6. Research & Development
Nederlandse bedrijven en instellingen gaven in 2023 meer dan 24,2 miljard euro uit aan Research & Development. Deze R&D-uitgaven namen flink toe in de periode 2013-2023. Dat geldt ook voor de arbeidsjaren besteed aan R&D. Ten opzichte van de economie in Nederland bleven de R&D-uitgaven gelijk.
Toename R&D-uitgaven
De totale uitgaven voor R&D door bedrijven en instellingen namen tussen 2013 en 2023 toe met 70 procent. In 2023 gaven Nederlandse bedrijven en instellingen meer dan 24,2 miljard euro uit aan R&D. Het Nederlandse bedrijfsleven verrichtte 69 procent van alle R&D in Nederland. Dit aandeel van het bedrijfsleven in de R&D-uitgaven is de laatste jaren toegenomen.
Hoger onderwijsinstellingen waren goed voor 26 procent van de totale R&D-uitgaven. Dit zijn de universiteiten, universitaire medische centra en het hoger beroepsonderwijs. Overheidsinstellingen en private non-profitinstellingen verrichtten de overige 5 procent van de Nederlandse R&D in 2023.
Bedrijven en instellingen verrichten R&D niet altijd voor zichzelf of voor de eigen sector. Bedrijven doen bijvoorbeeld ook R&D in opdracht van de overheid, en researchinstellingen en universiteiten verrichten R&D ook in opdracht van bedrijven.
| R&D-uitgaven, mln euro | Bedrijven (mld euro) | Instellingen1) (mld euro) | Hoger onderwijs en UMC2) (mld euro) |
|---|---|---|---|
| 2013 | 9,299 | 0,848 | 4,092 |
| 2014 | 9,444 | 0,889 | 4,262 |
| 2015 | 9,515 | 0,900 | 4,393 |
| 2016 | 10,008 | 0,923 | 4,304 |
| 2017 | 10,667 | 0,907 | 4,506 |
| 2018 | 10,998 | 0,971 | 4,581 |
| 2019 | 11,846 | 1,014 | 4,900 |
| 2020 | 12,314 | 1,038 | 5,142 |
| 2021 | 13,048 | 1,080 | 5,623 |
| 2022** | 14,806 | 1,034 | 5,778 |
| 2023** | 16,711 | 1,167 | 6,327 |
| ** Nader voorlopige cijfers. 1) Inclusief private non-profitinstellingen (PNP’s). 2) Universiteiten, het facultaire deel van de Universitaire Medische Centra (UMC’s) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo). | |||
Toename R&D-personeel
Tussen 2013 en 2023 is het R&D-personeel gemeten in aantal arbeidsjaren met bijna 42 procent toegenomen. In 2023 besteedden Nederlandse bedrijven en instellingen samen 193 duizend arbeidsjaren aan R&D. Ook hier namen bedrijven het grootste deel (73 procent) voor hun rekening en is dit aandeel toegenomen de laatste jaren. Het hoger onderwijs was goed voor 22 procent van de R&D-arbeidsjaren. De resterende 5 procent werd gerealiseerd door overheidsinstellingen en private non-profitinstellingen.
De R&D-uitgaven per R&D-arbeidsjaar namen tussen 2013 en 2023 toe van 105 duizend naar 125 duizend euro per arbeidsjaar. De bedrijvensector gaf in 2023 119 duizend euro uit per R&D-arbeidsjaar, het hoger onderwijs 146 duizend euro en de publieke researchinstellingen 120 duizend euro.
| R&D-uitgaven, mln euro | Bedrijven (arbeidsjaren in 1 000 vte) | Instellingen1) (arbeidsjaren in 1 000 vte) | Hoger onderwijs en UMC2) (arbeidsjaren in 1 000 vte) |
|---|---|---|---|
| 2013 | 95,1 | 8,1 | 32,3 |
| 2014 | 94,6 | 8,3 | 33,2 |
| 2015 | 97,4 | 8,3 | 33,6 |
| 2016 | 102,6 | 8,6 | 33,3 |
| 2017 | 107,5 | 8,6 | 34,4 |
| 2018 | 112,8 | 9,3 | 34,7 |
| 2019 | 115,1 | 9,3 | 36 |
| 2020 | 118,4 | 9,6 | 38,4 |
| 2021 | 123,6 | 9,6 | 40,5 |
| 2022** | 134 | 9,1 | 40,5 |
| 2023** | 140,1 | 9,7 | 43,2 |
| ** Nader voorlopige cijfers. 1) Inclusief private non-profitinstellingen (PNP’s). 2) Universiteiten, het facultaire deel van de Universitaire Medische Centra (UMC’s) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo). | |||
R&D-intensiteit stabiel
De R&D-intensiteit (R&D-uitgaven gedeeld door het bruto binnenlands product) was 2,30 procent in 2023. Vanaf 2013 is de R&D-intensiteit in Nederland relatief weinig veranderd (variatie tussen 2,10 en 2,30 procent). Dat betekent dat de R&D-uitgaven gelijke tred hielden met de Nederlandse economie.
| R&D-uitgaven, mln euro | Alle sectoren (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) | Bedrijven (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) | Instellingen1) (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) | Hoger onderwijs en UMC2) (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) |
|---|---|---|---|---|
| 2013 | 2,14 | 1,4 | 0,13 | 0,61 |
| 2014 | 2,15 | 1,39 | 0,13 | 0,63 |
| 2015 | 2,12 | 1,36 | 0,13 | 0,63 |
| 2016 | 2,12 | 1,39 | 0,13 | 0,6 |
| 2017 | 2,14 | 1,42 | 0,12 | 0,6 |
| 2018 | 2,1 | 1,4 | 0,12 | 0,58 |
| 2019 | 2,14 | 1,43 | 0,12 | 0,59 |
| 2020 | 2,27 | 1,51 | 0,13 | 0,63 |
| 2021 | 2,22 | 1,46 | 0,12 | 0,63 |
| 2022** | 2,18 | 1,49 | 0,1 | 0,58 |
| 2023** | 2,3 | 1,59 | 0,11 | 0,6 |
| ** Nader voorlopige cijfers. 1) Inclusief private non-profitinstellingen (PNP’s). 2) Universiteiten, het facultaire deel van de Universitaire Medische Centra (UMC’s) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo). | ||||
De Europese Commissie streefde naar een R&D-intensiteit van 3 procent voor de gehele EU in 2020 (Europese Commissie, 2010). Slechts een minderheid van de EU-landen heeft deze doelstelling gehaald. De Europese Commissie heeft besloten de doelstelling van 3 procent aan te houden voor 2030 (Europese Commissie, 2020).
Literatuur
Europese Commissie (2010). Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Europese Commissie, Brussel.
Europese Commissie (2020). Strategic Plan 2020–2024 DG Research and Innovation. Europese Commissie, Brussel.
OESO (2015). Frascati Manual 2015; Guidelines for Collecting and Reporting Data on Research and Experimental Development. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.