Lonen en loonkosten, een overzicht van de verschillende CBS-cijfers

5. CBS-uitkomsten over loonkosten

5.1 Loonkosten in 2019

Wat een werkgever betaalt om een werknemer voor zich te laten werken, is meer dan alleen het brutoloon. Boven op het brutoloon komen de sociale premies die de werkgevers moeten betalen voor bijvoorbeeld pensioen, zorg, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid (zie ook staat 2.2.2). In 2019 kwamen de brutolonen bij elkaar uit op 305 miljard euro. De sociale premies ten laste van werkgevers bedroegen 84 miljard euro. Verder betaalden werkgevers 0,5 miljard euro aan eindheffingen en ontvingen zij 2 miljard euro aan loonkostensubsidies. Op basis van deze Arbeidsrekeningencijfers kwamen de loonkosten in 2019 uit op bijna 387 miljard euro in totaal. De loonkosten per gewerkt uur bedroegen gemiddeld 35,3 euro. Dat is 27 procent meer dan het brutoloon per gewerkt uur. Voor een volledige baan (een vte) betaalde een werkgever gemiddeld 60,2 duizend euro per jaar.

In 2019 waren de loonkosten het hoogst in de zorg. Daar werd 53 miljard aan loonkosten besteed. Deze bedrijfstak is goed voor 14 procent van de totale loonkosten in Nederland en 16 procent van het aantal banen van werknemers. Overigens telt de bedrijfstak handel nog iets meer banen van werknemers.

5.1.1 Lonen en loonkosten per bedrijfstak, 2019
BedrijfstakLonen (mld euro)Sociale premies t.l.v. werkgevers (plus eindheffingen en loonkostensubsidies) (mld euro)
Q Gezondheids- en welzijnszorg41,37611,700
G Handel39,2539,798
C Industrie35,3119,018
M Specialistische zakelijke diensten32,0597,102
O Openbaar bestuur25,1569,585
N Verhuur en overige zakelijke diensten25,7426,432
P Onderwijs19,9856,665
H Vervoer en opslag15,6524,490
J Informatie en communicatie16,2303,383
F Bouwnijverheid14,8174,109
K Financiële dienstverlening13,8873,700
I Horeca6,8171,286
S Overige dienstverlening4,1621,090
R Cultuur, sport en recreatie3,5220,865
L Verhuur en handel van onroerend goed3,0250,849
A Landbouw en visserij2,9040,700
D Energievoorziening1,7420,450
E Waterbedrijven en afvalbeheer1,6380,509
B Delfstoffenwinning0,6740,146
T Huishoudens0,7630,037
U Extraterritoriale organisaties0,0000,000

Bron: Arbeidsrekeningen.

Op basis van de meer gedetailleerde uitkomsten per bedrijfsklasse (zie figuur 5.1.2) blijkt dat de loonkosten per gewerkt uur het hoogst zijn in de aardolie-industrie (63 euro), het bankwezen (61 euro) en het vervoer door de lucht (59 euro). Onderaan de lijst staan de horeca (20 euro), detailhandel (22 euro) en de uitzendbureaus (22 euro). Deze laatste drie bedrijfsklassen tellen veel werknemers en zijn samen goed voor bijna een kwart van alle banen van werknemers. Een deel van de verschillen in gemiddelde loonkosten wordt veroorzaakt door de specifieke personeelsopbouw per bedrijfstak. Zo werken in het bankwezen naar verhouding veel meer hoogopgeleiden en ouderen dan in de horeca, waardoor de gemiddelde loonkosten bij het bankwezen een stuk hoger liggen.

Het verschil tussen het brutoloon en de loonkosten is relatief het grootst in het openbaar bestuur. Hier zijn de loonkosten per gewerkt uur 38 procent hoger dan het brutoloon per gewerkt uur. Ook in het onderwijs en bij de post en koeriers is het verschil meer dan 30 procent. Daarentegen zijn de werkgeverslasten die boven op het brutoloon komen relatief laag in de bedrijfsklassen vervoer over water (18 procent) en de horeca (19 procent). De bedrijfsklasse huishoudens is een buitenbeentje met slechts 5 procent aan werkgeverslasten. De relatief hoge werkgeverslasten in het openbaar bestuur en het onderwijs worden vooral veroorzaakt door hoge premies voor pensioen. Bij de uitzendbureaus en de horeca zijn deze premies het laagst.

In deze cijfers over de loonkosten zijn het doorbetaald loon bij ziekte en zwangerschap, overeenkomstig de Europese richtlijnen, geteld bij de sociale premies die werkgevers betalen. Zonder deze posten zouden de werkgeverslasten die boven op het brutoloon komen niet uitkomen op 27 procent, maar op 22 procent van het brutoloon. Voor de pensioenpremies geldt dat gemiddeld een derde voor rekening van de werknemer komt (en dus deel uitmaakt van de brutolonen) en dat de werkgever twee derde betaalt.

5.1.2 Loonkosten per gewerkt uur, 2019
BedrijfstakLonen per gewerkt uur (euro)Sociale premies t.l.v. werkgevers (plus eindheffingen en loonkostensubsidies) per gewerkt uur (euro)
19 Aardolie-industrie49,913,3
64 Bankwezen48,012,7
51 Vervoer door de lucht46,512,5
06-09 Delfstoffenwinning46,910,1
65 Verzekeraars en pensioenfondsen42,411,8
20 Chemische industrie42,610,0
61 Telecommunicatie39,610,0
69-70 Juridisch en managementadvies40,49,0
35 Energiebedrijven38,29,9
26 Elektrotechnische industrie39,38,0
21 Farmaceutische industrie38,39,0
36 Waterleidingbedrijven35,510,8
84 Openbaar bestuur33,412,7
66 Overige financiële dienstverlening36,79,4
72 Research36,68,0
62-63 IT- en informatiedienstverlening36,77,3
85 Onderwijs32,410,8
58 Uitgeverijen33,97,8
68 Verhuur en handel van onroerend goed32,69,1
94 Ideële, belangen-, hobbyverenigingen32,58,9
27 Elektrische apparatenindustrie32,98,1
86 Gezondheidszorg32,28,6
24 Basismetaalindustrie32,38,2
28 Machine-industrie33,07,2
59-60 Film, TV en radio31,87,3
71 Architecten-, ingenieursbureaus e.d.31,66,8
42 Grond-, water- en wegenbouw30,37,9
52 Opslag, dienstverlening voor vervoer29,68,3
17 Papierindustrie30,27,7
41 Algemene bouw en projectontwikkeling29,48,3
79 Reisbureaus, reisorganisatie en -info31,16,5
30 Overige transportmiddelenindustrie30,37,1
46 Groothandel en handelsbemiddeling29,67,2
29 Auto- en aanhangwagenindustrie29,27,5
02 Bosbouw28,87,8
10-12 Voedings-, genotmiddelenindustrie28,27,7
50 Vervoer over water30,35,4
33 Reparatie en installatie van machines27,48,3
01-99 Totaal27,87,5
23 Bouwmaterialenindustrie27,27,8
03 Visserij29,05,7
22 Rubber- en kunststofproductindustrie27,07,3
90-92 Kunst, cultuur en kansspelen26,97,3
73 Reclamewezen en marktonderzoek27,66,4
77 Verhuur van roerende goederen26,67,3
37-39 Riolering, afvalbeheer en sanering25,27,9
87-88 Verzorging en welzijn25,47,6
25 Metaalproductenindustrie25,56,8
43 Gespecialiseerde bouw25,17,0
13-15 Textiel-, kleding-, lederindustrie25,16,9
74-75 Overige professionele diensten26,15,8
18 Grafische industrie24,56,4
49 Vervoer over land22,66,8
45 Autohandel en -reparatie23,06,0
16 Houtindustrie22,66,0
93 Sport en recreatie23,45,1
53 Post en koeriers19,86,4
80-82 Overige zakelijke dienstverlening20,65,6
95 Reparatie van consumentenartikelen20,55,1
31-32 Meubel- en overige industrie19,55,4
97-98 Huishoudens23,61,1
01 Landbouw18,64,5
96 Overige persoonlijke dienstverlening18,14,3
78 Uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling17,64,3
47 Detailhandel (niet in auto's)17,24,4
55-56 Horeca16,93,2
99 Extraterritoriale organisaties

Bron: Arbeidsrekeningen.

5.2 Ontwikkeling loonkosten

A. Arbeidsrekeningen

Het totaalbedrag aan lonen en sociale premies die de werkgevers moeten betalen, bedroeg in 2019 ruim 388 miljard euro (dit is de beloning van werknemers, die iets hoger uitkomt dan het bedrag aan loonkosten; zie ook figuur 2.2.1). In 1969 was dat, omgerekend, nog 29 miljard euro. Het totaalbedrag aan beloning nam met gemiddeld 5,3 procent per jaar toe. Vooral in de eerste helft van de jaren zeventig steeg de beloning snel, met 12 tot 16 procent per jaar. In die jaren was de inflatie ook relatief hoog (zie ook figuur 4.3.2).

De groei van de beloning komt op de eerste plaats doordat de werkgelegenheid toenam. Het aantal banen van werknemers is sinds 1969 bijna verdubbeld. Doordat deeltijdwerk een hoge vlucht heeft genomen, de voltijdwerkweek is verkort en werkenden tegenwoordig meer vakantiedagen hebben, is het totaal aantal gewerkte uren van werknemers echter beduidend minder toegenomen, namelijk met 35 procent. Hierdoor is de beloning van werknemers (inclusief sociale premies ten laste van werkgevers) per gewerkt uur met gemiddeld 4,7 procent per jaar toegenomen. Per arbeidsjaar steeg de beloning gemiddeld 4,4 procent per jaar. Ter vergelijking, de consumentenprijzen namen in dezelfde periode met gemiddeld 3,2 procent per jaar toe. In deze vijftig jaar is de beloning van werknemers relatief net zoveel toegenomen als de lonen van werknemers.

De uitkomsten verschillen echter sterk per decennium. In de jaren zeventig steeg de beloning per gewerkt uur met gemiddeld 13,1 procent per jaar, bij een inflatie van 7,1 procent per jaar. In de jaren tachtig liep de stijging van de beloning per gewerkt uur terug tot gemiddeld 2,6 procent per jaar, wat lager was dan de inflatie van gemiddeld 2,9 procent. In de jaren negentig kwam de stijging van de beloning (3,2 procent per jaar) weer boven de inflatie uit (2,5 procent). Dat gold ook voor de volgende periode van tien jaar (3,5 procent tegen 2,2 procent per jaar). Daarentegen steeg de beloning per gewerkt uur in het afgelopen decennium (1,4 procent) weer minder dan de inflatie (1,6 procent).

Uitkomsten over de loonkosten worden gepubliceerd vanaf het jaar 1995. Het verschil tussen de beloning van werknemers (inclusief de sociale premies ten laste van werkgevers) en de loonkosten bestaat uit het saldo van de eindheffingen en loonkostensubsidies. Uit figuur 5.2.1 blijkt dat het verschil tussen de beloning van werknemers en de loonkosten relatief gering is: in de periode 1995-2019 waren de loonkosten gemiddeld 0,7 procent lager dan de beloning. Dat percentage varieert van 0,1 procent tot 1,1 procent. Deze verschillen ontstaan omdat in de loop van de tijd nieuwe regelingen worden geïntroduceerd die onder de eindheffingen of de loonkostensubsidies vallen, of andere regelingen juist worden beëindigd. Zo werd bijvoorbeeld in 2013 en 2014 een zogenoemde crisisheffing (een eindheffing) geheven over hoge lonen. In 2020 loopt het verschil tussen de beloning van werknemers en de loonkosten flink op, vanwege de omvangrijke bedragen die de overheid uittrekt vanwege de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkgelegenheid (NOW).

5.2.1 Beloning van werknemers en loonkosten
JaarLonen (mld euro)Sociale premies ten laste van werkgevers (mld euro)Eindheffingen min loonkostensubsidies (vanaf 1995) (mld euro)
'6922,5646,337
'7025,8267,285
'7129,4608,637
'7232,8489,889
'7337,36912,189
'7443,18514,377
'7548,94216,284
'7654,21518,415
'7759,60119,784
'7864,74121,470
'7969,32823,286
'8073,43325,053
'8175,24325,307
'8277,97125,549
'8378,23627,007
'8479,02426,577
'8582,57226,720
'8686,74727,613
'8789,80828,376
'8893,08628,396
'8997,57527,546
'90112,46520,828
'91119,64422,215
'92126,52024,061
'93130,64323,791
'94134,54224,107
'95139,14126,344-0,322
'96144,45727,448-0,997
'97153,75627,796-1,525
'98155,32939,262-2,094
'99167,02942,515-2,140
'00179,03147,660-2,208
'01191,74047,330-2,375
'02199,25451,807-2,596
'03203,44254,413-2,203
'04205,50456,090-2,863
'05209,47556,311-2,159
'06219,14955,481-2,002
'07232,35358,069-2,090
'08243,23164,375-2,158
'09246,62365,573-3,156
'10247,59064,127-2,989
'11252,88066,677-2,409
'12254,38869,479-2,117
'13255,26969,407-0,943
'14254,91873,248-0,394
'15260,69069,577-0,753
'16268,80571,781-1,344
'17278,47374,345-1,676
'18290,63579,205-1,652
'19304,71583,688-1,774

Bron: Arbeidsrekeningen (vanaf 1995) en Arbeidsrekeningen (oude reeks).

De beloning van werknemers (inclusief de sociale premies ten laste van werkgevers) lag in 2019 ruim 27 procent boven de lonen. De heffing van de verschillende premies bij werknemers en werkgevers is echter in de loop van de tijd veranderd. Uit figuur 5.2.2 blijkt dat dit percentage in 1990 sterk afnam, waarna het in 1998 weer sterk toenam. In 1990 werd het Nederlandse belastingstelsel herzien, na adviezen van de commissie Oort. Als gevolg hiervan kwamen de premies van de volksverzekeringen die de werkgevers voorheen betaalden voortaan voor rekening van de werknemers. Om te voorkomen dat werknemers er in loon op achteruit zouden gaan, moest de werkgever een overhevelingstoeslag betalen aan de werknemers. Hierdoor gingen de lonen in 1990 sterk omhoog, terwijl de beloning ongeveer gelijk bleef. Het omgekeerde gebeurde in 1998, toen de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) van kracht werd. De werkgevers betaalden voortaan de premies voor de arbeidsongeschiktheid in plaats van de werknemers. In verband hiermee werd de overhevelingstoeslag flink verlaagd. Daardoor daalden in 1998 de lonen, terwijl de sociale premies die werkgevers moeten betalen omhooggingen. Vanaf 2001 is de overhevelingstoeslag verwerkt in de brutolonen.

5.2.2 Verhouding beloning van werknemers / lonen
JaarVerhouding
19691,28
19701,28
19711,29
19721,30
19731,33
19741,33
19751,33
19761,34
19771,33
19781,33
19791,34
19801,34
19811,34
19821,33
19831,35
19841,34
19851,32
19861,32
19871,32
19881,31
19891,28
19901,19
19911,19
19921,19
19931,18
19941,18
19951,19
19961,19
19971,18
19981,25
19991,25
20001,27
20011,25
20021,26
20031,27
20041,27
20051,27
20061,25
20071,25
20081,26
20091,27
20101,26
20111,26
20121,27
20131,27
20141,29
20151,27
20161,27
20171,27
20181,27
20191,27
 

Bron: Arbeidsrekeningen (vanaf 1995) en Arbeidsrekeningen (oude reeks).

Bij de Arbeidsrekeningen gaan de loonkostencijfers terug tot 1995. In de periode 1995-2019 zijn de loonkosten per gewerkt uur met 82 procent gestegen (gemiddeld 2,5 procent per jaar). Dat is meer dan de stijging van de lonen per gewerkt uur, die in dezelfde periode met 70 procent zijn toegenomen (gemiddeld 2,2 procent per jaar). Het grootste verschil deed zich voor in 1998, toen de loonkosten per gewerkt uur met 3,6 procent stegen, terwijl de lonen per gewerkt uur ruim 2 procent daalden.

5.2.3 Lonen en loonkosten per gewerkt uur
 Lonen per gewerkt uur (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Loonkosten per gewerkt uur (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
'960,80,5
'973,82,8
'98-2,13,6
'994,04,2
'005,76,7
'014,83,2
'024,15,1
'033,03,8
'041,31,5
'052,92,8
'063,32,1
'073,43,1
'082,63,9
'093,12,8
'101,51,0
'111,42,0
'121,92,8
'131,61,8
'14-0,31,1
'151,80,0
'160,90,7
'171,11,0
'181,51,9
'192,22,4

Bron: Arbeidsrekeningen.

Over de ontwikkeling van de beloning en de loonkosten publiceert het CBS verschillende cijfers. In figuur 5.2.4 zijn van de verschillende loonkostencijfers langere tijdreeksen vanaf 1969 afgebeeld. In figuur 5.2.5 wordt weergegeven hoe deze uitkomsten voor de periode 2010-2019 uiteenlopen. De eerste zeven reeksen zijn uitkomsten op basis van de Arbeidsrekeningen, de laatste twee reeksen zijn afkomstig uit de statistiek Indexcijfers van cao-lonen.

5.2.4 Ontwikkeling loonkosten
JaarBeloning per arbeidsjaar (2010=100)Beloning per gewerkt uur (2010=100)Beloning van werknemers (2010=100)Loonkosten per arbeidsjaar (2010=100)Loonkosten per gewerkt uur (2010=100)Loonkosten (2010=100)Prijsindex arbeid (2010=100)Contractuele loonkosten per maand (2010=100)Contractuele loonkosten per uur (2010=100)
'6913,511,69,2
'7015,213,210,6
'7117,315,512,2
'7219,317,413,6
'7322,420,315,8
'7425,824,118,4
'7529,428,620,8
'7632,431,223,2
'7735,134,125,3
'7837,637,327,5
'7939,639,629,6
'8041,741,531,4
'8143,142,532,1
'8245,544,733,1
'8347,247,033,6
'8447,247,033,7
'8548,048,334,9
'8648,949,936,5
'8749,750,937,7
'8850,350,938,8
'8950,651,239,9
'9052,452,842,6
'9155,055,745,3
'9257,757,948,1
'9359,459,949,3
'9461,361,550,7
'9563,462,553,163,862,953,5
'9664,363,055,164,563,355,4
'9765,864,958,265,965,058,3
'9867,967,462,467,867,462,4
'9971,070,367,270,970,267,2
'0075,074,972,775,174,972,776,776,7
'0177,577,476,777,577,476,781,980,080,0
'0281,581,480,581,581,380,585,583,483,4
'0384,784,482,784,884,482,888,086,286,2
'0487,085,883,986,985,783,888,888,488,3
'0588,588,085,388,688,185,490,689,489,4
'0689,989,788,190,289,988,391,890,490,4
'0792,792,593,293,192,793,494,692,392,2
'0896,496,098,796,796,398,998,295,995,8
'0999,299,1100,299,099,0100,199,898,698,5
'10100,0100,0100,0100,0100,0100,0100,0100,0100,0
'11102,5101,8102,5102,7102,0102,7101,7101,5101,4
'12104,8104,5103,9105,2104,8104,2103,9103,9103,8
'13106,9106,0104,2107,5106,8104,9105,0105,5105,5
'14108,6107,0105,3109,4108,0106,2105,7107,0106,9
'15108,2107,2106,0109,1108,0106,7105,9107,6107,5
'16109,5108,1109,3110,2108,7109,9107,0109,8109,6
'17110,7109,3113,2111,2109,9113,7108,7111,9111,7
'18112,6111,4118,6113,1112,0119,3111,1114,6114,4
'19115,5114,1124,6116,0114,6125,2113,6118,1117,9

Bron: Arbeidsrekeningen (vanaf 1995), Arbeidsrekeningen (oude reeks), Prijsindex arbeid (Arbeidsrekeningen) en Indexcijfers van cao-lonen.

5.2.5 Ontwikkeling loonkosten in de periode 2010-2019
 Ontwikkeling (%)
Loonkosten25,2
Beloning van werknemers24,6
Loonkosten per arbeidsjaar16,0
Beloning per arbeidsjaar15,5
Loonkosten per gewerkt uur14,6
Beloning per gewerkt uur13,8
Prijsindex arbeid13,6
Contractuele loonkosten per maand18,1
Contractuele loonkosten per uur17,9

Bron: Arbeidsrekeningen, Prijsindex arbeid (Arbeidsrekeningen) en Indexcijfers van cao-lonen.

Op basis van de Arbeidsrekeningencijfers blijkt dat de totale loonkosten in de periode 2010-2019 met 78 miljard euro zijn toegenomen tot 387 miljard euro. Dat is een stijging van ruim 25 procent, meer dan de toename van de lonen in die periode, namelijk 23 procent. Dat komt doordat de sociale premies ten laste van werkgevers met ruim 30 procent stegen. De werkgeverslasten boven op het brutoloon namen toe van 25 procent tot 27 procent.

De toename van de beloning van werknemers (inclusief sociale premies ten laste van werkgevers) kwam iets lager uit (24,6 procent) dan die van de loonkosten (25,2 procent), doordat de loonkostensubsidies met ruim 1 miljard euro daalden.

Dat het totale bedrag aan loonkosten met 25 procent steeg, kwam vooral doordat de werkgelegenheid toenam. Het aantal banen van werknemers nam per saldo met 8 procent toe. En hoewel het aantal voltijdbanen afnam en er fors meer deeltijdbanen bij kwamen, nam het totaal aantal gewerkte uren van werknemers nog iets meer toe, namelijk ruim 9 procent. De gemiddelde arbeidsduur per baan liep iets op. Dit betekent dat de loonkosten per gewerkt uur met bijna 15 procent zijn gestegen. De stijging van de loonkosten per gewerkt uur is iets lager dan die van de loonkosten per arbeidsjaar, doordat het aantal gewerkte uren per vte in de periode 2010-2019 met ruim 1 procent is toegenomen.

Dat de loonkostenstijging in een jaar relatief hoog of laag uitpakt, heeft soms incidentele oorzaken, zoals nabetalingen bij het uitbetalen van een cao-loonsverhoging met terugwerkende kracht, of door het wel of niet doen van extra betalingen van bedrijven aan pensioenfondsen in een bepaald jaar. Daarom is het beter om te kijken naar de ontwikkeling over een langere periode. Gemeten over de periode 2010-2019 zijn de loonkosten per gewerkt uur van werknemers in totaal met 15 procent gestegen. Per bedrijfstak liep de ontwikkeling uiteen van een stijging van ruim 24 procent in de overige dienstverlening, tot een daling van 5 procent in de delfstoffenwinning. Drie van de vier bedrijfstakken met de hoogste loonkosten per gewerkt uur in 2010 staan onderaan qua loonkostenstijging. Afhankelijk van de vraag welke indeling naar economische activiteit wordt gekozen, of naar welke periode wordt gekeken, verschilt deze rangschikking. Bij een verdeling van de ontwikkeling van de loonkosten per gewerkt uur naar de 66 bedrijfsklassen van figuur 5.1.2, blijkt dat in de periode 2010-2019 de bedrijfsklasse reisbureaus aan kop gaat met een stijging van maar liefst 60 procent. Gemeten over de periode 1995-2019 is de stijging in het bankwezen nog groter (+136 procent), terwijl de bedrijfsklassen huishoudens en de sport en recreatie blijven steken op 32 procent.

5.2.6 Stijging loonkosten 2010-2019 per bedrijfstak
BedrijfstakOntwikkeling (%)
S Overige dienstverlening24,5
T Huishoudens23,1
O Openbaar bestuur22,1
C Industrie22,0
Q Gezondheids- en welzijnszorg19,2
H Vervoer en opslag18,9
K Financiële dienstverlening18,8
E Waterbedrijven en afvalbeheer17,9
P Onderwijs17,7
G Handel16,6
A Landbouw en visserij14,8
J Informatie en communicatie14,7
A-U Totaal14,6
N Verhuur en overige zakelijke diensten14,3
L Verhuur en handel van onroerend goed12,4
F Bouwnijverheid11,9
R Cultuur, sport en recreatie10,8
M Specialistische zakelijke diensten10,2
I Horeca10,2
D Energievoorziening6,1
B Delfstoffenwinning-5,1

Bron: Arbeidsrekeningen.

Als de samenstelling van het personeelsbestand verandert, beïnvloedt dit de gemiddelde loonkosten. Zo heeft de sterke groei van de werkgelegenheid in de bedrijfsklassen met lage loonkosten een matigend effect op de ontwikkeling van de totale loonkosten per gewerkt uur. Tussen 2010 en 2019 kwam meer dan de helft van de totale toename van het aantal gewerkte uren van werknemers (namelijk 59 procent) voor rekening van de drie bedrijfsklassen met de laagste loonkosten: uitzendbureaus, horeca en detailhandel (deze drie groepen kennen ook de laagste lonen per gewerkt uur; zie paragraaf 4.3). De gemiddelde loonkosten per gewerkt uur in deze drie bedrijfsklassen zijn 44 procent lager dan in de overige bedrijfstakken. Exclusief deze drie groepen kwam de totale stijging van de loonkosten per gewerkt uur in Nederland in deze negen jaar niet uit op 14,6 procent, maar op 17,2 procent. Daarnaast nemen de gemiddelde loonkosten toe naarmate er meer ouderen en hoger opgeleiden deel uitmaken van het personeelsbestand, omdat deze groepen in de regel meer betaald krijgen. Gecorrigeerd voor de veranderingen in de werknemerspopulatie qua geslacht, leeftijd, bedrijfsklasse, hoogst behaald onderwijsniveau en wel/niet vallend onder een cao, kwam de zuivere prijsstijging tussen 2010 en 2019 uit op 13,5 procent. Dat is de zogeheten prijs van arbeid. Dit betekent dat de loonkostenstijging van 14,6 procent per saldo voor 1 procent is toe te schrijven aan de structuurveranderingen: enerzijds een toename van het aandeel oudere werknemers en hoogopgeleiden, anderzijds een toename van laagbetaald werk in uitzendbureaus, horeca en detailhandel. In de periode 2010-2014 was het structuureffect positief (ruim 2 procent), daarna negatief (ruim 1 procent). Uit figuur 5.2.10 blijkt dat het aandeel van de gewerkte uren van de bedrijfstak verhuur en overige zakelijke diensten van 2010 op 2019 met 2,9 procentpunt is toegenomen. Deze toename komt volledig voor rekening van de uitzendbureaus. De consumentenprijzen zijn in dezelfde periode met 15,9 procent gestegen, dus ruim 1 procentpunt meer dan de prijs van arbeid.

5.2.7 Ontwikkeling loonkosten per gewerkt uur
JaarPrijsindex arbeid (%)Structuureffect (%)
'024,40,7
'032,90,9
'040,90,6
'052,00,8
'061,50,6
'073,00,1
'083,80,1
'091,61,2
'100,30,7
'111,80,2
'122,10,7
'131,00,8
'140,70,4
'150,1-0,1
'161,0-0,3
'171,5-0,5
'182,2-0,3
'192,30,1
 

Bron: Prijsindex arbeid (Arbeidsrekeningen).

Het verschil tussen de ontwikkeling van de loonkosten per gewerkt uur en de prijs van arbeid is het structuureffect. Hieruit blijkt hoeveel effect veranderingen in de personeelssamenstelling hebben op de gemiddelde loonkosten. Het structuureffect is in het algemeen positief in jaren dat de werkgelegenheid krimpt en bedrijven relatief weinig nieuwe werknemers aannemen. Een negatief structuureffect duidt erop dat er naar verhouding veel nieuwe werknemers worden aangenomen met relatief lage loonkosten. Dan is veelal sprake van een forse groei van de werkgelegenheid. Dit is terug te zien in de cijfers over de afgelopen jaren in figuur 5.2.8. In 2003 en 2004 daalde het aantal banen van werknemers en was het structuureffect relatief groot. Toen de banengroei aantrok in 2006-2008 werd het structuureffect klein. Maar direct na het begin van de financiële crisis in 2008 liep de loonstijging terug en nam het aantal banen van werknemers af. Het structuureffect was in die periode groot (+1,2 procent in 2009). Vanaf 2015 groeide de werkgelegenheid weer. De instroom van nieuwe werknemers, met relatief lage lonen, drukte de stijging van de gemiddelde loonkosten. Hierdoor was het structuureffect in de jaren 2015-2018 negatief. In 2019 resulteerde voor het eerst weer een klein positief structuureffect van 0,1 procent. In 2020 daalt het aantal banen weer en loopt het structuureffect op. Op basis van de voorlopige cijfers over het derde kwartaal 2019 tot en met het tweede kwartaal 2020, bedraagt het structuureffect 0,8 procent.

5.2.8 Relatie banengroei en structuureffect
JaarStructuureffect (%)Banengroei werknemers (procentuele verandering t.o.v. het voorgaande jaar) (%)
'020,70,7
'030,9-0,6
'040,6-1,0
'050,80,6
'060,62,0
'070,12,9
'080,11,8
'091,2-1,0
'100,7-0,7
'110,20,9
'120,7-0,7
'130,8-1,8
'140,4-0,5
'15-0,11,0
'16-0,31,4
'17-0,52,6
'18-0,32,8
'190,12,1

Bron: Prijsindex arbeid (Arbeidsrekeningen) en Arbeidsrekeningen.

Gecorrigeerd voor veranderingen in de werknemersstructuur, blijkt de loonkostenstijging van 2010 op 2019 het kleinst te zijn geweest in de specialistische zakelijke diensten en de bouwnijverheid (elk 7 procent). Veranderingen in de personeelssamenstelling hadden het meeste effect in de financiële dienstverlening. Dit komt mede doordat in deze bedrijfstak het aantal banen van werknemers structureel daalt; van 2010 tot 2019 liep het aantal banen met een vijfde terug.

5.2.9 Stijging loonkosten per gewerkt uur van 2010 op 2019
BedrijfstakPrijsindex arbeid (%)Structuureffect (%)
O Openbaar bestuur17,34,8
C Industrie16,95,1
Q Gezondheids- en welzijnszorg16,62,6
H Vervoer en opslag16,52,4
K Financiële dienstverlening12,36,5
P Onderwijs18,1-0,4
R-U Cultuur, recreatie, overige diensten16,51,1
G Handel13,23,4
A Landbouw en visserij10,04,8
J Informatie en communicatie14,00,7
A-U Totaal13,61,0
N Verhuur en overige zakelijke diensten13,60,7
L Verhuur en handel van onroerend goed9,33,1
F Bouwnijverheid7,34,6
M Specialistische zakelijke diensten6,83,4
I Horeca10,4-0,2

Bron: Prijsindex arbeid (Arbeidsrekeningen).

De samenstelling van de populatie werknemers is tussen 2010 en 2019 fors veranderd. Gemeten in gewerkte uren is het aandeel van de bedrijfstak verhuur en overige zakelijke diensten (inclusief uitzendbedrijven) en de horeca gestegen, ten koste van de bouwnijverheid, de financiële dienstverlening en het openbaar bestuur. Verder is ook het aandeel vrouwen toegenomen. Tegelijkertijd is er sprake van vergrijzing en stijgt het onderwijsniveau gestaag. Zo is het aandeel 55-plussers met 5 procentpunt gestegen tot 20 procent en wordt inmiddels een derde van alle gewerkte uren gemaakt door werknemers met een hbo-diploma of een voltooide wetenschappelijke opleiding (+4 procentpunt).

5.2.10 Verandering in het aandeel gewerkte uren van werknemers tussen 2010 en 2019
 Ontwikkeling (%-punt)
Geslacht
Mannen-1,9
Vrouwen1,9
Leeftijd
Tot 35 jaar0,7
35 tot 55 jaar-6,4
55 jaar en ouder5,7
Onderwijsniveau
Laag-5,0
Middelbaar0,7
Hoog4,3
Bedrijfstak
F Bouwnijverheid-0,9
K Financiële dienstverlening-0,9
O Openbaar bestuur-0,9
C Industrie-0,8
P Onderwijs-0,5
H Vervoer en opslag-0,2
R-U Cultuur, recreatie, overige diensten-0,2
L Verhuur en handel van onroerend goed-0,1
G Handel0,0
Q Gezondheids- en welzijnszorg0,0
A Landbouw en visserij0,0
M Specialistische zakelijke diensten0,3
J Informatie en communicatie0,5
I Horeca0,8
N Verhuur en overige zakelijke diensten2,9

Bron: Arbeidsrekeningen (naar bedrijfstak) en Arbeidsrekeningen (naar geslacht).

B. Ontwikkeling contractuele loonkosten

Naast loonkostencijfers op basis van de Arbeidsrekeningen publiceert het CBS ook over de ontwikkeling van de contractuele loonkosten zoals die bij de statistiek Indexcijfers van cao-lonen wordt gemeten. De indexcijfers contractuele loonkosten zijn gebaseerd op de cao-loonbedragen inclusief bijzondere beloningen, vermeerderd met de wettelijke en contractuele werkgeverspremies voor pensioen, vut, werkloosheid, ziektekosten, arbeidsongeschiktheid en sociale fondsen. Terwijl veranderingen in de werknemersstructuur direct doorwerken in de Arbeidsrekeningencijfers (en daar bij de prijsindex arbeid weer uitgewogen worden), is de statistiek Indexcijfers van cao-lonen zodanig opgezet dat veranderingen in de samenstelling van de werknemerspopulatie niet in de uitkomsten tot uiting komen. De contractuele loonkostenontwikkeling is dus ‘structuurvrij’. Mede hierdoor verschillen de diverse uitkomsten over de loonkostenontwikkeling van elkaar.

In de periode 2000-2019 zijn de contractuele loonkosten per uur met 54 procent gestegen. Dat is vrijwel gelijk aan de werkelijke stijging van de loonkosten per gewerkt uur zoals die bij de Arbeidsrekeningen wordt gemeten (53 procent). Opvallend is dat de stijging van de werkelijke loonkosten de laatste zes jaar voortdurend onder die van de contractuele loonkosten bleef (zie figuur 5.2.11). Hierbij speelt een rol dat de werkelijke loonkosten gedrukt werden door een negatief structuureffect, terwijl bovendien de stijging van de loonkosten per gewerkt uur van werknemers die niet onder een cao vielen lager was dan die van de cao-werknemers.

5.2.11 Contractuele loonkosten per uur en loonkosten per gewerkt uur
JaarContractuele loonkosten per uur (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Loonkosten per gewerkt uur (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
'014,33,2
'024,35,1
'033,33,8
'042,51,5
'051,22,8
'061,02,1
'072,03,1
'083,83,9
'092,92,8
'101,51,0
'111,42,0
'122,42,8
'131,61,8
'141,31,1
'150,60,0
'162,00,7
'171,91,0
'182,41,9
'193,12,4

Bron: Indexcijfers van cao-lonen en Arbeidsrekeningen.

De stijging van contractuele loonkosten per uur met 54 procent in de periode 2000-2019 (gemiddeld 2,3 procent per jaar) is duidelijk groter dan die van de cao-lonen per uur, die in dezelfde periode met 45 procent opliepen (gemiddeld 2,0 procent per jaar). Per saldo stegen de werkgeverspremies voor pensioen, zorg, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid dus meer dan de cao-lonen. Slechts in vier van de negentien jaren bleef de stijging van de contractuele loonkosten achter bij die van de cao-lonen, het meest in 2006 en 2015 (zie figuur 5.2.12).

5.2.12 Cao-lonen en contractuele loonkosten
 Cao-lonen per uur incl. bijz.beloningen (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Contractuele loonkosten per uur (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
'014,44,3
'023,64,3
'032,83,3
'041,32,5
'050,71,2
'062,01,0
'072,12,0
'083,33,8
'092,82,9
'101,31,5
'111,11,4
'121,42,4
'131,21,6
'140,91,3
'151,40,6
'161,82,0
'171,41,9
'182,02,4
'192,53,1

Bron: Indexcijfers van cao-lonen.

In de periode 2010-2019 liep de stijging van de contractuele loonkosten per bedrijfstak uiteen van 12 procent in de verhuur en handel van onroerend goed tot 24 procent bij de waterbedrijven en afvalbeheer (zie figuur 5.2.13). De stijging van de contractuele werkgeverspremies was het grootst in de bedrijfstak financiële dienstverlening; daar kwam de stijging van de contractuele loonkosten 7 procent uit boven de stijging van de cao-lonen.

5.2.13 Stijging contractuele loonkosten per uur 2010-2019, per bedrijfstak
BedrijfstakCao-lonen per uur incl. bijz.beloningen (%)Contractuele werkgeverspremies per uur (%)
E Waterbedrijven en afvalbeheer19,44,3
H Vervoer en opslag17,13,8
P Onderwijs14,74,9
C Industrie172,5
S Overige dienstverlening154,4
F Bouwnijverheid15,83,2
Q Gezondheids- en welzijnszorg162,9
N Verhuur en overige zakelijke diensten153,1
A-U Totaal14,53,4
O Openbaar bestuur13,64,3
K Financiële dienstverlening10,47,2
A Landbouw en visserij14,82,7
G Handel13,43,8
I Horeca15,31,7
D Energievoorziening12,44,2
J Informatie en communicatie13,42,2
M Specialistische zakelijke diensten12,82,2
R Cultuur, sport en recreatie12,21,8
L Verhuur en handel van onroerend goed12,6-0,7

Bron: Indexcijfers van cao-lonen.

De uitkomsten over de contractuele loonkostenontwikkeling worden niet alleen gedetailleerd naar bedrijfstak, maar ook naar cao-sector. In de periode 2010-2019 stegen de contractuele loonkosten het meest bij de overheid (19 procent), terwijl de cao-lonen in deze cao-sector juist de kleinste stijging kende (14 procent).

5.2.14 Stijging contractuele loonkosten per uur 2010-2019, per cao-sector
Cao-sectorCao-lonen per uur incl. bijz.beloningen (%)Contractuele werkgeverspremies per uur (%)
Overheid14,24,6
Totaal14,53,4
Particuliere bedrijven14,63,3
Gesubsidieerde instellingen14,72,7

Bron: Indexcijfers van cao-lonen.

Net zoals cao-lonen per uur en cao-lonen per maand worden gepubliceerd, zijn er naast de uitkomsten over de contractuele loonkosten per uur ook reeksen over de contractuele loonkosten per maand. Uit figuur 5.2.5 bleek al dat deze twee reeksen elkaar in de periode 2010-2019 weinig ontliepen. Doordat de gemiddelde contractuele arbeidsduur iets omhoog ging, stegen de contractuele loonkosten per maand van 2010 op 2019 met 18,1 procent, terwijl de uitkomsten per uur met 17,9 procent stegen.

5.3 Andere loonkostencijfers

Naast de cijfers op basis van Arbeidsrekeningen en de statistiek Indexcijfers van cao-lonen publiceert het CBS nog een zestal loonkostencijfers, die in deze paragraaf behandeld worden.

A. Regionale rekeningen

In het kader van de Nationale rekeningen worden de landelijke uitkomsten over de beloning van werknemers van Arbeidsrekeningen bij de Regionale rekeningen verbijzonderd naar provincie en corop-gebied waar men werkt. De corop-indeling is een regionaal niveau tussen gemeenten en provincies in. Deze indeling is ontworpen door de COördinatiecommissie Regionaal OnderzoeksProgramma, waaraan de indeling haar naam dankt. Nederland telt 40 corop-gebieden.

De recentste uitkomsten betreffen 2018. De verschillen tussen de regio’s zijn substantieel. Zo was de beloning van werknemers (inclusief sociale premies ten laste van werkgevers) per arbeidsjaar in 2018 met 65 duizend euro het hoogst in de provincie Noord-Holland tegen 52 duizend euro in de provincie Fryslân. Noord-Holland is sinds 2001 de provincie met de hoogste beloning van werknemers, daarvoor was dat Utrecht. Per corop-gebied lopen de verschillen zelfs uiteen van 69 duizend euro in de regio Groot-Amsterdam tot 50 duizend euro in Noord-Limburg. De regionale verschillen in de werkgelegenheidsstructuur spelen hier een rol. Zo werkt in Groot-Amsterdam 27 procent van de werknemers, gemeten in vte’s, in drie bedrijfstakken met een relatief hoge beloning, namelijk financiële dienstverlening, specialistische zakelijke diensten en informatie en communicatie. In Noord-Limburg werkt 5 procent van de werknemers in deze bedrijfstakken. Deze structuurverschillen verklaren echter maar een deel: sowieso is de gemiddelde beloning van werknemers bij een derde van alle bedrijfstakken het hoogst in Groot-Amsterdam.

5.3.1 Beloning per arbeidsjaar in 1995 en 2018
Provincie1995 (1 000 euro)Toename 1995-2018 (1 000 euro)
Noord-Holland35,928,9
Utrecht36,427,5
Zuid-Holland35,126,1
Nederland33,225,8
Noord-Brabant32,125,2
Groningen30,525,1
Gelderland30,824,3
Zeeland30,624,2
Flevoland29,724,5
Limburg30,923,2
Overijssel29,723,8
Drenthe29,922,5
Fryslân29,322,4

Bron: Regionale rekeningen.

B. Arbeidsinkomensquote

Bij de Nationale rekeningen worden ook de arbeidsinkomensquote (aiq) en de loonquote berekend. Van elke euro die in 2019 in Nederland werd verdiend, ging 77 cent naar de werknemers en zelfstandigen als arbeidsinkomen. Het arbeidsinkomen is hierbij gelijkgesteld aan de totale beloning van werknemers plus de inkomsten uit arbeid van zelfstandigen. De overige 23 cent van elke verdiende euro vormden de winsten van bedrijven. De arbeidsinkomensquote geeft aan waar het geld terechtkomt dat in Nederland verdiend wordt.

De aiq wordt berekend als het aandeel van de beloning voor arbeid in de netto toegevoegde waarde. Voor werknemers staat het arbeidsinkomen gelijk aan de beloning van werknemers. De beloning moet hierbij niet verward worden met nettolonen: het betreft de brutolonen plus de sociale premies ten laste van werkgevers. Het nettoloon is maar iets meer dan de helft van de totale beloning van werknemers. Voor zelfstandigen wordt het netto gemengd inkomen als benadering voor het arbeidsinkomen genomen. Het netto gemengd inkomen bevat in de praktijk naast de beloning van arbeid echter ook de beloning voor kapitaal en ondernemerschap (winst). Voor een deel van de zelfstandigen is het gemengd inkomen negatief.

De aiq is doorgaans het hoogst in arbeidsintensieve bedrijfstakken, zoals de zorg, en het laagst in de kapitaalintensieve bedrijfstakken, zoals de industrie. Voor het openbaar bestuur is de winst gelijkgesteld aan 0, zodat de aiq hier per definitie 100 procent is. Behalve de aiq berekent het CBS ook de loonquote. De loonquote betreft alleen het arbeidsinkomen van werknemers.

Sinds 1995 bereikte de aiq de hoogste stand in 2003 (78,2 procent) en daalde daarna naar 72,9 procent in 2007. Aan deze daling kwam in de jaren 2008-2009 een einde. Daarbij speelt een rol dat de economie in 2009 fors kromp. Hierdoor vielen de bedrijfswinsten sterk terug en werd het relatieve aandeel van de arbeidsinkomsten dus groter. In de periode van economisch herstel vanaf 2014 herstelden de bedrijfswinsten en liep de aiq weer iets terug.

5.3.2 Arbeidsinkomensquote en loonquote
JaarBeloning van werknemers (%)Toegerekend arbeidsinkomen van zelfstandigen (%)
'9567,310,4
'9666,910,4
'9765,610,6
'9865,510,3
'9966,710,3
'0067,010,2
'0166,910,4
'0267,810,0
'0368,49,8
'0467,39,5
'0565,89,5
'0664,09,5
'0763,59,4
'0864,39,2
'0968,29,3
'1066,69,6
'1166,89,7
'1267,49,7
'1367,39,6
'1467,310,0
'1565,610,1
'1666,110,6
'1765,510,6
'1865,710,5
'1966,210,6

Bron: Nationale rekeningen.

C. Loonkosten per eenheid product

Een andere grootheid die uit de cijfers van de Nationale rekeningen wordt afgeleid, zijn de loonkosten per eenheid product (loonkosten p.e.p.). De loonkosten p.e.p. geven het belang weer van de loonkosten van werknemers in de productie. Het cijfer kan onder andere gebruikt worden als maatstaf voor de concurrentiepositie van bedrijfstakken, landen en regio's. De index loonkosten per eenheid product geeft de ontwikkeling van de loonkosten per geproduceerde eenheid goed of dienst weer. De index wordt berekend door de ontwikkeling van de loonkosten per werknemer te delen door de ontwikkeling van de toegevoegde waarde per werkzaam persoon (werknemers en zelfstandigen). De toegevoegde waarde wordt gegenereerd door zowel werknemers als zelfstandigen, terwijl de loonkosten alleen op de werknemers betrekking hebben. De uitkomsten zijn als index weergegeven (2015=100). Er worden alleen kwartaalcijfers samengesteld, geen jaarcijfers.

De loonkosten per eenheid product worden doorgaans berekend op basis van werkzame personen. De gewerkte uren zijn echter een meer betrouwbare maatstaf voor de arbeidsinzet. Daarom worden de loonkosten per eenheid product ook op basis van gewerkte uren weergegeven. Van beide reeksen worden ook de seizoengecorrigeerde uitkomsten berekend. Het verschil in uitkomsten op basis van werkzame personen of gewerkte uren is overigens erg klein. Gemeten over het eerste kwartaal van 1996 tot en met het vierde kwartaal van 2019 liepen de loonkosten p.e.p. op basis van werkzame personen op met 44,0 procent, tegen 44,6 procent voor de reeks op basis van gewerkte uren. Tegelijkertijd stegen de loonkosten per gewerkt uur met 83,0 procent. Hieruit volgt dat de toegevoegde waarde per gewerkt uur met 26,3 procent opliep. Dit wordt berekend als (1,830 / 1,446 – 1) x 100 procent.

Per bedrijfstak verschillen deze uitkomsten fors. Zo zijn de loonkosten p.e.p. het sterkst gestegen in de niet-commerciële dienstverlening, waar de toegevoegde waarde per gewerkt uur het minst steeg of zelfs daalde. Daarentegen stegen de loonkosten p.e.p. het minst in de bedrijfstakken industrie, de landbouw en visserij en de handel, vervoer en horeca, terwijl daar de toegevoegde waarde per gewerkt uur het sterkst toenam.

5.3.3 Loonkosten per eenheid product en loonkosten per uur (seizoengecorrigeerd)
JaarKwartaalLoonkosten p.e.p. werkzame personen (2015=100)Loonkosten p.e.p. gewerkte uren (2015=100)Loonkosten per gewerkt uur (2015=100)
'961e kwartaal74,373,758,9
'962e kwartaal74,573,858,9
'963e kwartaal74,473,658,9
'964e kwartaal74,873,658,0
'971e kwartaal74,873,859,5
'972e kwartaal74,973,859,5
'973e kwartaal74,873,860,4
'974e kwartaal75,174,261,4
'981e kwartaal75,374,261,4
'982e kwartaal75,374,462,0
'983e kwartaal76,175,262,6
'984e kwartaal76,575,764,1
'991e kwartaal76,876,264,7
'992e kwartaal77,076,365,0
'993e kwartaal77,276,665,9
'994e kwartaal77,576,866,2
'001e kwartaal79,378,768,3
'002e kwartaal79,178,367,7
'003e kwartaal79,779,470,5
'004e kwartaal79,679,170,8
'011e kwartaal80,679,870,8
'012e kwartaal80,879,971,1
'013e kwartaal82,181,372,0
'014e kwartaal82,381,472,3
'021e kwartaal84,883,874,7
'022e kwartaal84,983,874,7
'023e kwartaal85,584,375,3
'024e kwartaal85,984,475,9
'031e kwartaal86,585,276,8
'032e kwartaal87,485,977,4
'033e kwartaal87,786,478,4
'034e kwartaal88,086,879,6
'041e kwartaal87,386,279,6
'042e kwartaal87,386,279,9
'043e kwartaal87,386,380,2
'044e kwartaal87,486,380,8
'051e kwartaal87,586,681,4
'052e kwartaal87,887,282,3
'053e kwartaal87,586,682,3
'054e kwartaal86,785,982,0
'061e kwartaal86,886,382,0
'062e kwartaal87,186,783,8
'063e kwartaal87,486,883,5
'064e kwartaal88,287,784,1
'071e kwartaal88,388,084,4
'072e kwartaal88,888,384,4
'073e kwartaal89,388,986,0
'074e kwartaal90,289,787,8
'081e kwartaal91,390,788,4
'082e kwartaal91,590,888,7
'083e kwartaal92,491,989,9
'084e kwartaal93,793,290,5
'091e kwartaal97,296,490,5
'092e kwartaal97,496,891,7
'093e kwartaal96,996,592,6
'094e kwartaal96,495,992,3
'101e kwartaal95,595,392,9
'102e kwartaal95,895,592,9
'103e kwartaal95,995,592,3
'104e kwartaal96,195,693,5
'111e kwartaal96,196,094,5
'112e kwartaal96,596,295,7
'113e kwartaal97,296,594,2
'114e kwartaal98,898,495,4
'121e kwartaal99,198,696,0
'122e kwartaal99,599,196,6
'123e kwartaal100,299,597,5
'124e kwartaal101,0101,098,7
'131e kwartaal101,6100,699,0
'132e kwartaal101,6100,798,1
'133e kwartaal101,4101,299,6
'134e kwartaal100,099,698,4
'141e kwartaal101,5100,799,0
'142e kwartaal101,0101,1101,1
'143e kwartaal101,5100,599,3
'144e kwartaal101,6101,6101,1
'151e kwartaal99,799,299,6
'152e kwartaal99,799,7100,2
'153e kwartaal100,0100,4100,2
'154e kwartaal100,6100,799,9
'161e kwartaal100,7101,0100,8
'162e kwartaal101,0101,099,9
'163e kwartaal100,9101,1101,7
'164e kwartaal100,5100,7100,8
'171e kwartaal100,7100,7101,1
'172e kwartaal100,9101,3101,1
'173e kwartaal101,2101,3101,4
'174e kwartaal101,7101,8102,7
'181e kwartaal102,4102,6103,0
'182e kwartaal102,5102,4103,0
'183e kwartaal104,2104,5103,9
'184e kwartaal104,7104,7104,5
'191e kwartaal105,6105,7105,1
'192e kwartaal105,8106,0105,7
'193e kwartaal106,9106,4106,9
'194e kwartaal108,0108,1107,8
'201e kwartaal110,3110,0110,6
'202e kwartaal108,6107,5104,5

Bron: Nationale rekeningen.

D. Arbeidskostenonderzoek

Eens in de vier jaar wordt in de landen van de Europese Unie een onderzoek gehouden naar de arbeidskosten. In Nederland is dat het Arbeidskostenonderzoek, dat in 2016 voor het laatst is gehouden. Eurostat publiceert deze uitkomsten op basis van een populatie die voor alle landen op dezelfde wijze is afgebakend (zie ook paragraaf 3.2 en 6.2). Het CBS publiceert echter zelf ook de uitkomsten, maar dan voor alle bedrijfstakken behalve huishoudens (sbi T) en extraterritoriale organisaties (sbi U). Bedrijven met minder dan tien werkzame personen worden in deze CBS-uitkomsten ook meegeteld.

Doordat het Nederlandse Arbeidskostenonderzoek voor een groot deel berust op dezelfde gegevens uit de Polisadministratie die ook ten grondslag liggen aan de Arbeidsrekeningen, zijn de verschillen tussen beide statistieken beperkt. Wel is er een inhoudelijk verschil: in vergelijking met de loonkosten omvatten de arbeidskosten één component extra, namelijk de overige arbeidskosten die niet direct aan de individuele werknemers kunnen worden toegerekend, zoals kosten voor scholing, de exploitatie van kantines en de werving en selectie van personeel. Deze kosten maken 3 procent uit van de totale arbeidskosten (zie ook figuur 2.2.1).

Op basis van het Arbeidskostenonderzoek 2016 bedroegen de totale arbeidskosten in dat jaar 349 miljard euro. De lonen hebben hierin een aandeel van 76,7 procent. In 2012 en 2008 was dat ongeveer hetzelfde (respectievelijk 76,4 en 76,8 procent). Bij het openbaar bestuur beslaan de lonen 72 procent van de totale arbeidskosten, zodat dit de bedrijfstak is waar de premies en overige kosten relatief het hoogst zijn.