Digitalisering en kenniseconomie 2025
Over deze publicatie
Digitalisering en kenniseconomie 2025 geeft de meest actuele stand van zaken en trends op het terrein van digitalisering en de Nederlandse kenniseconomie.
Samenvatting
In deze publicatie Digitalisering en kenniseconomie geeft het CBS de actuele stand van zaken op het terrein van digitalisering en de kenniseconomie aan de hand van een selectie kernindicatoren. Waar mogelijk worden trends over de afgelopen jaren gepresenteerd. De publicatie maakt samen met het Dashboard Digitalisering en kenniseconomie onderdeel uit van het Dossier Digitalisering en kenniseconomie.
ICT en economie
- Het aantal ICT-bedrijven is in 2025 verder gegroeid naar ruim 106 duizend. In de afgelopen jaren is de toename van ICT-bedrijven voornamelijk toe te schrijven aan de groei in het aantal ICT-dienstverlenende bedrijven.
- In 2024 groeide de toegevoegde waarde van de ICT-sector met 3,2 procent. Daarmee is de ICT-sector harder gegroeid dan de gehele Nederlandse economie die een groei van 1,1 procent kende. Ook in de twee jaren daarvoor groeide de ICT-sector harder dan de gehele economie.
- Het aantal ICT’ers is de afgelopen jaren flink gegroeid. In 2024 waren 622 duizend ICT’ers werkzaam in diverse bedrijfstakken van de Nederlandse economie.
- In 2024 bedroegen de investeringen in ICT door bedrijven, overheden en huishoudens 35,5 miljard euro. Dit is 15,5 procent van de totale Nederlandse investeringen. In 2024 gaven bedrijven, overheden en consumenten samen ruim 82,3 miljard euro uit aan ICT-goederen en -diensten. Deze ICT-uitgaven hebben daarmee een aandeel van 4,3 procent in de totale uitgaven in de Nederlandse economie.
ICT-gebruik bij bedrijven
- In 2025 had 82 procent van het personeel bij bedrijven met 10 of meer werkzame personen internettoegang voor werkdoeleinden. Dit aandeel is ten opzichte van 2024 en 2023 niet gewijzigd.
- In 2025 ondersteunde 80 procent van de bedrijven telewerken. Dit aandeel is in de afgelopen 10 jaar flink toegenomen. In 2005 was het bij slechts 36 procent van de bedrijven mogelijk om te telewerken.
- Van alle Nederlandse bedrijven had 27 procent in 2024 elektronische verkopen via een website of app en/of EDI. Het aandeel bedrijven met elektronische verkopen is sinds 2014 niet sterk veranderd.
- In 2025 gebruikte 33 procent van de bedrijven één of meer van acht specifieke AI-technologieën, zoals spraakherkenning, machine learning en afbeelding- of gezichtsherkenning. Dit is een substantiële toename ten opzichte van 2024 toen dit aandeel 23 procent bedroeg.
- Van de uitgevraagde AI-technologieën werden text mining en natural language generation het vaakst gebruikt (22 en 16 procent).
ICT-gebruik bij personen
- In 2025 was 96 procent van de bevolking van 12 jaar of ouder dagelijks online. Dat is 20 procentpunten meer dan in 2012.
- Het vaakst wordt een mobiele telefoon of smartphone gebruikt voor online activiteiten (96 procent in 2025).
- Ruim 90 procent van de bevolking van 12 jaar of ouder gebruikte digitale communicatievormen, zoals E-mailen en tekstberichten versturen, onder meer via WhatsApp.
- Bellen via internet komt ook vaak voor. In 2025 belde ruim 90 procent in de leeftijdsgroep van 12 tot 45 jaar via internet. Onder 45-plussers ligt dat aandeel lager.
- In 2025 zei 80 procent van de mensen van 12 jaar of ouder online iets gekocht te hebben in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek. Dat is meer dan in 2012, toen was dat nog 46 procent. Kleding, schoenen of accessoires worden het vaakst gekocht online.
Kennispotentieel
- Het onderwijsniveau van de jongere generatie ligt hoger dan van de oudere generatie. Zo hebben 25- tot 35-jarigen vaker een hbo- of wo-niveau dan 65- tot 75-jarigen.
- In studiejaar 2024/’25 stonden er bijna 450 duizend studenten aan het hbo ingeschreven en bijna 342 duizend aan het wo. Het aantal mbo-studenten (exclusief extraneï-studenten) kwam in dat studiejaar uit op bijna 467 duizend.
- In studiejaar 2023/’24 werden op alle mbo-niveaus de meeste diploma’s (36 procent) behaald in de studierichting “Zorg, welzijn en sport”.
- In het hoger onderwijs zorgen de studierichtingen op het gebied van “Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening” voor de meeste diploma’s.
Research & Development
- In 2023 gaven Nederlandse bedrijven en instellingen meer dan 24,2 miljard euro uit aan R&D. Dat is 70 procent meer dan in 2013.
- In 2023 besteedden Nederlandse bedrijven en instellingen samen 193 duizend arbeidsjaren aan R&D. Dat is bijna 42 procent meer dan in 2013.
- De R&D-uitgaven per R&D-arbeidsjaar kwamen in 2023 uit op 125 duizend euro per arbeidsjaar.
- Ten opzichte van de economie in Nederland bleven de R&D-uitgaven gelijk.
Innovatie
- Meer dan 56 procent van de Nederlandse bedrijven met 10 of meer werkzame personen was innovatief in de periode 2020–2022. Nederland staat hiermee op de tiende plek op de lijst van 27 EU-landen en scoort hoger dan gemiddeld in de EU.
- Van de bedrijven in Nederland had 49,5 procent één of meerdere innovaties voltooid en geïmplementeerd en voerde 23,5 procent zowel product- als bedrijfsprocesinnovaties door in de periode 2020–2022.
- In Nederland realiseerde 29 procent van de bedrijven een productinnovatie in de periode 2020–2022. In de EU als geheel lag dit aandeel net iets lager op 26 procent.
- In de periode 2020–2022 heeft 42 procent van de bedrijven in de EU een procesinnovatie gerealiseerd. Voor Nederland lag dit aandeel met 44 procent dicht in de buurt van het EU-gemiddelde.
1. Inleiding
Begin 2025 lanceerde het CBS het Dossier Digitalisering en kenniseconomie. Dit dossier bevat een dashboard met diverse cijfers op het terrein van digitalisering en de kenniseconomie en een verdieping in de vorm van een verzameling inhoudelijke publicaties. Daarnaast bevat het dossier deze overzichtspublicatie. Deze publicatie is een aanvulling op het dashboard door tekst en uitleg te geven bij de diverse indicatoren die in het dashboard aan bod komen.
Nationaal perspectief
De publicatie heeft grotendeels een nationaal perspectief. Er wordt vooral ingegaan op de situatie in Nederland, waarbij er soms vergelijkingen met andere landen beschreven worden. Voor een uitgebreider internationaal perspectief op digitalisering verwijzen we naar het werk van de Europese Commissie rond de Digital Decade. Dit overkoepelende framework heeft als doel de toegang tot technologie en innovatie te verzekeren voor inwoners van de EU. Om dit te bereiken zijn specifieke doelen gesteld op de terreinen connectiviteit, digitale vaardigheden, digitale bedrijven en digitale publieke voorzieningen. Jaarlijks worden er een voortgangsrapportage voor de EU als geheel en rapportages voor de afzonderlijke EU-landen, waaronder Nederland, gepubliceerd. De rapportages voor 2025 zijn hier te vinden. Naast de rapportages is er een DESI dashboard for the Digital Decade. Dit dashboard is opgezet om de voortgang van EU-landen te monitoren op het terrein van digitalisering. De stand van zaken en ontwikkelingen voor Nederland kunnen worden vergeleken met andere EU-landen.
Leeswijzer
De publicatie is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 behandelt de bijdrage van ICT aan de Nederlandse economie. Het hoofdstuk gaat in op het aantal ICT-bedrijven in Nederland, de ICT-sector in vergelijking met de Nederlandse economie, ICT-investeringen en uitgaven, en het aantal werkzame personen en openstaande vacatures in de ICT. Hoofdstuk 3 bespreekt hoe bedrijven ICT toepassen en geeft cijfers over personeel dat werkt met internet, telewerken, e-commerce en het gebruik van AI-technologie bij bedrijven. Hoofdstuk 4 richt zich op het internetgebruik bij personen. Er wordt ingegaan op internetgebruik, online communicatie, deelname aan sociale netwerken en online winkelen. Hoofdstuk 5 geeft een beeld van het kennispotentieel in Nederland aan de hand van cijfers over het opleidingsniveau, onderwijsdeelname en behaalde diploma’s. Hoofdstuk 6 over R&D beschrijft de investeringen in kennis. Er wordt ingegaan op R&D in Nederland aan de hand van cijfers over R&D-uitgaven, personeel dat werkt aan R&D, en R&D intensiteit. Het afsluitende hoofdstuk gaat in op de uitkomsten over innovatie bij Nederlandse bedrijven in vergelijking met andere EU-landen. Het percentage innovatieve bedrijven komt aan bod en het aandeel bedrijven met product- en bedrijfsprocesinnovaties wordt besproken.
2. ICT en economie
De ICT-sector in Nederland bestaat uit ruim 100 duizend bedrijven. Daarnaast zijn er ruim 600 duizend ICT’ers werkzaam in Nederland. De productiewaarde en toegevoegde waarde van de ICT-sector groeiden in 2024 vergeleken met een jaar eerder. Verder gaven bedrijven, overheden en consumenten in 2024 minder uit aan ICT-goederen en -diensten dan in 2023. De investeringen in ICT door bedrijven, overheden en huishoudens lagen wel hoger.
Ruim 100 duizend ICT-bedrijven
In 2025 waren er 106,1 duizend bedrijven actief in de Nederlandse ICT sector. Gezamenlijk maakten deze ICT-bedrijven 4,4 procent uit van het totale aantal Nederlandse bedrijven.
Veruit de meeste bedrijven in de ICT-sector zijn ICT-dienstverlener. In 2025 ging het om 100 duizend dienstverlenende bedrijven. Zij vertegenwoordigen 94 procent van de gehele sector. Daarnaast waren er bijna 5 duizend ICT-groothandelsbedrijven (5 procent van de sector) en duizend bedrijven in de ICT-industrie (1 procent van de sector).
| periode | ICT-diensten | ICT-groothandel | ICT-industrie |
|---|---|---|---|
| 2010 | 48230 | 6565 | 805 |
| 2011 | 51745 | 6345 | 815 |
| 2012 | 54315 | 6090 | 800 |
| 2013 | 56555 | 5900 | 795 |
| 2014 | 59985 | 5830 | 825 |
| 2015 | 63145 | 5685 | 850 |
| 2016 | 65480 | 5575 | 835 |
| 2017 | 67865 | 5545 | 840 |
| 2018 | 70795 | 5405 | 885 |
| 2019 | 74670 | 5400 | 945 |
| 2020 | 76210 | 5150 | 960 |
| 2021 | 81375 | 5185 | 920 |
| 2022 | 85025 | 4975 | 920 |
| 2023 | 93495 | 5335 | 1010 |
| 2024** | 97365 | 5210 | 1025 |
| 2025* | 100200 | 4895 | 1000 |
| * Voorlopige cijfers. ** Nader voorlopige cijfers. | |||
Aantal ICT-bedrijven neemt toe
Tussen 2010 en 2025 nam het totale aantal ICT-bedrijven toe. Elk jaar werden er meer ICT-bedrijven opgericht dan opgeheven. Daarmee groeide het aantal ICT-bedrijven in Nederland in deze periode met gemiddeld 4,4 procent per jaar naar ruim 106 duizend in 2025. In 2023 was de groei met 9,8 procent het grootst. Daarna nam de jaarlijkse groei af tot 3,7 procent in 2024 en 2,4 procent in 2025.
De toename van ICT-bedrijven tussen 2010 en 2025 komt voornamelijk vanuit de ICT-dienstverlenende bedrijven. Daarvan kwamen er jaarlijks gemiddeld 5 procent bij. Het aantal bedrijven in de ICT-industrie groeide gemiddeld met 1,5 procent per jaar. De ICT-groothandel vertoonde in deze periode daarentegen een afname van gemiddeld 1,9 procent per jaar.
Productiewaarde ICT-sector iets lager
De productiewaarde van de ICT-sector als geheel kwam in 2024 hoger uit dan een jaar eerder (groei van 3,0 procent). De productiewaarde van de gehele Nederlandse economie nam ook toe, maar de groei was met 0,7 procent lager dan van de ICT-sector. Ook in 2022 en 2023 was de groei van de productiewaarde in de ICT-sector hoger dan van de gehele Nederlandse economie.
| periode | Totaal ICT-sector (Volumemutatie t.o.v. voorgaand jaar (%)) | Totaal Nederland (Volumemutatie t.o.v. voorgaand jaar (%)) |
|---|---|---|
| 2022 | 8,1 | 4,8 |
| 2023 | 3,6 | -0,1 |
| 2024* | 3,0 | 0,7 |
| * Voorlopige cijfers. | ||
Toegevoegde waarde ICT-sector ook lager
De bruto toegevoegde waarde van de ICT-sector groeide in 2024 met 3,2 procent, terwijl de gehele Nederlandse economie met 1,1 procent groeide. In de twee jaren ervoor was er sprake van een vergelijkbaar beeld. In 2022 en 2023 nam de toegevoegde waarde in de ICT-sector meer toe dan in de gehele economie.
| periode | Totaal ICT-sector (Volumemutatie t.o.v. voorgaand jaar (%)) | Totaal Nederland (Volumemutatie t.o.v. voorgaand jaar (%)) |
|---|---|---|
| 2022 | 11,3 | 5,7 |
| 2023 | 2 | -0,6 |
| 2024* | 3,2 | 1,1 |
| * Voorlopige cijfers. | ||
Meer dan 600 duizend werkende ICT’ers
Volgens de internationale ISCO-2008 classificatie voor beroepen waren in 2024 622 duizend ICT’ers werkzaam in diverse bedrijfstakken van de Nederlandse economie. In 2010 waren dit er nog 336 duizend. Het aantal werkzame personen in de ICT-branche is daarmee flink gegroeid de afgelopen veertien jaar, met gemiddeld 4,5 procent per jaar.
| periode | werkzame_personen (x 1 000) |
|---|---|
| 2010 | 336 |
| 2011 | 334 |
| 2012 | 335 |
| 2013 | 334 |
| 2014 | 349 |
| 2015 | 363 |
| 2016 | 375 |
| 2017 | 376 |
| 2018 | 410 |
| 2019 | 449 |
| 2020 | 461 |
| 2021 | 556 |
| 2022 | 615 |
| 2023 | 603 |
| 2024 | 622 |
| 1) Werkzame personen in de ICT betreffen beroepen met ISCO-2008 codes 133, 215, 251, 252, 351, 352 en 742. | |
Aan het eind van 2025 stonden 15,1 duizend vacatures open in de ICT-sector. Het hoogste aantal openstaande ICT-vacatures bedroeg 26,8 duizend in het eerste kwartaal van 2022. Hierna nam het aantal vacatures af.
| jaar | kwartaal | openstaande_vacatures (x 1 000) |
|---|---|---|
| 2010 | kwartaal 1 | 6,2 |
| 2010 | kwartaal 2 | 7,1 |
| 2010 | kwartaal 3 | 7,2 |
| 2010 | kwartaal 4 | 7,5 |
| 2011 | kwartaal 1 | 8,5 |
| 2011 | kwartaal 2 | 8,6 |
| 2011 | kwartaal 3 | 7,9 |
| 2011 | kwartaal 4 | 6,6 |
| 2012 | kwartaal 1 | 7 |
| 2012 | kwartaal 2 | 7 |
| 2012 | kwartaal 3 | 7,2 |
| 2012 | kwartaal 4 | 6,9 |
| 2013 | kwartaal 1 | 6,5 |
| 2013 | kwartaal 2 | 6,6 |
| 2013 | kwartaal 3 | 6,5 |
| 2013 | kwartaal 4 | 6,5 |
| 2014 | kwartaal 1 | 7,9 |
| 2014 | kwartaal 2 | 7,6 |
| 2014 | kwartaal 3 | 7,8 |
| 2014 | kwartaal 4 | 7,9 |
| 2015 | kwartaal 1 | 9,4 |
| 2015 | kwartaal 2 | 8,8 |
| 2015 | kwartaal 3 | 10 |
| 2015 | kwartaal 4 | 10,9 |
| 2016 | kwartaal 1 | 11,6 |
| 2016 | kwartaal 2 | 11 |
| 2016 | kwartaal 3 | 10,1 |
| 2016 | kwartaal 4 | 10,3 |
| 2017 | kwartaal 1 | 12,3 |
| 2017 | kwartaal 2 | 12,8 |
| 2017 | kwartaal 3 | 11,9 |
| 2017 | kwartaal 4 | 13,8 |
| 2018 | kwartaal 1 | 15,8 |
| 2018 | kwartaal 2 | 15,4 |
| 2018 | kwartaal 3 | 15,7 |
| 2018 | kwartaal 4 | 15,2 |
| 2019 | kwartaal 1 | 17 |
| 2019 | kwartaal 2 | 16,6 |
| 2019 | kwartaal 3 | 17,2 |
| 2019 | kwartaal 4 | 16,7 |
| 2020 | kwartaal 1 | 13,8 |
| 2020 | kwartaal 2 | 11,6 |
| 2020 | kwartaal 3 | 12,8 |
| 2020 | kwartaal 4 | 14,7 |
| 2021 | kwartaal 1 | 17,4 |
| 2021 | kwartaal 2 | 21,3 |
| 2021 | kwartaal 3 | 21,3 |
| 2021 | kwartaal 4 | 23,6 |
| 2022 | kwartaal 1 | 26,8 |
| 2022 | kwartaal 2 | 26 |
| 2022 | kwartaal 3 | 24,4 |
| 2022 | kwartaal 4 | 21,3 |
| 2023 | kwartaal 1 | 21,3 |
| 2023 | kwartaal 2 | 19,6 |
| 2023 | kwartaal 3 | 19,2 |
| 2023 | kwartaal 4 | 17,8 |
| 2024 | kwartaal 1 | 18,4 |
| 2024 | kwartaal 2 | 18 |
| 2024 | kwartaal 3 | 16,4 |
| 2024 | kwartaal 4 | 16,7 |
| 2025 | kwartaal 1 | 16,5 |
| 2025 | kwartaal 2 | 16,6 |
| 2025 | kwartaal 3 | 14,9 |
| 2025 | kwartaal 4 | 15,1 |
| 1) Vacatures in de ICT betreffen vacatures bij bedrijven met SBI-2008 codes 61, 62 en 63. | ||
Minder ICT-uitgaven
In 2024 gaven bedrijven, overheden en consumenten samen ruim 82,3 miljard euro uit aan ICT-goederen en -diensten. Deze ICT-uitgaven hebben daarmee een aandeel van 4,3 procent in de totale uitgaven in de Nederlandse economie. De ICT-uitgaven van 2024 liggen 3,1 procent lager dan in 2023. In 2022 en 2023 namen de ICT-uitgaven nog toe.
| periode | Investeringen (miljoen euro) | Uitgaven (miljoen euro) |
|---|---|---|
| 2021 | 29179 | 73153 |
| 2022 | 32700 | 79631 |
| 2023 | 34070 | 84912 |
| 2024* | 35493 | 82320 |
| * Voorlopige cijfers. | ||
Toename investeringen in ICT
In 2024 bedroegen de investeringen in ICT door bedrijven, overheden en huishoudens 35,5 miljard euro. Dit is 15,5 procent van de totale Nederlandse investeringen. Hoewel het bedrag van de investeringen groeide met 4,2 procent ten opzichte van 2023, bleef het aandeel van het totaal even groot (15,5 procent).
3. ICT-gebruik bij bedrijven
Het gebruik van ICT bij bedrijven is niet meer weg te denken. Zo werkt een ruime meerderheid van het personeel bij bedrijven met 10 of meer werkzame personen met internet. Bij acht op de tien bedrijven heeft het personeel de mogelijkheid om te telewerken. Daarnaast verkochten ruim een kwart van de bedrijven met 10 of meer werkzame personen producten of diensten via een website of app. Steeds meer bedrijven gebruiken AI-technologie.
Internet door 82 procent van het personeel gebruikt
In 2025 had 82 procent van het personeel bij bedrijven met 10 of meer werkzame personen internettoegang voor werkdoeleinden. Dit aandeel is ten opzichte van 2024 en 2023 niet gewijzigd. Twintig jaar geleden, in 2005, werkte nog maar 41 procent van de werkzame personen met internet. Tien jaar geleden, in 2015, was dit aandeel 66 procent.
Het gebruik van internet was in 2025 het hoogst voor bedrijven in de financiële dienstverlening. In deze bedrijfstak heeft 100 procent van het personeel internettoegang voor werkdoeleinden. Andere bedrijfstakken met een relatief hoog gebruik van internet waren informatie en communicatie (99 procent), verhuur en handel van onroerend goed (98 procent), specialistische zakelijke diensten (97 procent), en gezondheids- en welzijnszorg (94 procent). In de horeca was het gebruik van internet door personeel het laagst (57 procent).
| Categorie | Personeel dat werkt met internet (% personen werkzaam bij bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Personeel dat werkt met mobiel internet (% personen werkzaam bij bedrijven met 10 of meer werkzame personen) |
|---|---|---|
| 2005 | 41 | |
| 2006 | 49 | |
| 2007 | 53 | |
| 2008 | 57 | |
| 2009 | 61 | |
| 2010 | 60 | 10 |
| 2011 | ||
| 2012 | 60 | 18 |
| 2013 | 61 | 21 |
| 2014 | 65 | 24 |
| 2015 | 66 | 28 |
| 2016 | 68 | 30 |
| 2017 | 72 | 35 |
| 2018 | 73 | 34 |
| 2019 | 72 | 33 |
| 2020 | 75 | 36 |
| 2021 | 77 | 36 |
| 2022** | 81 | 44 |
| 2023** | 82 | |
| 2024** | 82 | 47 |
| 2025* | 82 | |
| * Voorlopige cijfers. ** Nader voorlopige cijfers. | ||
Telewerken mogelijk bij 80 procent van de bedrijven
In 2025 ondersteunde 80 procent van de bedrijven met 10 of meer werkzame personen telewerken. Dit aandeel is ten opzichte van 2022 niet gewijzigd. Telewerken betekent hier dat medewerkers buiten de bedrijfsvestiging toegang hebben tot documenten of software van het bedrijf. Het gaat daarbij dus niet alleen om toegang tot e-mail. In 2005 was het bij slechts 36 procent van de bedrijven mogelijk om te telewerken. In 2015 was dit aandeel al opgelopen tot 74 procent.
Het aandeel bedrijven waar telewerken wordt ondersteund was in 2025 het hoogst in de verhuur en handel van onroerend goed (98 procent). Ook bedrijven actief in de informatie en communicatie en de financiële dienstverlening ondersteunden telewerken vaak (beide 95 procent). In de horeca lag dit aandeel het laagst (58 procent).
Als een bedrijf telewerken ondersteunt, hebben vaak niet alle medewerkers die mogelijkheid. Het type werk laat dat immers niet altijd toe. In 2025 had 61 procent van de werkzame personen buiten de bedrijfsvestiging toegang tot documenten of software van het bedrijf. Een paar jaar eerder, in 2021, was dat aandeel nog 50 procent. Telewerken heeft de afgelopen 20 jaar een enorme vlucht genomen. In 2005 was het aandeel telewerkers nog 9 procent. Tien jaar later, in 2015, was dit al 26 procent. In de periode 2020-2022, ten tijde van de coronapandemie, was er een aanzienlijke toename van het aandeel telewerkers. In deze periode nam het aandeel toe van 38 tot 61 procent.
| Categorie | Bedrijven waar telewerken voorkomt (% bij bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Telewerkers onder werkzame personen (% bij bedrijven met 10 of meer werkzame personen) |
|---|---|---|
| 2005 | 36 | 9 |
| 2006 | 45 | 13 |
| 2007 | 49 | 16 |
| 2008 | 56 | 18 |
| 2009 | 56 | 19 |
| 2010 | 62 | 21 |
| 2011 | ||
| 2012 | 59 | 22 |
| 2013 | 64 | 25 |
| 2014 | 69 | 27 |
| 2015 | 74 | 26 |
| 2016 | 73 | 27 |
| 2017 | 78 | 33 |
| 2018 | 79 | 34 |
| 2019 | 80 | 33 |
| 2020 | 77 | 38 |
| 2021 | 83 | 50 |
| 2022** | 80 | 61 |
| 2023** | 79 | 63 |
| 2024** | 80 | 61 |
| 2025* | 80 | 61 |
| * Voorlopige cijfers. ** Nader voorlopige cijfers. | ||
Ruim een kwart bedrijven met elektronische verkopen
In 2024 had 27 procent van de Nederlandse bedrijven van 10 of meer werkzame personen elektronische verkopen via een website of app en/of EDI. Verkoop via een website of app was gebruikelijker dan verkoop via EDI. Zo verkocht 23 procent van de bedrijven goederen of diensten via een website of app, tegenover 7 procent via EDI. Het aandeel bedrijven met elektronische verkopen is sinds 2014 niet sterk veranderd; het bedroeg toen reeds 24 procent.
In 2024 was het aandeel bedrijven met elektronische verkopen het hoogst in de handel (50 procent) en horeca (37 procent). In de bouwnijverheid was het aandeel bedrijven met elektronische verkopen het laagst (8 procent).
| Categorie | Verkoop via een website of app en/of EDI (% bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Verkoop via een website of app (% bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Verkoop via EDI (% bedrijven met 10 of meer werkzame personen) |
|---|---|---|---|
| 2013 | 23 | 19 | 6 |
| 2014 | 24 | 20 | 7 |
| 2015 | 24 | 20 | 7 |
| 2016 | 24 | 21 | 7 |
| 2017 | 26 | 22 | 8 |
| 2018 | 26 | 22 | 8 |
| 2019 | 24 | 20 | 7 |
| 2020 | 26 | 23 | 7 |
| 2021 | 29 | 25 | 7 |
| 2022** | 29 | 25 | 7 |
| 2023** | 28 | 25 | 7 |
| 2024* | 27 | 23 | 7 |
| * Voorlopige cijfers. ** Nader voorlopige cijfers. | |||
Toename gebruik AI-technologie
In 2025 gebruikte 33 procent van de bedrijven met 10 of meer werkzame personen één of meer van acht specifieke AI-technologieën, zoals spraakherkenning, machine learning en afbeelding- of gezichtsherkenning. In 2024 was dit nog 23 procent en in 2023 14 procent.
Van de uitgevraagde technologieën werden in 2025 textmining en natural language generation het vaakst gebruikt. Textmining betreft technologie waarmee geschreven taal wordt geanalyseerd. Bij natural language generation gaat het om technologie waarmee gesproken of geschreven taal wordt gegenereerd. In 2025 gebruikte 22 procent van de bedrijven met 10 of meer werkzame personen textmining en 16 procent natural language generation. Een jaar eerder (in 2024) was het gebruik van deze AI-technologieën lager: 14 procent voor textmining en 12 procent voor natural language generation.
Bedrijven met 10 of meer werkzame personen in de bedrijfstak informatie en communicatie gebruikten met 70 procent het vaakst een of meer AI-technologieën in 2025. Ook bedrijven in de financiële dienstverlening (59 procent) en specialistische zakelijke dienstverlening (55 procent) gebruikten relatief vaak AI. De horeca, vervoer en opslag, en bouwnijverheid pasten dit het minst vaak toe (16 tot 21 procent).
Van alle bedrijven heeft 10 procent in 2025 geen AI-technologie gebruikt, maar het wel overwogen. Een jaar eerder was dat 9 procent.
| Categorie | Gebruik AI door bedrijven (% bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Gebruik AI overwogen door bedrijven (% bedrijven met 10 of meer werkzame personen) |
|---|---|---|
| 2020 | 13 | |
| 2021 | 13 | 5 |
| 2022** | 16 | 5 |
| 2023** | 14 | 6 |
| 2024** | 23 | 9 |
| 2025* | 33 | 10 |
| * Voorlopige cijfers. ** Nader voorlopige cijfers. | ||
4. ICT-gebruik personen
Bijna alle mensen in Nederland van 12 jaar of ouder zijn dagelijks online. Zij doen dat meestal via hun smartphone. Mensen zijn vaak online om berichten te sturen en ook steeds meer om te bellen. Daarnaast koopt 80 procent wel eens iets online. Vergeleken met andere EU-landen staat Nederland met dit ICT-gebruik, net zoals in voorgaande jaren, vaak hoog in de ranglijst.
Bijna iedereen dagelijks online
Internet is niet meer weg te denken uit het dagelijks leven van de meeste mensen. In 2025 was 96 procent van de bevolking van 12 jaar of ouder dagelijks online. Dat betekent een toename van 20 procentpunt vergeleken met 2012, toen het dagelijks internetgebruik nog 76 procent was. Vooral bij 65-plussers nam het dagelijks internetgebruik in deze periode sterk toe. Bij 65- tot 75-jarigen was er een toename van 52 procent in 2012 naar 94 procent in 2025 en bij 75-plussers van 16 procent in 2012 naar 73 procent in 2025.
| Totaal (% van personen) | 12 tot 25 jaar (% van personen) | 25 tot 35 jaar (% van personen) | 35 tot 45 jaar (% van personen) | 45 tot 55 jaar (% van personen) | 55 tot 65 jaar (% van personen) | 65 tot 75 jaar (% van personen) | 75 jaar of ouder (% van personen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2012 | 76,2 | 92,6 | 93,1 | 87,8 | 82,6 | 68,2 | 51,8 | 15,7 |
| 2013 | 78,2 | 93,2 | 94,6 | 90,8 | 83,2 | 72,2 | 55,8 | 19,6 |
| 2014 | 79,3 | 93,0 | 94,5 | 87,8 | 85,6 | 78,7 | 57,9 | 23,3 |
| 2015 | 81,0 | 92,7 | 95,0 | 88,8 | 86,2 | 82,8 | 61,7 | 29,8 |
| 2016 | 82,1 | 94,7 | 95,8 | 92,4 | 88,3 | 81,9 | 63,0 | 28,4 |
| 2017 | 86,1 | 96,5 | 95,7 | 94,3 | 90,5 | 87,8 | 71,7 | 43,7 |
| 2018 | 86,4 | 94,7 | 97,3 | 94,8 | 92,9 | 86,0 | 72,8 | 45,4 |
| 2019 | 87,6 | 96,2 | 97,4 | 95,4 | 94,7 | 87,6 | 77,0 | 43,7 |
| 2020 | 86,9 | 93,6 | 93,1 | 94,2 | 94,3 | 88,2 | 78,3 | 48,5 |
| 2021 | 87,6 | 92,3 | 95,6 | 94,8 | 93,1 | 90,6 | 79,3 | 52,4 |
| 2022 | 89,5 | 92,9 | 95,7 | 94,7 | 95,0 | 91,9 | 83,9 | 60,5 |
| 2023 | 94,6 | 99,4 | 99,6 | 98,9 | 98,5 | 97,3 | 91,4 | 66,3 |
| 2024 | 96,0 | 99,6 | 99,8 | 99,7 | 99,2 | 97,1 | 94,1 | 75,3 |
| 2025 | 95,6 | 99,1 | 99,6 | 99,4 | 98,7 | 98,4 | 94,3 | 72,6 |
Binnen de EU behoort Nederland, samen met IJsland en Ierland, tot de landen met het hoogste aandeel inwoners dat dagelijks online is. In 2024 gebruikte 98 procent van de Nederlandse bevolking (van 16 tot 75 jaar) dagelijks internet. Het EU-gemiddelde bedroeg dat jaar 88 procent. Ook in voorgaande jaren stond Nederland hoog in de EU-ranglijst. Cijfers over dagelijks internetgebruik in de afzonderlijke EU-landen staan in deze Eurostat-tabel.
Meestal online met telefoon
Het vaakst wordt een mobiele telefoon of smartphone gebruikt voor online activiteiten. Van de 12-plussers deed 96 procent dit in 2025. Ook wordt relatief vaak een laptop (73 procent) gebruikt. Een Personal Computer (PC) of desktop wordt het minst vaak gebruikt voor bezigheden op het internet.
Sinds 2020 is het online gebruik van een mobiele telefoon of smartphone toegenomen. In 2020 gaf 84 procent aan op een dergelijk apparaat internet te gebruiken, in 2025 nam dat toe naar 96 procent. Ook het gebruik van een ander apparaat met een internetverbinding, zoals een Smart TV of smartwatch, nam toe van 37 procent in 2020 naar 60 procent in 2025. Deze toename was het sterkst in 2021.
| Mobiele telefoon / smartphone (% van personen 12 jaar of ouder) | Tablet (% van personen 12 jaar of ouder) | Laptop (% van personen 12 jaar of ouder) | PC / desktop (% van personen 12 jaar of ouder) | Ander apparaat (% van personen 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2020 | 83,9 | 49,5 | 68 | 38,8 | 37,4 |
| 2021 | 87,2 | 51,6 | 74,4 | 40,6 | 52,9 |
| 2022 | 88,8 | 49,1 | 72,6 | 40 | 53,1 |
| 2023 | 94,5 | 48,1 | 73,4 | 38,8 | 56,3 |
| 2024 | 95,4 | 47,8 | 75 | 37,7 | 58,8 |
| 2025 | 95,5 | 48,4 | 73,3 | 35,1 | 59,8 |
Gebruik van online communicatie sterk toegenomen
Internet wordt veel gebruikt voor communicatie zoals het versturen van berichten, bellen of deelnemen aan een sociaal netwerk. E-mailen en tekstberichten versturen, onder meer via WhatsApp, waren in 2025 de meest voorkomende vormen van online communicatie. Ruim 90 procent van de bevolking van 12 jaar of ouder gebruikte deze digitale communicatievormen. Onder 25-plussers was e-mailen even populair als het versturen van tekstberichten. Jongeren van 12 tot 25 jaar versturen vaker tekstberichten dan dat ze e-mailen.
In vergelijking met 2012 is het gebruik van alle vormen van online communicatie toegenomen. Vooral bellen via internet heeft een hoge vlucht genomen. In 2025 belde 84 procent van de 12-plussers via internet. In 2012 was dit nog 23 procent. Ook zijn steeds meer mensen actief op sociale netwerken. In 2012 maakte 48 procent van de bevolking gebruik van sociale netwerken. Dit aandeel nam toe tot 76 procent in 2025.
| E-mailen (% van personen 12 jaar of ouder) | Tekstberichten sturen (% van personen 12 jaar of ouder) | Deelnemen aan sociaal netwerk (% van personen 12 jaar of ouder) | Internetbellen (% van personen 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|
| 2012 | 83,5 | 30,3 | 48 | 23,4 |
| 2013 | 85,1 | 33,5 | 52,5 | 27,7 |
| 2014 | 84,8 | 62,8 | 55,1 | 31,1 |
| 2015 | 85 | 68 | 55,8 | 30,7 |
| 2016 | 84,9 | 74,7 | 58 | 34,8 |
| 2017 | 88,5 | 79,9 | 63,4 | 42,8 |
| 2018 | 87,7 | 81,3 | 62,4 | 55,2 |
| 2019 | 88,6 | 84,2 | 63,2 | 57,9 |
| 2020 | 88,9 | 86,1 | 67,2 | 79 |
| 2021 | 89 | 87,7 | 68,8 | 78,3 |
| 2022 | 89,6 | 88,6 | 69,5 | 78,7 |
| 2023 | 93,4 | 93,8 | 72 | 81,3 |
| 2024 | 94,8 | 95,4 | 75,7 | 83,5 |
| 2025 | 94,1 | 94,8 | 76,3 | 84 |
Vooral 12- tot 55-jarigen bellen via internet
In 2025 belde ruim 90 procent in de leeftijdsgroep van 12 tot 45 jaar via internet. Van de 45- tot 55-jarigen was dat 89 procent en van 55- tot 65-jarigen 83 procent. Door personen van 65 tot 75 jaar en personen van 75 jaar of ouder werd minder gebeld via internet (respectievelijk 73 procent en 52 procent).
Vanaf 2018 is internetbellen sterk toegenomen in alle leeftijdsgroepen. In dat jaar is het bellen via WhatsApp als voorbeeld in de vraagstelling van het enquêteonderzoek toegevoegd. In 2020 (het eerste coronajaar) zien we een forse toename van internetbellen in alle leeftijdsgroepen.
| Totaal (% van personen) | 12 tot 25 jaar (% van personen) | 25 tot 35 jaar (% van personen) | 35 tot 45 jaar (% van personen) | 45 tot 55 jaar (% van personen) | 55 tot 65 jaar (% van personen) | 65 tot 75 jaar (% van personen) | 75 jaar of ouder (% van personen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2012 | 23,4 | 33,7 | 33,6 | 23,5 | 21,2 | 19,6 | 14,3 | 4,0 |
| 2013 | 27,7 | 42,4 | 35,5 | 28,2 | 27,7 | 21,9 | 15,4 | 6,3 |
| 2014 | 31,1 | 47,7 | 43,5 | 34,0 | 26,3 | 25,2 | 18,7 | 5,9 |
| 2015 | 30,7 | 48,8 | 41,4 | 35,9 | 27,3 | 21,0 | 17,8 | 5,4 |
| 2016 | 34,8 | 53,0 | 50,1 | 35,6 | 31,6 | 27,1 | 21,3 | 8,4 |
| 2017 | 42,8 | 65,5 | 58,3 | 47,6 | 37,1 | 32,9 | 26,5 | 13,6 |
| 2018 | 55,2 | 77,1 | 69,4 | 63,4 | 54,8 | 45,2 | 33,2 | 22,3 |
| 2019 | 57,9 | 78,0 | 72,8 | 63,8 | 57,9 | 51,3 | 41,1 | 18,3 |
| 2020 | 79,0 | 90,4 | 88,9 | 88,9 | 84,6 | 76,7 | 65,1 | 38,2 |
| 2021 | 78,3 | 87,5 | 89,2 | 86,7 | 81,6 | 78,3 | 65,8 | 42,4 |
| 2022 | 78,7 | 87,3 | 91,4 | 88,3 | 83,4 | 76,7 | 65,4 | 43,1 |
| 2023 | 81,3 | 92,3 | 93,3 | 89,7 | 84,7 | 78,8 | 66,9 | 49,2 |
| 2024 | 83,5 | 94,4 | 93,7 | 90,7 | 85,7 | 82,5 | 71,2 | 53,6 |
| 2025 | 84,0 | 92,8 | 92,9 | 93,9 | 88,6 | 82,7 | 72,6 | 52,3 |
In 2024 stond Nederland met 86 procent op de derde plaats na Cyprus (92 procent) en Montenegro (87 procent) op de ranglijst van EU-landen met het hoogste percentage inwoners van 16 tot 75 jaar dat belt via internet. Het laagst was het percentage internetbellers in Polen (59 procent). Het EU-gemiddelde in 2024 bedroeg 73 procent. Cijfers over online bellen in de afzonderlijke EU-landen staan in deze Eurostat-tabel.
Steeds meer 65-plussers versturen tekstberichten
Meer dan 90 procent van alle mensen in de leeftijdsgroep 12 tot 75 jaar verstuurt online tekstberichten. Alleen in de groep 75-plussers ligt dit met 70 procent lager.
Tekstberichten versturen nam de laatste jaren in alle leeftijdsgroepen toe, maar de groei was het sterkst bij 65-plussers. Onder 65- tot 75-jarigen nam het aandeel tussen 2013 en 2025 toe van 8 naar 93 procent, en onder 75-plussers was er in dezelfde periode een toename van 3 naar 70 procent.
| Totaal (% van personen ) | 12 tot 25 jaar (% van personen ) | 25 tot 35 jaar (% van personen ) | 35 tot 45 jaar (% van personen ) | 45 tot 55 jaar (% van personen ) | 55 tot 65 jaar (% van personen ) | 65 tot 75 jaar (% van personen ) | 75 jaar of ouder (% van personen ) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2012 | 30,2 | 66,7 | 39,7 | 31,6 | 23,0 | 15,9 | 5,8 | |
| 2013 | 33,5 | 58,3 | 52,1 | 36,3 | 31,7 | 19,5 | 8,1 | 3,0 |
| 2014 | 62,8 | 93,0 | 87,4 | 75,8 | 64,9 | 46,5 | 25,2 | 6,5 |
| 2015 | 68,0 | 92,7 | 90,6 | 83,2 | 71,4 | 57,0 | 34,7 | 7,4 |
| 2016 | 74,7 | 93,2 | 90,4 | 89,4 | 83,2 | 69,7 | 45,9 | 15,2 |
| 2017 | 79,9 | 96,0 | 95,5 | 93,1 | 86,7 | 76,0 | 54,6 | 27,4 |
| 2018 | 81,3 | 93,8 | 95,3 | 92,3 | 90,4 | 78,7 | 59,6 | 32,1 |
| 2019 | 84,2 | 95,0 | 95,0 | 94,1 | 92,0 | 84,0 | 70,0 | 34,4 |
| 2020 | 86,1 | 94,2 | 93,6 | 93,4 | 93,6 | 88,5 | 75,8 | 43,7 |
| 2021 | 87,7 | 91,9 | 94,8 | 93,6 | 94,3 | 90,2 | 82,6 | 51,1 |
| 2022 | 88,6 | 92,7 | 95,3 | 94,3 | 93,7 | 92,9 | 82,1 | 56,3 |
| 2023 | 93,8 | 99,4 | 98,4 | 98,9 | 97,9 | 97,1 | 89,6 | 64,0 |
| 2024 | 95,4 | 99,5 | 99,1 | 99,5 | 98,4 | 97,0 | 92,9 | 74,0 |
| 2025 | 94,8 | 99,3 | 99,2 | 99,4 | 98,0 | 96,5 | 93,1 | 70,2 |
9 op de 10 jongeren actief op sociale netwerken
In 2025 was 93 procent van de 12- tot 25-jarigen en 91 procent van de 25- tot 35-jarigen actief op sociale netwerken. De laatste jaren zijn ook steeds meer ouderen actief op sociale netwerken. Onder 65- tot 75-jarigen steeg het aandeel sociale netwerkgebruikers tussen 2012 en 2025 van 12 naar 59 procent. Onder 75-plussers was er een toename van 2 naar 31 procent.
| Totaal (% van personen ) | 12 tot 25 jaar (% van personen ) | 25 tot 35 jaar (% van personen ) | 35 tot 45 jaar (% van personen ) | 45 tot 55 jaar (% van personen ) | 55 tot 65 jaar (% van personen ) | 65 tot 75 jaar (% van personen ) | 75 jaar of ouder (% van personen ) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2012 | 48,0 | 88,3 | 76,6 | 55,7 | 36,3 | 26,0 | 11,9 | 2,1 |
| 2013 | 52,5 | 88,2 | 82,2 | 60,5 | 47,0 | 31,4 | 15,9 | 3,6 |
| 2014 | 55,1 | 86,2 | 81,4 | 66,3 | 50,6 | 37,9 | 22,6 | 6,3 |
| 2015 | 55,8 | 79,9 | 77,8 | 70,3 | 52,8 | 40,0 | 28,8 | 11,5 |
| 2016 | 58,0 | 81,2 | 78,3 | 70,2 | 60,9 | 45,2 | 29,0 | 11,6 |
| 2017 | 63,4 | 89,8 | 83,2 | 72,4 | 65,4 | 52,1 | 34,1 | 17,3 |
| 2018 | 62,4 | 86,9 | 84,2 | 71,2 | 64,7 | 50,3 | 33,7 | 18,8 |
| 2019 | 63,2 | 88,8 | 80,5 | 72,7 | 65,8 | 52,6 | 38,5 | 16,6 |
| 2020 | 67,2 | 89,3 | 83,2 | 77,3 | 72,7 | 58,9 | 42,9 | 19,6 |
| 2021 | 68,8 | 86,8 | 84,4 | 80,4 | 76,2 | 63,8 | 44,0 | 22,3 |
| 2022 | 69,5 | 87,2 | 84,9 | 82,4 | 74,9 | 64,1 | 47,5 | 23,5 |
| 2023 | 72,0 | 90,9 | 88,9 | 82,1 | 78,8 | 65,2 | 49,1 | 28,5 |
| 2024 | 75,7 | 94,4 | 91,4 | 85,5 | 80,6 | 71,9 | 53,1 | 33,1 |
| 2025 | 76,3 | 93,1 | 91,5 | 84,7 | 82,0 | 74,3 | 59,0 | 31,1 |
8 op de 10 koopt wel eens iets online
In 2025 zei 80 procent van de mensen van 12 jaar of ouder online iets gekocht te hebben in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek. Dat is meer dan in 2012, toen was dat nog 46 procent.
| Online aankopen (% van personen 12 jaar of ouder) | |
|---|---|
| 2012 | 46,4 |
| 2013 | 49,9 |
| 2014 | 53,1 |
| 2015 | 54,0 |
| 2016 | 57,2 |
| 2017 | 62,0 |
| 2018 | 63,8 |
| 2019 | 64,0 |
| 2020 | 71,2 |
| 2021 | 77,4 |
| 2022 | 73,5 |
| 2023 | 78,5 |
| 2024 | 80,8 |
| 2025 | 80,4 |
Ongeveer 90 procent van de 25- tot 55-jarigen kocht in 2025 iets via internet. Ook 12- tot 25-jarigen en 55- tot 65-jarigen doen relatief vaak online aankopen (ongeveer 80 procent). Het percentage dat weleens iets online koopt, ligt bij 75-plussers met 43 procent duidelijk lager.
Van alle EU-landen had Nederland in 2024, met 87 procent, het hoogste aandeel personen van 16 tot 75 jaar dat online winkelde. Ook in Ierland, Denemarken en Noorwegen is online winkelen relatief populair. Het EU-gemiddelde voor online winkelen bedroeg 60 procent in 2024. Cijfers over online aankopen in de afzonderlijke EU-landen staan in deze Eurostat-tabel.
Vooral online aankopen van kleding, schoenen of accessoires
In 2025 kochten 12-plussers het vaakst kleding, schoenen of accessoires online (60 procent). Ook thuisbezorgde maaltijden bij een restaurant of fastfoodketen, werden met 44 procent relatief vaak online gekocht. Cosmetica, elektronica, meubels, boeken of huishoudelijke apparatuur werden online minder gekocht.
| Totaal (% van personen 12 jaar of ouder) | |
|---|---|
| Goederen | |
| Kleding, schoenen of accesoires | 59,5 |
| Maaltijden | 43,9 |
| Cosmetica, parfum of schoonheidsproducten | 31,8 |
| Computers, tablets of mobiele telefoons | 25,7 |
| Meubels, woonaccessoires of tuinartikelen | 24,4 |
| Gedrukte boeken, tijdschriften of kranten | 23,9 |
| Elektronica of huishoudelijke apparatuur | 23,3 |
| Diensten | |
| Films of series streamen | 52,4 |
| Muziek streamen | 43,0 |
| Kaartjes voor cultuur- of sportactiviteiten | 43,0 |
| Vakantieaccomodaties | 39,2 |
| Kaartjes voor bus, trein, vliegtuig of taxi | 36,4 |
| Games of in-game aankopen | 17,5 |
| E-books of luisterboeken | 13,8 |
Ruim de helft betaalt voor het streamen van films of series
Naast fysieke goederen worden online ook diensten gekocht of betaald. Het vaakst ging het om het streamen van films, series of sportwedstrijden via een streamingsdienst. Van de 12-plussers gaf 52 procent aan hiervoor te hebben betaald in 2025. Daarnaast gaf 43 procent aan te hebben betaald voor het streamen van muziek. Online werden ook relatief vaak kaartjes gekocht voor cultuur- of sportactiviteiten, zoals theater, bioscoop, concerten of voetbalwedstrijden (eveneens 43 procent). Het minst vaak gaat het om digitale producten zoals e-books of luisterboeken (of het streamen hiervan). Dit werd door 14 procent van de 12-plussers online gekocht in 2025.
Het zijn vooral de 25- tot 55-jarigen die vaak betalen voor online streamingdiensten voor films, series of muziek. Ook kochten zij relatief vaak kaartjes voor cultuur- of sportactiviteiten, en kaartjes voor vervoerdiensten zoals bus of trein. Het zijn juist de jongeren tussen de 12 en 25 jaar die online relatief vaak games streamen of in-game aankopen deden. Online diensten werden het minst gekocht of betaald door 65-plussers.
5. Kennispotentieel
In een kenniseconomie is kennis van groot belang, en die wordt onder andere opgedaan in het onderwijs. Uit trends blijkt dat het behaald onderwijsniveau van de Nederlandse populatie is veranderd over de tijd. Zo hebben 25- tot 35-jarigen vaker een hbo- of wo-niveau dan 65- tot 75-jarigen. Sinds studiejaar 2022/’23 daalt het aantal studenten in het hoger onderwijs licht. De meeste mbo’ers volgen een opleiding op niveau 4. Veel behaalde mbo-diploma’s zijn op het gebied van “Zorg, welzijn en sport”. In het hoger onderwijs zorgen de studierichtingen op het gebied van “Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening” voor de meeste diploma’s.
Onderwijsniveau jongere generatie hoger dan oudere generatie
Het dashboard digitalisering en kenniseconomie toont aan dat vrouwen van 25 tot 35 jaar, de leeftijdsgroep die veelal hun opleiding recent heeft afgerond, in 2024 veel vaker een hbo- of wo-bachelor of master hadden dan vrouwen van 65 tot 75 jaar oud, die over het algemeen veelal langer geleden hun opleiding hebben afgerond. Ook heeft die jongere groep vrouwen veel vaker een startkwalificatie, dat wil zeggen minimaal een havo- , vwo- of mbo 2-diploma, dan de oudere groep.
Bij mannen is een vergelijkbaar beeld te zien, waarbij mannen van 25 tot 35 jaar vaker een startkwalificatie hebben behaald, en ook vaker een hbo- of wo-bachelor dan mannen van 65 tot 75 jaar. Waar mannen van 65 tot 75 jaar nog vaker een hbo- of wo- bachelor of master hebben dan vrouwen in dezelfde leeftijdsgroep, is dat beeld juist omgekeerd voor personen van 25 tot 35 jaar.
| Basisonderwijs (%) | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo1 (%) | Havo, vwo, mbo2-4 (%) | Hbo-, wo-bachelor (%) | Hbo-, wo-master, doctor (%) | Weet niet of onbekend (%) | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Vrouwen | ||||||
| 25 tot 35 jaar | 4 | 5 | 31 | 35 | 25 | 0 |
| 65 tot 75 jaar | 13 | 30 | 31 | 18 | 7 | 1 |
| Mannen | ||||||
| 25 tot 35 jaar | 5 | 8 | 37 | 29 | 21 | 0 |
| 65 tot 75 jaar | 8 | 24 | 35 | 18 | 13 | 1 |
Hieruit is op te maken dat het behaald onderwijsniveau van de Nederlandse populatie is veranderd over de tijd. Daarnaast is het feit dat jonge mensen tegenwoordig vaak een startkwalificatie halen relevant voor de kenniseconomie omdat mensen met een startkwalificatie het beter doen op de arbeidsmarkt.
Aantal studenten op het hbo en wo daalt licht
In studiejaar 2005/’06 stonden er bijna 357 duizend studenten ingeschreven in het hbo en bijna 206 duizend in het wo. Deze aantallen zijn tot en met studiejaar 2021/’22 gestegen tot ruim 491 duizend in het hbo (+ 38 procent) en bijna 345 duizend in het wo (+ 67 procent). Vanaf 2022/’23 daarentegen daalt zowel in het hbo als wo het aantal studenten licht. Volgens de meest recente voorlopige cijfers over studiejaar 2024/’25 staan er bijna 450 duizend studenten aan het hbo ingeschreven en bijna 342 duizend aan het wo. In het mbo daalt het aantal studenten sinds studiejaar 2021/’22. Het aantal mbo-studenten (exclusief extraneï-studenten) in het studiejaar 2024/’25 uit op bijna 467 duizend.
| Categorie | Middelbaar beroepsonderwijs (mbo) (Aantal deelnemers) | Hoger beroepsonderwijs (hbo) (Aantal deelnemers) | Wetenschappelijk onderwijs (wo) (Aantal deelnemers) |
|---|---|---|---|
| 2005/'06 | 483810 | 356840 | 205890 |
| 2006/'07 | 496230 | 366690 | 208620 |
| 2007/'08 | 509640 | 374800 | 212710 |
| 2008/'09 | 513930 | 383710 | 220500 |
| 2009/'10 | 522270 | 403280 | 233130 |
| 2010/'11 | 528010 | 416630 | 242350 |
| 2011/'12 | 519960 | 423950 | 245430 |
| 2012/'13 | 510860 | 421690 | 241370 |
| 2013/'14 | 498110 | 440290 | 250190 |
| 2014/'15 | 481410 | 446430 | 255660 |
| 2015/'16 | 476280 | 442590 | 261170 |
| 2016/'17 | 483360 | 446650 | 268030 |
| 2017/'18 | 487110 | 452690 | 280040 |
| 2018/'19 | 497110 | 455670 | 294710 |
| 2019/'20 | 503010 | 463330 | 306890 |
| 2020/'21 | 508770 | 489260 | 331420 |
| 2021/'22 | 502270 | 491440 | 344630 |
| 2022/'23 | 482800 | 476830 | 344100 |
| 2023/'24 | 468600 | 460430 | 343880 |
| 2024/'25* | 466830 | 449940 | 341760 |
| * Voorlopige cijfers. | |||
Ten opzichte van het totale aantal studenten is het aandeel wo-studenten de afgelopen jaren geleidelijk gestegen. Zo nam in studiejaar 2005/’06 20 procent van alle studenten deel aan het wo en was dit 27 procent in studiejaar 2024/’25. Het aandeel hbo-studenten is van studiejaar 2005/’06 tot en met 2022/’23 ook gestegen (van 34 procent naar 37 procent), maar neemt sindsdien licht af (36 procent in studiejaar 2024/’25). Het aandeel mbo-studenten is de afgelopen jaren geleidelijk gedaald van 46 procent in studiejaar 2005/’06 tot 37 procent in studiejaar 2024/’25.
Mbo’ers volgen veelal een middenkader- en specialistenopleiding (niveau 4)
Net als in de afgelopen jaren volgen de meeste mbo-studenten in 2024/’25 een niveau 4 opleiding. In studiejaar 2024/’25 volgde 58 procent van alle mbo studenten zo’n middenkader- of specialistenopleiding. Het aantal studenten op niveau 2 of niveau 3 is de afgelopen jaren geleidelijk afgenomen. Daarentegen zijn ruim 18 duizend studenten in het studiejaar 2024/’25 gestart met een entreeopleiding. Dat zijn er ruim 2 duizend meer dan het jaar daarvoor.
| Categorie | Entreeopleiding (niveau 1) (aantal deelnemers) | Basisberoepsopleiding (niveau 2) (aantal deelnemers) | Vakopleiding (niveau 3) (aantal deelnemers) | Middenkader- en specialistenopleiding (niveau 4) (aantal deelnemers) |
|---|---|---|---|---|
| 2005/'06 | 23310 | 125060 | 125280 | 210160 |
| 2006/'07 | 22990 | 126700 | 128600 | 217930 |
| 2007/'08 | 22520 | 132050 | 132510 | 222570 |
| 2008/'09 | 21650 | 133730 | 136450 | 222100 |
| 2009/'10 | 24160 | 130250 | 141980 | 225890 |
| 2010/'11 | 25080 | 129350 | 144540 | 229040 |
| 2011/'12 | 23630 | 124020 | 142880 | 229430 |
| 2012/'13 | 22580 | 118220 | 139630 | 230420 |
| 2013/'14 | 19340 | 108230 | 135580 | 234960 |
| 2014/'15 | 13230 | 97140 | 128710 | 242330 |
| 2015/'16 | 12190 | 89450 | 127960 | 246690 |
| 2016/'17 | 12060 | 84960 | 128270 | 258070 |
| 2017/'18 | 13530 | 82990 | 126750 | 263840 |
| 2018/'19 | 15490 | 83490 | 123090 | 275030 |
| 2019/'20 | 16200 | 82960 | 119720 | 284140 |
| 2020/'21 | 15160 | 83690 | 116250 | 293680 |
| 2021/'22 | 14240 | 82240 | 112950 | 292840 |
| 2022/'23 | 14140 | 78360 | 107630 | 282680 |
| 2023/'24 | 16040 | 77080 | 101620 | 273860 |
| 2024/'25* | 18530 | 78560 | 97340 | 272400 |
| * Voorlopige cijfers. | ||||
Grootste aantal mbo-gediplomeerden bij “Zorg, welzijn en sport”
In studiejaar 2023/’24 werden op alle mbo-niveaus de meeste diploma’s behaald in de studierichting “Zorg, welzijn en sport”, namelijk 9,2 duizend op niveau 2, 10,7 duizend op niveau 3 en 28,9 duizend op niveau 4 (inclusief extraneï-studenten). Dit is gezamenlijk ongeveer een derde (36 procent) van alle behaalde mbo diploma’s in dit studiejaar. Onder de studierichting “Zorg, welzijn en sport” vallen bijvoorbeeld de opleidingen verpleging en (kinder)verzorging. Daarna volgde bij niveau 2 en 3 de studierichting “Techniek en gebouwde omgeving” met respectievelijk 6,1 duizend en 7,8 duizend gediplomeerden. Voor niveau 4 was “Creatieve industrie en veiligheid” de tweede grootste studierichting met 8,7 duizend gediplomeerden.
| Categorie | Basisberoepsopleiding (niveau 2) (aantal) | Vakopleiding (niveau 3) (aantal) | Middenkader- en specialistenopleiding (niveau 4) (aantal) |
|---|---|---|---|
| Zorg, welzijn en sport | 9200 | 10670 | 28900 |
| Techniek en gebouwde omgeving | 6090 | 7790 | 6370 |
| Voedsel, groen en gastvrijheid | 4450 | 5360 | 7000 |
| Zakelijke dienstverlening en veiligheid | 5750 | 2930 | 6780 |
| Handel | 2420 | 1890 | 7420 |
| Creatieve industrie en ICT | 1320 | 1300 | 8720 |
| Mobiliteit, transport, logistiek en maritiem | 3720 | 3140 | 3060 |
| Bovensectoraal | 860 | 50 | 700 |
| Specialistisch vakmanschap | 20 | 160 | 670 |
| * Voorlopige cijfers. | |||
Meeste hoger onderwijs diploma’s vanuit studierichting “Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening”
Op het hbo waren in studiejaar 2023/’24 de meeste bachelordiploma’s behaald in de richting “Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening”, namelijk 17,9 duizend. Dit is een kwart van alle behaalde hbo-bachelordiploma’s in dit studiejaar. Binnen deze studierichting vallen bijvoorbeeld de opleidingen marketing en juridische ondersteuning. Daarna volgen op plek twee en drie de studierichtingen “Gezondheidszorg en welzijn” (15,7 duizend) en “Onderwijs” (10,2 duizend). De minste diploma’s werden behaald in “Landbouw, diergeneeskunde en -verzorging” (7 honderd) en “Wiskunde, natuurwetenschappen” (1,3 duizend).
| Categorie | Bachelor (aantal) |
|---|---|
| Recht, administratie, handel en zakelijke | 17880 |
| Gezondheidszorg en welzijn | 15650 |
| Onderwijs | 10180 |
| Vormgeving, kunst, talen en geschiedenis | 6700 |
| Techniek, industrie en bouwkunde | 6430 |
| Dienstverlening | 6140 |
| Journalistiek, gedrag en maatschappij | 3910 |
| Informatica | 3480 |
| Wiskunde, natuurwetenschappen | 1250 |
| Landbouw, diergeneeskunde en -verzorging | 720 |
| * Voorlopige cijfers. | |
In studiejaar 2023/’24 behaalden de meeste wo-studenten zowel een bachelordiploma als een masterdiploma in de studierichting “Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening” (respectievelijk 14,3 duizend en 17 duizend studenten). Daarna volgde “Journalistiek, gedrag en maatschappij” (respectievelijk 14,2 duizend en 10,8 duizend studenten). Het merendeel (54 procent) van alle wo-diploma’s werd binnen deze studiegebieden behaald. De studierichtingen “Landbouw, diergeneeskunde en -verzorging” en “Dienstverlening” vertegenwoordigen daarentegen een klein deel in de behaalde diploma’s.
| Categorie | Bachelor (aantal) | Master (aantal) |
|---|---|---|
| Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening | 14280 | 17040 |
| Journalistiek, gedrag en maatschappij | 14150 | 10830 |
| Wiskunde, natuurwetenschappen | 5010 | 5640 |
| Techniek, industrie en bouwkunde | 4410 | 5890 |
| Gezondheidszorg en welzijn | 4840 | 4650 |
| Vormgeving, kunst, talen en geschiedenis | 3390 | 3340 |
| Informatica | 2030 | 3080 |
| Onderwijs | 1230 | 2250 |
| Landbouw, diergeneeskunde en -verzorging | 440 | 790 |
| Dienstverlening | 220 | 950 |
| * Voorlopige cijfers. | ||
6. Research & Development
Nederlandse bedrijven en instellingen gaven in 2023 meer dan 24,2 miljard euro uit aan Research & Development. Deze R&D-uitgaven namen flink toe in de periode 2013-2023. Dat geldt ook voor de arbeidsjaren besteed aan R&D. Ten opzichte van de economie in Nederland bleven de R&D-uitgaven gelijk.
Toename R&D-uitgaven
De totale uitgaven voor R&D door bedrijven en instellingen namen tussen 2013 en 2023 toe met 70 procent. In 2023 gaven Nederlandse bedrijven en instellingen meer dan 24,2 miljard euro uit aan R&D. Het Nederlandse bedrijfsleven verrichtte 69 procent van alle R&D in Nederland. Dit aandeel van het bedrijfsleven in de R&D-uitgaven is de laatste jaren toegenomen.
Hoger onderwijsinstellingen waren goed voor 26 procent van de totale R&D-uitgaven. Dit zijn de universiteiten, universitaire medische centra en het hoger beroepsonderwijs. Overheidsinstellingen en private non-profitinstellingen verrichtten de overige 5 procent van de Nederlandse R&D in 2023.
Bedrijven en instellingen verrichten R&D niet altijd voor zichzelf of voor de eigen sector. Bedrijven doen bijvoorbeeld ook R&D in opdracht van de overheid, en researchinstellingen en universiteiten verrichten R&D ook in opdracht van bedrijven.
| R&D-uitgaven, mln euro | Bedrijven (mld euro) | Instellingen1) (mld euro) | Hoger onderwijs en UMC2) (mld euro) |
|---|---|---|---|
| 2013 | 9,299 | 0,848 | 4,092 |
| 2014 | 9,444 | 0,889 | 4,262 |
| 2015 | 9,515 | 0,900 | 4,393 |
| 2016 | 10,008 | 0,923 | 4,304 |
| 2017 | 10,667 | 0,907 | 4,506 |
| 2018 | 10,998 | 0,971 | 4,581 |
| 2019 | 11,846 | 1,014 | 4,900 |
| 2020 | 12,314 | 1,038 | 5,142 |
| 2021 | 13,048 | 1,080 | 5,623 |
| 2022** | 14,806 | 1,034 | 5,778 |
| 2023** | 16,711 | 1,167 | 6,327 |
| ** Nader voorlopige cijfers. 1) Inclusief private non-profitinstellingen (PNP’s). 2) Universiteiten, het facultaire deel van de Universitaire Medische Centra (UMC’s) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo). | |||
Toename R&D-personeel
Tussen 2013 en 2023 is het R&D-personeel gemeten in aantal arbeidsjaren met bijna 42 procent toegenomen. In 2023 besteedden Nederlandse bedrijven en instellingen samen 193 duizend arbeidsjaren aan R&D. Ook hier namen bedrijven het grootste deel (73 procent) voor hun rekening en is dit aandeel toegenomen de laatste jaren. Het hoger onderwijs was goed voor 22 procent van de R&D-arbeidsjaren. De resterende 5 procent werd gerealiseerd door overheidsinstellingen en private non-profitinstellingen.
De R&D-uitgaven per R&D-arbeidsjaar namen tussen 2013 en 2023 toe van 105 duizend naar 125 duizend euro per arbeidsjaar. De bedrijvensector gaf in 2023 119 duizend euro uit per R&D-arbeidsjaar, het hoger onderwijs 146 duizend euro en de publieke researchinstellingen 120 duizend euro.
| R&D-uitgaven, mln euro | Bedrijven (arbeidsjaren in 1 000 vte) | Instellingen1) (arbeidsjaren in 1 000 vte) | Hoger onderwijs en UMC2) (arbeidsjaren in 1 000 vte) |
|---|---|---|---|
| 2013 | 95,1 | 8,1 | 32,3 |
| 2014 | 94,6 | 8,3 | 33,2 |
| 2015 | 97,4 | 8,3 | 33,6 |
| 2016 | 102,6 | 8,6 | 33,3 |
| 2017 | 107,5 | 8,6 | 34,4 |
| 2018 | 112,8 | 9,3 | 34,7 |
| 2019 | 115,1 | 9,3 | 36 |
| 2020 | 118,4 | 9,6 | 38,4 |
| 2021 | 123,6 | 9,6 | 40,5 |
| 2022** | 134 | 9,1 | 40,5 |
| 2023** | 140,1 | 9,7 | 43,2 |
| ** Nader voorlopige cijfers. 1) Inclusief private non-profitinstellingen (PNP’s). 2) Universiteiten, het facultaire deel van de Universitaire Medische Centra (UMC’s) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo). | |||
R&D-intensiteit stabiel
De R&D-intensiteit (R&D-uitgaven gedeeld door het bruto binnenlands product) was 2,30 procent in 2023. Vanaf 2013 is de R&D-intensiteit in Nederland relatief weinig veranderd (variatie tussen 2,10 en 2,30 procent). Dat betekent dat de R&D-uitgaven gelijke tred hielden met de Nederlandse economie.
| R&D-uitgaven, mln euro | Alle sectoren (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) | Bedrijven (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) | Instellingen1) (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) | Hoger onderwijs en UMC2) (% R&D-uitgaven t.o.v. bbp) |
|---|---|---|---|---|
| 2013 | 2,14 | 1,4 | 0,13 | 0,61 |
| 2014 | 2,15 | 1,39 | 0,13 | 0,63 |
| 2015 | 2,12 | 1,36 | 0,13 | 0,63 |
| 2016 | 2,12 | 1,39 | 0,13 | 0,6 |
| 2017 | 2,14 | 1,42 | 0,12 | 0,6 |
| 2018 | 2,1 | 1,4 | 0,12 | 0,58 |
| 2019 | 2,14 | 1,43 | 0,12 | 0,59 |
| 2020 | 2,27 | 1,51 | 0,13 | 0,63 |
| 2021 | 2,22 | 1,46 | 0,12 | 0,63 |
| 2022** | 2,18 | 1,49 | 0,1 | 0,58 |
| 2023** | 2,3 | 1,59 | 0,11 | 0,6 |
| ** Nader voorlopige cijfers. 1) Inclusief private non-profitinstellingen (PNP’s). 2) Universiteiten, het facultaire deel van de Universitaire Medische Centra (UMC’s) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo). | ||||
De Europese Commissie streefde naar een R&D-intensiteit van 3 procent voor de gehele EU in 2020 (Europese Commissie, 2010). Slechts een minderheid van de EU-landen heeft deze doelstelling gehaald. De Europese Commissie heeft besloten de doelstelling van 3 procent aan te houden voor 2030 (Europese Commissie, 2020).
Literatuur
Europese Commissie (2010). Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Europese Commissie, Brussel.
Europese Commissie (2020). Strategic Plan 2020–2024 DG Research and Innovation. Europese Commissie, Brussel.
OESO (2015). Frascati Manual 2015; Guidelines for Collecting and Reporting Data on Research and Experimental Development. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.
7. Innovatie in internationaal perspectief
Innovatie speelt een belangrijke rol in het Nederlandse bedrijfsleven en is een stimulans voor de internationale concurrentiepositie. Zo kunnen innovaties in de vorm van verbeterde producten leiden tot meer omzet. In de periode 2020–2022 was 56 procent van de bedrijven in Nederland met 10 of meer werkzame personen innovatief. Hiermee scoort Nederland hoger dat het EU-gemiddelde. Van de omzet van bedrijven met productinnovatie werd 13 procent behaald met nieuwe of sterk verbeterde producten. Hiermee scoort Nederland onder het EU-gemiddelde.
Innovatie stimulans voor internationale concurrentiepositie
Innovatie stimuleert de arbeidsproductiviteit of productkwaliteit en kan daarmee bijdragen aan de internationale concurrentiepositie van Nederland (OESO, 2014). Er zijn verschillende internationale ranglijsten waar Nederland een prominente positie inneemt; zo is de status van Nederland in het European Innovation Scoreboard in 2025 ‘innovation leader’ (Europese Commissie, 2025). Sinds 2022 weet Nederland deze positie consistent te behouden, waarbij in 2025 Nederland op de ranglijst van EU-lidstaten op de derde plek staat (achter Denemarken op 2 en Zweden op 1). Nederland scoort in het bijzonder goed op het aandeel buitenlandse promovendi en samenwerking tussen de publieke en private sector.
Mondiaal scoort de Europese Unie (EU) op het gebied van innovatie in 2025 lager dan China, Australië, Canada, Zuid-Korea en de Verenigde Staten. Wel loopt de EU voor op Japan en Brazilië. Vergeleken met 2024 heeft China de Verenigde Staten en de EU ingehaald en staat nu op de tweede plek achter Zuid-Korea (Europese Commissie, 2025).
Meer dan de helft van Nederlands bedrijven bezig met innovatie
Kijkend naar het bedrijfsleven was meer dan 56 procent van de Nederlandse bedrijven met 10 of meer werkzame personen innovatief in de periode 2020–2022. Nederland staat hiermee op de tiende plek in de lijst van 27 EU-landen en scoort hoger dan gemiddeld in de EU. Onder bedrijven met innovatieve activiteiten vallen ook bedrijven waarbij de innovatie (nog) niet is gerealiseerd/geïmplementeerd of is afgebroken. Ook bedrijven die aan R&D-activiteiten hebben gedaan maar in de betreffende periode geen innovatie hebben ontwikkeld of voltooid, tellen mee als bedrijven met innovatieve activiteiten.
In de periode 2020–2022 was het aandeel innovatieve bedrijven in België het grootst (70 procent). In de periode 2018–2020 gold dat voor Griekenland, dat in de periode 2020–2022 de tweede plek bezat. In Hongarije, Bulgarije en Roemenië waren relatief weinig bedrijven die vernieuwingen doorvoerden in de periode 2020–2022.
| Land | Innovation active enterprises (% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen) |
|---|---|
| België | 70,3 |
| Griekenland | 65,5 |
| Duitsland | 63,4 |
| Italië | 63,1 |
| Finland | 61,5 |
| Zweden | 57,6 |
| Frankrijk | 57,4 |
| Denemarken | 56,7 |
| Oostenrijk | 56,7 |
| Nederland | 56,3 |
| Slovenië | 55,4 |
| Estland | 53,2 |
| Litouwen | 52,6 |
| EU-27 | 51,4 |
| Ierland | 51,4 |
| Luxemburg | 48,8 |
| Portugal | 47,4 |
| Tsjechië | 44,2 |
| Kroatië | 40,6 |
| Malta | 40,2 |
| Cyprus | 39,7 |
| Spanje | 35,1 |
| Slowakije | 34,7 |
| Polen | 34,6 |
| Letland | 33,1 |
| Hongarije | 30,2 |
| Bulgarije | 26,1 |
| Roemenië | 8,8 |
| Bron: Eurostat | |
Helft van de Nederlandse bedrijven heeft innovaties geïmplementeerd
Wanneer enkel gekeken wordt naar innovaties die zowel voltooid als geïmplementeerd zijn, had 49,5 procent van de bedrijven in Nederland in de periode 2020–2022 één of meerdere innovaties voltooid en geïmplementeerd. Hiermee kwam Nederland net boven het EU-gemiddelde uit.
Binnen de voltooide en geïmplementeerde innovaties kwam een combinatie van product- en bedrijfsprocesinnovatie in Nederland het meest voor. Dit geldt ook voor de meeste andere landen in de EU. Van de bedrijven in Nederland voerde 23,5 procent zowel product- als bedrijfsprocesinnovaties door in de periode 2020–2022. Griekenland had met 44 procent het grootste aandeel bedrijven dat zowel product- als procesinnovaties doorvoerde. In de EU als geheel bedroeg dit aandeel bijna 22 procent.
| Land | Enkel productinnovatie (% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Enkel bedrijfsprocesinnovatie (% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Zowel product- als bedrijfsprocesinnovatie (% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen) |
|---|---|---|---|
| België | 3,5 | 26,7 | 34,8 |
| Griekenland | 2,5 | 17,5 | 44,1 |
| Italië | 3,1 | 23,5 | 33,4 |
| Duitsland | 4,5 | 28,6 | 22,2 |
| Zweden | 8,2 | 17 | 29,5 |
| Oostenrijk | 5,6 | 24,4 | 24 |
| Finland | 8 | 19,2 | 26,6 |
| Frankrijk | 7 | 24,8 | 21,4 |
| Slovenië | 12,1 | 15,6 | 25,3 |
| Estland | 7,1 | 20,6 | 23 |
| Litouwen | 5,5 | 26,5 | 18,1 |
| Nederland | 5,9 | 20,1 | 23,5 |
| EU-27 | 4,5 | 20,7 | 21,6 |
| Ierland | 6,5 | 18,8 | 20,9 |
| Portugal | 3,8 | 18,2 | 23,8 |
| Luxemburg | 6,8 | 18,6 | 20,4 |
| Tsjechië | 2,3 | 15,5 | 24,9 |
| Denemarken | 7,8 | 7,8 | 25,3 |
| Kroatië | 1,7 | 21 | 17,9 |
| Cyprus | 0,1 | 12,4 | 27,2 |
| Malta | 3,4 | 18,1 | 15,9 |
| Spanje | 4 | 13,1 | 14,5 |
| Polen | 3,1 | 19,9 | 8,5 |
| Letland | 3,7 | 16,3 | 11,1 |
| Slowakije | 5,2 | 14 | 11,6 |
| Hongarije | 4,9 | 8,6 | 13,6 |
| Bulgarije | 6 | 8,7 | 9 |
| Roemenië | 4,1 | 1,3 | 3,1 |
| Bron: Eurostat | |||
Ruim 13 procent van de Nederlandse omzet uit nieuwe of verbeterde producten
Als we specifiek kijken naar innovaties van producten, realiseerde in Nederland 29 procent van de bedrijven een productinnovatie in de periode 2020–2022. In de EU als geheel lag dit aandeel net iets lager op 26 procent. Griekenland, België en Zweden zijn de landen met het grootste aandeel productinnovatoren in de periode 2020–2022.
In 2022 kwam meer dan 13 procent van de omzet van de bedrijven in Nederland voort uit nieuwe of sterk verbeterde producten. Hiermee staat Nederland op de negentiende plek in de ranglijst van alle EU-landen. In het Nederlandse aandeel van ruim 13 procent was het aandeel van producten die nieuw waren voor de markt (6,8 procent) net iets hoger dan van producten die alleen nieuw voor het bedrijf waren (6,5 procent). Deze verhouding in Nederland is vergelijkbaar met landen als Denemarken, Letland en Zweden. In Duitsland daarentegen – een van de meest innovatieve landen in Europa – komt de omzet juist voor een veel groter deel uit producten die alleen nieuw waren voor het bedrijf dan uit producten die nieuw waren voor de markt. Voor de meeste landen geldt dat het aandeel van de omzet dat behaald is met geïnnoveerde producten die nieuw zijn voor het bedrijf groter is dan het aandeel dat nieuw is voor de markt.
| Omzetaandeel | Alleen nieuw voor het bedrijf (% van omzet van bedrijven met 10 of meer werkzame personen) | Nieuw voor de markt (% van omzet van bedrijven met 10 of meer werkzame personen) |
|---|---|---|
| Ierland | 29,2 | 8,3 |
| Spanje | 22,8 | 8,4 |
| Griekenland | 13,6 | 7,5 |
| Slowakije | 8,6 | 12,1 |
| Finland | 13,5 | 6,3 |
| Tsjechië | 13,9 | 5,7 |
| Portugal | 13,8 | 5,7 |
| Cyprus | 12,6 | 6,9 |
| Denemarken | 9,5 | 9,8 |
| Estland | 12,8 | 5,5 |
| Kroatië | 15,8 | 2,3 |
| Italië | 12,8 | 5,2 |
| Zweden | 8 | 9,9 |
| EU-27 | 10,5 | 5,2 |
| Roemenië | 11,7 | 3,7 |
| Slovenië | 11 | 3,7 |
| Duitsland | 10,1 | 4,3 |
| Hongarije | 7,4 | 6,6 |
| Nederland | 6,5 | 6,8 |
| Oostenrijk | 7,3 | 5 |
| België | 6,5 | 5,7 |
| Letland | 5,8 | 5,8 |
| Litouwen | 8,2 | 3 |
| Malta | 3,9 | 6,9 |
| Frankrijk | 5,6 | 3,4 |
| Bulgarije | 4,7 | 2,7 |
| Polen | 3,6 | 2,4 |
| Luxemburg | 3,7 | 2,2 |
| Bron: Eurostat | ||
Ruim 40 procent van de Nederlandse bedrijven verbeterde processen
Een andere manier van innoveren is het in gebruik nemen van nieuwe of sterk verbeterde methoden of processen. In de periode 2020–2022 heeft 42 procent van de bedrijven in de EU een procesinnovatie gerealiseerd (figuur 7.2). Voor Nederland lag dit aandeel met 44 procent dicht in de buurt van het EU-gemiddelde.
Het aandeel bedrijven dat alleen procesinnovaties doorvoert, was over het algemeen hoger dan het aandeel bedrijven dat alleen productinnovaties doorvoert. Voor Nederland was dit verschil 14 procentpunt. Voor Duitsland was dit verschil het grootst (24 procentpunt). In Duitsland waren de meeste bedrijven die een innovatie hebben doorgevoerd enkel procesinnovatoren. Roemenië is het enige land in de EU dat minder bedrijven had met alleen procesinnovatie dan bedrijven met alleen productinnovatie (3 procentpunt verschil).
Literatuur
Europese Commissie (2025). European Innovation Scoreboard 2025. Europese Commissie, Brussel.
OESO (2014). OECD Reviews Of Innovation Policy, Netherlands. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.