5. Verwachtingen tweede kwartaal 2026
Ondernemers worden in de COEN gevraagd naar verwachtingen over verschillende onderwerpen voor het lopende kwartaal. Ondernemers geven dan per onderwerp aan of het zal verslechteren, gelijk zal blijven of zal verbeteren. Als de vraag in iedere bedrijfstak is gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.
5.1 Verwachtingen totale niet-financiële bedrijfsleven
Bij alle zes de onderwerpen zijn er meer ondernemers die een toename verwachten dan een afname. Het saldo over de verwachte verkoopprijzen is met 26 procent het hoogst en ook het sterkst gestegen, vorig jaar was dit bijna 15 procent. Over de investeringen in 2026 zijn ondernemers het minst positief, even positief als vorig jaar. De saldi van de overige onderwerpen zijn minder positief dan een jaar geleden.
| VerkorteVraagTekst | april 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Verkoopprijzen | 26,1 | 14,7 |
| Omzet | 21,8 | 22,6 |
| Orderontvangst | 14,1 | 16,1 |
| Inkooporders | 10,8 | 12,9 |
| Winstgevendheid | 4,3 | 10,7 |
| Investeringen verslagjaar | 1,8 | 1,8 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
5.2 Verwachtingen per bedrijfstak
De verwachtingen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de verwachtingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.
Merendeel bouwondernemers verwacht toename verkoopprijzen
In het tweede kwartaal van 2026 verwacht per saldo 26 procent van de ondernemers een toename van de verkoopprijzen/tarieven. Dit is meer dan vorig jaar, toen bijna 15 procent dit verwachtte. Ondernemers in de bouw verwachten verreweg het vaakst een stijging; per saldo 63 procent, op afstand gevolgd door de groothandel met bijna 46 procent. In de groothandel is dit saldo ook het sterkst toegenomen ten opzichte van vorig jaar. In de cultuur, sport en recreatie en de verhuur en handel van onroerend goed verwachten per saldo juist minder ondernemers dat de verkoopprijzen/tarieven zullen stijgen. In de laatstgenoemde bedrijfstak verwachten ondernemers het minst vaak een stijging.
| april 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven) | 26,1 | 14,7 |
| Bouwnijverheid | 63,0 | 45,3 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 45,6 | 16,5 |
| Vervoer en opslag | 28,2 | 10,9 |
| Horeca | 26,8 | 25,1 |
| Industrie | 24,6 | 13,1 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 21,2 | 6,0 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 17,8 | 9,5 |
| Autohandel en -reparatie | 16,7 | 7,2 |
| Informatie en communicatie | 15,4 | 9,3 |
| Zakelijke dienstverlening | 9,7 | 8,9 |
| Cultuur, sport en recreatie | 8,7 | 12,7 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 6,1 | 10,4 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Ondernemers iets positiever over verwachte investeringen voor dit jaar
Per saldo verwacht 1,8 procent van de ondernemers in het lopende jaar een toename van de investeringen ten opzichte van vorig jaar. Daarmee zijn de investeringsverwachtingen gelijk aan die van een jaar geleden. Tussen de bedrijfstakken zijn echter grote verschillen zichtbaar.
Ondernemers in de verhuur en handel van onroerend goed zijn met een saldo van 22 procent het meest positief over de investeringsverwachtingen. In de detailhandel is het saldo het sterkst gestegen ten opzichte van een jaar geleden en sloeg het om van negatief naar positief. In de vervoer en opslag daalde de investeringsverwachtingen het sterkst en sloeg het saldo om van positief naar negatief. Ook in de landbouw, bosbouw en visserij daalde de investeringsverwachtingen relatief sterk. Hier zijn ondernemers het meest negatief over de investeringen in het lopende jaar.
| april 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven) | 1,8 | 1,8 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 22,0 | 15,6 |
| Cultuur, sport en recreatie | 9,3 | 11,8 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 7,5 | -2,0 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 3,7 | -0,2 |
| Informatie en communicatie | 3,4 | -1,7 |
| Zakelijke dienstverlening | 3,1 | 2,2 |
| Industrie | 2,9 | 0,2 |
| Bouwnijverheid | 0,1 | -1,9 |
| Autohandel en -reparatie | -1,0 | -5,7 |
| Horeca | -1,6 | -1,3 |
| Vervoer en opslag | -7,8 | 19,6 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -9,5 | -1,3 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||