Auteur(s): Roel Gort, Ron de Heij, Furkan Yasar, Mark Ramaekers, Dewi van Hecke-van Aerde, Dieuwertje van der Vlugt, Jane Sieters

De regionale economie 2025

Over deze publicatie

Hoe heeft de economie zich per regio ontwikkeld in 2025? Hoe ging het lokaal met de arbeidsmarkt en met de ondernemers? Hoe verschillen de regio’s qua brede welvaart?

In het kort:
- Vooral groei in die regio’s die een jaar eerder minder snel groeiden. Bijvoorbeeld: Fryslân in 2025 snelste groeier, maar in 2024 nog lichte krimp.
- In Groningen groei na aantal jaren krimp.
- Werkloosheid het meest gestegen in Zuid-Holland en hier ook het hoogst. Zuid-Holland kent ook een relatief lage brede welvaart ‘hier en nu’ en een lage brede welvaart ‘later’.
- Ook in Flevoland is de brede welvaart ‘hier en nu’ relatief laag. De brede welvaart ‘later’ is er echter niet zo laag, dankzij een groot natuurlijk kapitaal.

1. Inleiding

‘De regionale economie’ is een jaarlijkse publicatie van het CBS over regionale ontwikkelingen op het gebied van economische groei, bedrijven en de arbeidsmarkt. Dit jaar wordt voor het eerst ook aandacht besteed aan de regionale brede welvaart. Deze editie verschijnt in mei in plaats van april; het voordeel hiervan is dat er meer actuele jaarcijfers kunnen worden gepresenteerd.

De cijfers uit deze publicatie komen van de regionale rekeningen, een onderdeel van de nationale rekeningen, het stelsel waarmee onder meer het bruto binnenlands product (bbp) wordt berekend. De regionale rekeningen leveren onder andere regionale cijfers over de economische groei, het bbp per hoofd van de bevolking, de werkgelegenheid en de verdeling van de toegevoegde waarde over de bedrijfstakken. Daarnaast worden in deze publicatie ook gegevens gepresenteerd uit de bedrijfsstatistieken, de sociaaleconomische en ruimtelijke statistieken, en de milieurekeningen.

Hoofdstuk 2 bespreekt de regionaal-economische ontwikkeling in 2025. Het gaat in op het regionale bbp en de toegevoegde waarde van bedrijfstakken. Aan bod komen zowel provincies, als binnen-provinciale regio’s en de vier grote steden.

Hoofdstuk 3 gaat dieper in op de regionale ontwikkeling van bedrijfstakken in 2025. Het gaat hier zowel om de aantallen bedrijven als om de perceptie van ondernemers: hoe kijken zij aan tegen bijvoorbeeld hun concurrentiepositie en hun personeelssterkte? In dit hoofdstuk wordt alleen gekeken naar verschillen tussen provincies.

Hoofdstuk 4 staat stil bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in de provincies. Daarbij komen de werkgelegenheid, de werkloosheid en de spanning op de arbeidsmarkt aan bod. Daarnaast wordt ingegaan op de arbeidsparticipatie per gemeente. De werkgelegenheid betreft informatie over 2024, de overige gegevens gaan over 2025.

Hoofdstuk 5 belicht de regionale brede welvaart. Het gaat hierbij met name om de vraag hoe vaak regio’s boven of onder het gemiddelde blijven en voor welke thema’s en onderliggende indicatoren. Naast verschillen op provincieniveau wordt ook ingegaan op binnen-provinciale regio’s.

Regionale indelingen

Een veel gebruikte regionale indeling die dieper gaat dan de provinciale is in die in 40 zogenoemde COROP-gebieden. Ook in deze publicatie wordt deze indeling op diverse plekken gebruikt. Omdat de indeling uit 1971 enigszins gedateerd is, worden ook wel uitbreidingen hierop gehanteerd, zoals die in 43 zogeheten COROP-sub-gebieden en in 52 COROP-plus-gebieden (hoofdstuk 2). De vier grote steden, de G4, zijn in deze publicatie gedefinieerd als hoofdgemeente plus een aantal omringende gemeenten. Meer precies:

  • Amsterdam betreft COROP-gebied Groot-Amsterdam;
  • Rotterdam betreft COROP-subgebied Rijnmond;
  • Den Haag omvat COROP-gebied Agglomeratie ’s-Gravenhage;
  • Utrecht ten slotte omvat COROP-plusgebied stadsgewest Utrecht.

Vaak worden de regio’s simpelweg aangeduid met de naam van de grootste gemeente.

2. Economische groei

Dit hoofdstuk bespreekt de regionaal-economische ontwikkeling in 2025. Het stuk begint met het algemene beeld en de verschillen tussen provincies, gevolgd door de ontwikkeling van de bedrijfstakken, binnen-provinciale regio’s (de COROP-plus gebieden) en de vier grote steden (G4).

Economie verder doorgegroeid in 2025

Na een economische groei van 1,1 procent in 2024, zet die groei door met 1,8 procent in 2025. Dit ondanks geopolitieke spanningen, dreigende handelsoorlogen en algehele onzekerheden op het wereldtoneel en de economie. Een stabielere inflatie en gestegen cao-lonen leidden tot meer beschikbaar inkomen.

Ook Groningen groeit weer mee met de rest van Nederland

Waar vorig jaar nog de provincie Groningen opviel met een forse krimp van 2,1 procent, is er nu sprake van economische groei in álle provincies. De grootste groei was in Fryslân en de laagste in Limburg.

In Groningen was de afgelopen paar jaar sprake van economische krimp. Dat was vooral toe te wijzen aan de afbouw van de gaswinning. Die trend lijkt nu gekanteld. De economie in de provincie Groningen groeide in 2025 met 1,1 procent. Vooral de bedrijfstakken handel, overheid en zorg zorgden voor deze groei.

De Friese economie liet in 2024 nog een krimp van 0,8 procent zien. Daartegenover staat dat de economie in Fryslân in 2025 met 2,4 procent het sterkst groeit. Die groei kwam grotendeels voort uit de bedrijfstakken overheid, zorg en financiële dienstverlening.

2.1 Economische groei
Regio2025 (%)2024 (%)
Nederland1,81,1
Fryslân2,4-0,8
Drenthe2,11,1
Flevoland2,02,1
Utrecht2,02,3
Overijssel1,91,3
Noord-Holland1,81,1
Noord-Brabant1,70,7
Gelderland1,61,6
Zuid-Holland1,61,6
Zeeland1,51,3
Groningen1,1-2,1
Limburg0,8-0,8
Rotterdam2,00,6
Amsterdam1,91,0
Utrecht1,93,2
Den Haag0,92,8

Net als in 2024 groeiden de economieën van alle vier de grote steden. Rotterdam groeide het hardst met 2,0 procent. Ook in Amsterdam en Utrecht groeide de economie harder dan in Nederland als geheel met 1,9 procent voor beiden. Alleen Den Haag bleef achter met een groei van 0,9 procent. Het gaat bij de vier grote steden om de COROP-gebieden waar zij in liggen, dus inclusief omringende gemeenten

In Rotterdam wordt de toegevoegde economische waarde vooral door de bedrijfstakken handel en vervoer bepaald. Dit dankzij de grootste haven van Nederland en een van de grootste ter wereld. Daarnaast zijn zakelijke dienstverlening en de overheid ook belangrijke bedrijfstakken in Rotterdam.

In Den Haag is de overheid de grootste bedrijfstak, gevolgd door de financiële dienstverlening. In 2025 zagen de bedrijfstakken financiële en zakelijke dienstverlening een kleine krimp, wat de algehele groei van de Haagse economie matigde.

Groei in bijna alle regio’s van Nederland

De cijfers over economische groei kunnen worden uitgesplitst naar 52 zogeheten COROP-plusgebieden. In bijna alle gebieden groeide de economie in 2025. Alleen in Oost-Groningen en Den Bosch kromp de economie, met 0,3 respectievelijk 0,1 procent.

Vergeleken met 2024 was in 2025 een sterkere groei in regio’s waar de economie in 2024 gematigde groei of zelfs lichte krimp liet zien. Bijvoorbeeld Delfzijl en omgeving met een groei van 2,8 procent ten opzichte van een krimp van 4,6 procent een jaar eerder. En ander voorbeeld is Zuidoost-Friesland met een groei van 4,7 procent ten opzichte van 1,6 procent in 2024.

2.3 Economische groei t.o.v. vorig jaar
Regionaam2025 (%)2024 (%)
Oost-Groningen-0,3-4,4
Delfzijl en omgeving2,8-4,6
Overig Groningen1,2-1,4
Noord-Friesland0,9-4,1
Zuidwest-Friesland2,43,7
Zuidoost-Friesland4,71,6
Noord-Drenthe3,02,6
Zuidoost-Drenthe1,51,9
Zuidwest-Drenthe1,7-1,6
Noord-Overijssel3,21,4
Zuidwest-Overijssel1,11,2
Twente1,31,3
Veluwe1,41,8
Achterhoek1,90,8
Arnhem/Nijmegen1,61,7
Zuidwest-Gelderland1,91,7
Utrecht-West2,1-0,2
Stadsgewest Amersfoort2,80,5
Stadsgewest Utrecht1,93,2
Zuidoost-Utrecht1,90,1
Kop van Noord-Holland2,11,2
Alkmaar en omgeving2,01,8
IJmond1,95,1
Agglomeratie Haarlem1,61,0
Zaanstreek4,40,8
Amsterdam1,81,0
Overig Agglomeratie Amsterdam1,72,0
Edam-Volendam en omgeving2,00,0
Haarlemmermeer en omgeving1,90,5
Het Gooi en Vechtstreek0,2-1,0
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek1,33,2
Aggl. 's-Gravenhage excl. Zoetermeer0,93,2
Zoetermeer1,20,4
Delft en Westland2,21,7
Oost-Zuid-Holland1,61,4
Rijnmond2,00,6
Overig Groot-Rijnmond1,80,4
Drechtsteden1,50,5
Overig Zuidoost-Zuid-Holland2,12,8
Zeeuwsch-Vlaanderen0,41,0
Overig Zeeland1,91,4
West-Noord-Brabant1,31,3
Midden-Noord-Brabant2,01,0
Stadsgewest 's-Hertogenbosch-0,1-0,4
Overig Noordoost-Noord-Brabant2,01,6
Zuidoost-Noord-Brabant2,30,2
Noord-Limburg1,1-0,1
Midden-Limburg2,35,8
Zuid-Limburg0,0-3,9
Almere0,9-0,9
Flevoland-Midden2,56,1
Noordoostpolder en Urk4,01,2

Toelichting methode

De raming van de regionale economische groei voor 2025 is gebaseerd op de jaarramingen van de regionale rekeningen. De regionale rekeningen worden zoveel mogelijk op basis van microdata samengesteld, waarbij de regionale cijfers worden aangesloten op de totalen uit de nationale rekeningen. De bronnen die we hierover gebruiken zijn de arbeidsrekeningen, de nationale rekeningen, de enquête regionale werkgelegenheid en de Polisadministratie. Voor de berekening van 2025 is de enquête regionale werkgelegenheid uit het jaar ervoor gebruikt.

3. Bedrijven

Dit hoofdstuk gaat over regionale verschillen in de demografische en conjuncturele ontwikkelingen bij bedrijven (inclusief eenmanszaken). Het regionale niveau dat wordt gehanteerd is dat van provincies. Aan de orde komen onder andere het aantal bedrijven en de stemming onder ondernemers: hoe kijken zij aan tegen bijvoorbeeld hun concurrentiepositie en hun personeelssterkte?

Sterke toename bedrijfsvestingen in Flevoland

Het totaal aantal bedrijven en bedrijfsvestigingen neemt al jaren toe. Ook op 1 januari 2025 telde Nederland meer bedrijfsvestigingen dan een jaar eerder, maar de toename was kleiner dan in het voorgaande jaar. In Flevoland was de stijging tussen 1 januari 2024 en 1 januari 2025 met 2,8 procent het sterkst. Ook in Overijssel, Zuid-Holland en Noord-Brabant nam het aantal bedrijfsvestigingen sterker toe dan gemiddeld. In deze drie provincies is de groei meestal hoger dan gemiddeld. Fryslân, Groningen en Zeeland groeiden het minst in 2024. In deze provincies is de groei meestal lager dan gemiddeld.

3.1 Bedrijfsvestigingen1)
Regio2025* (% verandering
t.o.v. een jaar eerder)
2024* (% verandering
t.o.v. een jaar eerder)
Nederland1,76,3
Flevoland2,88,0
Overijssel1,95,4
Zuid-Holland1,87,6
Noord-Brabant1,85,7
Noord-Holland1,76,6
Gelderland1,75,9
Limburg1,75,3
Utrecht1,66,2
Drenthe1,64,8
Groningen1,56,1
Fryslân1,55,1
Zeeland1,25,2
1) Stand 1 januari *voorlopige cijfers

In alle provincies nam het aantal bedrijfsvestigingen in 2024 minder sterk toe dan in het jaar ervoor. Vooral in Zuid-Holland en Flevoland nam de groei af. Aan het begin van 2025 telde Nederland ruim 2,5 miljoen bedrijfsvestigingen. Meer dan 40 procent daarvan bevond zich in Noord- of Zuid-Holland.

Hoogste aandeel oprichtingen in Flevoland

Elk jaar komen er nieuwe bedrijfsvestigingen bij én worden er een groot aantal gesloten. In 2024 werden bijna 230 duizend vestigingen opgericht, wat neerkomt op 9 procent van het aantal vestigingen. Dat is minder dan in het jaar ervoor. In Flevoland, Zuid-Holland en Noord-Holland was het aandeel oprichtingen, met 10 procent of meer, het hoogst. In Drenthe, Zeeland en Fryslân was het aandeel oprichtingen met minder dan 8 procent het laagst. Ook in eerdere jaren was het aantal oprichtingen in Flevoland en Zuid-Holland relatief hoog en in Drenthe en Fryslân relatief laag. 

3.2 Aandeel oprichtingen en opheffingen bedrijfsvestigingen, 2024*
RegioOprichtingen (% van vestigingspopulatie)Opheffingen (% van vestigingspopulatie)
Nederland9,26,6
Flevoland10,87,4
Zuid-Holland10,27,2
Noord-Holland10,07,0
Groningen9,06,5
Utrecht8,86,2
Limburg8,66,4
Noord-Brabant8,66,2
Overijssel8,35,9
Gelderland8,26,0
Drenthe7,65,9
Zeeland7,55,9
Fryslân7,45,6
*voorlopige cijfers

Waar het aantal oprichtingen in 2024 afnam, nam het aantal opheffingen toe. In 2024 sloot 6,6 procent van alle vestigingen de deuren. Een jaar eerder was dat nog 4,9 procent. In 2024 sloot 7,4 procent van de vestigingen in Flevoland de deuren, het hoogste percentage van alle provincies. Ook in de jaren ervoor kende Flevoland al het hoogste percentage opheffingen. In Fryslân was het aandeel opgeheven vestigingen in 2024 met 5,6 procent het kleinst. Het aandeel opheffingen is er meestal klein, net als in Zeeland. In alle provincies nam het aantal opgeheven vestigingen in 2024 toe. 

In meeste provincies afname faillissementen

Een beperkt deel van alle opheffingen wordt veroorzaakt door een faillissement. Bedrijven kunnen ook om andere redenen stoppen, bijvoorbeeld om een faillissement te voorkomen. Landelijk gingen er 3 635 bedrijven en instellingen failliet in 2025, inclusief eenmanszaken. Niet gecorrigeerd voor zittingsdagen waren dat er 15 procent minder dan een jaar eerder.

De afname van het aantal faillissementen was in 2025 in veel provincies zichtbaar, behalve in vier provincies. In Flevoland, Zeeland en Utrecht nam het aantal faillissementen toe. In Drenthe werden in 2025 net zo veel bedrijven failliet verklaard als in het jaar ervoor. Vooral in Noord-Brabant, Fryslân en Gelderland nam het aantal faillissementen af. De afname was het sterkst in Noord-Brabant. Er werden 30 procent minder faillissementen uitgesproken dan in 2024. 

3.3 Faillissementen van bedrijven en instellingen (incl. eenmanszaken), 2025*
Regio% verandering t.o.v. voorgaand jaar (%)
Groningen-15,6
Fryslân-26,6
Drenthe0
Overijssel-19,6
Flevoland18,6
Gelderland-22,6
Utrecht6,8
Noord-Holland-8,6
Zuid-Holland-17,6
Zeeland9,8
Noord-Brabant-29,7
Limburg-3,1
*voorlopige cijfers

In alle provincies minder winkels

Nederland telde 80 120 fysieke winkelvestigingen1) op 1 januari 2025. Dit zijn bijna 4 procent minder winkels vergeleken met het jaar ervoor. Procentueel gezien was de afname het grootst in Drenthe (-4,7 procent), gevolgd door Fryslân en Flevoland. In Zeeland en Overijsel nam het aantal fysieke winkelvestigingen het minst af.

3.4 Ontwikkeling aantal fysieke winkelsvestigingen, 2025*
Regio% verandering t.o.v. voorgaand jaar (% verandering t.o.v. jaar eerder)
Nederland-3,8
Zeeland-2,9
Overijssel-3,0
Limburg-3,3
Noord-Brabant-3,5
Utrecht-3,6
Groningen-3,6
Gelderland-3,7
Noord-Holland-3,7
Zuid-Holland-4,0
Flevoland-4,4
Fryslân-4,4
Drenthe-4,7
*voorlopige cijfers

Ondernemersvertrouwen Flevoland en Zeeland daalde

Elk kwartaal beantwoorden ondernemers2) vragen uit de Conjunctuurenquête Nederland over hoe hun bedrijf ervoor staat en wat hun verwachtingen zijn. Behalve statistieken over de antwoorden maakt het CBS hiermee ook een statistiek over het totaalbeeld, het ondernemersvertrouwen. Dit ondernemersvertrouwen is al vanaf begin 2022 negatief. Begin 2026 was de indicator minder negatief dan een jaar eerder: -1,8 versus -5,2. Dat de indicator minder negatief was, gold voor veel provincies. Alleen in Flevoland en Zeeland verslechterde deze.

In de meeste provincies, behalve in Utrecht, Gelderland en Overijssel, was het ondernemersvertrouwen negatief aan het begin van het eerste kwartaal van 2026. In Flevoland was het ondernemersvertrouwen met -8,9 het laagst van alle provincies gevolgd door Zeeland en Limburg. Het ondernemersvertrouwen was het hoogste onder ondernemers in Utrecht.

3.5 Ondernemersvertrouwen
Ondernemersvertrouwen1e kwartaal 2026* (saldo % positieve antwoorden % negatieve antwoorden)1e kwartaal 2025 (saldo % positieve antwoorden % negatieve antwoorden)
Nederland-1,8-5,2
Utrecht2,3-0,8
Gelderland1,2-6,4
Overijssel1-5,1
Drenthe-0,9-6,7
Groningen-2,1-6,6
Noord-Brabant-2,3-4,9
Fryslân-2,8-4,9
Noord-Holland-2,9-6,7
Zuid-Holland-2,9-4,7
Limburg-3,6-6,1
Zeeland-5,1-4,5
Flevoland-8,9-4,4
*voorlopige cijfers

Oordeel over concurrentiepositie in alle provincies positief

In alle provincies zijn er meer ondernemers die hun concurrentiepositie op de Nederlandse markt zagen verbeteren dan dat zij die zagen verslechteren. Landelijk was het saldo 4 procent. In Utrecht was dit saldo het hoogst: bijna 10 procent. Ook in Gelderland en Overijssel waren ondernemers relatief vaak positief over de concurrentiepositie op de Nederlandse markt. Ondernemers in Groningen en Zeeland waren het minst vaak positief. In deze provincies verslechterde het oordeel van ondernemers over de concurrentiepositie op de Nederlandse markt ook het sterkst vergeleken met dezelfde periode vorig jaar.

3.6 Saldo concurrentiepositie Nederlandse markt
Regio1e kwartaal 2026* (saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)1e kwartaal 2025 (saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Nederland4,01,6
Utrecht9,93,3
Gelderland6,82,5
Overijssel6,23,3
Fryslân5,54,9
Zuid-Holland4,71,5
Limburg3,00,8
Flevoland2,14,5
Noord-Holland1,9-2,4
Drenthe1,6-4,4
Noord-Brabant1,53,5
Zeeland1,25,6
Groningen1,14,7
*voorlopige cijfers

Verwachting personeelssterkte positiefst in Utrecht

In alle provincies, behalve in Groningen, verwachtten ondernemers voor 2026 een uitbreiding van het personeelsbestand. Ondernemers in Utrecht waren met een saldo van 13 procent het meest positief gestemd over een toename. In Groningen daarentegen verwachtte per saldo 4 procent van de ondernemers een afname. Landelijk gezien verwachtte ruim 8 procent een toename. 

3.7 Verwachte1) personeelssterkte voor 2026
Regio4e kwartaal 2025 (saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden)
Nederland8,5
Utrecht13,0
Gelderland11,1
Flevoland11,1
Drenthe10,6
Limburg8,6
Noord-Brabant8,4
Overijssel8,2
Zuid-Holland8,2
Zeeland7,6
Noord-Holland7,0
Fryslân3,3
Groningen-4,0
1)De verwachting voor 2026 is gemeten in het vierde kwartaal van 2025.

Arbeid droeg meest bij aan kostenstijging

Personeelssterkte bepaalt een groot deel van de arbeidskosten van bedrijven, maar de uiteindelijke kosten hangen ook af van bijvoorbeeld loonhoogte, arbeidsduur en samenstelling van het personeel. Bijna 82 procent van de bedrijven geeft aan dat de arbeidskosten het meest bijdroegen aan de totale kostenstijging in 2025. Zeeuwse ondernemers noemde deze reden minder vaak (71 procent). Kosten voor grondstoffen en materialen zijn een andere veelgenoemde bijdrage aan de totale kostenstijging in 2025. Bijna 30 procent van de bedrijven noemde dit als reden. Ondernemers in Flevoland gaven relatief vaak aan dat kosten voor grondstoffen en materialen het meest aan de totale kostenstijging bijdroegen. Dit gold voor 38 procent van hen.

3.8 Belangrijkste kostenposten bij kostenstijging1)2)
RegioArbeid (% bedrijven)Grondstoffen en materialen (% bedrijven)Energie (% bedrijven)Transport en logistiek (% bedrijven)Huisvesting (% bedrijven)Overige (% bedrijven)
Nederland81,62911,510,5811,7
Drenthe84,336,79,79,84,76,2
Overijssel84,034,712,19,45,39,1
Fryslân83,327,011,810,58,710,5
Flevoland83,238,112,915,88,25,0
Utrecht82,825,910,58,49,213,3
Noord-Brabant82,635,213,110,27,99,1
Gelderland82,333,511,711,68,89,9
Groningen81,623,615,115,67,811,1
Zuid-Holland81,426,912,110,67,213,3
Noord-Holland80,322,07,89,09,615,1
Limburg78,626,614,514,97,011,1
Zeeland71,030,117,910,95,915,4
1) In de afgelopen 12 maanden; meting begin 1e kwartaal 2026. 2) Ondernemers konden maximaal twee antwoorden kiezen.

Gelderse bedrijven kunnen kostenstijgingen het vaakst volledig of grotendeels doorberekenen

Van de bedrijven in Gelderland gaf bijna 49 procent aan de kostenstijgingen grotendeels te kunnen doorberekenen in de prijzen en tarieven aan afnemers en klanten. Iets minder dan 5 procent van de Gelderse bedrijven gaf aan dit volledig te kunnen doen.

Bedrijven in Groningen gaven veel minder vaak aan dat zij gestegen kosten voor een groot deel kunnen doorberekenen. Van hen gaf 34 procent aan dit voor een groot deel te kunnen. Groningse bedrijven gaven juist het vaakst aan dat zij de kosten voor een klein deel kunnen doorberekenen aan afnemers en klanten: bijna 49 procent.

3.9 Doorberekening van kostenstijgingen aan klanten1)
RegioVoor een groot deel (% bedrijven)Volledig (% bedrijven)Voor een klein deel (% bedrijven)Geheel niet (% bedrijven)Niet van toepassing, geen kostenstijging (% bedrijven)
Nederland41,45,143,46,33,8
Gelderland48,74,939,15,41,9
Drenthe474,841,243
Utrecht45,85,6413,24,4
Fryslân45,27,240,94,62,1
Flevoland42,35,442,57,02,8
Zuid-Holland42,14,741,77,83,7
Overijssel41,47,739,47,34,2
Noord-Brabant404,846,46,32,5
Zeeland38,67,144,66,53,2
Limburg38,43,346,26,65,5
Noord-Holland36,74,946,56,35,6
Groningen34,45,448,67,34,3
1)Meting begin 1e kwartaal 2026.

Bedrijven in Groningen en Noord-Holland minst positief over investeringen in R&D

Investeringen in innovatie en onderzoek (R&D) kunnen bedrijven helpen hun productiviteit te verhogen en hun concurrentiepositie te versterken. Hierdoor kunnen zij beter omgaan met stijgende kosten of toenemende concurrentiedruk.

Per saldo verwachtte bijna 5 procent van de Nederlandse bedrijven die investeren in R&D een toename van deze investeringen in 2026. Met een saldo van bijna 10 procent waren die verwachtingen het hoogst in Drenthe. In Groningen verwachtten bedrijven per saldo een afname van hun investeringen in R&D (-4 procent). Voor bedrijven in Noord-Holland gold dat per saldo 1,2 procent een toename verwacht.

3.10 Verwachte investeringen in R&D voor 2026
Regiosaldo % bedrijven die toe- of afname verwachten (saldo % bedrijven die toe- of afname verwachten)
Nederland4,8
Drenthe9,7
Utrecht8,0
Limburg6,9
Noord-Brabant6,7
Overijssel6,2
Flevoland5,5
Zuid-Holland5,5
Fryslân4,6
Gelderland3,9
Zeeland3,7
Noord-Holland1,2
Groningen-4,0

Voor bedrijven die investeren in R&D is het verbeteren van de kwaliteit van producten of diensten de meest genoemde reden voor deze investeringen. Dit geldt voor bedrijven in alle provincies, behalve in Flevoland. Voor hen is het verhogen van de productiviteit de belangrijkste reden (29 procent). Bedrijven in Noord-Brabant noemen vaker dan bedrijven in andere provincies het versterken van de concurrentiepositie als belangrijke reden.

1) In de statistiek van de fysieke winkels in de detailhandel doen de tankstations en apotheken niet mee. Ook de detailhandel die niet in een winkel plaatsvindt, zoals de markthandel, de colportage en straathandel, de postorderbedrijven en de webwinkels, worden in deze statistiek niet geteld.

Een vestiging wordt meegeteld als er een SBI-klasse en postcode bekend is. Indien twee winkels van dezelfde supermarktketen in dezelfde postcode (bijvoorbeeld 1111XX) gevestigd zijn telt dit als een vestiging. Deze cijfers zijn gebaseerd op SBI-registraties bekend bij het CBS. Bedrijven dienen zelf de juiste SBI-indeling aan te geven op basis van hun activiteit. Het kan zo zijn dat een bedrijf actief is in meerdere SBI-klassen, echter zijn de cijfers gemaakt op de primaire SBI-klasse.

2) Totaal (exclusief financiële of nutsbedrijven).

4. Arbeidsmarkt

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling op de arbeidsmarkt per regio besproken. Daarbij komen de werkgelegenheid, de werkloosheid en de spanning op de arbeidsmarkt aan bod. Daarnaast wordt ingegaan op de arbeidsparticipatie per gemeente. Voor werkgelegenheid zijn de meest recente cijfers over 2024. Voor de overige indicatoren is dat 2025.

Groei werkgelegenheid vlakt sinds 2022 af

Sinds 2022 lijkt de stijging van de werkgelegenheid over de jaren steeds af te vlakken. De werkgelegenheid steeg in 2024 met 0,9 procent. Dat is een toename van 78 duizend arbeidsjaren. In 2023 was deze stijging iets groter, namelijk 1,9 procent, gelijk aan een toename van 158 duizend arbeidsjaren. Het jaar daarvoor, in 2022, was deze stijging bijna dubbel zo groot, namelijk 3,5 procent, gelijk aan een toename van 275 duizend arbeidsjaren.

Relatief kenden Utrecht, met 2,4 procent, en Drenthe, met 1,6 procent, de sterkste groei in arbeidsjaren ofwel werkgelegenheid. Middelgrote provincies als Drenthe en Groningen laten een relatief sterke procentuele groei zien (meer dan 1,0 procent), terwijl de groei in grote provincies als Noord- en Zuid-Holland relatief beperkt blijft (minder dan 1,0 procent). In Limburg en Fryslân is de werkgelegenheid in 2024 onveranderd gebleven ten opzichte van 2023.

4.1 Arbeidsjaren
Provincie2024* (% verandering t.o.v. een jaar eerder)2023* (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Nederland0,91,9
Utrecht2,42,7
Drenthe1,62,4
Gelderland1,41,5
Groningen1,30,9
Zeeland1,31,2
Overijssel0,91,0
Noord-Holland0,93,0
Noord-Brabant0,81,6
Zuid-Holland0,61,8
Flevoland0,22,8
Fryslân0,01,4
Limburg0,00,9
*voorlopige cijfers

Werkgelegenheid kan ook worden weergegeven in het aantal werkzame personen. Ook hier vlakt de stijging de laatste jaren steeds meer af. In totaal waren in 2024 ruim 10,3 miljoen mensen aan het werk in Nederland. Dat zijn er ruim 100 duizend meer dan een jaar eerder, een toename van 1,0 procent. In 2023 groeide het aantal werkzame personen met bijna 166 duizend, een toename van 1,7 procent.

Zuid-Holland kende in absolute zin de grootste stijging van het aantal werkzame personen, met ruim 19 duizend. Noord-Brabant volgde met bijna 14 duizend en Gelderland met ruim 12 duizend. Relatief steeg het aantal werkzame personen het sterkst in Groningen en Zeeland, in beide provincies met 1,9 procent. In Noord-Holland was de groei het laagst van alle provincies, namelijk 0,5 procent. In 2023 was de groei daar nog het hoogst, namelijk 2,0 procent.

4.2 Werkzame personen
Provincie2024* (% verandering t.o.v. een jaar eerder)2023* (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Nederland1,01,7
Groningen 1,91,5
Zeeland 1,91,8
Fryslân 1,81,5
Limburg 1,71,4
Drenthe 1,41,4
Utrecht 1,22,0
Gelderland 1,01,5
Zuid-Holland 0,91,6
Noord-Brabant 0,91,5
Overijssel0,71,5
Flevoland 0,61,2
Noord-Holland 0,52,0
*voorlopige cijfers

Meer zelfstandigen in 2024

In 2024 bleef het aantal zelfstandigen in Nederland nog stijgen. Ruim 17 procent van de werkzame personen in Nederland waren toen zelfstandig, daartegenover werkten bijna 83 procent in loondienst. In Fryslân, Zeeland en Flevoland zijn relatief veel zelfstandigen: het aandeel is meer dan 20 procent. In Utrecht en Overijssel werken daarentegen relatief veel mensen in loondienst. De groei van het aantal zelfstandigen was in 2024 met 2,3 procent hoger dan de groei van het totaal aantal werkzame personen, dat met 0,7 procent steeg. In Noord-Holland was de groei van het aantal zelfstandigen het grootst met bijna 8 duizend. In Zuid-Holland was de groei van het aantal mensen in loondienst het grootst met zo’n 16 duizend. In 2025 nam het aantal zelfstandigen in Nederland voor het eerst in lange tijd af.

4.3 Werkzame personen, 2024*
ProvincieZelfstandigen (%)Werknemers (%)
Nederland17,182,9
Fryslân 20,779,3
Zeeland 20,579,5
Flevoland 20,379,7
Drenthe 19,081,0
Gelderland 17,882,2
Noord-Holland 17,482,6
Zuid-Holland 17,182,9
Groningen 16,783,3
Limburg 16,383,7
Noord-Brabant 16,283,8
Overijssel15,784,3
Utrecht 15,384,7
*voorlopige cijfers

Gemiddeld genomen is het aandeel zelfstandigen in alle provincies het hoogst in de landbouw, bosbouw en visserij, namelijk zo’n 54 procent. In Fryslân is het aandeel zelfstandigen in deze bedrijfstak 72 procent, lager dan in 2022 en 2023. In Noord- en Zuid-Holland is bouwnijverheid een bedrijfstak met een relatief groot aandeel zelfstandigen. Het aantal zelfstandigen is binnen de zakelijke dienstverlening en bouwnijverheid de afgelopen jaren sterk toegenomen.

Werknemersbanen vaak in de handel en de zorg

In 148 van de 342 gemeenten (43 procent) is de handel de bedrijfstak met de meeste banen voor werknemers, gemeten per december 2024. Op de tweede plaats staat de zorg, die in 119 gemeenten de grootste werkgever is (35 procent). De industrie is in 37 gemeenten het grootst (11 procent). De zorg is vooral belangrijk in Noord-Nederland: in 7 van de 10 gemeenten die liggen in de provincie Groningen en 8 van de 12 gemeenten in Drenthe is de zorg de grootste bedrijfstak. In de provincies Flevoland, Overijssel, Zuid-Holland en Noord-Brabant is de handel het sterkst vertegenwoordigd. Maar Noord-Brabant telt ook de meeste gemeenten met veel industrie. De horeca scoort het hoogst op de Waddeneilanden, maar ook in enkele gemeenten in Zeeland en Limburg.

In de landelijke cijfers over banen van werknemers neemt niet de handel het grootste aandeel in (16,3 procent), maar de zorg (17,2 procent).

4.4 Grootste bedrijfstak per werkgemeente, o.b.v. banen van werknemers, december 2024
GemeenteGrootste bedrijfstak
Groningen (gemeente)Zorg
AlmereHandel
StadskanaalZorg
VeendamIndustrie
ZeewoldeHandel
AchtkarspelenHandel
AmelandHoreca
HarlingenHandel
HeerenveenZorg
LeeuwardenZorg
OoststellingwerfHandel
OpsterlandZorg
SchiermonnikoogHoreca
SmallingerlandZorg
TerschellingHoreca
VlielandHoreca
WeststellingwerfZorg
AssenZorg
CoevordenHandel
EmmenZorg
HoogeveenZorg
MeppelZorg
AlmeloZorg
BorneHandel
DalfsenHandel
DeventerZorg
EnschedeZorg
HaaksbergenIndustrie
HardenbergZorg
HellendoornHandel
Hengelo (O.)Handel
KampenHandel
LosserZorg
NoordoostpolderHandel
OldenzaalHandel
OmmenZorg
RaalteHandel
StaphorstIndustrie
TubbergenHandel
UrkHandel
WierdenHandel
ZwolleZorg
AaltenIndustrie
ApeldoornZorg
ArnhemZorg
BarneveldHandel
BeuningenHandel
BrummenIndustrie
BurenHandel
CulemborgHandel
DoesburgIndustrie
DoetinchemZorg
DrutenZorg
DuivenHandel
EdeZorg
ElburgOpenbaar bestuur
EpeHandel
ErmeloZorg
HarderwijkZorg
HattemHandel
HeerdeIndustrie
HeumenHandel
LochemZorg
MaasdrielHandel
NijkerkHandel
NijmegenZorg
OldebroekHandel
PuttenHandel
RenkumZorg
RhedenZorg
RozendaalOnderwijs
ScherpenzeelIndustrie
TielHandel
VoorstZorg
WageningenZakelijke dienstverlening
WestervoortHandel
WinterswijkZorg
WijchenHandel
ZaltbommelUitzendbureaus
ZevenaarHandel
ZutphenZorg
NunspeetHandel
DrontenHandel
AmersfoortZorg
BaarnZorg
De BiltZorg
BunnikZakelijke dienstverlening
BunschotenIndustrie
EemnesHandel
HoutenZorg
LeusdenHandel
LopikIndustrie
MontfoortIndustrie
RenswoudeHandel
RhenenZorg
SoestHandel
Utrecht (gemeente)Zorg
VeenendaalHandel
WoudenbergZorg
Wijk bij DuurstedeHandel
IJsselsteinHandel
ZeistZorg
NieuwegeinZorg
AalsmeerHandel
AlkmaarZorg
AmstelveenZakelijke dienstverlening
AmsterdamZakelijke dienstverlening
Bergen (NH.)Zorg
BeverwijkZorg
BlaricumZorg
BloemendaalZorg
CastricumZorg
DiemenUitzendbureaus
Edam-VolendamHandel
EnkhuizenHandel
HaarlemZorg
HaarlemmermeerVervoer en opslag
HeemskerkHandel
HeemstedeZorg
HeilooZorg
Den HelderOpenbaar bestuur
HilversumInformatie en communicatie
HoornZorg
HuizenHandel
LandsmeerHandel
Laren (NH.)Zorg
MedemblikHandel
OostzaanHandel
OpmeerHandel
Ouder-AmstelInformatie en communicatie
PurmerendZorg
SchagenIndustrie
TexelHoreca
UitgeestHandel
UithoornHandel
VelsenIndustrie
ZandvoortHoreca
ZaanstadHandel
AlblasserdamHandel
Alphen aan den RijnHandel
BarendrechtHandel
DrechterlandHandel
Capelle aan den IJsselZorg
DelftOnderwijs
DordrechtZorg
GorinchemZorg
GoudaZorg
's-Gravenhage (gemeente)Openbaar bestuur
Hardinxveld-GiessendamUitzendbureaus
Hendrik-Ido-AmbachtHandel
Stede BroecHandel
HillegomHandel
KatwijkHandel
Krimpen aan den IJsselHandel
LeidenZorg
LeiderdorpZorg
LisseHandel
MaassluisHandel
NieuwkoopHandel
NoordwijkZorg
OegstgeestZorg
OudewaterHandel
PapendrechtBouwnijverheid
RidderkerkHandel
RotterdamZorg
Rijswijk (ZH.)Zorg
SchiedamZorg
SliedrechtZorg
AlbrandswaardZorg
VlaardingenHandel
VoorschotenZorg
WaddinxveenHandel
WassenaarZorg
WoerdenHandel
ZoetermeerHandel
ZoeterwoudeIndustrie
ZwijndrechtHandel
BorseleZorg
GoesZorg
West Maas en WaalHandel
HulstZorg
KapelleHandel
Middelburg (Z.)Zorg
ReimerswaalHandel
TerneuzenIndustrie
TholenHandel
VeereHoreca
VlissingenIndustrie
De Ronde VenenHandel
TytsjerksteradielZorg
AstenHandel
Baarle-NassauHandel
Bergen op ZoomZorg
BestIndustrie
BoekelZorg
BoxtelIndustrie
BredaHandel
DeurneZorg
PekelaIndustrie
DongenIndustrie
EerselZorg
EindhovenZakelijke dienstverlening
Etten-LeurIndustrie
GeertruidenbergHandel
Gilze en RijenHandel
GoirleZorg
HelmondZorg
's-HertogenboschHandel
HeusdenHandel
HilvarenbeekHandel
Loon op ZandCultuur, recreatie, overige diensten
Nuenen, Gerwen en NederwettenHandel
OirschotOpenbaar bestuur
OisterwijkHandel
OosterhoutHandel
OssIndustrie
RucphenHandel
Sint-MichielsgestelZorg
SomerenHandel
Son en BreugelIndustrie
SteenbergenHandel
WaterlandHoreca
TilburgUitzendbureaus
ValkenswaardHandel
VeldhovenIndustrie
VughtZorg
WaalreHandel
WaalwijkHandel
WoensdrechtOpenbaar bestuur
ZundertHandel
WormerlandIndustrie
LandgraafZorg
Beek (L.)Handel
BeeselHandel
Bergen (L.)Handel
BrunssumZorg
GennepZorg
HeerlenZorg
KerkradeHandel
MaastrichtZorg
MeerssenZorg
Mook en MiddelaarHoreca
NederweertHandel
RoermondHandel
SimpelveldZorg
Stein (L.)Handel
VaalsHoreca
VenloHandel
VenrayZorg
VoerendaalZorg
WeertZorg
Valkenburg aan de GeulHoreca
LelystadHandel
Horst aan de MaasHandel
Oude IJsselstreekIndustrie
TeylingenHandel
Utrechtse HeuvelrugOpenbaar bestuur
Oost GelreIndustrie
KoggenlandIndustrie
LansingerlandHandel
LeudalZorg
MaasgouwZorg
Gemert-BakelHandel
HalderbergeHandel
Heeze-LeendeZorg
LaarbeekIndustrie
Reusel-De MierdenHandel
RoerdalenZorg
RoosendaalZorg
Schouwen-DuivelandHandel
Aa en HunzeZorg
Borger-OdoornZorg
De WoldenZorg
Noord-BevelandHoreca
WijdemerenHandel
NoordenveldHandel
TwenterandHandel
WesterveldOpenbaar bestuur
LingewaardHandel
CranendonckHandel
SteenwijkerlandZorg
MoerdijkHandel
Echt-SusterenHandel
SluisHandel
DrimmelenHandel
BernhezeHandel
Alphen-ChaamHandel
BergeijkIndustrie
BladelIndustrie
Gulpen-WittemZorg
TynaarloZorg
Midden-DrentheHandel
OverbetuweHandel
Hof van TwenteHandel
Neder-BetuweHandel
Rijssen-HoltenHandel
Geldrop-MierloZorg
Olst-WijheZorg
DinkellandHandel
WestlandUitzendbureaus
Midden-DelflandUitzendbureaus
BerkellandIndustrie
BronckhorstHandel
Sittard-GeleenZorg
Kaag en BraassemHandel
DantumadielZorg
ZuidplasHandel
Peel en MaasZorg
OldambtZorg
ZwartewaterlandIndustrie
Súdwest-FryslânZorg
Bodegraven-ReeuwijkHandel
Eijsden-MargratenZorg
Stichtse VechtHandel
Hollands KroonHandel
Leidschendam-VoorburgZorg
Goeree-OverflakkeeZorg
Pijnacker-NootdorpHandel
NissewaardHandel
KrimpenerwaardHandel
De Fryske MarrenHandel
Gooise MerenZorg
Berg en DalZorg
MeierijstadHandel
WaadhoekeHandel
WesterwoldeZorg
Midden-GroningenZorg
BeekdaelenHandel
MontferlandUitzendbureaus
AltenaHandel
West BetuweHandel
VijfheerenlandenHandel
Hoeksche WaardHandel
Het HogelandZorg
WesterkwartierZorg
Noardeast-FryslânIndustrie
MolenlandenIndustrie
EemsdeltaIndustrie
Dijk en WaardHandel
Land van CuijkIndustrie
MaashorstZorg
Voorne aan ZeeHandel

In meeste Nederlandse provincies hogere werkloosheid in 2025

Het werkloosheidspercentage, het aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking van 15 tot 75 jaar, was in tien van de twaalf Nederlandse provincies in 2025 hoger dan in 2024. In Utrecht en Limburg bleef het gelijk. In Zuid-Holland was de werkloosheid het hoogst (4,5 procent). In deze provincie steeg de werkloosheid ook het sterkst. In Zeeland was de werkloosheid het laagst (3,2 procent). Het werkloosheidspercentage steeg in 2025 ook in de vier grootste gemeenten, het meest in Rotterdam (van 5,4 procent naar 6,4 procent).

4.5 Werkloosheid onder 15- tot 75-jarigen
Regio2025 (% van de beroepsbevolking)2024 (% van de beroepsbevolking)
Nederland3,93,7
Zuid-Holland4,54,0
Groningen4,34,2
Noord-Holland4,14,0
Flevoland4,03,9
Fryslân3,83,6
Drenthe3,63,4
Overijssel3,63,4
Utrecht3,63,6
Noord-Brabant3,63,2
Limburg3,63,6
Gelderland3,43,3
Zeeland3,22,9
Rotterdam6,45,4
Den Haag5,74,9
Amsterdam5,35,1
Utrecht4,44,3

Minder spanning op de arbeidsmarkt in 2025

In 2025 was de spanning op de Nederlandse arbeidsmarkt lager dan in 2024; er waren meer werklozen dan vacatures. Het aantal openstaande vacatures daalde van 108 naar 98 per 100 werklozen. In alle provincies nam de spanning in 2025 af. Ze was het hoogst in Zeeland en Utrecht, met 122 vacatures per 100 werklozen. De spanning was relatief laag in de provincies Groningen en Flevoland met respectievelijk 77 en 76 vacatures per 100 werklozen in 2025.

4.6 Spanning op de arbeidsmarkt
Regio2025 (vacatures per 100 werklozen)2024 (vacatures per 100 werklozen)
Nederland98108
Utrecht122131
Zeeland122150
Noord-Brabant110125
Gelderland107111
Overijssel105115
Drenthe101104
Noord-Holland101107
Limburg100102
Fryslân8693
Zuid-Holland8397
Groningen7781
Flevoland7688

Lagere arbeidsparticipatie in uiterste zuiden en noordoosten

In 2025 hadden ruim 7 op de 10 Nederlanders van 15 tot 75 jaar betaald werk. De zogenoemde nettoarbeidsparticipatie3) was in 2025 met 73,2 procent gelijk aan die van 2024. Ze was het hoogst in de provincie Utrecht (76,0 procent) en het laagst in Limburg (69,5 procent). De arbeidsparticipatie steeg in 2025 in zeven van de twaalf provincies en nam af in vijf provincies.

In 181 van de 342 Nederlandse gemeenten was de nettoarbeidsparticipatie hoger dan in 2024. Ze was gelijk in 30 gemeenten en lager in 131 gemeenten. De arbeidsparticipatie was in 2025 het laagst in gemeenten in het uiterste zuiden en noordoosten van Nederland. Hierbij speelt mee dat dit gemeenten zijn met relatief veel ouderen, die gemiddeld minder vaak betaald werk hebben. In vijf gemeenten was de arbeidsparticipatie lager dan 67,0 procent: Brunssum, Landgraaf, Kerkrade, Heerlen en Vaals. De hoogste arbeidsparticipatie kenden Urk, Renswoude, Aalsmeer en Staphorst. In deze gemeenten was de arbeidsdeelname hoger dan 78,5 procent.

4.7 Nettoarbeidsparticipatie per gemeente, 2025
GemeentenaamNettoarbeidsparticipatie (%)
Urk81,1
Renswoude79,0
Aalsmeer78,8
Staphorst78,8
Bunschoten78,5
Pijnacker-Nootdorp78,5
Woudenberg78,4
Zwartewaterland78,4
Barneveld78,3
Scherpenzeel78,1
Lansingerland77,9
Molenlanden77,8
Hendrik-Ido-Ambacht77,7
Zoeterwoude77,7
Hardinxveld-Giessendam77,5
Montfoort77,5
Utrecht (gemeente)77,5
Dalfsen77,4
Waddinxveen77,4
Nijkerk77,3
Rijssen-Holten77,3
Rozendaal77,3
Son en Breugel77,3
Boekel77,2
Amersfoort77,1
Wierden76,9
Zeewolde76,9
Katwijk76,8
Zuidplas76,8
Teylingen76,7
Tubbergen76,7
West Betuwe76,7
Zwolle76,7
Hattem76,6
Lopik76,6
Uithoorn76,6
Bodegraven-Reeuwijk76,5
Bunnik76,5
Midden-Delfland76,5
Neder-Betuwe76,5
Altena76,4
Houten76,4
Kaag en Braassem76,4
Westland76,4
Haarlemmermeer76,3
Reimerswaal76,3
Albrandswaard76,2
Horst aan de Maas76,2
Woerden76,2
Elburg76,1
Hillegom76,1
Kampen76,1
Oudewater76,1
Dinkelland76,0
Gooise Meren76,0
Oostzaan76,0
Zaltbommel76,0
Alphen aan den Rijn75,9
Borne75,9
Nieuwkoop75,9
Uitgeest75,9
Veenendaal75,9
Kapelle75,8
Bernheze75,7
Bladel75,7
Koggenland75,7
Noordoostpolder75,7
Oegstgeest75,7
Putten75,7
Castricum75,6
Ede75,6
Hardenberg75,6
Hellendoorn75,6
IJsselstein75,6
Lingewaard75,6
Oldebroek75,6
Oost Gelre75,6
Overbetuwe75,6
Dronten75,5
Hoeksche Waard75,5
Maasdriel75,5
Nunspeet75,5
Peel en Maas75,5
De Ronde Venen75,5
Drimmelen75,4
Harderwijk75,4
Krimpenerwaard75,4
Sint-Michielsgestel75,4
Veldhoven75,4
Vught75,4
Druten75,3
Best75,2
Drechterland75,2
Eemnes75,2
Eersel75,2
Geertruidenberg75,2
Heusden75,2
Leiderdorp75,2
Lisse75,2
Raalte75,2
Vijfheerenlanden75,2
West Maas en Waal75,2
Westerkwartier75,2
Edam-Volendam75,1
Gilze en Rijen75,1
Heerde75,1
Hilvarenbeek75,1
Hilversum75,1
Hof van Twente75,1
Maashorst75,1
Noordwijk75,1
Asten75,0
Barendrecht75,0
Buren75,0
Loon op Zand75,0
Someren75,0
Stichtse Vecht75,0
Wijchen75,0
Bergeijk74,9
Dijk en Waard74,9
Dongen74,9
Goeree-Overflakkee74,9
Leusden74,9
Oirschot74,9
Opmeer74,9
Sliedrecht74,9
Tholen74,9
Alblasserdam74,8
Rhenen74,8
Waalwijk74,8
Beuningen74,7
Oldenzaal74,7
Reusel-De Mierden74,7
Twenterand74,7
Vlieland74,7
Borsele74,6
Boxtel74,6
Gemert-Bakel74,6
Culemborg74,5
Laarbeek74,5
Terschelling74,5
Ermelo74,4
Etten-Leur74,4
Meierijstad74,4
Ouder-Amstel74,4
Stede Broec74,4
Waalre74,4
Wijdemeren74,4
Amstelveen74,3
Haarlem74,3
Heumen74,3
Hollands Kroon74,3
Ommen74,3
Papendrecht74,3
Purmerend74,3
Velsen74,3
Amsterdam74,2
De Bilt74,2
Moerdijk74,2
Olst-Wijhe74,2
Schagen74,2
Wijk bij Duurstede74,2
Wormerland74,2
Ameland74,1
Deurne74,1
Oisterwijk74,1
Almere74,0
Brummen74,0
Goes74,0
Heemstede74,0
Nederweert74,0
Voorschoten74,0
Voorst74,0
Zeist74,0
Diemen73,9
Leiden73,9
Wageningen73,9
Apeldoorn73,8
Baarn73,8
Nuenen, Gerwen en Nederwetten73,8
Berkelland73,7
Bloemendaal73,7
Breda73,7
's-Hertogenbosch73,7
Nieuwegein73,7
Venray73,7
Alphen-Chaam73,6
Krimpen aan den IJssel73,6
Aalten73,5
Land van Cuijk73,5
Medemblik73,5
Steenbergen73,5
Valkenswaard73,5
Zundert73,5
Beverwijk73,4
Bronckhorst73,4
Goirle73,4
Heeze-Leende73,4
Middelburg (Z.)73,4
Nijmegen73,4
Soest73,4
Tilburg73,4
Voorne aan Zee73,4
Duiven73,3
Geldrop-Mierlo73,3
Heiloo73,3
Meppel73,3
Blaricum73,2
De Fryske Marren73,2
Steenwijkerland73,2
Tiel73,2
Tytsjerksteradiel73,2
Zaanstad73,2
Eindhoven73,1
Gorinchem73,1
Alkmaar73,0
Doetinchem73,0
Haaksbergen73,0
Heemskerk73,0
Landsmeer73,0
Utrechtse Heuvelrug73,0
Arnhem72,9
Deventer72,9
De Wolden72,9
Zevenaar72,9
Achtkarspelen72,8
Gouda72,8
Hoorn72,8
Opsterland72,8
Waterland72,8
Enkhuizen72,7
Oss72,7
Tynaarlo72,7
Gennep72,6
Groningen (gemeente)72,6
Leudal72,6
Ridderkerk72,6
Schouwen-Duiveland72,6
Cranendonck72,5
Halderberge72,5
Heerenveen72,5
Helmond72,5
Hengelo (O.)72,5
Montferland72,5
Oosterhout72,5
Zwijndrecht72,5
Dantumadiel72,4
Maassluis72,4
S�dwest-Frysl�n72,4
Lochem72,3
Veere72,3
Epe72,2
Noardeast-Frysl�n72,2
Berg en Dal72,1
Hoogeveen72,1
Losser72,1
Oude IJsselstreek72,1
Weert72,1
Eijsden-Margraten72,0
Rijswijk (ZH.)72,0
Schiermonnikoog72,0
Waadhoeke72,0
Weststellingwerf72,0
Winterswijk72,0
Beesel71,9
Lelystad71,9
Midden-Drenthe71,9
Schiedam71,9
Bergen (L.)71,8
Huizen71,8
Assen71,7
Dordrecht71,7
Leidschendam-Voorburg71,7
Zoetermeer71,5
Westervoort71,4
Den Helder71,3
Meerssen71,3
Mook en Middelaar71,3
Smallingerland71,3
Vlaardingen71,3
Nissewaard71,2
Renkum71,2
Texel71,2
Aa en Hunze71,1
Baarle-Nassau71,1
Borger-Odoorn71,1
Woensdrecht71,1
Capelle aan den IJssel71,0
Rucphen70,9
Voerendaal70,9
Leeuwarden70,8
Noordenveld70,8
Rheden70,8
Almelo70,7
Laren (NH.)70,7
Wassenaar70,7
Zandvoort70,7
Beek (L.)70,6
Venlo70,6
Harlingen70,5
Ooststellingwerf70,5
Roosendaal70,5
Bergen op Zoom70,4
Maasgouw70,4
Het Hogeland70,3
Midden-Groningen70,1
Simpelveld70,1
Terneuzen70,1
Vlissingen70,1
Enschede70,0
Roermond70,0
Veendam70,0
Delft69,9
Noord-Beveland69,8
Echt-Susteren69,6
Stadskanaal69,6
Zutphen69,6
Beekdaelen69,5
Pekela69,4
Coevorden69,3
Stein (L.)69,2
Valkenburg aan de Geul69,2
's-Gravenhage (gemeente)69,1
Eemsdelta69,0
Westerveld69,0
Sluis68,9
Rotterdam68,6
Hulst68,5
Roerdalen68,5
Bergen (NH.)68,3
Emmen68,1
Gulpen-Wittem67,8
Oldambt67,8
Doesburg67,7
Sittard-Geleen67,4
Maastricht67,2
Westerwolde67,2
Brunssum66,4
Landgraaf65,4
Kerkrade64,7
Heerlen64,1
Vaals60,9

3) Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar.

5. Brede welvaart

5.1 Inleiding

Om een vollediger beeld te krijgen van de kwaliteit van leven in de verschillende regio’s in Nederland kijken we in dit hoofdstuk naar de regionale brede welvaart. Op deze manier krijgen we een completer beeld dan alleen de economie. Bij de regionale meting van de brede welvaart (zie kader) wordt gekeken naar de dimensies ‘hier en nu’ en ‘later’. De dimensie ‘elders’ ontbreekt: er kan nog niet op een betekenisvolle manier onderscheid gemaakt worden in het effect dat regio’s hebben op de brede welvaart binnen en buiten Nederland.

Eerst worden in 5.2 de provincies vergeleken. Hierbij wordt de ontwikkeling genomen in de jaren 2017-2024. Bij de vergelijking wordt vooral gekeken naar het aantal keren dat provincies hoog of laag scoren bij een indicator. Vervolgens wordt in 5.3 ingezoomd op veertig onderliggende regio’s. Hierbij valt op dat Flevoland (zowel provincie als een van de regio’s) een lage brede welvaart ‘hier en nu’ heeft die in de dimensie 'later' niet terug te zien is. Hier wordt daarom uitgebreid bij stilgestaan. Ook wordt Flevoland vergeleken met drie regio’s die hetzelfde patroon kennen.

5.2 In Fryslân en Utrecht hoge brede welvaart ‘hier en nu’ en ‘later’ 

In Drenthe, Fryslân en Utrecht is de brede welvaart ‘hier en nu’ hoog ten opzichte van de andere provincies. Fryslân en Utrecht hebben ook een hoge brede welvaart ‘later’. In Flevoland, Groningen, Limburg, Noord- en Zuid-Holland is de brede welvaart ‘hier en nu’ laag. De brede welvaart ‘later’ is verreweg het laagst in Zuid-Holland.

5.2.1 Aantal indicatoren bovenaan de provincie-ranglijst brede welvaart 'hier en nu'
statnaamBovenaanen hier en nu ( indicatoren)
Drenthe12
Flevoland4
Fryslân12
Gelderland5
Groningen4
Limburg4
Noord-Brabant7
Noord-Holland8
Overijssel9
Utrecht12
Zeeland7
Zuid-Holland5
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een provincie behoort tot het bovenste kwart van de ranglijst van provincies.

5.2.2 Aantal indicatoren onderaan de provincie-ranglijst brede welvaart 'hier en nu'
statnaamOnderaan hier en nu ( indicatoren)
Drenthe10
Flevoland15
Fryslân6
Gelderland3
Groningen12
Limburg11
Noord-Brabant1
Noord-Holland13
Overijssel2
Utrecht1
Zeeland8
Zuid-Holland13
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een provincie behoort tot het onderste kwart van de ranglijst van provincies.

Hier en nu

Drenthe, Fryslân en Utrecht hebben allemaal een hoge brede welvaart ‘hier en nu’, maar ze verschillen in de thema’s die er positief uitspringen. In Drenthe en Fryslân gaat het vooral goed met het subjectief welzijn, de veiligheid, het milieu en de samenleving. In Drenthe en Fryslân doen de inwoners bijvoorbeeld veel vrijwilligerswerk vergeleken met die van andere provincies. Verder zijn de inwoners over het algemeen tevreden met hun (sociale) leven en ondervinden ze weinig delicten. Ook kennen deze provincies weinig geregistreerde misdrijven. Verder hebben ze lage fijnstofemissies en per inwoner een groot oppervlakte aan natuurlijke ecosystemen op het land, zoals bosgebieden, heide en stuifzandgebieden, moeras- en veengebieden, duin- en kustgebieden, natuurlijke graslanden en natuurlijke akkerbouw- en tuinbouwgebieden.

In Utrecht komt de hoge brede welvaart vooral voort uit een hoge materiële welvaart en een goede arbeidsmarktsituatie. De inwoners van Utrecht hebben het hoogste mediaan besteedbaar inkomen van Nederland en een lage geregistreerde problematische schuld. De netto-arbeidsparticipatie is het hoogst van alle provincies en de afstand tot het openbaar vervoer is er klein. Daarnaast ervaren Utrechters een goede gezondheid.

De lage brede welvaart ‘hier en nu’ in Flevoland, Groningen, Noord- en Zuid-Holland is minder eenduidig. Zo spelen in Flevoland verschillende thema’s een rol. De provincie scoort laag op ten minste één aspect van de thema’s subjectief welzijn, materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, wonen, samenleving en veiligheid. De inwoners zijn van alle provincies het minst tevreden met het leven en hebben het vaakst geregistreerde problematische schulden. Ook zijn ze het minst tevreden met hun vrije tijd. De afstand tot het openbaar vervoer, sportterreinen, basisscholen en cafés is groot in vergelijking met de rest van Nederland. 

De provincie Groningen presteert ondergemiddeld op het gebied van materiële welvaart, wonen, samenleving en milieu. Zo is het mediaan besteedbaar inkomen laag en de werkloosheid hoog. Ook de tevredenheid met de woning en de woonomgeving is laag vergeleken met de rest van Nederland. Dit geldt ook voor de tevredenheid met het sociale leven en voor sociale contacten met familie, vrienden en buren. 

In Noord-Holland zijn de veiligheid en het subjectief welzijn relatief laag. Ook zijn de Noord-Hollanders ontevreden met hun (sociale) leven in vergelijking met de rest van Nederland. Daarnaast heeft Noord-Holland meer geregistreerde misdrijven en ondervonden delicten. 

Dat de brede welvaart in Zuid-Holland laag is komt door lage scores op het gebied van materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, veiligheid en milieu. Veel Zuid-Hollanders hebben geregistreerde problematische schulden en een, in hun ogen, minder goede gezondheid. Daarnaast zijn ze vaker werkloos en ontevreden met hun vrije tijd. Ze voelen zich het vaakst onveilig in hun eigen buurt, ondervinden vaak delicten en kennen een hoog aantal geregistreerde misdrijven per duizend inwoners. Ook is de uitstoot van fijnstof in de lucht het hoogst van alle provincies en is het openbaar groen relatief ver verwijderd van de inwoners. 

5.2.3 Aantal indicatoren bovenaan de provincie-ranglijst brede welvaart 'later'
statnaamBovenaan later ( indicatoren)
Drenthe4
Flevoland3
Fryslân7
Gelderland3
Groningen2
Limburg2
Noord-Brabant1
Noord-Holland3
Overijssel5
Utrecht7
Zeeland2
Zuid-Holland0
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een provincie behoort tot het bovenste kwart van de ranglijst van provincies.

5.2.4 Aantal indicatoren onderaan de provincie-ranglijst brede welvaart 'later'
statnaamOnderaan later ( indicatoren)
Drenthe0
Flevoland5
Fryslân1
Gelderland0
Groningen6
Limburg6
Noord-Brabant1
Noord-Holland5
Overijssel0
Utrecht3
Zeeland4
Zuid-Holland9
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een provincie behoort tot het onderste kwart van de ranglijst van provincies.

Later

Fryslân en Utrecht hebben niet alleen een hoge brede welvaart ‘hier en nu’, ook de brede welvaart ‘later’ is er hoog. Beide provincies hebben veel sociaal kapitaal; het vertrouwen in andere mensen is hoger dan gemiddeld. Daarnaast is in Utrecht het vertrouwen in instituties het hoogst van alle provincies. Voor Fryslân geldt dit voor de sociale cohesie in de woonbuurt. Fryslân heeft daarnaast ook veel natuurlijk kapitaal. Veel woningen hebben zonnepanelen, er is weinig bebouwd gebied en de oppervlakte groen-blauwe ruimte is groot ten opzichte van de andere provincies. Onder groen-blauwe ruimte vallen onder andere stedelijk groen, kleine en grote wateren (exclusief Noordzee), landelijk groen zoals bermen, heggen en bomenrijen, bossen en natuurgebieden, en gebieden onder agrarisch natuurbeheer. Utrecht scoort ook hoog op menselijk kapitaal. De arbeidsduur is er met 28,5 uur per week hoog en mensen geven zichzelf er het vaakst een ‘goed’ of ‘zeer goed’ voor hun gezondheid. Ook hebben veel mensen er een startkwalificatie; dit is minimaal een diploma op mbo 2-, havo- of vwo-niveau.

In Zuid-Holland is niet alleen de brede welvaart ‘hier en nu’ laag, de brede welvaart ‘later’ is dat ook. Dit betreft drie van de vier kapitalen, namelijk het economisch, het natuurlijk en het sociaal kapitaal. Zo hebben inwoners van Zuid-Holland weinig vertrouwen in andere mensen en is de sociale cohesie in de woonbuurt er het laagst van alle provincies. Daarnaast hebben huishoudens er een relatief laag mediaan vermogen, zijn er weinig woningen met zonnepanelen en heeft de provincie weinig areaal aan natuurlijke ecosystemen op het land en groen-blauwe ruimte. Ook is er het meeste bebouwd gebied en is de broeikasgasemissie per inwoner er hoog. De ervaren gezondheid is er lager dan gemiddeld. 

5.3 Flevoland

De brede welvaart is niet alleen bekend voor de twaalf provincies, maar ook voor de veertig zogeheten COROP-gebieden waarin Nederland is opgedeeld. In het vervolg noemen we deze ‘regio’s’. Elf daarvan hebben meer dan tien indicatoren onderaan de ranglijst brede welvaart ‘hier en nu’. Deze zijn verspreid over heel Nederland. Ook Flevoland, dat behalve provincie ook een regio is, behoort hiertoe.

5.3.1 Aantal indicatoren bovenaan de regionale ranglijst brede welvaart 'hier en nu'
statnaamBovenaan hier en nu ( indicatoren)
Achterhoek6
Agglomeratie 's-Gravenhage7
Agglomeratie Haarlem11
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek11
Alkmaar en omgeving10
Arnhem/Nijmegen4
Delft en Westland9
Delfzijl en omgeving4
Flevoland2
Groot-Amsterdam8
Groot-Rijnmond5
Het Gooi en Vechtstreek9
IJmond7
Kop van Noord-Holland6
Midden-Limburg5
Midden-Noord-Brabant5
Noord-Drenthe12
Noord-Friesland6
Noord-Limburg3
Noord-Overijssel14
Noordoost-Noord-Brabant6
Oost-Groningen3
Oost-Zuid-Holland8
Overig Groningen6
Overig Zeeland4
Twente6
Utrecht10
Veluwe9
West-Noord-Brabant3
Zaanstreek3
Zeeuwsch-Vlaanderen5
Zuid-Limburg3
Zuidoost-Drenthe6
Zuidoost-Friesland7
Zuidoost-Noord-Brabant8
Zuidoost-Zuid-Holland5
Zuidwest-Drenthe8
Zuidwest-Friesland12
Zuidwest-Gelderland5
Zuidwest-Overijssel8
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een regio behoort tot het bovenste kwart van de ranglijst van regio's.

5.3.2 Aantal indicatoren onderaan de regionale ranglijst brede welvaart 'hier en nu'
statnaamOnderaan hier en nu ( indicatoren)
Achterhoek4
Agglomeratie 's-Gravenhage13
Agglomeratie Haarlem7
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek3
Alkmaar en omgeving2
Arnhem/Nijmegen4
Delft en Westland8
Delfzijl en omgeving14
Flevoland13
Groot-Amsterdam12
Groot-Rijnmond16
Het Gooi en Vechtstreek5
IJmond5
Kop van Noord-Holland4
Midden-Limburg8
Midden-Noord-Brabant1
Noord-Drenthe8
Noord-Friesland6
Noord-Limburg7
Noord-Overijssel4
Noordoost-Noord-Brabant2
Oost-Groningen12
Oost-Zuid-Holland3
Overig Groningen12
Overig Zeeland3
Twente2
Utrecht0
Veluwe2
West-Noord-Brabant1
Zaanstreek11
Zeeuwsch-Vlaanderen11
Zuid-Limburg13
Zuidoost-Drenthe11
Zuidoost-Friesland6
Zuidoost-Noord-Brabant1
Zuidoost-Zuid-Holland8
Zuidwest-Drenthe6
Zuidwest-Friesland6
Zuidwest-Gelderland7
Zuidwest-Overijssel4
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een regio behoort tot het onderste kwart van de ranglijst van regio's.

5.3.3 Aantal indicatoren bovenaan de regionale ranglijst brede welvaart 'later'
statnaamBovenaan later ( indicatoren)
Achterhoek2
Agglomeratie 's-Gravenhage3
Agglomeratie Haarlem6
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek5
Alkmaar en omgeving1
Arnhem/Nijmegen3
Delft en Westland3
Delfzijl en omgeving4
Flevoland3
Groot-Amsterdam3
Groot-Rijnmond2
Het Gooi en Vechtstreek7
IJmond2
Kop van Noord-Holland2
Midden-Limburg3
Midden-Noord-Brabant1
Noord-Drenthe6
Noord-Friesland4
Noord-Limburg2
Noord-Overijssel3
Noordoost-Noord-Brabant1
Oost-Groningen4
Oost-Zuid-Holland4
Overig Groningen3
Overig Zeeland1
Twente1
Utrecht6
Veluwe3
West-Noord-Brabant1
Zaanstreek1
Zeeuwsch-Vlaanderen3
Zuid-Limburg1
Zuidoost-Drenthe3
Zuidoost-Friesland3
Zuidoost-Noord-Brabant3
Zuidoost-Zuid-Holland1
Zuidwest-Drenthe5
Zuidwest-Friesland4
Zuidwest-Gelderland3
Zuidwest-Overijssel4
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een regio behoort tot het bovenste kwart van de ranglijst van regio's.

5.3.4 Aantal indicatoren onderaan de regionale ranglijst brede welvaart 'later'
statnaamOnderaan later ( indicatoren)
Achterhoek1
Agglomeratie 's-Gravenhage6
Agglomeratie Haarlem5
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek5
Alkmaar en omgeving2
Arnhem/Nijmegen1
Delft en Westland5
Delfzijl en omgeving8
Flevoland2
Groot-Amsterdam6
Groot-Rijnmond9
Het Gooi en Vechtstreek3
IJmond3
Kop van Noord-Holland1
Midden-Limburg3
Midden-Noord-Brabant1
Noord-Drenthe1
Noord-Friesland2
Noord-Limburg3
Noord-Overijssel0
Noordoost-Noord-Brabant1
Oost-Groningen7
Oost-Zuid-Holland0
Overig Groningen4
Overig Zeeland1
Twente0
Utrecht2
Veluwe1
West-Noord-Brabant3
Zaanstreek4
Zeeuwsch-Vlaanderen4
Zuid-Limburg9
Zuidoost-Drenthe3
Zuidoost-Friesland0
Zuidoost-Noord-Brabant1
Zuidoost-Zuid-Holland6
Zuidwest-Drenthe1
Zuidwest-Friesland2
Zuidwest-Gelderland4
Zuidwest-Overijssel0
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025
De kaart toont het aantal indicatoren waarvoor een regio behoort tot het onderste kwart van de ranglijst van regio's.

Brede welvaart ‘hier en nu’ laag, maar goede vooruitzichten

De brede welvaart ‘hier en nu’ mag in Flevoland dan relatief laag zijn, de brede welvaart ‘later’ ziet er rooskleuriger uit. Voor brede welvaart ‘later’ heeft Flevoland maar twee indicatoren onderaan de ranglijst. Brede welvaart ‘later’ meet de duurzaamheid van onze kwaliteit van leven en laat zien hoe het gaat met de hulpbronnen die volgende generaties nodig hebben voor hun brede welvaart. Er zijn meer regio’s die een lage brede welvaart ‘hier en nu’ combineren met een hogere brede welvaart ‘later’. Dit geldt het sterkst voor Zuidoost-Friesland, Noord-Drenthe en Zuidoost-Drenthe. Zuidoost-Friesland heeft bijvoorbeeld zes indicatoren onderaan de ranglijst brede welvaart ‘hier en nu’ maar geen enkele voor brede welvaart ‘later’. 

5.3.5 Aandeel indicatoren onderaan de regionale ranglijsten voor ‘hier en nu’ en ‘later’
statnaamHier en nu (%)Later (%)
Flevoland54,1716,67
Noord-Drenthe33,338,33
Zuidoost-Drenthe45,8325,00
Zuidoost-Friesland25,000,00
Bron: CBS, regionale Monitor Brede Welvaart 2025

Daarnaast hebben alle vier de regio’s een aantal indicatoren bovenaan de ranglijst ‘later’ omdat ze beschikken over veel natuurlijk kapitaal. Zo hebben ze allemaal een relatief kleine hoeveelheid bebouwd gebied en, met uitzondering van Flevoland, ook relatief veel woningen met zonnepanelen. Inwoners van Flevoland en Noord-Drenthe hebben ook een relatief grote hoeveelheid groen-blauwe ruimte per inwoner. Noord-Drenthe heeft maar één dissonant aangaande het natuurlijk kapitaal, en dat is een relatief hoge broeikasgasemissie per inwoner. Flevoland en Zuidoost-Drenthe hebben ook nog, respectievelijk, twee en drie indicatoren onderaan de ranglijst voor brede welvaart ‘later’. Deze indicatoren betreffen in Zuidoost-Drenthe het menselijk en sociaal kapitaal en in Flevoland alleen het sociaal kapitaal.

De vergelijking tussen de regio’s laat echter ook zien dat de factoren die bijdragen aan een lage brede welvaart ‘hier en nu’ in Flevoland niet overeenkomen met die van de andere drie regio’s. In Flevoland wordt de lage brede welvaart ‘hier en nu’ onder andere veroorzaakt door de grote afstand tot openbaar vervoer, sportterreinen, basisscholen en cafés, en lage scores binnen de thema’s samenleving en subjectief welzijn. De grote afstand tot voorzieningen komt overeen met Zuidoost-Friesland, Noord-Drenthe en Zuidoost-Drenthe. Maar voor de thema’s samenleving en subjectief welzijn laten Zuidoost-Friesland, Noord-Drenthe en Zuidoost-Drenthe een ander beeld zien. Zo doen in deze regio’s meer inwoners vrijwilligerswerk en is de tevredenheid met het leven en het sociale leven hoger. Opvallend is ook dat Zuidoost-Friesland, Noord-Drenthe en Zuidoost-Drenthe in tegenstelling tot Flevoland een relatief lage netto-arbeidsparticipatie hebben. Een mogelijke oorzaak voor de verschillen in de verdeling van het aantal beschikbare uren per dag is de vergrijzing. Zuidoost-Friesland, Noord-Drenthe en Zuidoost-Drenthe hebben met een relatief oudere bevolking te maken. Dit leidt mogelijk tot een lagere arbeidsparticipatie en meer tijd voor vrijwilligerswerk dan in Flevoland, waar relatief meer jongeren wonen. 

Twee steden in een lege regio

Flevoland is een bijzondere regio binnen Nederland: het heeft een relatief jonge bevolking, een sterke bevolkingsgroei en telt maar zes gemeenten. Hoewel de totale bevolkingsdichtheid in Flevoland laag is, woont een groot deel van de inwoners in de verstedelijkte gemeenten Almere en Lelystad. In het vervolg wordt ingegaan op de verschillen en overeenkomsten tussen de twee steden en de vier minder stedelijke gemeenten Dronten, Zeewolde, Urk en Noordoostpolder.

De stedelijke gemeenten in Flevoland hebben een veel grotere en meer diverse bevolking dan de andere gemeenten. Er wonen relatief meer mensen met een hoge sociaal-economische status, maar er is ook een relatief grote concentratie van mensen met een lage sociaal-economische status (zie regionale Monitor Brede Welvaart, 2025). Zo zijn er relatief veel mensen met overgewicht, meer geregistreerde problematische schulden en is er een hogere werkloosheid. Deze factoren drukken de uitkomsten voor brede welvaart ‘hier en nu’ in Almere en Lelystad. Daarnaast kennen de twee steden specifiek stedelijke problemen zoals een hoog aantal geregistreerde misdrijven en, in Almere, hoge fijnstofemissies. Maar ook het minder stedelijke Urk kent relatief hoge fijnstofemissies. Dit heeft vooral te maken met de uitstoot door verkeer. Gemiddeld wonen de inwoners van Flevoland relatief ver van voorzieningen zoals sportterreinen en cafés, zelfs de inwoners van de stedelijke gemeenten Lelystad en Almere. Alleen basisscholen zijn voor inwoners van Almere en Urk wel dichtbij, net als het openbaar vervoer voor inwoners van Lelystad. In alle Flevolandse gemeenten is de afstand tot openbaar groen kort. 

5.3.6 Werkloze beroepsbevolking in de Flevolandse gemeenten, 2024
statnaamWerkloosheid ( %)
Almere4,2
Lelystad4,1
Dronten3,4
Noordoostpolder3,3
Zeewolde3,1
Urk2,7
Nederland3,7

Hoewel de brede welvaart in het ‘hier en nu’ laag is, hebben bijna alle gemeenten in Flevoland veel natuurlijk kapitaal in de dimensie ‘later’. Behalve Almere, hebben alle gemeenten een grote hoeveelheid groen-blauwe ruimte per inwoner. De meeste gemeenten hebben ook een relatief lage hoeveelheid bebouwd gebied. Almere en Urk zijn hierin een uitzondering; zij hebben juist een grote hoeveelheid bebouwd gebied. 

Op andere onderdelen binnen brede welvaart ‘later’ is het beeld diffuser. Zo hebben huishoudens in Almere en Lelystad een laag mediaan vermogen. Lelystad, Zeewolde en Noordoostpolder stoten per inwoner veel broeikasgassen uit, waarbij dit voor Zeewolde en de Noordoostpolder naast verkeer en vervoer vooral voortkomt uit landbouw en visserij (zie Regionale klimaatmonitor). Almere en Urk hebben juist een relatief lage uitstoot van broeikasgassen. In Lelystad en Urk is het menselijk kapitaal verhoudingsgewijs gering. Relatief weinig inwoners hebben er een startkwalificatie en inwoners hebben er ook een lagere levensverwachting. Dit in tegenstelling tot Zeewolde en Dronten, waar de levensverwachting juist hoog is.

5.4 Conclusie

De brede welvaart varieert van streek tot streek. Het gaat daarbij niet alleen om de hoogte (afgemeten aan het aantal gunstige en ongunstige scores), maar ook om de onderdelen van de brede welvaart. Twee gebieden die qua niveau van brede welvaart vergelijkbaar zijn, kunnen heel verschillende pluspunten en problemen kennen. 

In Drenthe, Fryslân en Utrecht is de brede welvaart ‘hier en nu’ hoog ten opzichte van de andere provincies. Met name in Fryslân en Drenthe is dit hoge niveau te danken aan immateriële zaken als subjectief welzijn, veiligheid, milieu en samenleving. In Utrecht zijn het vooral economische thema’s die zorgen voor een hoge brede welvaart ‘hier en nu’, zoals materiële welvaart en arbeid en vrije tijd. Maar ook het gezondheidsniveau speelt hierin een rol. Hieraan moet worden toegevoegd dat factoren die op het eerste oog economisch lijken ook een sociale functie kunnen vervullen. Denk aan werk, waar naast inkomen ook sociale contacten uit voort kunnen komen. Of aan gezondheid, wat op het eerste oog niet economisch lijkt, maar wel degelijk een rol speelt bij de mogelijkheid tot het verkrijgen van een arbeidsinkomen.

Utrecht en Fryslân hebben naast een hoge brede welvaart ‘hier en nu’ ook een hoge brede welvaart ‘later’. Utrecht heeft dit vooral te danken aan een groot menselijk en sociaal kapitaal. In Fryslân komt het door een groot sociaal en natuurlijk kapitaal. Dat beide provincies veel sociaal kapitaal kennen hangt onder meer samen met een sterk vertrouwen in andere mensen. Utrecht heeft daarnaast een groot vertrouwen in instituties en Fryslân een sterke sociale cohesie in de buurt.

Laag is de brede welvaart ‘hier en nu’ in Flevoland, Groningen, Limburg, en Noord-Holland en het allerlaagst in Zuid-Holland. De reden dat deze laag is, verschilt per provincie. Zuid-Holland heeft bij veel verschillende thema’s een of meer indicatoren onderaan de ranglijst, zoals materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, veiligheid en milieu. Zowel de ervaren gezondheid als de veiligheid zijn er lager dan gemiddeld. Ook is er veel fijnstof en relatief weinig openbaar groen. 

In Zuid-Holland is niet alleen de brede welvaart ‘hier en nu’ laag, de brede welvaart ‘later’ is dat eveneens, zelfs het laagst van alle provincies. Op veel terreinen doet de provincie het minder dan de andere. Bij alle vier de soorten kapitaal staat de provincie laag op de ranglijst voor ten minste één indicator. 

Flevoland heeft weliswaar een lage brede welvaart ‘hier en nu’, maar geen lage brede welvaart ‘later’. Net als drie andere gebieden die een vergelijkbaar patroon volgen heeft Flevoland de niet al te lage brede welvaart ‘later’ te danken aan een groot natuurlijk kapitaal. De lage brede welvaart ‘hier en nu’ heeft echter andere oorzaken dan in de drie meer landelijke gebieden. 

Binnen Flevoland vertonen gemeenten veel verschillen in brede welvaart die deels terug te brengen zijn tot verschillen tussen stad en platteland. Verstedelijkte gebieden wijken doorgaans op veel onderdelen van de brede welvaart af van minder verstedelijkte gebieden, zowel ten gunste als ten ongunste. De milieuomstandigheden zijn er bijvoorbeeld vaak minder gunstig, maar het voorzieningenniveau is er meestal hoog. Dit beeld zie je ook terug in Flevoland.

6. Conclusies

De landelijke economische groei was in 2025 met 1,8 procent sterker dan de 1,1 procent het jaar ervoor. Alle provincies groeiden. Een jaar eerder kende de provincie Groningen nog een forse krimp. De snelste groei vond in 2025 plaats in Fryslân, met 2,4 procent. Het traagst was de ontwikkeling in Limburg, met 0,8 procent.

Vergeleken met 2024 was er in 2025 vooral sterke groei in regio’s waar de economie in 2024 maar matig groeide of zelfs licht kromp. Voor een deel geldt ook het tegenovergestelde: regio’s die in 2024 snel groeiden stonden in 2025 niet meer bovenaan. Fryslân, in 2025 de snelst groeiende provincie, had in 2024 nog een krimpende economie. Ook Flevoland en Utrecht groeiden in 2024 snel, maar waren in 2025 de enige provincies waar de groei terugliep. Groningen kende vanwege de teruglopende gaswinning een jarenlange krimp, maar in 2025 zat de Groningse economie weer in de lift.

Ondanks de economische groei steeg de werkloosheid in 2025 in tien van de twaalf provincies. Alleen in Utrecht en Limburg bleef deze gelijk. In lijn met de gestegen werkloosheid nam de spanning op de arbeidsmarkt in alle provincies af. Het sterkst was de afname in Zeeland. Het aantal faillissementen nam in alle provincies af, behalve in Flevoland, Zeeland en Utrecht. Het ondernemersvertrouwen steeg in alle provincies, behalve in Flevoland en Zeeland, waar deze verslechterde.

Resumerend waren de ontwikkelingen in 2025 dus niet erg gunstig in Flevoland, met afgenomen economische groei, een stijgende werkloosheid, een stijgend aantal faillissementen en een dalend ondernemersvertrouwen. Ook in Zeeland nam de werkloosheid en het aantal faillissementen toe en nam het ondernemersvertrouwen af. De economische groei nam weliswaar iets toe, maar was wel ondergemiddeld. In Limburg was de groei weliswaar het laagst, maar wel hoger dan in 2024, en bovendien bleef de werkloosheid gelijk, daalde het aantal faillissementen, en nam het ondernemersvertrouwen toe. Ook het beeld in Utrecht is overwegend positief, met weliswaar afgenomen maar nog altijd bovengemiddelde groei, gelijk gebleven werkloosheid en gestegen ondernemersvertrouwen. Alleen het aantal faillissementen steeg.

Begin 2026 hadden de ondernemers in Utrecht, respectievelijk Gelderland en Overijssel het meeste vertrouwen. In deze provincies was het saldo van het ondernemersvertrouwen ook positief, ­­in tegenstelling tot een jaar eerder. In de overige provincies bleef het saldo nog negatief. Ook de spanning op de arbeidsmarkt is in Utrecht het hoogst, een plek die de provincie deelt met Zeeland. In Zeeland gaat de hoge spanning samen met een relatief lage werkloosheid, de laagste van alle provincies. Het hoogst is de werkloosheid in Zuid-Holland.

De brede welvaart ‘hier en nu’ is relatief hoog in Fryslân en Drenthe, vooral dankzij de veiligheid en het milieu. Ook in Utrecht is de brede welvaart hoog, maar hier hangt het meer samen met materiële welvaart en het thema ‘arbeid en vrije tijd’. In Fryslân is de brede welvaart ‘later’ hoog door een omvangrijk natuurlijk en sociaal kapitaal. Ook in Utrecht is zij hoog, maar hier hangt het samen met het menselijk en sociaal kapitaal. Flevoland heeft weliswaar een lage brede welvaart ‘hier en nu’, maar geen lage brede welvaart ‘later’. Dit dankt de provincie aan een groot natuurlijk kapitaal. Zuid-Holland heeft zowel een lage brede welvaart ‘hier en nu’ als een lage brede welvaart ‘later’.