De relevantie van verblijfsduur van immigranten voor hun participatie in de samenleving

3. Resultaten

Bivariate resultaten

In de hele periode 2012 tot en met 2019 hebben 8 van de 10 immigranten die sinds 1995 (wederom) in een Nederlandse gemeente zijn ingeschreven minstens wekelijks contact met familieleden die niet tot het eigen huishouden behoren. Drie kwart heeft minstens een keer per week contact met vrienden of kennissen. Een kleiner deel, bijna 6 van de 10, spreekt de buren wekelijks of vaker. Met wie er contact is, doet ertoe voor de relatie met verblijfsduur. Het contact met familie neemt vanaf een verblijf van 30 jaar iets toe: van 79 naar 85 procent. Waar een langere verblijfsduur gepaard gaat met een kleiner deel dat wekelijks contact heeft met vrienden, van zo’n 80 procent bij een verblijf tot 10 jaar naar 70 procent bij de groep die al minstens 40 jaar in Nederland verblijft, neemt het aandeel dat contact heeft met de buren fors toe (van 46 naar 65 procent). Bij het geven van hulp aan anderen buiten het eigen huishouden, de zogenoemde informele hulp, is er een scheidslijn bij een verblijf van 20 jaar. Van de immigranten die korter dan 20 jaar in Nederland wonen, geeft 23 procent in een periode van een maand hulp aan anderen, bij aan langer verblijf is dat 29 procent.

Meer lidmaatschap van verenigingen bij langere verblijfsduur

Het lidmaatschap van tenminste een vereniging zoals een sportclub, muziek- of hobbyvereniging is hoger naarmate de immigranten al langer in Nederland wonen. Van de groep met een kort verblijf is 40 procent lid van een vereniging en dit percentage loopt op tot 64 procent bij de groep die al minstens 40 jaar in Nederland verblijft. Minder variatie tussen de groepen is te constateren bij het actief zijn in verenigingsverband. Van de immigranten is iets meer dan een kwart minstens een keer in een periode van vier weken actief in een vereniging. Ook bij de andere groepen tot een 40-jarig verblijf schommelt dit rond de 25 procent. Immigranten die nog langer in Nederland wonen zijn met 32 procent actiever in het verenigingsleven.

Geen duidelijk verband verblijfsduur en vrijwilligerswerk

De relatie tussen verblijfsduur en de inzet als vrijwilliger voor verenigingen en organisaties is minder eenduidig. Van de immigranten met een korter verblijf dan vijf jaar doet 31 procent minstens een keer op jaarbasis vrijwilligerswerk. Dat loopt vervolgens op tot 39 procent bij de immigranten met een verblijf van tien tot twintig jaar, waarna het weer daalt naar 35 procent. Ook bij het betaald werk is er een curvilineair verband met de verblijfsduur: na een aanvankelijk stijging tot boven de 60 procent bij de groepen met een verblijf van 5 tot 30 jaar ten opzichte van de groep met een kort verblijf, neemt het aandeel met een betaalde baan af tot 34 procent bij de groep met het langste verblijf. Hierbij zal de leeftijdsverdeling een rol spelen aangezien immigranten met een lange verblijfsduur vaker al de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt.

Van de immigranten met een relatief kort verblijf tot vijf jaar heeft 46 procent in een periode van vijf jaar deelgenomen aan een actie om de politiek te beïnvloeden. Vervolgens neemt dit percentage af tot 40 procent bij de immigranten die vijf tot tien jaar in Nederland wonen, waarna het verder daalt naar 34 procent bij een verblijf van dertig tot veertig jaar en weer stijgt naar 39 procent onder de immigranten met een verblijf van minstens veertig jaar.

3.1 Participatie naar verblijfsduur
 0 tot 5 jaar (%)5 tot 10 jaar (%)10 tot 20 jaar (%)20 tot 30 jaar (%)30 tot 40 jaar (%)40 jaar of langer (%)
Sociale contacten
Familiecontact89,689,98991,993,591,6
Vriendencontact92,393,790,289,287,887,4
Burencontact63,369,770,475,177,980
Informele hulp2421,223,428,328,930,6
Participatie
Betaald werk39,543,54854,653,563,7
Lid vereniging25,824,325,626,824,631,8
Deelname verenigingen31,434,938,934,736,136
Vrijwilligerswerk5461,364,962,45633,8
Bron: CBS, SSW 2012/2019
 

De vergelijking met de Nederlandse groep (grafiek 3.1) leert dat in de sociale contacten de groep met een Nederlandse achtergrond weinig verschilt ten opzichte van de immigranten. Bij het burencontact zien we dat bij een verblijf van minstens 30 jaar de Nederlandse groep iets wordt voorbijgestreefd. Bij het geven van hulp aan anderen, de informele hulp, blijven immigranten ongeacht hun verblijfsduur een achterstand behouden ten opzichte van de Nederlandse groep. Dat geldt ook voor het lid zijn van een vereniging: hoewel het lidmaatschap fors stijgt tot 64 procent onder de immigranten met het langste verblijf, wordt de positie van de Nederlandse groep (79 procent) niet ingehaald. Een daarmee vergelijkbaar patroon is af te lezen bij het actief zijn in verenigingen: waar bijna de helft van de Nederlandse groep actief betrokken is in het verenigingsleven, blijft dit bij immigrantengroepen beperkt tot een derde. Dit spoort ook met het vrijwilligerswerk: ruim de helft van de Nederlandse groep zet zich in als vrijwilliger, bij de immigrantengroepen is dat minder dan 4 op de 10. Bij het verrichten van betaald werk is te zien dat de meeste immigrantengroepen vaker een betaalde baan hebben dan de Nederlandse groep. Het gemiddelde van de immigranten blijft echter achter, hetgeen komt door de, veelal oudere, groep met het langste verblijf. Ten slotte is de deelname aan politieke acties onder alle immigrantengroepen lager ten opzichte van de Nederlandse groep.

Regressie-analyses: verblijfsduur naar sociale contacten en verblijfsduur

De groepen met een kortere en langere verblijfsduur verschillen qua samenstelling. Zo gaat een langere verblijfsduur samen met een oudere leeftijd. Om hiermee rekening te houden is een aantal logistische regressieanalyses uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met de samenstelling van de verblijfsduurgroepen (zie kader). In het eerste model is alleen de verblijfsduur opgenomen. Daar is vervolgens het herkomstland aan toegevoegd (model 2). Tenslotte zijn daar een beperkt aantal achtergrondkenmerken (model 3) en een uitgebreid aantal aan toegevoegd (model 4). Zie de tabellenbijlage voor de resultaten van modellen 1, 2, 3 en 4.

Odds ratio’s als voorspeller van de kans op participatie

De logistische regressieanalyse corrigeert voor verschillen in achtergrondkenmerken en kan hierdoor de gecorrigeerde samenhang tussen verblijfduur en participatie vaststellen. Dit netto effect wordt uitgedrukt in een zogenoemde odds ratio (kansverhouding). De odds ratio geeft aan hoeveel keer meer of minder een groep met een bepaalde verblijfduur kans maakt op het aangaan van sociale contacten ten opzichte van de referentiegroep. In de logistische regressieanalyses in dit artikel vormt de groep die 0 tot 5 jaar in Nederland verblijft telkens de referentiegroep en heeft een odds ratio van 1. Een odds ratio van 2 betekent doorgaans dat de kansverhoudingen op participatie twee keer zo groot zijn, bij een odds ratio van 0,5 zijn ze twee keer zo klein.

Op basis van grafiek 3.2 blijkt dat een langer verblijf gepaard gaat met meer wekelijkse contacten met de familieleden die niet tot het eigen huishouden behoren. Vooral immigranten die al minstens dertig jaar in Nederland wonen, zien en spreken hun familie vaker dan immigranten die minder dan vijf jaar in Nederland wonen. Bij de contacten met vrienden en bekenden heeft de groep met het kortste verblijf minder contacten dan sommige groepen met een langer verblijf. De sterke positieve relatie tussen verblijfsduur en de burencontacten die in de bivariate analyse nog zichtbaar was, verdwijnt na controle voor de andere kenmerken. Immigranten die al langer in Nederland wonen, ontmoeten hun buren dus niet vaker dan immigranten met een korter verblijf. Leeftijd speelt hierbij een rol aangezien vooral ouderen hun contacten met de buren onderhouden (zie ook model 4 in de tabellenbijlage).

3.2 Kans op sociale contacten naar verblijfsduur1)
 0 tot 5 jaar (= referentie) (odds ratio's)5 tot 10 jaar (odds ratio's)10 tot 20 jaar (odds ratio's)20 tot 30 jaar (odds ratio's)30 tot 40 jaar (odds ratio's)40 jaar of langer (odds ratio's)
Familiecontact11,231,481,201,711,44
Vriendencontact11,461,221,221,461,35
Burencontact11,231,011,031,080,98
Informele hulp10,770,891,251,371,61
Bron: CBS, SSW 2012/2019
1) Gecontroleerd voor: herkomstland, geslacht, leeftijd, opleiding, gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, nationaliteit, huishoudsamenstelling, stedelijkheidsgraad en landsdeel
 

Regressie-analyses: verblijfsduur naar participatie in organisaties en politiek

Een andere manier om contacten met anderen te onderhouden, die niet in verenigingsverband of via organisaties plaatsvinden is de hulp aan andere mensen buiten het eigen huishouden. Dit is de zogenoemde informele hulp. Immigranten met een kort verblijf onderscheiden zich nauwelijks van de immigranten die al langer in Nederland wonen in het geven van informele hulp. Wel geven immigranten die al minstens 40 jaar in Nederland wonen meer hulp aan anderen dan immigranten die minder dan 20 jaar in Nederland verblijven.

Lidmaatschap van een vereniging sterk gerelateerd aan verblijfsduur

Verblijfsduur is sterk gerelateerd aan het lidmaatschap van minstens een vereniging, zoals een sport-, muziek- of hobbyvereniging (zie grafiek 3.3). Immigranten die al minstens 10 jaar in Nederland wonen zijn vaker lid van een vereniging dan de immigranten met een kort verblijf. Dat geldt nog sterker voor de immigranten die 20 tot 40 jaar in Nederland verblijven, en nog sterker voor de groep die 40 jaar of langer in Nederland woont. Een daarmee vergelijkbaar patroon is te zien bij de actieve deelname in het verenigingsleven. Van de immigranten die al 20 jaar in Nederland wonen is een groter deel actief in het verenigingsleven dan immigranten met een kort verblijf. Dat geldt nog sterker voor immigranten die al minstens 40 jaar in Nederland wonen.

3.3 Kans op participatie naar verblijfsduur1)
 0 tot 5 jaar (= referentie) (odds ratio's)5 tot 10 jaar (odds ratio's)10 tot 20 jaar (odds ratio's)20 tot 30 jaar (odds ratio's)30 tot 40 jaar (odds ratio's)40 jaar of langer (odds ratio's)
Lid verenigingen11,171,331,611,652,29
Actief in verenigingen11,211,251,461,441,76
Vrijwilligerswerk11,271,351,111,331,47
Betaald werk11,111,861,811,842,01
Politieke acties 11,111,031,051,071,32
Bron: CBS, SSW 2012/2019
1)Gecontroleerd voor: herkomstland, geslacht, leeftijd, opleiding, gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen, nationaliteit, huishoudsamenstelling, stedelijkheidsgraad en landsdeel
 

Ook wordt er meer vrijwilligerswerk gedaan door immigranten die al langer in Nederland verblijven. Tevens is er een relatie met betaald werk. Immigranten met een kort verblijf in Nederland hebben minder vaak een betaalde baan dan de immigranten die minstens vijf jaar in Nederland wonen. Vervolgens is er weinig verschil tussen de verblijfsgroepen. Deze bevindingen veranderen nauwelijks indien de 65-plussers in de analyse zijn verwijderd.

Tenslotte is onderzocht in welke mate er een verband is van de verblijfsduur met de deelname aan minstens een actie om de politiek te beïnvloeden zoals het meedoen met een demonstratie of handtekeningactie, en het benaderen van politici. Er is echter geen relatie tussen de verblijfsgroepen en de deelname aan politiek acties.

Regressie-analyses: bevolkingskenmerken

Tevens leren de resultaten dat de diverse bevolkingskenmerken van de immigranten gerelateerd zijn aan de negen onderscheiden participatie-aspecten. Vrouwen hebben meer contacten met hun familie, geven vaker hulp aan anderen, en doen vaker vrijwilligerswerk dan mannen. Mannen hebben vaker contact met hun buren, zijn vaker lid van en actief in verenigingen, doen vaker mee aan politiek acties, en hebben vaker betaald werk dan vrouwen. Jongeren van 15 tot 25 jaar hebben beduidend vaker frequente contacten met hun vrienden, zijn vaker lid van een vereniging en zijn daar ook actiever in, en doen meer mee met politiek acties, terwijl oudere leeftijdsgroepen vaker een burencontact hebben. Immigranten die de 75 jaar gepasseerd zijn geven minder vaak informele hulp en zetten zich minder vaak in als vrijwilliger dan de meeste andere leeftijdsgroepen. Het hebben van de Nederlandse nationaliteit is alleen gerelateerd aan de sociale contacten met vrienden en met buren.

Opleiding meest van invloed op participatie

Voor de meeste participatievormen is er een duidelijke relatie met opleiding: hoe hoger de opleiding, hoe meer participatie. De sociale contacten vormen de uitzondering. Vooral betreft dit het burencontact dat vaker wordt onderhouden door de laagst ten opzichte van de hoogstopgeleiden. Het inkomen dat de immigrant te besteden heeft, is weinig onderscheidend. Alleen het familiecontact, het lidmaatschap van een vereniging, en het actief zijn in het verenigingsleven en in de politiek is frequenter bij een hoger inkomen. De stedelijkheidsgraad is ten dele relevant voor de participatie. Zo is de immigrant die in de grootste steden woont minder betrokken bij verenigingen, zowel als lid als het actief zijn, en heeft de immigrant die op het platteland woont vaker contact met de buren.

De regionale indeling in vier gebieden is in het geheel niet relevant voor de deelname van de immigrant aan zes van de negen participatievormen. Een uitzondering is dat immigranten die in het noorden wonen vaker lid zijn van een vereniging dan immigranten in het zuiden, en vaker actief zijn in verenigingen dan immigranten in het oosten, terwijl ze minder vaak een betaalde baan hebben dan immigranten die niet in het noorden woonachtig zijn.

Immigranten uit Duitsland vaker lid van een vereniging

Ten slotte is in de modellen gecorrigeerd voor het herkomstland, met ‘overig-westers’ als referentiegroep. Een greep uit de resultaten leert dat, ten opzichte van de referentiegroep, een immigrant uit België vaker hulp geeft aan anderen, terwijl een immigrant uit het Verenigd Koninkrijk vaker contacten met de buren onderhoudt. Een Duitse immigrant is minder politiek actief maar is wel, samen met de immigranten uit de voormalige DDR, vaker lid van een vereniging. De veelal arbeidsmigranten uit Polen zijn minder vaak lid van een vereniging, en doen minder vaak vrijwilligerswerk, maar ze hebben vaker een betaalde baan. Immigranten afkomstig uit het voormalige Joegoslavië kenmerken zich doordat ze zich minder inzetten als vrijwilliger, minder meedoen aan acties om de politiek te beïnvloeden, en minder vaak een betaalde baan hebben.

Immigranten uit de vier traditionele herkomstlanden – Suriname, de (voormalige) Nederlandse Antillen, Marokko en Turkije – zien of spreken relatief vaak een familielid, maar zijn minder actief in de politiek, en hebben minder vaak betaald werk. Bovendien kenmerkt de Marokkaanse immigrant zich door minder lidmaatschap en activiteiten in verenigingen en, samen met de immigranten uit Suriname, minder regelmatig contact met vrienden of kennissen. Immigranten uit het voormalige Nederlands-Indië hebben minder vaak betaald werk en vriendencontact, terwijl immigranten uit Indonesië minder burencontact hebben en minder politiek actief zijn. En, ten slotte, participeert de immigrant afkomstig uit de voormalige Sovjet-Unie minder in het verenigingsleven en zet zich minder vaak in als vrijwilliger.