Conjunctuurenquête Nederland, tweede kwartaal 2026

Over deze publicatie

Deze publicatie over de Conjunctuurenquête Nederland (COEN) beschrijft de belangrijkste uitkomsten van het tweede kwartaal 2026. De COEN is een gezamenlijk onderzoek van het CBS, KVK, EIB, MKB Nederland en VNO-NCW, met de steun van het ministerie van Economische Zaken.

Samenvatting

Ondernemersvertrouwen (hoofdstuk 2)

  • Het ondernemersvertrouwen is gedaald en komt aan het begin van het tweede kwartaal uit op -14,8. Dat is de grootste daling sinds begin 2022 en het vertrouwen ligt op het laagste niveau sinds eind 2022.
  • In alle bedrijfstakken is het ondernemersvertrouwen gedaald en negatief. In de bouwnijverheid is het cijfer het sterkst gedaald, in de zakelijke dienstverlening het minst sterk.

Personeelsindicator (hoofdstuk 3)

  • De personeelsindicator is licht gedaald en komt aan het begin van het tweede kwartaal uit op 4,3. Ondernemers zijn minder positief over zowel de ontwikkeling van hun personeelssterkte in het afgelopen kwartaal als de verwachte personeelssterkte in het lopende kwartaal.
  • De personeelsindicator is het sterkst gedaald in de autohandel en -reparatie. In de horeca sloeg de indicator om van positief naar negatief. Alleen in de detailhandel zijn ondernemers negatief over het gemiddelde van de ontwikkeling en verwachting over hun personeelssterkte. In de bouwnijverheid zijn ondernemers het meest positief.

Ontwikkelingen eerste kwartaal 2026 (hoofdstuk 4)

  • Ondernemers zagen per saldo hun winstgevendheid verslechteren in het afgelopen kwartaal. Het saldo is ook negatiever dan in hetzelfde kwartaal een jaar geleden. Ondernemers in de horeca en de vervoer en opslag zijn het meest negatief over de winstgevendheid. Ondernemers in de bouw zijn het positiefst hierover.
  • De bezettingsgraad in de industrie is vrijwel gelijk gebleven (78,6 procent) en ligt nog steeds relatief laag. Ook in de dienstverlening is de bezettingsgraad ongeveer gelijk gebleven (88,6 procent) en ligt net onder het gemiddelde van de reeks vanaf 2012. 

Verwachtingen tweede kwartaal 2026 (hoofdstuk 5)

  • Ondernemers hebben per saldo positieve verwachtingen voor het tweede kwartaal van 2026. Daarbij zijn ze wel iets minder positief dan een jaar geleden. Het meest positief zijn ondernemers over de omzet.
  • Meer ondernemers verwachten een stijging van de verkoopprijzen in de komende drie maanden dan in dezelfde periode een jaar geleden. Ondernemers in de bouwnijverheid en de groothandel en handelsbemiddeling verwachten het vaakst een stijging van de verkoopprijzen.

Belemmeringen (hoofdstuk 6)

  • Het tekort aan arbeidskrachten is met ruim 30 procent nog steeds de meest genoemde belemmering door ondernemers in hun bedrijfsvoering, maar het percentage nam wel iets af ten opzichte van vorig jaar.
  • Ten opzichte van het vorige kwartaal is de categorie andere oorzaken toegenomen van ruim 12 procent naar ruim 17 procent. Hier noemen bedrijven onder andere de geopolitieke situatie, economische onzekerheid, en wet- en regelgeving.

Uitgelicht – Internationale handel (hoofdstuk 7)

  • De onzekerheidsindicator voor het economisch klimaat is toegenomen. Vooral in de industrie en de vervoer en opslag ligt deze op een relatief hoog niveau. In de dienstverlening is de toename minder groot en ligt de onzekerheid ook op een lager niveau dan in andere bedrijfstakken.
  • Exporterende bedrijven zijn positief over hun buitenlandse omzet. In de meeste bedrijfstakken zijn ze wel minder positief dan een jaar geleden. Over de internationale concurrentiepositie is het oordeel juist iets positiever dan een jaar geleden.

1. Inleiding

Deze publicatie over de Conjunctuurenquête Nederland brengt voor het Nederlandse bedrijfsleven vier keer per jaar de belangrijkste ontwikkelingen en verwachtingen in kaart, uitgesplitst naar regio, bedrijfstak en bedrijfsgrootte. De resultaten vormen de basis voor het ondernemersvertrouwen. Deze samengestelde indicator geeft de stemming weer van het Nederlandse niet-financiële bedrijfsleven met meer dan vijf werkzame personen. Dit rapport bevat de belangrijkste uitkomsten van het tweede kwartaal 2026.

Samenwerking

De Conjunctuurenquête Nederland is een gezamenlijk onderzoek van het CBS, KVK, EIB, MKB- Nederland en VNO-NCW, met de steun van het ministerie van Economische Zaken. Doel van de samenwerking is completere informatie over het niet-financiële bedrijfsleven te verzamelen tegen minimale administratieve lasten.

Saldo’s

Deze rapportage werkt met saldo’s. Een saldo ontstaat door het percentage ondernemers dat zijn ervaring of verwachting als negatief ziet, af te trekken van het percentage dat een positieve ervaring of verwachting meldt. Als bijvoorbeeld 10 procent van de ondernemers een dalende omzet had en 20 procent een stijgende omzet, ontstaat een saldo van +10 procent. Het saldo geeft in één oogopslag weer of de stemming onder ondernemers positief of negatief is en in welke mate.

Seizoenpatronen

Bij de interpretatie van de cijfers dient rekening te worden gehouden met seizoeninvloeden. Deze spelen bij sommige variabelen een rol, zoals bij omzetten in de landbouw en horeca. Om een uitkomst in een beter perspectief te kunnen plaatsen, verdient een vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder om die reden de voorkeur boven een vergelijking met een kwartaal eerder. Voor het samenstellen van de indicatoren van het ondernemersvertrouwen, worden de onderliggende variabelen wél gecorrigeerd voor seizoenpatronen. Hierdoor kan het vertrouwen elk kwartaal worden vergeleken met een eerder kwartaal.

Totale (ex. financieel of nutsbedrijven) bedrijfsleven

Het niet-financiële bedrijfsleven is een samenstelling van SBI-secties A Landbouw, bosbouw en visserij, B Delfstoffenwinning, C Industrie, F Bouwnijverheid, G Handel, H Vervoer en opslag, I Horeca, J Informatie en communicatie, L Verhuur van en handel in onroerend goed, M-N Zakelijke dienstverlening, R Cultuur, sport en recreatie, S Overige dienstverlening.

Waarneemperiode

De gegevens voor deze publicatie zijn verzameld in april 2026.

Leeswijzer

Deze publicatie is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 behandelt het ondernemersvertrouwen van het Nederlandse bedrijfsleven per bedrijfstak. Hoofdstuk 3 behandelt de personeelsindicator. Hoofdstuk 4 gaat in op de belangrijkste ontwikkelingen die ondernemers hebben ervaren in het afgelopen eerste kwartaal 2026. Hoofdstuk 5 richt zich op de verwachtingen van ondernemers voor het lopende tweede kwartaal 2026. Hoofdstuk 6 richt zich op de belangrijkste belemmeringen die ondernemers ervaren in de bedrijfsvoering. Hoofdstuk 7 licht ten slotte vragen over onzekerheid en de internationale handel uit.

2. Ondernemersvertrouwen

Het ondernemersvertrouwen is een stemmingsindicator van het Nederlandse bedrijfsleven. Hoe optimistischer of pessimistischer de ondernemers gestemd zijn, des te meer de waarde van het ondernemersvertrouwen positief of negatief zal afwijken van de nullijn. De indicator is opgebouwd uit het ongewogen seizoengecorrigeerde gemiddelde van de saldo’s uit twee vragen. Deze twee vragen betreffen de ontwikkeling en verwachting van het economisch klimaat. Het ondernemersvertrouwen van het totale Nederlandse bedrijfsleven is een gewogen gemiddelde van de vertrouwensindicatoren van de onderliggende bedrijfstakken.

2.1 Ondernemersvertrouwen totale niet-financiële bedrijfsleven

Het ondernemersvertrouwen is voor het achttiende kwartaal op rij negatief en komt in het tweede kwartaal van 2026 uit op -14,8. Daarmee is het cijfer sterk gedaald ten opzichte van het vorige kwartaal (-1,8). Het ondernemersvertrouwen ligt onder het gemiddelde (-3,8) van de reeks vanaf 2012 en op het laagste niveau sinds eind 2022. Het ondernemersvertrouwen is sinds begin 2022 niet meer zo sterk gedaald.

Ondernemers zijn sinds eind 2022 structureel minder negatief over de verwachting van het economisch klimaat dan over de ontwikkeling van het economisch klimaat. Dit patroon werd alleen in het tweede kwartaal van 2025 eenmalig onderbroken. De daling van het ondernemersvertrouwen in het tweede kwartaal van 2026 komt doordat ondernemers negatiever zijn over zowel de ontwikkeling als de verwachting van het economisch klimaat.

2.1.1 Ondernemersvertrouwen
periode_labelcategories2Ondernemersvertrouwen (Gemiddelde van de deelvragen)Verwachting economisch klimaat (Gemiddelde van de deelvragen)Ontwikkeling economisch klimaat (Gemiddelde van de deelvragen)
2022januari-0,31,4-2,0
2022april-7,6-8,7-6,4
2022juli-10,9-10,1-11,6
2022oktober-20,3-21,3-19,3
2023januari-12,0-10,6-13,3
2023april-6,8-5,7-7,8
2023juli-7,4-6,3-8,5
2023oktober-8,7-6,4-10,9
2024januari-7,1-4,3-9,9
2024april-5,8-2,5-9,2
2024juli-3,7-1,4-5,9
2024oktober-3,1-0,2-6,0
2025januari-5,2-2,4-7,9
2025april-7,1-7,4-6,9
2025juli-3,9-1,7-6,2
2025oktober-4,1-2,1-6,1
2026januari-1,8-0,5-3,0
2026april-14,8-13,7-15,8
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

2.2 Ondernemersvertrouwen per bedrijfstak

Het totaalcijfer voor het ondernemersvertrouwen is sterk gedaald en nog steeds negatief. In het tweede kwartaal van 2026 daalde het vertrouwen in alle bedrijfstakken en is nu in alle bedrijfstakken negatief.

2.2.1 Ondernemersvertrouwen per bedrijfstak
 april 2026 (Gemiddelde van de deelvragen)januari 2026 (Gemiddelde van de deelvragen)
Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven)-14,8-1,8
Informatie en communicatie-4,99,2
Autohandel en -reparatie-5,25,8
Zakelijke dienstverlening-7,60,3
Cultuur, sport en recreatie-7,6-1,1
Industrie-10,9-2,9
Detailhandel (niet in auto's)-11,81,4
Vervoer en opslag-13,5-4,7
Verhuur en handel van onroerend goed-16,9-3,5
Groothandel en handelsbemiddeling-19,4-3,9
Bouwnijverheid-29,41,1
Horeca-30,1-12,0
Landbouw, bosbouw en visserij-36,3-20,6
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

Omslag van vertrouwen in vier bedrijfstakken

Het ondernemersvertrouwen sloeg in vier bedrijfstakken om van positief naar negatief. Dit waren de informatie en communicatie, de autohandel en -reparatie, de detailhandel en de bouwnijverheid. De sterkste daling vond plaats in de bouwnijverheid, waar het cijfer daalde van 1,1 in het eerste kwartaal naar -29,4 in het tweede kwartaal. Desondanks zijn veel andere indicatoren, zoals de orderpositie, hier nog wel positief. Ook in de horeca en de landbouw, bosbouw en visserij daalde het ondernemersvertrouwen sterk.

Ondernemersvertrouwen negatiefst in de landbouw

De landbouw, bosbouw en visserij is net als vorig kwartaal de meest negatieve bedrijfstak. Het ondernemersvertrouwen daalde hier van -20,6 naar -36,3. Over zowel de ontwikkeling van (-37,7) als de verwachting over (-34,9) het economisch klimaat zijn ondernemers hier het meest negatief van alle bedrijfstakken. Ook in de horeca en de bouwnijverheid is het ondernemersvertrouwen relatief negatief.

2.3 Ondernemersvertrouwen naar regio

Net als het landelijke cijfer is het ondernemersvertrouwen in alle provincies negatief in het tweede kwartaal van 2026. Het cijfer is ook in alle provincies gedaald ten opzichte van het vorige kwartaal. In Overijssel is het ondernemersvertrouwen van 1,0 naar -17,3 het meest gedaald. Ook in Gelderland is het vertrouwen relatief sterk gedaald van 1,2 naar -15,4. De meest negatief gestemde provincie in het tweede kwartaal van 2026 is Fryslân met een ondernemersvertrouwen van -18,5.

2.3.1 Ondernemersvertrouwen per provincie
ProvincieStatcode
Groningen (PV)-13,9
Fryslân (PV)-18,5
Drenthe (PV)-14,8
Overijssel (PV)-17,3
Flevoland (PV)-12,8
Gelderland (PV)-15,4
Utrecht (PV)-10,8
Noord-Holland (PV)-14,4
Zuid-Holland (PV)-14,5
Zeeland (PV)-17,2
Noord-Brabant (PV)-15,3
Limburg (PV)-15,3
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

3. Personeelsindicator

De personeelsindicator is een stemmingsindicator van het Nederlandse bedrijfsleven over de personeelssterkte binnen het bedrijf. Een positieve uitkomst van de stemmingsindicator duidt op verwachte uitbreiding van het personeelsbestand, een negatieve uitkomst op krimp van het personeelsbestand. De indicator is opgebouwd uit het ongewogen seizoengecorrigeerde gemiddelde van de saldo’s uit twee vragen. Deze twee vragen betreffen de ontwikkeling in de afgelopen drie maanden en de verwachting voor de komende drie maanden van de personeelssterkte.

3.1 Personeelsindicator totale niet-financiële bedrijfsleven

De personeelsindicator is licht gedaald en komt aan het begin van het tweede kwartaal van 2026 uit op 4,3. Daarmee ligt de indicator boven het gemiddelde (3,1) van de reeks vanaf 2012. De personeelsindicator bereikte eind 2021 een piek van 17,4 en vertoonde daarna een dalende trend. Ten opzichte van vorig kwartaal zijn ondernemers negatiever geworden over de verwachting en ontwikkeling van hun personeelssterkte. Sinds halverwege 2020 zijn ondernemers steeds positiever over de verwachting van de personeelssterkte dan over de daadwerkelijke ontwikkeling daarvan. Voor 2020 lagen beide reeksen altijd nagenoeg op hetzelfde niveau.

3.1.1 Personeelsindicator
periode_labelCategories2Personeelsindicator (Gemiddelde van de deelvragen)Verwachting personeelssterkte (Gemiddelde van de deelvragen)Ontwikkeling personeelssterkte (Gemiddelde van de deelvragen)
2022januari13,817,110,6
2022april15,019,210,9
2022juli12,016,27,9
2022oktober10,012,77,3
2023januari10,914,37,6
2023april9,412,86,0
2023juli6,78,74,7
2023oktober5,38,32,3
2024januari6,08,33,7
2024april5,07,12,9
2024juli3,56,90,1
2024oktober4,97,81,9
2025januari5,49,80,9
2025april4,86,62,9
2025juli5,67,63,6
2025oktober4,87,91,8
2026januari5,57,13,9
2026april4,36,32,2
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

3.2 Personeelsindicator per bedrijfstak

In de meeste bedrijfstakken is de personeelsindicator positief. Ten opzichte van het vorige kwartaal is de indicator bij zes bedrijfstakken gedaald en bij vier bedrijfstakken gestegen. In de landbouw, bosbouw en visserij en de groothandel en handelsbemiddeling is het cijfer nagenoeg gelijk gebleven.

3.2.1 Personeelsindicator per bedrijfstak
 april 2026 (Gemiddelde van de deelvragen)januari 2026 (Gemiddelde van de deelvragen)
Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven)4,35,5
Bouwnijverheid20,524,8
Verhuur en handel van onroerend goed10,49,3
Vervoer en opslag8,53,6
Cultuur, sport en recreatie8,414,4
Zakelijke dienstverlening7,76,8
Autohandel en -reparatie4,916,2
Groothandel en handelsbemiddeling3,43,8
Detailhandel (niet in auto's)2,0-1,0
Landbouw, bosbouw en visserij1,71,9
Industrie0,10,9
Informatie en communicatie-2,82,4
Horeca-6,83,1
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

Personeelsindicator sterkst gedaald in de autohandel en -reparatie

De personeelsindicator is in het tweede kwartaal het sterkst gedaald in de autohandel en -reparatie (-11,3). Ook in de horeca en de cultuur, sport en recreatie is de personeelsindicator relatief sterk gedaald. In de horeca is daarmee het cijfer negatief geworden, in de autohandel en -reparatie en de cultuur, sport en recreatie is het nog steeds positief. De horeca is in het tweede kwartaal van 2026 de meest negatieve bedrijfstak, gevolgd door de informatie en communicatie.

Ondernemers in de bouw het meest positief over personeelssterkte

Ondernemers in de bouwnijverheid zijn het meest positief over hun personeelssterkte van alle bedrijfstakken. De personeelsindicator komt hier uit op 20,5. Dat is wel een daling ten opzichte van een kwartaal eerder toen het cijfer op 24,8 uitkwam. In verhuur en handel van onroerend goed, de vervoer en opslag en de cultuur, sport en recreatie is de personeelsindicator ook relatief hoog.

4. Ontwikkelingen eerste kwartaal 2026

Ondernemers worden in de COEN gevraagd naar ontwikkelingen over verschillende onderwerpen in het afgelopen kwartaal. Ondernemers geven dan per onderwerp aan of het is verslechterd, gelijk is gebleven of verbeterd. Als de vraag in iedere bedrijfstak is gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.

4.1 Ontwikkelingen totale niet-financiële bedrijfsleven

In het afgelopen kwartaal waren er meer ondernemers die hun winstgevendheid zagen verslechteren dan verbeteren; daarmee is het saldo hierover negatief. In dezelfde periode een jaar geleden lag het saldo iets hoger. Verder zagen ondernemers per saldo hun orderontvangst toenemen in het afgelopen kwartaal en zijn zij iets positiever over hun concurrentiepositie. Desondanks was het oordeel over de orderpositie per saldo nog licht negatief. Dat betekent dat ondernemers hun orderpositie als (te) klein beschouwen. Over de omzetontwikkeling waren ondernemers licht negatief.

4.1.1 Ontwikkelingen eerste kwartaal
VerkorteVraagTekstapril 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Orderontvangst2,01,7
Concurrentiepositie Nederlandse Markt1,6-0,1
Omzet-2,60,0
Orderpositie-2,9-2,3
Winstgevendheid-8,6-5,8
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

4.2 Ontwikkelingen per bedrijfstak

De ontwikkelingen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de ontwikkelingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.

Landbouw, bosbouw en visserij negatiever over winstgevendheid

In het afgelopen kwartaal zag per saldo bijna 9 procent van de ondernemers de winstgevendheid verslechteren. In dezelfde periode vorig jaar was dit nog bijna 6 procent. Behalve in de informatie en communicatie zijn ondernemers in alle bedrijfstakken negatief over de winstgevendheid. De helft van de bedrijfstakken is negatiever dan een jaar geleden en bij de andere helft bleef het saldo nagenoeg gelijk of steeg het. In de landbouw, bosbouw en visserij daalde het saldo over de winstgevendheid het sterkst van -9 procent naar -25 procent. Ook in onder andere de horeca en de verhuur en handel van onroerend goed waren ondernemers negatiever over de winstgevendheid. In de informatie en communicatie is het saldo het sterkst gestegen en zijn ondernemers het meest positief van alle bedrijfstakken. Horecaondernemers zijn met een saldo van -32,5 procent het meest negatief over hun winstgevendheid in de afgelopen drie maanden. 

4.2.1 Ontwikkeling winstgevendheid per bedrijfstak
 april 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven)-8,6-5,8
"
Informatie en communicatie6,31,4
Zakelijke dienstverlening-0,72,0
Bouwnijverheid-2,75,7
Industrie-5,1-5,2
Groothandel en handelsbemiddeling-5,5-6,1
Autohandel en -reparatie-7,6-7,8
Verhuur en handel van onroerend goed-7,91,8
Detailhandel (niet in auto's)-8,0-8,1
Cultuur, sport en recreatie-8,8-12,0
Landbouw, bosbouw en visserij-24,8-8,9
Vervoer en opslag-29,2-21,4
Horeca-32,5-20,4
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

Bezettingsgraad nagenoeg hetzelfde

De bezettingsgraad in de industrie en de dienstverlening is nagenoeg hetzelfde als in het vorige kwartaal. De bezettingsgraad in de industrie ligt met 78,6 procent nog wel steeds onder het gemiddelde (81 procent) van de reeks vanaf 2012. Binnen de industrie ligt de bezettingsgraad het hoogst in de hout- en bouwmaterialenindustrie (81,1 procent) en het laagst bij de raffinaderijen en textiel-, kleding-, en lederindustrie (76,2 procent). 

De bezettingsgraad in de dienstverlening ligt met 88,6 procent net onder het gemiddelde (89 procent) van de reeks vanaf 2012. Binnen de dienstverlening is de bezettingsgraad het hoogst in de verhuur en handel van onroerend goed (92,8 procent) en het laagst bij de informatie en communicatie (85,1 procent). 

4.2.2 Bezettingsgraad
periode_labelCategories2Dienstverlening (%)Industrie (%)
2022januari87,383,6
2022april88,684,2
2022juli89,984,2
2022oktober89,782,7
2023januari89,382,6
2023april89,182,5
2023juli89,281,6
2023oktober89,181,0
2024januari88,678,4
2024april88,879,6
2024juli89,278,0
2024oktober89,177,1
2025januari89,277,2
2025april89,077,5
2025juli89,077,7
2025oktober88,777,2
2026januari88,577,9
2026april88,678,6
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

De bezettingsgraad voor de industrie wordt op een andere manier bepaald dan voor de dienstverlening. Bij de industrie gaat het om de bezettingsgraad van de beschikbare productiecapaciteit. Bij de dienstverlening wordt de bezettingsgraad afgeleid uit de vraagtoename die bedrijven met hun huidige middelen aankunnen. Over het algemeen ligt de bezettingsgraad van de dienstverlening hoger dan die van de industrie. Dit heeft mogelijk te maken met het methodeverschil in de vraagstelling.

5. Verwachtingen tweede kwartaal 2026

Ondernemers worden in de COEN gevraagd naar verwachtingen over verschillende onderwerpen voor het lopende kwartaal. Ondernemers geven dan per onderwerp aan of het zal verslechteren, gelijk zal blijven of zal verbeteren. Als de vraag in iedere bedrijfstak is gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.

5.1 Verwachtingen totale niet-financiële bedrijfsleven

Bij alle zes de onderwerpen zijn er meer ondernemers die een toename verwachten dan een afname. Het saldo over de verwachte verkoopprijzen is met 26 procent het hoogst en ook het sterkst gestegen, vorig jaar was dit bijna 15 procent. Over de investeringen in 2026 zijn ondernemers het minst positief, even positief als vorig jaar. De saldi van de overige onderwerpen zijn minder positief dan een jaar geleden. 

5.1.1 Verwachtingen tweede kwartaal
VerkorteVraagTekstapril 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Verkoopprijzen26,114,7
Omzet21,822,6
Orderontvangst14,116,1
Inkooporders10,812,9
Winstgevendheid4,310,7
Investeringen verslagjaar1,81,8
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

5.2 Verwachtingen per bedrijfstak

De verwachtingen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de verwachtingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.

Merendeel bouwondernemers verwacht toename verkoopprijzen

In het tweede kwartaal van 2026 verwacht per saldo 26 procent van de ondernemers een toename van de verkoopprijzen/tarieven. Dit is meer dan vorig jaar, toen bijna 15 procent dit verwachtte. Ondernemers in de bouw verwachten verreweg het vaakst een stijging; per saldo 63 procent, op afstand gevolgd door de groothandel met bijna 46 procent. In de groothandel is dit saldo ook het sterkst toegenomen ten opzichte van vorig jaar. In de cultuur, sport en recreatie en de verhuur en handel van onroerend goed verwachten per saldo juist minder ondernemers dat de verkoopprijzen/tarieven zullen stijgen. In de laatstgenoemde bedrijfstak verwachten ondernemers het minst vaak een stijging. 

5.2.1 Verwachte verkoopprijzen/tarieven per bedrijfstak
 april 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven)26,114,7
Bouwnijverheid63,045,3
Groothandel en handelsbemiddeling45,616,5
Vervoer en opslag28,210,9
Horeca26,825,1
Industrie24,613,1
Detailhandel (niet in auto's)21,26,0
Landbouw, bosbouw en visserij17,89,5
Autohandel en -reparatie16,77,2
Informatie en communicatie15,49,3
Zakelijke dienstverlening9,78,9
Cultuur, sport en recreatie8,712,7
Verhuur en handel van onroerend goed6,110,4
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

Ondernemers iets positiever over verwachte investeringen voor dit jaar

Per saldo verwacht 1,8 procent van de ondernemers in het lopende jaar een toename van de investeringen ten opzichte van vorig jaar. Daarmee zijn de investeringsverwachtingen gelijk aan die van een jaar geleden. Tussen de bedrijfstakken zijn echter grote verschillen zichtbaar.

Ondernemers in de verhuur en handel van onroerend goed zijn met een saldo van 22 procent het meest positief over de investeringsverwachtingen. In de detailhandel is het saldo het sterkst gestegen ten opzichte van een jaar geleden en sloeg het om van negatief naar positief. In de vervoer en opslag daalde de investeringsverwachtingen het sterkst en sloeg het saldo om van positief naar negatief. Ook in de landbouw, bosbouw en visserij daalde de investeringsverwachtingen relatief sterk. Hier zijn ondernemers het meest negatief over de investeringen in het lopende jaar.

5.2.2 Verwachte investeringen lopende jaar per bedrijfstak
 april 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven)1,81,8
Verhuur en handel van onroerend goed22,015,6
Cultuur, sport en recreatie9,311,8
Detailhandel (niet in auto's)7,5-2,0
Groothandel en handelsbemiddeling3,7-0,2
Informatie en communicatie3,4-1,7
Zakelijke dienstverlening3,12,2
Industrie2,90,2
Bouwnijverheid0,1-1,9
Autohandel en -reparatie-1,0-5,7
Horeca-1,6-1,3
Vervoer en opslag-7,819,6
Landbouw, bosbouw en visserij-9,5-1,3
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

6. Belemmeringen

Ieder kwartaal worden ondernemers gevraagd naar de belangrijkste belemmering die ze op dat moment ondervinden in de bedrijfsvoering. Van de zeven antwoordcategorieën kunnen ze er maximaal twee selecteren. De uitkomsten worden daarvoor niet genormaliseerd en geven dus het percentage ondernemers aan die de belemmering hebben gekozen.

6.1 Belemmeringen totale niet-financiële bedrijfsleven

Sinds het derde kwartaal van 2021 is het tekort aan arbeidskrachten onafgebroken de meest genoemde belemmering door ondernemers. Na de coronacrisis liep dit op tot meer dan 49 procent in het derde kwartaal van 2022. Daarna nam het langzaam af en komt het in het tweede kwartaal van 2026 uit op ruim 30 procent. Daarmee is het percentage gedaald ten opzichte van het vorige kwartaal (31,5 procent). Bijna een derde van de ondernemers gaf aan geen belemmeringen te ervaren, iets meer dan het aandeel dat een tekort aan arbeidskrachten ervaarde. 

De belemmering onvoldoende vraag is dit kwartaal met bijna 20 procent nagenoeg gelijk gebleven, al was dit halverwege 2022 nog maar 10 procent. Voor bijna 11 procent van de ondernemers zijn financiële beperkingen de belangrijkste belemmering in de bedrijfsvoering. Dit percentage is nagenoeg gelijk aan dat van vorig kwartaal, maar ten opzichte van begin 2022 ruimschoots verdubbeld. Het tekort aan productiemiddelen is sinds het tweede kwartaal van 2022 geleidelijk afgenomen. Waar toen bijna 24 procent van de ondernemers dit als belemmering aangaf, is het aandeel in het tweede kwartaal van 2026 gedaald tot bijna 8 procent.
Ten opzichte van het vorige kwartaal is de categorie andere oorzaken toegenomen van ruim 12 procent naar ruim 17 procent. Hier wordt door bedrijven onder andere de internationale situatie, economische onzekerheid, en wet- en regelgeving aangegeven. Bijna een derde van de ondernemers geeft aan geen belemmeringen te ervaren. 

6.1.1 Belangrijkste belemmering in de bedrijfsvoering
periode_labelCategories2Tekort aan arbeidskrachten (% bedrijven)Onvoldoende vraag (% bedrijven)Andere belemmeringen (% bedrijven)Financiële beperkingen (% bedrijven)Tekort aan productiemiddelen (% bedrijven)
2022januari35,011,920,74,517,1
2022april43,710,614,14,523,9
2022juli49,311,311,55,222,4
2022oktober48,214,113,76,920,4
2023januari44,415,011,08,416,1
2023april42,916,29,77,313,7
2023juli42,316,89,67,112,3
2023oktober41,719,610,08,89,5
2024januari37,520,89,18,57,6
2024april38,421,28,88,28,0
2024juli36,919,88,48,88,3
2024oktober39,920,49,38,77,5
2025januari35,819,09,410,37,1
2025april33,918,810,59,98,2
2025juli36,319,811,710,46,4
2025oktober33,321,813,310,46,0
2026januari31,519,712,610,36,4
2026april30,119,617,410,97,8
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

6.2 Belemmeringen per bedrijfstak

De belemmeringen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de verwachtingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.

Onvoldoende vraag vaker belemmering bij autohandel- en reparatie

Het aandeel bedrijven dat onvoldoende vraag als belangrijkste belemmering ervaart ligt met bijna 20 procent op een iets hoger niveau dan een jaar geleden. Binnen de bedrijfstakken zijn echter grote verschillen. In de autohandel- en reparatie ervaart bijna een derde van de ondernemers onvoldoende vraag als belangrijkste belemmering. Een jaar geleden was dit nog ruim 18 procent. Ook binnen de detailhandel en de zakelijke dienstverlening is deze belemmering met 5 procentpunt toegenomen. Ondernemers in de cultuursector, de bouwnijverheid en de vervoer en opslag ervaren onvoldoende vraag minder vaak als belangrijkste belemmering ten opzichte van een jaar geleden. Bij de laatstgenoemde bedrijfstak nam dit percentage met 10 procentpunt het sterkst af; bijna 17 procent ervaart dit nog als belangrijkste belemmering. 

6.2.1 Onvoldoende vraag als belangrijkste belemmering
 april 2026 (% bedrijven)april 2025 (% bedrijven)
Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven)19,618,8
Autohandel en -reparatie30,918,3
Groothandel en handelsbemiddeling26,826,0
Industrie25,924,5
Horeca24,823,5
Informatie en communicatie19,819,3
Zakelijke dienstverlening18,914,3
Landbouw, bosbouw en visserij17,415,9
Vervoer en opslag16,726,8
Detailhandel (niet in auto's)14,79,4
Cultuur, sport en recreatie10,813,3
Verhuur en handel van onroerend goed8,27,4
Bouwnijverheid5,79,9
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

Tekort aan arbeidskrachten blijft de belangrijkste belemmering

Met 30 procent blijft het tekort aan arbeidskrachten de belangrijkste belemmering voor bedrijven. Ten opzichte van een jaar geleden is dit percentage iets afgenomen. Dit geldt ook voor zeven van de twaalf bedrijfstakken. In de vervoer en opslag is het tekort aan arbeidskrachten als belangrijkste belemmering verreweg het sterkst gedaald, in deze bedrijfstak nam het 19 procentpunt af. In de detailhandel is het tekort aan arbeidskrachten met 7,5 procentpunt het sterkst gestegen. Ook in de autohandel-en reparatie ervaren meer ondernemers dit en nam het percentage toe naar bijna 46 procent. Daarmee wordt het tekort aan arbeidskrachten in deze bedrijfstak het vaakst genoemd als belemmering. In de bouwnijverheid is deze belemmering het minst vaak genoemd.

6.2.2 Tekort aan arbeidskrachten als belangrijkste belemmering
 april 2026 (% bedrijven)april 2025 (% bedrijven)
Totaal (ex, financieel of nutsbedrijven)30,133,9
Autohandel en -reparatie45,642,5
Zakelijke dienstverlening42,148,6
Vervoer en opslag30,749,8
Horeca30,437,4
Groothandel en handelsbemiddeling29,028,8
Detailhandel (niet in auto's)28,621,1
Informatie en communicatie27,831,1
Cultuur, sport en recreatie25,123,3
Landbouw, bosbouw en visserij24,628,4
Verhuur en handel van onroerend goed24,125,1
Industrie24,031,8
Bouwnijverheid21,718,0
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

7. Uitgelicht – Onzekerheid en export

Ondernemers worden in de COEN ieder kwartaal ook gevraagd naar ontwikkelingen en verwachtingen op het gebied van internationale handel. In tegenstelling tot de andere vragen worden deze vragen niet aan alle bedrijfstakken gesteld en zijn er dus geen cijfers voor het totale niet-financiële bedrijfsleven. Dit hoofdstuk gaat in op de onzekerheidsindicator voor het economisch klimaat, het oordeel over de export en de internationale concurrentiepositie.

Vooral onzekerheid bij industrie en transport

Ondernemers geven sinds 2022 bij de beoordeling van het economisch klimaat ook aan in hoeverre dat (redelijk) makkelijk of (redelijk) moeilijk te voorspellen is. Op basis van de gewogen antwoorden wordt de onzekerheidsindicator gemaakt waarbij een positief saldo een hoge mate van onzekerheid betekent en een negatief saldo een lage mate van onzekerheid.

Aan het begin van het tweede kwartaal 2026 is de onzekerheidsindicator relatief sterk toegenomen, vooral in de industrie en de vervoer en opslag (transport). In deze twee bedrijfstakken ligt de onzekerheidsindicator ook het hoogst. Ook in de handel is de onzekerheid toegenomen maar ligt het met een saldo van 17 procent wel lager dan in de industrie en de vervoer en opslag. In de dienstverlening is de indicator ook toegenomen en ligt het met een saldo van 8 procent relatief laag. 

De dienstverlening is een diverse groep waar naast de vervoer en opslag bijvoorbeeld ook de informatie en communicatie en de zakelijke dienstverlening onder vallen. In deze twee bedrijfstakken is de onzekerheidsindicator in het tweede kwartaal van 2026 licht negatief wat duidt op een lage mate van onzekerheid. Ondanks de toegenomen onzekerheid ligt de onzekerheidsindicator bij alle bedrijfstakken nog onder het niveau van eind 2022, toen de indicator een piek bereikte.

7.1 Onzekerheidsindicator economisch klimaat
JaarMaandIndustrie (Gewogen saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)Handel (Gewogen saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)Dienstverlening (Gewogen saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)Vervoer en opslag (Gewogen saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
2022jan20,610,915,628,2
2022apr26,913,110,728,9
2022jul26,315,19,827,6
2022okt31,224,517,437,0
2023jan29,82112,927,7
2023apr24,918,99,521,9
2023jul26,214,47,221,9
2023okt26,814,87,825,1
2024jan24,413,16,820,1
2024apr19,511,94,219,5
2024jul20,111,53,219,9
2024okt19,813,23,419,1
2025jan24,812,55,219,7
2025apr27,417,26,124,2
2025jul22,414,54,421,4
2025okt26,614,15,220,6
2026jan23,812,35,319,4
2026apr29,116,57,726,9
Bron: CBS, Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland

Meeste bedrijfstakken minder positief over de export

Ondanks de toegenomen onzekerheid over het economisch klimaat oordelen exporterende bedrijven per saldo positief over hun buitenlandse omzet. Het oordeel buitenlandse omzet is het gemiddelde van de ontwikkeling in het afgelopen kwartaal en de verwachting in het lopende kwartaal van exporterende bedrijven hierover. Van de getoonde bedrijfstakken heeft de industrie het belangrijkste aandeel in de Nederlandse export.

In de groothandel en handelsbemiddeling zijn bedrijven met een saldo van ruim 8 procent het meest positief over hun buitenlandse omzet. Het saldo is hier ook het sterkst gedaald ten opzichte van een jaar geleden. Ook in de industrie is het saldo gedaald, van 5 procent naar 3 procent. Alleen in de vervoer en opslag zijn exporterende bedrijven licht negatief over hun buitenlandse omzet. Het saldo is daar wel iets gestegen ten opzichte van een jaar geleden.

7.2 Oordeel buitenlandse omzet1)
Bedrijfstakapril 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Groothandel en handelsbemiddeling8,417,8
Informatie en communicatie7,711,9
Zakelijke dienstverlening4,88,7
Industrie3,35,1
Landbouw, bosbouw en visserij2,85,6
Vervoer en opslag-0,4-3,5
Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland
1)Exporterende bedrijven

Oordeel internationale concurrentiepositie licht verbeterd

In de meeste bedrijfstakken is het oordeel over de internationale concurrentiepositie bij exporterende bedrijven verbeterd ten opzichte van een jaar geleden. Het oordeel over de internationale concurrentiepositie is het gemiddelde van het oordeel hierover binnen en buiten de EU. Alleen bij bedrijven in de groothandel en handelsbemiddeling en de landbouw, bosbouw en visserij is het oordeel verslechterd. In de informatie en communicatie en de zakelijke dienstverlening is het oordeel over de internationale concurrentiepositie verbeterd en per saldo positief. In de industrie is het nagenoeg gelijk gebleven en negatief. In de vervoer en opslag is het oordeel het sterkst verbeterd maar nog wel steeds negatief. 

7.3 Oordeel internationale concurrentiepositie1)
Bedrijfstakapril 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)april 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Informatie en communicatie6,41,0
Zakelijke dienstverlening2,2-0,2
Groothandel en handelsbemiddeling0,64,9
Industrie-3,8-4,7
Vervoer en opslag-3,8-11,0
Landbouw, bosbouw en visserij-10,8-4,4
Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland
1)Exporterende bedrijven