92,71,6-1,4
'20**124,81813,62,86,54,41,7-5,2
'21**128,618,714,62,76,55,41,4-10,4
**nader voorlopige cijfers

4.2 Dierlijke mest en kunstmest

Planten hebben voor hun groei voedingsstoffen nodig. De twee belangrijkste zijn stikstof en fosfaat. Landbouwbedrijven gebruiken dierlijke mest en kunstmest om aan de voedingsbehoefte van hun gewassen te voldoen. De beperkte hoeveelheid mest stelde lange tijd grenzen aan de groei van de voedselproductie. Na de Tweede Wereldoorlog werd die grens door het gebruik van kunstmest doorbroken. Door de stikstof in de kunstmest schoot de landbouwproductie omhoog. Anno 2022 is in Nederland veel dierlijke mest beschikbaar, maar nog niet genoeg om alle gewassen van voldoende stikstof te voorzien. Het gebruik van dierlijke mest wordt bovendien begrensd door de nitraatrichtlijn (WUR – Agrimatie, 2018). Ook nu wordt die behoefte aangevuld met kunstmest (WUR, 2022a). Voor het produceren van stikstofkunstmest wordt aardgas gebruikt. Dat gas dient in het productieproces als bouwstof en energiebron. Bij dat laatste gebruik komen ook broeikasgassen vrij (Ghavam et al., 2021). Fosfaat is geen hernieuwbare grondstof; het wordt gewonnen in fosfaatmijnen. Er is een fosfaatvoorraad in de fosfaatmijnen voor nog ongeveer 300 jaar. Het kan wel teruggewonnen worden uit bijvoorbeeld dierlijke mest (WUR, 2022b).

Een voordeel van kunstmest is dat dit direct opneembaar is door planten, waardoor weinig stikstof naar de bodem verloren gaat. Bij dierlijke mest is dit wel het geval, omdat stikstof in dierlijke mest langzaam vrijkomt door mineralisatie, waardoor bijvoorbeeld ook na de oogst nog stikstof vrijkomt en niet alles wordt opgenomen door het gewas. Stikstof die niet wordt opgenomen kan uitspoelen naar grond- en oppervlaktewater of vervluchtigen (WUR, 2022a). Fosfaat hoopt zich bij bemesting van (al) fosfaatrijke landbouwgrond op in de bodem, waarna het kan uitspoelen naar het oppervlaktewater (WUR, 2022b). Hoeveel stikstof en fosfaat er via de landbouw in het milieu terechtkomt wordt behandeld in het volgende artikel.

Sinds 2006 geldt in Nederland het stelsel van EU-gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof (totaal) en fosfaat. Die normen zijn gericht op het afstemmen van de hoeveelheid meststoffen op de behoefte van het gewas, en zijn door de jaren heen verder aangescherpt. Onder bepaalde voorwaarden mag in Nederland op melkveebedrijven nog wel meer dierlijke mest worden gebruikt dan de geldende richtlijn van 170 kg stikstof per hectare (derogatie) (WUR – Agrimatie, 2018). Deze uitzonderingspositie komt in 2026 te vervallen. In de biologische landbouw is het gebruik van kunstmest verboden. Daar kan naast dierlijke mest bijvoorbeeld ook gebruik gemaakt worden van gewassen die stikstof uit de lucht binden en beschikbaar maken voor het volgende gewas (‘groenbemesting’). Hiervoor is ruimte en tijd nodig, maar geen energie zoals bij de productie van kunstmest het geval is.

Van de hoeveelheid stikstof in mest (kunstmest en/of dierlijke mest) die op Nederlandse landbouwgrond wordt aangebracht, bedraagt het aandeel kunstmest al sinds 1995 rond de 40 procent. Bij fosfaat schommelde dit aandeel tussen 1995 en 2009 rond de 20 procent, en sindsdien rond de 10 procent. Tussen 1995 en 2010 is de totale aanvoer van stikstof naar landbouwgrond gedaald met 41 procent. Sindsdien is de hoeveelheid aangevoerde stikstof niet verder gedaald. De aanvoer van fosfor (het element waarmee fosfaat wordt gevormd) daalde na 2010 nog verder. De totale afname tussen 1995 en 2020 bedroeg 54 procent. Tussen 1995 en 2020 werd een hogere plantaardige landbouwproductie tot stand gebracht met minder inzet van zowel dierlijke mest als kunstmest, er is dus sprake van ontkoppeling.

4.2.1 Aanvoer stikstof en fosfor in mest naar landbouwgrond
 Stikstof in dierlijke mest (mln kg)Stikstof in kunstmest (mln kg)Fosfor in dierlijke mest (mln kg)Fosfor in kunstmest (mln kg)
19955493888726
19965513728128
19975313838127
19984893857930
19994723668027
20004443227626
20014272817121
20023902756520
20033862736621
20043702836317
20053672626320
20063642706420
20073612406215
20083572216211
2009346211604
20103512056213
2011344200586
2012326200535
2013338216554
2014349213576
2015351245594
2016354230556
2017368230545
2018368212535
2019356215494
2020357220484

4.3 Gewasbeschermingsmiddelen

Gewasbeschermingsmiddelen zijn middelen die in de landbouw worden gebruikt om hinderlijke ziektes, plagen, onkruid of andere schade in gewassen te voorkomen of te bestrijden. Gewasbeschermingsmiddelen zijn bij bijna alle gewassen belangrijk. De middelen die worden gebruikt zijn toegelaten door de overheid. Maar sommige beschermingsmiddelen kunnen toch grond- en oppervlaktewater verontreinigen en sommige zijn toch schadelijk voor de biodiversiteit. Tot 2007 is wettelijk gesproken van bestrijdingsmiddelen. Sindsdien is er een opdeling naar gewasbeschermingsmiddelen, die specifiek bedoeld zijn voor het bestrijden van schadelijke organismen in de landbouw, en biociden, middelen die in meerdere sectoren ingezet mogen worden om schadelijke organismen te bestrijden en niet zomaar toegestaan zijn om gewassen te beschermen, zoals desinfectiemiddelen of muizengif. Over het gebruik van biociden zijn geen cijfers.

Over de inzet van bestrijdingsmiddelen zijn vanaf 1995 gegevens bekend, sinds 2000 elke vier jaar. Welk middel wanneer wordt toegepast wisselt in de tijd. De verandering wordt bepaald door keuzes van teeltbedrijven, leveranciers en een regulerende overheid. Een deel van de middelen (werkzame stoffen) wordt in alle jaren toegepast. Tussen 1995 en 2020 ontwikkelde het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zich grillig. Het gebruik in kg gemeten (alle meer dan 200 stoffen samengenomen) was in 2020 14 procent lager dan in 1995, maar in 2012 lag het ongeveer even hoog als in 1995. Kijkend naar de twee meest recente meetjaren, lag het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de akker en tuinbouw 11 procent lager in 2020 dan in 2016. De relatieve daling is het sterkst bij fruit (-35 procent) en planten en bloemen (-16 procent). Bij aardappelen is de daling kleiner (-4 procent). Het productievolume van plantaardige producten was in 2016 en 2020 nagenoeg gelijk. In 2020 lag het een kwart hoger dan in 1995. Er is dus sprake van ontkoppeling in de zin dat er voor een hogere productie niet meer gewasbeschermingsmiddelen nodig waren, gemeten in kg werkzame stof (alle stoffen samengenomen).

4.3.1 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen akker- en tuinbouw
 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen (mln kg werkzame stof)
19955,79
19985,86
20005,19
20045,34
20085,45
20125,76
20165,62
2020*4,99
*voorlopige cijfers

4.3.2 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen akker- en tuinbouw naar gewas
 2012 (mln kg werkzame stof)2016 (mln kg werkzame stof)2020* (mln kg werkzame stof)
Totaal5,765,624,99
Aardappelen (incl. pootgoed)2,152,262,18
Planten en bloemen1,451,391,16
Groenten0,660,690,6
Fruit0,460,50,33
Overig (granen, handels- en voedergewassen)1,040,770,73
*voorlopige cijfers

Een selectie van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen valt onder groene gewasbescherming (CBS, 2022b). Dit zijn stoffen die van natuurlijke oorsprong zijn (bijvoorbeeld micro-organismen, plantenextracten), stoffen van middelen die voorkomen op de inputlijst gecertificeerde biologische teelt (SKAL, inclusief middelen op basis van paraffineolie) en stoffen die volgens de EU laag-risico stoffen zijn. De beschikbaarheid van groene middelen verschilt sterk per gewas. Het gebruik van groene middelen is gestegen, van 22 procent in 2016 naar 25 procent in 2020. De stijging is het grootst bij aardappelen, van 22 naar 34 procent. Dit komt door een toename van het gebruik van paraffineolie, voor virusbestrijding. Telers van fruit, planten en bloemen zijn relatief minder groene middelen gaan gebruiken, maar ook minder bestrijdingsmiddelen in totaal.

4.3.3 Gebruik groene gewasbeschermingsmiddelen
 2012 (% van gewicht werkzame stof)2016 (% van gewicht werkzame stof)2020* (% van gewicht werkzame stof)
Totaal18,42225,4
Aardappelen (incl. pootgoed)20,821,733,9
Planten en bloemen32,742,237,5
Groenten2,443,7
Fruit19,324,79,6
Overig (granen, handels- en voedergewassen)3,20,85,5
*voorlopige cijfers

4.4 Water

In (het relatief droge jaar) 2020 werd 349 miljard liter water gebruikt door de land- en tuinbouw (buiten regenwater). Dat is het totaal van opgepompt water en leidingwater. Driekwart hiervan was grond- en oppervlaktewater dat werd gebruikt voor irrigatie (beregening). Dat blijkt uit de analyse van Van der Meer (2022), gebaseerd op het watergebruik van steekproefbedrijven in het Bedrijveninformatienet, waarin een bijschatting gemaakt wordt voor bedrijven die niet in de steekproef voorkomen. Het waterverbruik in de landbouw vertoonde tot 2018 geen duidelijk dalende of stijgende trend, maar lag in 2018, 2019 en 2020 veel hoger dan in eerdere jaren. Vooral de neerslaghoeveelheid bij de start van het groeiseizoen, in april en mei en in mindere mate in maart en juni, is hierbij belangrijk. Als het dan weinig regent, wordt er veel opgepompt en beregend. Dit was het geval in 2019 en 2020. In 2018 waren juni, juli en september uitzonderlijk droog. Ook in 2022, waarvoor nog geen cijfers over watergebruik beschikbaar zijn, waren een aantal zomermaanden (vooral juli en augustus) veel droger dan gemiddeld (KNMI, 2022). Ook de regionale spreiding van de neerslag speelt een rol in het watergebruik van de landbouw. Vooral de hooggelegen gebieden in het oosten en zuiden van Nederland zijn gevoelig voor droogte. Er is geen duidelijk positief of negatief verband tussen de stijgende productie van de landbouw en het waterverbruik. Droogte speelt hierin een veel grotere rol.

Veehouderijbedrijven gebruiken in totaal meer water dan akker- en tuinbouwbedrijven. Ook per bedrijf ligt het watergebruik van veehouderijen hoger, net als het gebruik ten opzichte van de productiewaarde (gecorrigeerd voor prijsveranderingen). Ook in de veehouderij wordt het grootste deel van het water gebruikt voor beregening (68 procent in 2020) van bijvoorbeeld het grasland en akkers met voedergewassen zoals snijmais. Daarnaast wordt 27 procent gebruikt als drinkwater voor het vee. In de akker- en tuinbouw was in datzelfde jaar 93 procent van het water bestemd voor beregening. Dit is allemaal oppervlakte- en grondwater. Het resterende deel is vooral leidingwater, bijvoorbeeld gebruikt voor schoonmaakactiviteiten. De biologische landbouw heeft geen doel wat betreft watergebruik. In het algemeen kan wel worden gesteld dat het waterverbruik van Nederland in de droge zomers van de laatste jaren een probleem begint te worden. Zuinig omgaan met water en het opslaan van regenwater in natte periodes is dus het devies.

4.4.1 Watergebruik landbouw
 Veeteelt (mld liter)Akker- en tuinbouw (mld liter)Overig (combinatiebedrijven) (mld liter)
200183,1735,5413,74
200282,1637,9813,66
2003138,779,5838,22
200479,6747,0310,53
200578,2733,5910,41
2006101,9243,5822,71
200774,6934,118,91
200874,9132,368,54
200990,930,9418,08
2010106,6142,1316,84
2011109,0339,3813,59
201274,4815,878,99
201396,7137,3313,67
201480,9835,298,27
2015103,7535,868,84
20168332,424,56
2017114,7446,356,88
2018199,54135,2916,1
2019178,75104,5713,9
2020221,03112,4515,6
Bron: CBS, Bedrijveninformatienet, Wageningen Economic Research

4.5 Veevoer

Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s eten in Nederland vooral ruwvoer, aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit weidegras, snijmais, kuilgras en hooi. Het voer voor staldieren, varkens en pluimvee, is hoofdzakelijk krachtvoer gemaakt van bijvoorbeeld tarwe, korrelmaïs en soja. Voor de productie van veevoer en voor gebruik als grasland is veel landbouwgrond nodig. Bijna twee derde van de beteelde cultuurgrond bestond in 2021 uit grasland en land voor groenvoedergewassen. Hiermee wordt volledig in de binnenlandse behoefte voorzien. Krachtvoer komt daarentegen overwegend uit het buitenland.

Tussen 1995 en 2021 daalde het graslandoppervlak in de Nederlandse landbouw met 146 duizend hectare, een afname van 14 procent. Het oppervlak gebruikt voor snijmais daalde met 33 duizend hectare (15 procent). Het aantal runderen, geiten, schapen en pony’s bij elkaar nam in deze periode met 17 procent af. Ondertussen steeg tussen 1995 en 2021 de dierlijke landbouwproductie met 14,6 procent. Die productiestijging was vooral danken aan een hogere melkopbrengst per koe. Deze stijging was mede mogelijk doordat koeien meer krachtvoer kregen voorgeschoteld.

4.5.1 Grondgebruik grasland en snijmais
 Grasland ( mln ha)Snijmais ( mln ha)
19951,050,22
19961,050,22
19971,030,23
19981,030,22
19991,020,23
20001,010,21
20010,990,20
20021,000,21
20030,980,22
20040,980,22
20050,980,24
20061,000,22
20070,990,22
20080,980,24
20090,980,24
20100,950,23
20110,940,23
20120,940,23
20130,930,23
20140,940,23
20150,960,22
20160,940,21
20170,930,21
20180,910,21
20190,910,19
20200,900,20
2021*0,900,19
*voorlopige cijfers

Uit de voorzieningsbalansen van de WUR (WUR – Agrimatie, 2022) blijkt dat de top vijf gebruikte grondstoffen voor krachtvoer in Nederland in het seizoen 2020/2021 bestond uit zachte tarwe, korrelmaïs, sojaschroot, gerst en raapzaadschroot. Vooral het verbruik van gerst nam sinds 2005 toe. Het verbruik van de andere gewassen ontwikkelde zich grilliger. Bij elkaar opgeteld werd in het seizoen 2020/2021 5 miljard kg meer van deze vijf krachtvoergewassen verbruikt dan vijftien jaar eerder, een toename van bijna 60 procent. Tussen 2006 en 2021 steeg de productie van de veeteelt minder snel dan dit gebruik van krachtvoer, namelijk met 18 procent.

4.5.2 Verbruik top 5 veevoergewassen
 Zachte tarwe (mld kg)Korrelmaïs (mld kg)Sojaschroot (mld kg)Gerst (mld kg)Raapzaadschroot (mld kg)
'05/'063,082,252,390,390,56
'06/'074,182,52,451,031,01
'07/'083,983,662,310,561,33
'08/'094,712,891,840,941,33
'09/'105,072,781,531,571,08
'10/'114,752,781,81,431,54
'11/'123,762,741,421,251,15
'12/'133,722,8511,421,22
'13/'143,53,811,831,41,14
'14/'154,853,441,81,331,07
'15/'165,693,292,781,451,12
'16/'174,793,542,241,850,92
'17/'185,343,222,381,780,91
'18/'195,253,952,371,70,82
'19/'205,033,852,571,951,09
'20/'214,573,332,532,281
Bron: CBS, WUR - Agrimatie

Krachtvoer is een belangrijke bron van stikstof en fosfor in het dieet van vee, en daarmee in dierlijke mest. Met behulp van cijfers over de aanvoer van stikstof en fosfor naar de landbouw via krachtvoer kan een inschatting gemaakt worden van de ontwikkeling van gebruik van krachtvoer naar diersoort. Absoluut gezien was de aanvoer van stikstof en fosfor via krachtvoer tot 2016 het grootst bij varkens. Daarna kwam die bij runderen op vrijwel hetzelfde niveau te liggen. Zowel naar varkens als runderen daalde de aanvoer van 1995 tot ongeveer halverwege de jaren nul. Daarna steeg de aanvoer, maar waar de stijging bij varkens stagneerde, nam deze bij runderen na 2012 sterk toe. De aanvoer naar pluimvee bleef tussen 1995 en 2021 nagenoeg gelijk, met uitzondering van een daling in 2003 na een uitbraak van de vogelgriep en een krimp van de pluimveestapel.

Bekijken we de aanvoer van stikstof en fosfor per dier, dan is het verloop grillig met één duidelijke uitzondering: per rund nam de aanvoer van stikstof en fosfor na 2012 sterk toe. Dit resulteerde dus in de eerder genoemde hogere melkproductie per koe, en daarmee is de groeiende productie van de veeteelt sinds 2012 gekoppeld aan een groeiend verbruik van krachtvoer. Die toename van stikstof en fosfor in het dieet van koeien leidt tot een grotere hoeveelheid stikstof in de mest en daarmee tot een hogere stikstofuitstoot (Thomassen et al., 2007).

4.5.3 Aanvoer van stikstof en fosfor in krachtvoer
 Rundvee - stikstof (mln kg)Varkens - stikstof (mln kg)Pluimvee - stikstof (mln kg)Rundvee - fosfor (mln kg)Varkens - fosfor (mln kg)Pluimvee - fosfor (mln kg)
1995171213101294018
1996159212101273918
1997145202100263718
1998143199102243719
1999134199109233620
2000130186106233420
2001126173100223218
2002122156104212918
200312315274212913
200412314989212816
200512015897213017
200611815995203117
200711616398193117
2008127169102203318
2009124170103203418
2010129168107233319
2011125170104213318
201212016699183017
2013130163103203018
2014142160104223018
2015144162108213119
2016161159109233019
2017160160105233018
201815315998223017
201914715697222917
202015515497242916

4.5.4 Aanvoer van stikstof en fosfor in krachtvoer, kg stikstof en fosfor per dier
 Rundvee - stikstof (1995=100)Varkens - stikstof (1995=100)Pluimvee - stikstof (1995=100)Rundvee - fosfor (1995=100)Varkens - fosfor (1995=100)Pluimvee - fosfor (1995=100)
1995100,0100,0100,0100,0100,0100,0
199695,199,4100,395,397,4100,3
199789,589,995,394,687,796,3
199894,6100,091,893,699,096,0
199986,799,192,487,895,595,1
200087,095,890,590,793,395,8
200184,889,487,487,388,188,3
200286,190,590,387,489,687,7
200389,192,082,689,793,581,4
200489,090,390,589,690,491,2
200586,094,491,988,895,590,4
200685,894,692,285,798,392,6
200783,994,593,881,095,791,3
200888,995,093,682,598,892,7
200985,194,394,280,9100,492,3
201088,392,794,092,996,993,6
201187,692,495,886,895,693,0
201284,291,793,274,588,389,8
201388,590,294,580,388,492,7
201495,088,490,986,888,288,3
201594,886,991,281,688,590,0
2016103,186,193,486,886,591,4
2017106,387,290,790,187,187,2
2018106,386,583,590,186,981,2
2019105,085,985,492,785,184,0
2020109,987,186,1100,487,379,7

Naast het effect van krachtvoer op het milieu in de vorm van stikstofuitstoot, verbruiken de teelt en transport van krachtvoer veel energie waarbij broeikasgassen worden uitgestoten, en draagt de teelt bij aan verlies aan biodiversiteit (Beldman et al., 2010). Krachtvoer voor de veeteelt wordt veelal geïmporteerd. Soja- en raapzaadschroot zijn de restanten van verwerkte sojabonen en raapzaad (tot olie). Alle sojabonen in Nederland zijn geïmporteerd, en vrijwel alle sojaschroot wordt in Nederland geproduceerd (van geïmporteerde sojabonen). Raapzaadschroot wordt voor het grootste deel ingevoerd (78 procent in 2021), dit aandeel schommelt door de jaren heen. De rest van het raapzaadschroot wordt in Nederland geproduceerd van geïmporteerd raapzaad. Ook van zachte tarwe, gerst en korrelmaïs wordt het overgrote deel ingevoerd, en dit aandeel groeit. In 2005/2006 werd bijvoorbeeld 80 procent van de gerst ingevoerd, in 2020/2021 was dit 93 procent. Een deel van deze invoer is bestemd voor menselijke consumptie: ongeveer 40 procent van de tarwe, 20 procent van de gerst en 20 procent van de korrelmaïs. Van de korrelmaïs wordt ook circa 15 procent tot biobrandstof verwerkt (Jukema, Ramaekers en Berkhout (red.), 2021).

De meeste granen (zoals tarwe, gerst en maïs) die in Nederland worden ingevoerd komen uit Duitsland, Oekraïne en Frankrijk. Raapzaad(schroot) komt onder andere uit Duitsland, Brazilië, Oekraïne, Australië en Canada (Jukema, Ramaekers en Berkhout (red.), 2021). Het belangrijkste herkomstland voor sojabonen is Brazilië. Vooral die productie heeft grote impact op het milieu. In Zuid-Amerika wordt voor de sojateelt bos gekapt, waarbij CO2 vrijkomt, de bodem uitgeput raakt en veel gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest worden ingezet. Minder dan 10 procent van alle soja wordt geconsumeerd door mensen, de rest is bestemd voor veevoer (Milieu Centraal, 2022b).

4.5.5 Invoerdeel in aanbod veevoergewassen
 2005/'06 (% invoer)2012/'13 (% invoer)2020/'21 (% invoer)
Granen
Zachte tarwe78,779,485,9
Gerst79,590,892,6
Korrelmaïs86,494,196,1
Raapzaad
Raapzaad94,999,599,7
Raapzaadschroot87,077,278,3
Soja
Sojabonen100,0100,0100,0
Sojaschroot0,72,10,3
Bron: CBS, WUR - Agrimatie

5. Conclusie

De afgelopen decennia groeide de productie van de Nederlandse landbouw. Het productievolume was in 2021 een vijfde hoger dan in 1995. Van de plantaardige productie steeg vooral de productie van groenten en aardappelen. Ondertussen daalde de omvang van het areaal dat werd gebruikt voor de plantaardige productie. Ook de veestapel kromp. De dierlijke productie steeg wel, zij het minder snel dan de plantaardige productie.

Het verbruik van niet-hernieuwbare energie bleef tussen 1995 en 2021 schommelen rond hetzelfde niveau. Het grootste deel van dit energieverbruik betreft aardgasgebruik door de glastuinbouw. Aangezien de productie tussen 1995 en 2021 met 20 procent steeg, is het verbruik van niet-hernieuwbare energie dus sterk gedaald in verhouding tot het productievolume.

Mede door EU-gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof (totaal) en fosfaat, gericht op het afstemmen van de hoeveelheid meststoffen op de behoefte van het gewas, is de totale aanvoer van stikstof en fosfaat in mest naar landbouwgrond gedaald. Het grootste deel van deze daling vond plaats tussen 1995 en 2000. De aanvoer van stikstof en fosfor in dierlijke mest daalde respectievelijk met 35 en 45 procent tussen 1995 en 2020. De aanvoer van stikstof en fosfor in kunstmest daalde nog meer, er werd 43 procent minder stikstof in kunstmest aangevoerd en 85 procent minder fosfor. Relatief aan de plantaardige productie daalde de hoeveelheid aangevoerde stikstof en fosfor in zowel dierlijke mest als kunstmest sterk.

Terwijl de plantaardige productie steeg, bleef het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gemeten in kg werkzame stof (alle meer dan 200 stoffen samengenomen) over de gehele periode 1995 tot 2020 min of meer gelijk. Het gebruik lag in 2020 14 procent lager dan in 1995,