De Nederlandse economie in 2025

4. Bedrijven en instellingen

Alles wat in Nederland aan waarde wordt toegevoegd door middel van productie telt op tot de bruto toegevoegde waarde (het verschil tussen productie en verbruik van energie, materialen en diensten) in basisprijzen. De bruto toegevoegde waarde van bedrijven en instellingen groeide in 2025 met 1,8 procent. De toegevoegde waarde van bedrijven plus het saldo van productgebonden belastingen en subsidies telt op tot het bbp in marktprijzen, waarmee de groei van de economie wordt berekend. De groei van het bbp kwam ook uit op 1,8 procent.

De bedrijfstakken industrie, handel en reparatie, gezondheids- en welzijnszorg, en openbaar bestuur droegen van alle bedrijfstakken het meest bij aan de groei van de economie in 2025. Deze bedrijfstakken behoren tot de vijf grootste bedrijfstakken van Nederland en drukten met hun groei en omvang een grote stempel op de economische ontwikkeling. De delfstoffenwinning, de horeca en de bedrijfstak informatie en communicatie droegen niet of nauwelijks bij aan de groei.

De toegevoegde waarde van de industrie groeide in 2025 met 3,3 procent het hardst van alle bedrijfstakken. Daarna volgden de energiebedrijven, het openbaar bestuur en de zorg. De enige bedrijfstak waarvan de toegevoegde waarde kromp, was de delfstoffenwinning.

Figuur 4.1 Toegevoegde waarde naar bedrijfstak (volume, basisprijzen)
Bedrijfstak2025 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)2024 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Industrie3,3-1
Energiebedrijven3,13,1
Openbaar bestuur34,3
Gezondheids- en welzijnszorg2,93,5
Vervoer en opslag2,64,2
Handel2,21,5
Cultuur, recreatie, overige diensten1,92,2
Landbouw, bosbouw en visserij1,5-2,3
Financiële dienstverlening1,5-1,6
Bouwnijverheid1,5-2,6
Verhuur en handel van onroerend goed1,41,5
Specialistische zakelijke diensten13,6
Water en afval16,8
Verhuur roerende goederen en
overig zakelijke dienstverlening
0,7-1,1
Onderwijs0,3-1,9
Horeca0,1-0,8
Informatie en communicatie0,12,7
Delfstoffenwinning-1,5-13,5

De industrie profiteerde in 2025 van het aantrekken van de export van Nederlands product, die met 1,9 procent groeide. In iets meer dan de helft van de bedrijfsklassen van de industrie was de toegevoegde waarde hoger dan in 2024. De groei van de industrie was vooral te danken aan de machine-industrie, die in 2025 met 11 procent groeide.

De industrie is een van de belangrijkste goederenexporteurs in Nederland en de export maakt drie kwart van de toegevoegde waarde van de industrie uit. In de twee voorgaande jaren kromp zowel de industrie als de export van goederen. De industrie kampt de laatste jaren met een verslechterende concurrentiepositie, onder meer door hoge energieprijzen, hoge lonen en beperkte uitbreidingsmogelijkheden.

Figuur 4.2 Toegevoegde waarde industrie (volume, basisprijzen)
JaarProductie (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
2020-1,8
202111,3
20224,9
2023-1,7
2024-1
20253,3

Ook de winsten van niet-financiële vennootschappen waren hoger dan in 2024. De (nominale) brutowinst voor belastingen van niet-financiële bedrijven kwam in 2025 uit op 381 miljard euro. Dat is bijna 21 miljard euro meer dan in 2024. De toename komt vooral door een stijging van de bruto operationele winst met ruim 16 miljard euro. Daarnaast was de winst van buitenlandse dochters 5,8 miljard euro hoger. De operationele winst bestaat uit het exploitatieoverschot minus de niet-productgebonden subsidies. Het exploitatieoverschot is de toegevoegde waarde minus de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer.

Figuur 4.3 Brutowinst niet-financiële vennootschappen voor belasting (geconsolideerd)
 Operationele winst (mld euro)Niet-productgebonden subsidies (mld euro)Winst van buitenlandse dochters (mld euro)Overige winst (mld euro)
2021199,424,293,1-0,9
2022237,617,2126,2-7,3
2023250,712,183,1-2,7
2024264,312,686,3-2,8
2025280,41392,1-4,3

De winstquote daalde van 42,4 in 2024 naar 42,3 procent in 2025. De winstquote is het bruto exploitatieoverschot als percentage van de toegevoegde waarde van de niet-financiële vennootschappen. De daling van de winstquote komt vooral door de hogere beloning voor werknemers, waardoor het exploitatieoverschot iets minder hard is gestegen dan de toegevoegde waarde. Het is het derde jaar op rij dat de winstquote is gedaald, maar de quote bleef relatief hoog. De gemiddelde winstquote sinds 1995 is 40,0 procent. Sinds 2015 ligt de winstquote structureel boven de 40 procent.

De winst na betaling van de belastingen kunnen bedrijven aanwenden voor investeringen in vaste activa en winstuitkeringen. Niet-financiële bedrijven hebben 0,4 procent meer geïnvesteerd in 2025 dan in 2024, terwijl de winst na belasting bijna 6 procent groter was. De winstuitkeringen waren bijna 12 procent hoger. De investeringsquote, het deel van de toegevoegde waarde dat bedrijven aanwenden voor investeringen in vaste activa, is gedaald van 16,7 procent in 2024 naar 15,8 procent in 2025. Dat is onder het gemiddelde van 17,4 procent in de periode 1995-2025. Met 15,8 procent behoort Nederland tot de landen met de laagste investeringsquotes van Europa.

In 2025 zijn, niet gecorrigeerd voor zittingsdagen, 3 635 bedrijven en instellingen, inclusief eenmanszaken, failliet verklaard. Dat is 15 procent minder dan in 2024. Toen bedroeg het aantal faillissementen 4 270. In de meeste bedrijfstakken gingen er minder bedrijven failliet dan in 2024. De piek in het aantal faillissementen, van 9 431, werd tijdens de eurocrisis in 2013 bereikt. Het laagste aantal sinds de start van de statistiek in 1981 werd in 2021 genoteerd, namelijk 1 818.

Slechts een klein deel van de bedrijven is opgeheven vanwege een faillissement. De grote meerderheid van de opgeheven bedrijven stopt vrijwillig. In 2025 werden ruim 174 duizend bedrijven opgeheven. Dat is 5,9 procent meer dan in 2024 en het hoogste aantal sinds het begin van de huidige meetmethode in 2007.

Figuur 4.4 Aantal faillissementen van bedrijven en instellingen (incl. eenmanszaken)
JaarAantal
20128346
20139431
20147621
20156006
20165012
20173867
20183633
20193792
20203177
20211818
20222145
20233272
20244270
20253635

Het vertrouwen van het niet-financiële bedrijfsleven is al vanaf 2022 negatief. Het ondernemersvertrouwen geeft de stemming van het Nederlandse niet-financiële bedrijfsleven weer over de ontwikkeling van het economische klimaat in de afgelopen en komende drie maanden. Ook aan het begin van 2026 was het vertrouwen negatief, maar lag het wel op het hoogste niveau in vier jaar. Het ondernemersvertrouwen lag ook boven het gemiddelde (-3,6) vanaf 2012. In de landbouw, bosbouw en visserij, de horeca en de vervoer en opslag waren begin 2026 de ondernemers het meest negatief gestemd. De ondernemers in de bedrijfstak informatie en communicatie waren het meest positief gestemd. Het vertrouwen aan het begin van 2026 is voor de bombardementen op Iran door de Verenigde Staten en Israël gepeild.

Figuur 4.5 Ondernemersvertrouwen
   Ondernemersvertrouwen (gemiddelde van de deelvragen)
20211e kwartaal-11
20212e kwartaal0,1
20213e kwartaal13
20214e kwartaal14,4
20221e kwartaal-0,3
20222e kwartaal-7,6
20223e kwartaal-10,9
20224e kwartaal-20,3
20231e kwartaal-12
20232e kwartaal-6,8
20233e kwartaal-7,4
20234e kwartaal-8,7
20241e kwartaal-7,1
20242e kwartaal-5,8
20243e kwartaal-3,7
20244e kwartaal-3,1
20251e kwartaal-5,2
20252e kwartaal-7,1
20253e kwartaal-3,9
20254e kwartaal-4,1
20261e kwartaal-1,8
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW