Overige zelfstandigen in zorg en welzijn
Over deze publicatie
Voor het programma Arbeidsmarkt, Zorg en Welzijn (AZW) lopen er op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verschillende onderzoeken om meer duiding te geven aan de cijfers over zelfstandigen in zorg en welzijn. Dit artikel beschrijft de groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn in de periode 2021-2023. Overige zelfstandigen zijn personen die werken als zelfstandige, maar geen ondernemer zijn. In zorg en welzijn gaat het bijvoorbeeld om personen die zorg verlenen aan bekenden via een persoonsgebonden budget (PGB), gastouders die niet in loondienst zijn en niet voldoen aan de ondernemerscriteria, of personen die (incidenteel) inkomsten ontvangen als huishoudelijke hulp, gastspreker, docent, of auteur. Hoeveel overige zelfstandigen werken in zorg en welzijn (op basis van inkomensgegevens)? Wat zijn hun persoonskenmerken? Voor hoeveel van hen is dit de voornaamste inkomensbron? Hoeveel inkomen verdienen zij als overige zelfstandige? Wat voor werkzaamheden verrichten zij? En hoe geven zij deze werkzaamheden op in de Enquête beroepsbevolking (EBB)?
Belangrijkste bevindingen:
- In 2021-2023 waren er gemiddeld per jaar 74 duizend overige zelfstandigen in zorg en welzijn waarvoor dit de voornaamste inkomensbron of een neveninkomen was;
- Onder hen was 80 procent vrouw en de gemiddelde leeftijd 49 jaar;
- Het inkomen als overige zelfstandige was voor 29 procent van hen de voornaamste inkomensbron;
- Het doorsnee inkomen was op jaarbasis 13 duizend euro als dit de voornaamste inkomensbron was en 2 duizend euro als het om neveninkomsten ging;
- De termen “pgb” en “gastouder” werden het vaakst genoemd door overige zelfstandigen in zorg en welzijn om hun werkzaamheden te omschrijven bij de belastingaangifte;
- Van degenen met inkomen als overige zelfstandige als voornaamste inkomensbron gaf 50 procent aan in de EBB dat ze de meeste uren als zelfstandige werkzaam zijn. De overige personen waren werknemer (35 procent) of niet-werkzaam (15 procent).
1. Inleiding
Voor het programma Arbeidsmarkt, Zorg en Welzijn (AZW) lopen er op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verschillende onderzoeken om meer duiding te geven aan de cijfers over zelfstandigen in zorg en welzijn (zie CBS, 2024; CBS, 2025). Dit artikel beschrijft de groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn in de periode 2021-2023.
Overige zelfstandigen zijn personen die werken als zelfstandige, maar geen ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting.1) Zij verrichten arbeid voor eigen rekening of risico, maar niet in een eigen bedrijf of praktijk, niet als directeur-grootaandeelhouder en niet als meewerkend gezinslid. Tot deze categorie behoren personen met resultaat uit overige werkzaamheden, zoals freelancers. In zorg en welzijn gaat het bijvoorbeeld om personen die zorg verlenen aan bekenden via een persoonsgebonden budget (PGB), gastouders die niet in loondienst zijn en niet voldoen aan de ondernemerscriteria, of personen die (incidenteel) inkomsten ontvangen als huishoudelijke hulp, gastspreker, docent, of auteur. Het betreft dus een zeer diverse groep, waarbij sommigen een eigen bedrijf hebben dat ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel dat niet voldoet aan de ondernemerscriteria in dat jaar, en anderen eenmalig inkomsten hebben ontvangen. Het doel van dit artikel is meer inzicht geven in deze zeer diverse groep.
Het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) is de voornaamste bron om de groep overige zelfstandigen te beschrijven. Op basis van deze gegevens is jaarlijks bekend of een persoon inkomen heeft uit overige werkzaamheden, informatie die gebruikt wordt om te bepalen of iemand in dat jaar overige zelfstandige is, en hoe deze werkzaamheden omschreven zijn bij de belastingaangifte. Het IIV wordt in dit artikel gebruikt om te bepalen hoeveel overige zelfstandigen er zijn in zorg en welzijn, wat hun persoonskenmerken zijn, voor hoeveel het inkomen als overige zelfstandige de voornaamste inkomensbron is, hoeveel inkomen zij verdienen en wat voor werkzaamheden zij verrichten.
De Enquête beroepsbevolking (EBB) is een steekproefonderzoek dat doorlopend door het CBS wordt uitgevoerd, met als doel het verstrekken van informatie over de relatie tussen mens en arbeidsmarkt. Het is de meest actuele bron voor gegevens over zelfstandigen en wordt gebruikt voor de cijfers op AZW Statline. Het is echter niet mogelijk om op basis van de beschikbare informatie in de EBB de groep overige zelfstandigen te onderscheiden binnen de totale groep zelfstandigen. Om toch meer inzicht te kunnen geven in de groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn, zijn in dit artikel gegevens uit het IIV gekoppeld aan de EBB. Met deze gegevens wordt onderzocht hoe en in welke mate overige zelfstandigen deze werkzaamheden opgeven in de EBB.
Centraal in dit artikel staat de vraag: wie zijn de overige zelfstandigen in zorg en welzijn? Specifieke deelvragen die daarbij aan bod komen, zijn:
- Hoeveel overige zelfstandigen werken in zorg en welzijn (op basis van het IIV)?
- Wat zijn hun persoonskenmerken?
- Voor hoeveel van hen is dit de voornaamste inkomensbron?
- Hoeveel inkomen verdienen zij als overige zelfstandige?
- Wat voor werkzaamheden verrichten zij?
- Hoe geven zij deze werkzaamheden op in de EBB?
2. Data en methode
Dit hoofdstuk beschrijft de databronnen die zijn gebruikt in dit artikel.
Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek
Het Integraal inkomens en vermogensonderzoek (IIV) bevat jaargegevens over de financiële positie van personen in particuliere huishoudens in Nederland en is voornamelijk gebaseerd op informatie van de Belastingdienst. De belangrijkste bronnen bij het samenstellen van cijfers over zelfstandigen zijn voor de zelfstandig ondernemers het bestand Satelliet Zelfstandige Ondernemers (SZO), waarin voor alle ondernemers gegevens over de winstaangiften zijn opgenomen. Voor directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) is dat de fiscale loonaangifte en voor meewerkende gezinsleden en overige zelfstandigen de aangifte inkomstenbelasting. De onderzoekspopulatie omvat alle particuliere huishoudens gepeild op 1 januari, met een bekend jaarinkomen. Het IIV stelt informatie beschikbaar op basis van de zogeheten zwaartepuntbenadering: mensen worden op grond van de hoogte van de verschillende soorten inkomsten volgens een getrapte zwaartepuntbenadering gerekend tot de categorie zelfstandigen. Daarnaast is informatie beschikbaar over alle personen die een inkomen hebben als zelfstandige. In dit artikel wordt gekeken naar alle personen met inkomen als overige zelfstandige in zorg en welzijn in 2021-2023, de drie meest recente jaargangen waarvoor de cijfers definitief zijn. Het totaal aantal overige zelfstandigen in zorg en welzijn per jaar komt overeen met de cijfers over overige zelfstandigen, alle inkomens, in de tabel Zelfstandigen; inkomen, vermogen, bedrijfstak op Statline.
Enquête beroepsbevolking
De Enquête beroepsbevolking (EBB) is een steekproefonderzoek dat doorlopend door het CBS wordt uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het verstrekken van informatie over de relatie tussen mens en arbeidsmarkt. Hierbij worden kenmerken van personen in verband gebracht met hun positie op de arbeidsmarkt. De EBB geeft dan ook aantallen en kenmerken van diverse groepen zelfstandigen. In de EBB is daarvoor aan respondenten gevraagd op welke manier ze werkzaam zijn, waarbij ze kunnen aangeven dat ze een baan hebben als werknemer, een eigen bedrijf of praktijk hebben (inclusief dga) of werkzaam zijn als zzp’er, of dat ze meewerken in het bedrijf of de praktijk van de partner of een familielid. Het gaat daarbij om een momentopname. Doorlooptijd van de EBB is ongeveer een jaar, waarbij respondenten met telkens een tussenliggende periode van drie maanden vijfmaal benaderd worden met een vragenlijst (roterend paneldesign). Cijfers over zelfstandigen op basis van de EBB betreffen doorgaans de hoofdbaan. Dat is de baan van een persoon waaraan deze de meeste tijd besteedt. Er is in de EBB ook informatie beschikbaar over een eventuele tweede baan. Voor dit artikel zijn de gegevens uit het IIV gekoppeld aan de EBB-gegevens over 2021-2023.
Meer informatie over deze bronnen voor cijfers over zelfstandigen is opgenomen in het Dossier ZZP van het CBS.
3. Resultaten
3.1 Hoeveel overige zelfstandigen werken in zorg en welzijn?
In 2021-2023 waren er gemiddeld per jaar 74 duizend overige zelfstandigen in zorg en welzijn, ofwel 32 procent van alle zelfstandigen in zorg en welzijn. Hierbij worden alle personen meegenomen die inkomen hadden als zelfstandige, ongeacht de hoogte van het inkomen. De meerderheid van hen werkte in de branche verpleging, verzorging en thuiszorg (40 duizend), dat is 68 procent van alle zelfstandigen in deze branche. Na de verpleging, verzorging en thuiszorg, werkten de meeste overige zelfstandigen in de branches overige zorg en welzijn (12 duizend), kinderopvang (7 duizend) en sociaal werk (6 duizend). De branche overige zorg en welzijn is een samentelling van categorieën, hieronder vallen onder andere tandartsen, verloskundigen, fysiotherapeuten en samenwerkingsorganen op het gebied van gezondheidszorg.
| Aantal (x 1 000) | |
|---|---|
| Verpleging, Verzorging en thuiszorg | 39,8 |
| Overige zorg en welzijn | 12 |
| Kinderopvang | 7,3 |
| Sociaal werk | 6,3 |
| Geestelijke gezondheidszorg | 3,5 |
| Universitair medische centra | 1,6 |
| Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg | 1,2 |
| Gehandicaptenzorg | 1 |
| Huisartsen en gezondheidscentra | 0,7 |
| Jeugdzorg | 0,6 |
3.2 Wat zijn persoonskenmerken van overige zelfstandigen in zorg en welzijn?
De meerderheid van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023 was vrouw (80 procent). Ter vergelijking: onder alle zelfstandigen in zorg en welzijn was 73 procent vrouw. In de branches kinderopvang en sociaal werk lag het aandeel vrouwen onder overige zelfstandigen hoger dan gemiddeld. De man-vrouw verdeling was het meest gelijk in de branche ziekenhuizen en overige medische specialistische zorg. In de grootste branche verpleging, verzorging en thuiszorg was 80 procent vrouw.
| Vrouw (%) | Man (%) | |
|---|---|---|
| Kinderopvang | 96 | 4 |
| Sociaal werk | 86,5 | 13,5 |
| Verpleging, verzorging en thuiszorg | 79,8 | 20,2 |
| Zorg en welzijn | 79,8 | 20,2 |
| Geestelijke gezondheidszorg | 79,7 | 20,3 |
| Overige zorg en welzijn | 75,8 | 24,2 |
| Gehandicaptenzorg | 65,1 | 34,9 |
| Jeugdzorg | 64,7 | 35,3 |
| Universitair medische centra | 62,6 | 37,4 |
| Huisartsen en gezondheidscentra | 52,6 | 47,4 |
| Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg | 49,3 | 50,7 |
De gemiddelde leeftijd van overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023 was 49 jaar. Daarmee zijn overige zelfstandigen iets ouder dan het gemiddelde onder alle zelfstandigen in zorg en welzijn (46 jaar). In de branches universitair medisch centra, kinderopvang, gehandicaptenzorg en jeugdzorg werkten de meeste jongeren van 15 tot 25 jaar. 65-plussers werkten het vaakst in de branches huisartsen en gezondheidscentra en ziekenhuizen en overige medische specialistische zorg.
| 15 tot 25 jaar (%) | 25 tot 35 jaar (%) | 35 tot 45 jaar (%) | 45 tot 55 jaar (%) | 55 tot 65 jaar (%) | 65 jaar en ouder (%) | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Universitair medische centra | 19,5 | 20,2 | 14,8 | 14,4 | 16,3 | 14,8 |
| Kinderopvang | 13,5 | 18,9 | 13,9 | 13,6 | 22,7 | 17,3 |
| Gehandicaptenzorg | 12,1 | 30,1 | 21,6 | 17,4 | 13,9 | 4,9 |
| Jeugdzorg | 10,6 | 35,4 | 23,4 | 17,7 | 10,3 | 2,7 |
| Verpleging, verzorging en thuiszorg | 10,6 | 11,3 | 12,3 | 21,4 | 25,7 | 18,7 |
| Zorg en welzijn | 9,1 | 14,2 | 14,8 | 20,5 | 24,3 | 17,1 |
| Sociaal werk | 5,8 | 18,6 | 16,6 | 18 | 25,4 | 15,7 |
| Overige zorg en welzijn | 4,5 | 15 | 18,9 | 24,4 | 24,1 | 13 |
| Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg | 3,5 | 16,8 | 19,1 | 18,3 | 19,8 | 22,3 |
| Geestelijke gezondheidszorg | 1,9 | 15,2 | 23,6 | 23,2 | 21,3 | 14,8 |
| Huisartsen en gezondheidscentra | 1,9 | 12,3 | 15,6 | 15,2 | 17,9 | 37 |
3.3 Voor hoeveel overige zelfstandigen in zorg en welzijn is dit de voornaamste inkomensbron?
Voor 21 duizend overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023 was het inkomen als overige zelfstandige de voornaamste inkomensbron, dat is 29 procent van alle overige zelfstandigen in zorg en welzijn. Voor de overige 71 procent waren deze werkzaamheden dus een neveninkomen. Zij hebben nog een ander inkomen, bijvoorbeeld loon als werknemer of een uitkering, dat hun voornaamste inkomensbron is. Vooral in de branches kinderopvang en sociaal werk werkten relatief veel overige zelfstandigen waarvoor dat inkomen de voornaamste inkomensbron is, respectievelijk 47 procent en 43 procent. In de verpleging, verzorging en thuiszorg was dat 29 procent.
| Voornaamste inkomen (%) | Neveninkomen (%) | |
|---|---|---|
| Kinderopvang | 47,4 | 52,6 |
| Sociaal werk | 43,2 | 56,8 |
| Verpleging, verzorging en thuiszorg | 29,5 | 70,5 |
| Zorg en welzijn | 28,6 | 71,4 |
| Gehandicaptenzorg | 24,2 | 75,8 |
| Jeugdzorg | 21,7 | 78,3 |
| Overige zorg en welzijn | 18,8 | 81,2 |
| Geestelijke gezondheidszorg | 13,4 | 86,6 |
| Huisartsen en gezondheidscentra | 11,2 | 88,8 |
| Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg | 6,4 | 93,6 |
| Universitair medische centra | 2,1 | 97,9 |
3.4 Hoeveel inkomen verdienen overige zelfstandigen in zorg en welzijn?
Overige zelfstandigen, waarvan dit de voornaamste inkomensbron was, verdienden een doorsnee inkomen van 13 duizend euro op jaarbasis in 2021-2023. Van hen verdiende 42 procent minder dan 10 duizend euro en 18 procent meer dan 30 duizend euro. De ruime meerderheid (86 procent) van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn, waarvoor dat inkomen niet de voornaamste inkomensbron was, verdiende minder dan 10 duizend euro als overige zelfstandige in 2021-2023. Het doorsnee inkomen in deze groep was 2 duizend euro.
| Minder dan 10 000 euro (%) | 10 000 tot 20 000 euro (%) | 20 000 tot 30 000 euro (%) | 30 000 euro of meer (%) | |
|---|---|---|---|---|
| Voornaamste inkomen | 41,6 | 25,5 | 15,3 | 17,6 |
| Neveninkomen | 86,1 | 10 | 2,5 | 1,4 |
3.5 Wat voor werkzaamheden verrichten overige zelfstandigen in zorg en welzijn?
Bij het invullen van de belastingaangifte geven mensen een omschrijving van de werkzaamheden die zij opgeven als resultaat uit overige werkzaamheden. Deze omschrijving geeft inzicht in het type werkzaamheden dat overige zelfstandigen uitvoeren. De meest voorkomende termen genoemd door overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023 zijn “pgb” (persoonsgebonden budget; 40 procent) en “gastouder” (11 procent). Van de overige zelfstandigen in verpleging, verzorging en thuiszorg noemde de meerderheid (71 procent) “pgb” in de omschrijving van hun werkzaamheden. In de branches kinderopvang en sociaal werk noemde de meerderheid van de overige zelfstandigen “gastouder” in de omschrijving van hun werkzaamheden, respectievelijk 63 procent en 50 procent. Deze percentages betreffen een ondergrens van het percentage personen dat deze werkzaamheden daadwerkelijk uitvoert, omdat voor dit onderzoek alleen letterlijk de termen “pgb” en “gastouder” gebruikt worden en er geen rekening is gehouden met andere termen of spelfouten. In nader onderzoek kan deze typering worden uitgebreid.
| Pgb (x 1 000) | Gastouder (x 1 000) | Anders (x 1 000) | Onbekend (x 1 000) | |
|---|---|---|---|---|
| Verpleging, Verzorging en thuiszorg | 28,4 | 0 | 6,3 | 5,2 |
| Overige zorg en welzijn | 0,3 | 0 | 9,4 | 2,4 |
| Kinderopvang | 0,1 | 4,6 | 1,7 | 0,9 |
| Sociaal werk | 0,3 | 3,2 | 2 | 0,9 |
| Geestelijke gezondheidszorg | 0,1 | 0 | 2,7 | 0,7 |
| Universitair medische centra | 0 | 0 | 1,5 | 0,1 |
| Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg | 0 | 0 | 1 | 0,2 |
| Gehandicaptenzorg | 0,2 | 0 | 0,6 | 0,3 |
| Jeugdzorg | 0,1 | 0 | 0,4 | 0,2 |
| Huisartsen en gezondheidscentra | 0 | 0 | 0,5 | 0,2 |
3.6 Hoe geven overige zelfstandigen in zorg en welzijn deze werkzaamheden op in de EBB?
Op basis van de beschikbare informatie in de EBB is het niet mogelijk de groep overige zelfstandigen te onderscheiden binnen de totale groep zelfstandigen. Om toch meer inzicht te kunnen geven in de groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn, zijn in dit artikel gegevens uit het IIV gekoppeld aan de EBB. Van de 174 duizend mensen van 15 tot 75 jaar die de meeste uren werken als zelfstandige in zorg en welzijn op basis van de EBB in 2021-2023 was 10 procent overige zelfstandige.
Personen die inkomsten hebben als overige zelfstandigen geven dit niet altijd op als werk (als zelfstandige) in de EBB. Van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023 die ook hebben meegedaan aan de EBB gaf 50 procent in de EBB aan dat ze de meeste uren werken als zelfstandige. De overige personen waren werknemer (35 procent) of niet-werkzaam (15 procent). Overige zelfstandigen in zorg en welzijn, waarvan dit inkomen neveninkomen was, gaven in de EBB vooral aan dat ze de meeste uren werken als werknemer (77 procent).
Van degenen met inkomen als overige zelfstandige als voornaamste inkomensbron in zorg en welzijn die aangeven werknemer te zijn in de EBB, werkte 84 procent in de beroepen leidsters kinderopvang en onderwijsassistenten, sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders, schoonmakers en verzorgenden. Voor de meerderheid van hen past de omschrijving van werkzaamheden als overige zelfstandige op basis van het IIV bij dit beroep. Voor overige zelfstandigen (als voornaamste inkomen) in zorg en welzijn die niet-werkzaam zijn op basis van de EBB, kan alleen gekeken worden naar de werkzaamheden op basis van het IIV. Ruim de helft van hen omschrijft de werkzaamheden als overige zelfstandige met “pgb”. Bij deze resultaten moet rekening gehouden worden met de verschillen tussen deze bronnen. In het IIV wordt op basis van informatie van de Belastingdienst bepaald of iemand overige zelfstandige is over een heel jaar, in de EBB wordt de positie in de werkkring bepaald op basis van wat iemand opgeeft op het moment van enquêteren.
| Zelfstandige (%) | Werknemer (%) | Niet-werkzaam (%) | |
|---|---|---|---|
| Voornaamste inkomen | 50 | 35,3 | 14,7 |
| Neveninkomen | 11,9 | 76,7 | 11,4 |
4. Conclusie
De groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn is een zeer diverse groep. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld personen die zorg verlenen aan bekenden via een PGB, gastouders die niet in loondienst zijn en niet voldoen aan de ondernemerscriteria, of personen die (incidenteel) inkomsten ontvangen als huishoudelijke hulp, gastspreker, docent, of auteur. Centraal in dit artikel stond de vraag: wie zijn de overige zelfstandigen in zorg en welzijn? Daarvoor is op basis van het IIV en de EBB een beeld geschetst voor de periode 2021-2023.
De resultaten laten zien dat de groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn met 74 duizend (32 procent van alle zelfstandigen in zorg en welzijn) relatief groot is. Wel is voor het merendeel van hen de inkomsten als overige zelfstandige een neveninkomst; in 2021-2023 ging het om 71 procent. Op jaarbasis was het doorsnee inkomen in deze groep 2 duizend euro. Voor de resterende 29 procent van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn was het inkomen als overige zelfstandige de voornaamste inkomensbron. Het doorsnee inkomen in deze groep was 13 duizend euro op jaarbasis.
De meerderheid van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023 was vrouw (80 procent) en de gemiddelde leeftijd was 49 jaar. Overige zelfstandigen in zorg en welzijn werkten vooral in de branche verpleging, verzorging en thuiszorg (40 duizend), dat is 68 procent van alle zelfstandigen in deze branche. Na de verpleging, verzorging en thuiszorg, werkten de meeste overige zelfstandigen in de branches overige zorg en welzijn (12 duizend), kinderopvang (7 duizend) en sociaal werk (6 duizend).
Om een beter beeld te krijgen van de werkzaamheden van overige zelfstandigen in zorg en welzijn is gekeken naar de omschrijving van de werkzaamheden van het resultaat uit overige werkzaamheden bij de belastingaangifte. Daaruit blijkt dat in 2021-2023 “pgb” (40 procent) en “gastouder” (11 procent) de meest gebruikte termen zijn door overige zelfstandigen in zorg en welzijn om hun werkzaamheden te beschrijven. Deze percentages betreffen een ondergrens van het percentage personen dat deze werkzaamheden daadwerkelijk uitvoert, omdat hiervoor alleen letterlijk deze termen gebruikt zijn en er dus geen rekening is gehouden met andere termen of spelfouten. In nader onderzoek kan deze typering worden uitgebreid.
Door middel van een koppeling tussen gegevens van het IIV en de EBB is verder onderzocht hoe overige zelfstandigen deze werkzaamheden opgeven in de EBB. Van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023, waarvan dit de voornaamste inkomensbron was, werkte 50 procent de meeste uren als zelfstandige op basis van de EBB. De overige personen waren werknemer (35 procent) of niet-werkzaam (15 procent). Van degenen met inkomen als overige zelfstandige als voornaamste inkomensbron in zorg en welzijn die aangeven werknemer te zijn in de EBB, werkte 84 procent in de beroepen leidsters kinderopvang en onderwijsassistenten, sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders, schoonmakers en verzorgenden. Voor de meerderheid van hen past de omschrijving van werkzaamheden als overige zelfstandige op basis van het IIV bij dit beroep. Bij deze resultaten moet rekening gehouden worden met de verschillen tussen deze bronnen. In het IIV wordt op basis van informatie van de Belastingdienst bepaalt of iemand overige zelfstandige is over een heel jaar, in de EBB wordt de positie in de werkkring bepaald op basis van wat iemand opgeeft op het moment van enquêteren.
Referentielijst
CBS. 2024. Zelfstandigen in zorg en welzijn: een vergelijking tussen bronnen
CBS. 2025. Data over zelfstandigen in zorg en welzijn: trends, ondernemingen, klanten