Auteur(s): André Mares, Daan Nolde, Bjorn Lous

De Nederlandse economie in 2025

Over deze publicatie

"De Nederlandse economie” is een reeks artikelen waarin actuele macro-economische fenomenen worden beschreven en geduid. De artikelen zijn grotendeels gebaseerd op de uitkomsten van de nationale rekeningen. Deze editie is het economisch jaaroverzicht van 2025.

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er onvolkomenheden geconstateerd in figuur 8.3.
Deze grafiek is vervangen.

Samenvatting

Het jaar 2025 werd gekenmerkt door grote onzekerheid en spanningen in de wereld. De Nederlandse economie groeide echter in 2025 gestaag door met 1,8 procent, na in 2024 met 1,1 procent gegroeid te zijn. De stijging van het bruto binnenlands product was vorig jaar ook hoger dan in de EU-landen samen (1,5 procent) en breed gedragen. Het meest droegen de consumptie door huishoudens en de overheidsconsumptie bij aan de economische groei. Ook de bijdrages van het handelssaldo en de investeringen waren positief. De toegevoegde waarde van de industrie groeide in 2025 met 3,3 procent het hardst van alle bedrijfstakken. De industrie profiteerde van de groei van de wereldhandel.

De arbeidsmarkt bleef ook in 2025 krap. De krapte nam wel verder af. De toename van cao-lonen was in 2025 met 5,0 procent minder sterk dan in de twee jaren ervoor, maar wel een van de hoogste in de afgelopen veertig jaar. De inflatie kwam net als in 2024 uit op 3,3 procent. Het netto reëel beschikbaar inkomen (rbi) van huishoudens groeide met 2,7 procent. Dat was vooral te danken aan de loonstijgingen en de toename van de werkgelegenheid. De consumptiegroei bleef achter bij de stijging van de inkomens, consumenten waren relatief terughoudend in hun bestedingen. Het vertrouwen van consumenten bleef ook in 2025 negatief en is al sinds augustus 2019 negatief. De overheidsschuld en het -tekort bleven binnen de normen van de Europese begrotingsregels.

1. Inleiding

In dit artikel wordt de economische ontwikkeling van Nederland in 2025 beschreven op basis van de uitkomsten van de nationale rekeningen. Dit is het officiële boekhoudkundig systeem waarmee de economische huishouding van Nederland wordt berekend en gepubliceerd door het CBS. De informatie wordt aangevuld met onder meer cijfers uit andere CBS-bronnen over de arbeidsmarkt, de inflatie, de woningmarkt en het vertrouwen. Op deze manier ontstaat een compleet en samenhangend macro-economisch beeld van Nederland in 2025. Het gaat hierbij dus om de totalen van de Nederlandse economie. Het beeld voor individuele huishoudens en bedrijven kan verschillen.

Allereerst zal de ontwikkeling van de Nederlandse economie in 2025 in grote lijnen worden geschetst in paragraaf 2 aan de hand van het bruto binnenlands product (bbp) en de bestedingscategorieën. In paragraaf 3 wordt de Nederlandse groei afgezet tegen die van verschillende buitenlandse economieën. In paragraaf 4 wordt ingezoomd op de ontwikkeling van het bedrijfsleven aan de hand van de toegevoegde waarde per bedrijfstak. Vervolgens wordt kort de arbeidsmarkt behandeld. In paragraaf 6 komen de huishoudens aan bod, met onder meer het beschikbaar inkomen, de inflatie, cao-lonen en de woningmarkt. De toestand van de overheidsfinanciën wordt aangestipt in paragraaf 7. Het artikel wordt afgesloten met statistieken die het CBS samenstelt over de interacties tussen economie en de leefomgeving.

2. Economische groei en bestedingen

Handels- en geopolitieke spanningen zorgden voor veel onzekerheid in 2025. Ondernemers in Nederland zijn al sinds 2022 negatief over het economisch klimaat. Ondanks het pessimisme en de economische onzekerheid in de wereld is de Nederlandse economie in 2025, voor prijsveranderingen gecorrigeerd, met 1,8 procent gegroeid. Dat is iets onder het gemiddelde van 2,0 procent in de afgelopen 30 jaar, maar groter dan in 2024. Toen groeide de economie met 1,1 procent.

De economie, ofwel het bruto binnenlands product (bbp), kan groeien doordat er meer wordt gewerkt en/of doordat werkenden productiever zijn geworden. Dit artikel gaat over de groei van de hele Nederlandse economie. Daarom wordt hier gekeken naar de gewerkte uren en de arbeidsproductiviteit van alle Nederlandse bedrijfstakken samen, als eerste snelle raming. Het CBS publiceert later in het jaar uitgebreider over de arbeidsproductiviteit van de commerciële sector, waarbij ook nieuwe broninformatie wordt meegenomen.

Het aantal gewerkte uren kromp in 2025 met 0,6 procent. Dat was de eerste daling in vijf jaar en komt op het conto van de zelfstandigen. Doordat de economie wel groeide, was de arbeidsproductiviteit, het bbp per gewerkt uur, 2,4 procent hoger dan in 2024. Dit is de hoogste toename van de productiviteit in twintig jaar. Gemiddeld steeg de arbeidsproductiviteit in het afgelopen decennium met 0,3 procent per jaar. In de twee decennia daarvoor, 2006-2015 en 1996-2005, was dat gemiddeld respectievelijk 0,7 en 1,7 procent per jaar. De arbeidsproductiviteit neemt al een tijd af.

Figuur 2.1 Bruto binnenlands product (volume), arbeidsproductiviteit en gewerkte uren
JaarBbp (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Arbeidsproductiviteit (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Gewerkte uren (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
20162,40,02,4
20172,80,52,3
20182,3-0,42,7
20192,3-0,32,7
2020-3,90,4-4,2
20216,31,64,7
202251,13,8
2023-0,6-1,91,4
20241,1-0,31,3
20251,82,4-0,6

De economische groei in 2025 was breed gedragen. De consumptie door huishoudens droeg het meest bij aan de jaargroei van 1,8 procent. Daarnaast leverden ook de consumptie door de overheid, het handelssaldo en de investeringen een positieve bijdrage. In 2024 droeg de overheidsconsumptie het meest bij aan de groei. Als naar de overheidsconsumptie en -investeringen samen wordt gekeken, leverde de overheid ook in 2025 de grootste bijdrage aan de economische groei. De ontwikkelingen van de bestedingen zijn voor prijsveranderingen gecorrigeerd.

Huishoudens consumeerden vorig jaar 1,5 procent meer dan in 2024. De consumptiegroei was iets hoger dan in 2024, toen de consumptie met 1,1 procent groeide. Consumenten hadden in 2025 gemiddeld meer te besteden dan in 2024. Het reëel beschikbaar inkomen van huishoudens was 2,7 procent groter dan in 2024.

Huishoudens gaven vorig jaar zowel meer uit aan diensten, zoals vervoer en communicatie, huisvesting, recreatie en cultuur en horeca, als aan goederen, zoals voedingsmiddelen, kleding, schoenen en elektrische apparaten. Bestedingen aan diensten maken ruim de helft uit van de totale binnenlandse consumptieve bestedingen door huishoudens.

De overheidsconsumptie groeide met 1,9 procent harder dan de consumptie door huishoudens, maar droeg wat minder bij aan de totale groei. Dat komt doordat de consumptie door huishoudens zwaarder meetelt in de economie. De groei van de overheidsconsumptie is vooral toe te schrijven aan hogere zorgkosten en hogere uitgaven van het Rijk en gemeenten, onder meer door hogere personeelskosten. In 2024 bedroeg de groei 3,6 procent.

In 2025 waren de investeringen in vaste activa 1,1 procent hoger dan in 2024. De bedrijfsinvesteringen waren echter net als in 2024 lager dan een jaar eerder, terwijl de overheidsinvesteringen opnieuw hoger lagen. De internationale handelsspanningen en de beleidsonzekerheid maken bedrijven terughoudend om te investeren. In de conjunctuurenquête van juli 2025 meldde bijna drie kwart van de ondernemers meer onzekerheid te hebben ervaren, vooral door veranderingen in de vraag of markt, geopolitiek en binnenlands beleid.

Er is meer geïnvesteerd in machines (waaronder militair materiaal), woningen en infrastructuur. De investeringen in overig wegvervoer (zoals opleggers, vrachtwagens en busjes) en bedrijfsgebouwen waren echter lager. De krimp van de investeringen in overig wegvervoer hing samen met de belastingwijzigingen per 1 januari 2025, waardoor investeringen in deze transportmiddelen waarschijnlijk naar 2024 zijn gehaald.

De totale uitvoer van goederen en diensten groeide in 2025, ondanks de internationale onzekerheid en verhoogde invoerheffingen door de Verenigde Staten, met 2,4 procent. De groei van de uitvoer volgt op twee jaar waarin de uitvoer kromp, met respectievelijk 3,0 en 0,2 procent. In 2025 was de wederuitvoer (uitvoer van eerder ingevoerde producten) 3,8 procent, de uitvoer van Nederlands product 1,9 procent en de uitvoer van diensten 1,3 procent hoger dan in 2024. Vooral de export van machines, ruwe aardolie en aardgas, voedingsmiddelen en landbouw- en visserijproducten was hoger.

De Nederlandse uitvoer beweegt over het algemeen mee met de wereldhandel. In 2025 lag het volume van de relevante wereldhandel (CPB, 2026) 4,2 procent hoger dan in 2024. De Nederlandse uitvoer van goederen groeide minder sterk. Dat komt door een verslechterende prijsconcurrentiepositie, veroorzaakt door relatief hoge loon- en energiekosten. Daarnaast maakte de appreciatie van de euro Nederlandse producten in niet-eurolanden duurder. Dat zette eveneens druk op de concurrentiepositie (DNB, 2025).

Figuur 2.2 Wereldhandel en Nederlandse export goederen, volume, seizoengecorrigeerd
   Wereldhandel (2021=100)Export goederen (2021=100)
20211e kwartaal98,798,6
20212e kwartaal99,5100,3
20213e kwartaal99,1101,2
20214e kwartaal102,699,8
20221e kwartaal102,6100
20222e kwartaal103,3102,3
20223e kwartaal104,4101,7
20224e kwartaal102,6102,6
20231e kwartaal102,1101,1
20232e kwartaal10298,8
20233e kwartaal102,294,5
20234e kwartaal102,896,6
20241e kwartaal103,394,1
20242e kwartaal104,596,6
20243e kwartaal105,597,2
20244e kwartaal106,297,5
20251e kwartaal108,496,8
20252e kwartaal108,698,1
20253e kwartaal109,8100,1
20254e kwartaal110,4101,9
Bron: CBS, CPB (Wereldhandelsmonitor)

De groei van de export van Nederlands product in 2025 is ook terug te zien in de ontwikkeling van de toegevoegde waarde (het verschil tussen productie en verbruik van energie, materialen en diensten) van de industrie. De toegevoegde waarde van de industrie groeide met 3,3 procent. Een jaar eerder kromp de toegevoegde waarde van de industrie met 1,0 procent, ook de uitvoer van in Nederland gefabriceerde goederen kromp toen.

In 2025 was de invoer van goederen en diensten 2,4 procent hoger dan een jaar eerder. Vooral de invoer van ruwe aardolie en aardgas groeide. De stijging van de uitvoer en de invoer waren in 2025 even groot, maar het volume van de uitvoer is groter dan dat van de invoer. Hierdoor had ook het handelssaldo een positieve bijdrage aan de economische groei in 2025.

Figuur 2.3 Bestedingen (volume)
Categorie2025 (% verandering t.o.v. jaar eerder)2024 (% verandering t.o.v. jaar eerder)
Bruto binnenlands product1,81,1
Invoer goederen en diensten2,40,1
Uitvoer goederen en diensten2,4-0,2
Consumptie overheid1,93,6
Consumptie huishoudens1,51,1
Investeringen in vaste activa1,1-0,5

3. Internationaal

De groei van de Nederlandse economie in 2025 van 1,8 procent was hoger dan de groei in de hele Europese Unie (1,5 procent). In 2024 groeide de Nederlandse economie net zo hard als de economie van de EU.

In vergelijking met 2024 groeide de economie vorig jaar in alle EU-landen. Van de grootste economieën in Europa groeide de Ierse economie in 2025 met 12,3 procent het hardst, maar dat is een sterk vertekenend beeld. Een groot deel van het Ierse bbp bestaat uit winsten die weliswaar in Ierland worden gegenereerd, maar vervolgens rechtstreeks naar de eigenaren van bedrijven in het buitenland vloeien. De sterke aanwezigheid van multinationals in Ierland leidt tot een overschatting van de werkelijke economische activiteit. Daarom gebruiken economen vaak andere statistieken om de Ierse binnenlandse economie te meten en de verstorende effecten van de globalisering op het bruto binnenlands product te elimineren (Central Statistics Office Ireland).

In de ons omringende landen lag de economische groei lager dan in Nederland. De Duitse economie, de grootste van Europa, groeide in 2025 met 0,2 procent, na twee opeenvolgende jaren met krimp. Duitsland behoorde tot de landen met de laagste groei in de EU. In België en Frankrijk kwam de groei uit op respectievelijk 1,0 en 0,8 procent. Voormalig EU-land het Verenigd Koninkrijk (VK) had een groei van 1,4 procent.

Van de drie grote economische blokken groeide de economie in China met 5,0 procent het hardst. Ook de economische groei van de Verenigde Staten (VS) was, met 2,1 procent, groter dan die van de EU. Het verschil in groei tussen de VS en Europa was wel kleiner dan in 2024.

Figuur 3.1 Economische groei in de grootste Europese economieën en in de drie grote economische blokken
 2025 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)2024 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Ierland12,32,6
Polen3,63
Spanje2,83,5
Nederland1,81,1
Zweden1,51
VK1,41,1
België11,1
Frankrijk0,81,2
Italië0,50,8
Duitsland0,2-0,5
China55
VS2,12,8
EU271,51,1
Bron: CBS, Eurostat, ONS, BEA

Ten opzichte van 2019 (het jaar voor corona) is de Nederlandse economie in 2025 sterker gegroeid dan die van de ons omringende landen. De economie herstelde snel van de coronacrisis, maar door de energiecrisis volgend op de oorlog in Oekraïne kromp de Nederlandse economie vanaf het vierde kwartaal van 2022 vier kwartalen op rij. Daarna is de economie echter weer gestaag gegroeid. Na Nederland groeide België het sterkst. De economie van onze zuiderburen presteerde beter dan die van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Dat laatste land heeft de weg naar boven na corona nog niet gevonden.

Figuur 3.2 Bruto binnenlands product van Nederland en omringende landen (volume, seizoengecorrigeerd)
Perioden  Nederland (2019=100)België (2019=100)EU (2019=100)Frankrijk (2019=100)Verenigd Koninkrijk (2019=100)Duitsland (2019=100)
20191e kwartaal99,49999,599,799,699,8
20192e kwartaal99,999,6100100,399,899,9
20193e kwartaal100,3100,4100,2100,3100,3100,3
20194e kwartaal100,4101100,399,8100,3100
20201e kwartaal99,398,397,494,797,697,9
20202e kwartaal9187,686,983,178,289,2
20203e kwartaal9797,796,395,991,497
20204e kwartaal97,397,296,795,892,797,9
20211e kwartaal98,398,897,696,291,797,3
20212e kwartaal102,2100,399,797,498,199,6
20213e kwartaal104102,3101,4100,399,799,7
20214e kwartaal104,1103,2102,3100,8101,1100,2
20221e kwartaal105,4103,8103,1100,8102,1100,9
20222e kwartaal107,9105103,9101,2102,7101,1
20223e kwartaal108105,7104,3101,7102,8101,4
20224e kwartaal107,8106,1104,2102,1103,1101
20231e kwartaal107,2106,5104,3102,2103,1100,5
20232e kwartaal106,8106,9104,4103,1103,2100,4
20233e kwartaal106,1107,1104,5103,3102,9100,4
20234e kwartaal106,4107,4104,6103,8102,6100,2
20241e kwartaal106,5107,8104,9103,9103,4100,1
20242e kwartaal107,6108105,2104,110499,8
20243e kwartaal108,2108,2105,7104,5104,299,8
20244e kwartaal108,7108,4106,2104,5104,6100
20251e kwartaal109108,8106,7104,6105,3100,4
20252e kwartaal109,4109,1107104,9105,5100,2
20253e kwartaal109,9109,3107,4105,5105,6100,1
20254e kwartaal110,5109,5107,6105,7105,6100,4
Bron: CBS, Eurostat, ONS

4. Bedrijven en instellingen

Alles wat in Nederland aan waarde wordt toegevoegd door middel van productie telt op tot de bruto toegevoegde waarde (het verschil tussen productie en verbruik van energie, materialen en diensten) in basisprijzen. De bruto toegevoegde waarde van bedrijven en instellingen groeide in 2025 met 1,8 procent. De toegevoegde waarde van bedrijven plus het saldo van productgebonden belastingen en subsidies telt op tot het bbp in marktprijzen, waarmee de groei van de economie wordt berekend. De groei van het bbp kwam ook uit op 1,8 procent.

De bedrijfstakken industrie, handel en reparatie, gezondheids- en welzijnszorg, en openbaar bestuur droegen van alle bedrijfstakken het meest bij aan de groei van de economie in 2025. Deze bedrijfstakken behoren tot de vijf grootste bedrijfstakken van Nederland en drukten met hun groei en omvang een grote stempel op de economische ontwikkeling. De delfstoffenwinning, de horeca en de bedrijfstak informatie en communicatie droegen niet of nauwelijks bij aan de groei.

De toegevoegde waarde van de industrie groeide in 2025 met 3,3 procent het hardst van alle bedrijfstakken. Daarna volgden de energiebedrijven, het openbaar bestuur en de zorg. De enige bedrijfstak waarvan de toegevoegde waarde kromp, was de delfstoffenwinning.

Figuur 4.1 Toegevoegde waarde naar bedrijfstak (volume, basisprijzen)
Bedrijfstak2025 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)2024 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Industrie3,3-1
Energiebedrijven3,13,1
Openbaar bestuur34,3
Gezondheids- en welzijnszorg2,93,5
Vervoer en opslag2,64,2
Handel2,21,5
Cultuur, recreatie, overige diensten1,92,2
Landbouw, bosbouw en visserij1,5-2,3
Financiële dienstverlening1,5-1,6
Bouwnijverheid1,5-2,6
Verhuur en handel van onroerend goed1,41,5
Specialistische zakelijke diensten13,6
Water en afval16,8
Verhuur roerende goederen en
overig zakelijke dienstverlening
0,7-1,1
Onderwijs0,3-1,9
Horeca0,1-0,8
Informatie en communicatie0,12,7
Delfstoffenwinning-1,5-13,5

De industrie profiteerde in 2025 van het aantrekken van de export van Nederlands product, die met 1,9 procent groeide. In iets meer dan de helft van de bedrijfsklassen van de industrie was de toegevoegde waarde hoger dan in 2024. De groei van de industrie was vooral te danken aan de machine-industrie, die in 2025 met 11 procent groeide.

De industrie is een van de belangrijkste goederenexporteurs in Nederland en de export maakt drie kwart van de toegevoegde waarde van de industrie uit. In de twee voorgaande jaren kromp zowel de industrie als de export van goederen. De industrie kampt de laatste jaren met een verslechterende concurrentiepositie, onder meer door hoge energieprijzen, hoge lonen en beperkte uitbreidingsmogelijkheden.

Figuur 4.2 Toegevoegde waarde industrie (volume, basisprijzen)
JaarProductie (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
2020-1,8
202111,3
20224,9
2023-1,7
2024-1
20253,3

Ook de winsten van niet-financiële vennootschappen waren hoger dan in 2024. De (nominale) brutowinst voor belastingen van niet-financiële bedrijven kwam in 2025 uit op 381 miljard euro. Dat is bijna 21 miljard euro meer dan in 2024. De toename komt vooral door een stijging van de bruto operationele winst met ruim 16 miljard euro. Daarnaast was de winst van buitenlandse dochters 5,8 miljard euro hoger. De operationele winst bestaat uit het exploitatieoverschot minus de niet-productgebonden subsidies. Het exploitatieoverschot is de toegevoegde waarde minus de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer.

Figuur 4.3 Brutowinst niet-financiële vennootschappen voor belasting (geconsolideerd)
 Operationele winst (mld euro)Niet-productgebonden subsidies (mld euro)Winst van buitenlandse dochters (mld euro)Overige winst (mld euro)
2021199,424,293,1-0,9
2022237,617,2126,2-7,3
2023250,712,183,1-2,7
2024264,312,686,3-2,8
2025280,41392,1-4,3

De winstquote daalde van 42,4 in 2024 naar 42,3 procent in 2025. De winstquote is het bruto exploitatieoverschot als percentage van de toegevoegde waarde van de niet-financiële vennootschappen. De daling van de winstquote komt vooral door de hogere beloning voor werknemers, waardoor het exploitatieoverschot iets minder hard is gestegen dan de toegevoegde waarde. Het is het derde jaar op rij dat de winstquote is gedaald, maar de quote bleef relatief hoog. De gemiddelde winstquote sinds 1995 is 40,0 procent. Sinds 2015 ligt de winstquote structureel boven de 40 procent.

De winst na betaling van de belastingen kunnen bedrijven aanwenden voor investeringen in vaste activa en winstuitkeringen. Niet-financiële bedrijven hebben 0,4 procent meer geïnvesteerd in 2025 dan in 2024, terwijl de winst na belasting bijna 6 procent groter was. De winstuitkeringen waren bijna 12 procent hoger. De investeringsquote, het deel van de toegevoegde waarde dat bedrijven aanwenden voor investeringen in vaste activa, is gedaald van 16,7 procent in 2024 naar 15,8 procent in 2025. Dat is onder het gemiddelde van 17,4 procent in de periode 1995-2025. Met 15,8 procent behoort Nederland tot de landen met de laagste investeringsquotes van Europa.

In 2025 zijn, niet gecorrigeerd voor zittingsdagen, 3 635 bedrijven en instellingen, inclusief eenmanszaken, failliet verklaard. Dat is 15 procent minder dan in 2024. Toen bedroeg het aantal faillissementen 4 270. In de meeste bedrijfstakken gingen er minder bedrijven failliet dan in 2024. De piek in het aantal faillissementen, van 9 431, werd tijdens de eurocrisis in 2013 bereikt. Het laagste aantal sinds de start van de statistiek in 1981 werd in 2021 genoteerd, namelijk 1 818.

Slechts een klein deel van de bedrijven is opgeheven vanwege een faillissement. De grote meerderheid van de opgeheven bedrijven stopt vrijwillig. In 2025 werden ruim 174 duizend bedrijven opgeheven. Dat is 5,9 procent meer dan in 2024 en het hoogste aantal sinds het begin van de huidige meetmethode in 2007.

Figuur 4.4 Aantal faillissementen van bedrijven en instellingen (incl. eenmanszaken)
JaarAantal
20128346
20139431
20147621
20156006
20165012
20173867
20183633
20193792
20203177
20211818
20222145
20233272
20244270
20253635

Het vertrouwen van het niet-financiële bedrijfsleven is al vanaf 2022 negatief. Het ondernemersvertrouwen geeft de stemming van het Nederlandse niet-financiële bedrijfsleven weer over de ontwikkeling van het economische klimaat in de afgelopen en komende drie maanden. Ook aan het begin van 2026 was het vertrouwen negatief, maar lag het wel op het hoogste niveau in vier jaar. Het ondernemersvertrouwen lag ook boven het gemiddelde (-3,6) vanaf 2012. In de landbouw, bosbouw en visserij, de horeca en de vervoer en opslag waren begin 2026 de ondernemers het meest negatief gestemd. De ondernemers in de bedrijfstak informatie en communicatie waren het meest positief gestemd. Het vertrouwen aan het begin van 2026 is voor de bombardementen op Iran door de Verenigde Staten en Israël gepeild.

Figuur 4.5 Ondernemersvertrouwen
   Ondernemersvertrouwen (gemiddelde van de deelvragen)
20211e kwartaal-11
20212e kwartaal0,1
20213e kwartaal13
20214e kwartaal14,4
20221e kwartaal-0,3
20222e kwartaal-7,6
20223e kwartaal-10,9
20224e kwartaal-20,3
20231e kwartaal-12
20232e kwartaal-6,8
20233e kwartaal-7,4
20234e kwartaal-8,7
20241e kwartaal-7,1
20242e kwartaal-5,8
20243e kwartaal-3,7
20244e kwartaal-3,1
20251e kwartaal-5,2
20252e kwartaal-7,1
20253e kwartaal-3,9
20254e kwartaal-4,1
20261e kwartaal-1,8
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

5. De arbeidsmarkt

In 2025 telde Nederland gemiddeld 396 duizend werklozen. Dat is 24 duizend meer dan in 2024. Het aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking steeg van 3,7 procent in 2024 naar 3,9 procent in 2025. Het werkloosheidspercentage ligt onder het langjarige gemiddelde van 5,7 procent sinds 2003. Het gaat bij het aantal werklozen om mensen zonder betaald werk die hier recent naar hebben gezocht en direct beschikbaar zijn om aan de slag te gaan.

Tijdens de eurocrisis in 2014 bereikte de werkloosheid een piek met 762 duizend werklozen. Daarna liep tot 2020 het aantal werklozen gestaag terug. In 2022 bereikte het aantal werklozen met 350 duizend het laagste niveau sinds 2003. Daarna is het aantal werklozen drie jaar op rij licht toegenomen.

Figuur 5.1 Aantal werklozen (15 tot 75 jaar)
JaarWerkloze beroepsbevolking (x 1 000)
2013754
2014762
2015724
2016646
2017546
2018459
2019423
2020465
2021408
2022350
2023359
2024372
2025396

De werkzame beroepsbevolking (werknemers en zelfstandigen) nam in 2025 met 35 duizend toe tot ruim 9,8 miljoen. De stijging komt volledig op conto van werknemers. De netto-arbeidsparticipatie bleef in 2025 gelijk. Net als in 2024 had 73,2 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar betaald werk. Zowel de werkzame beroepsbevolking als de netto-arbeidsparticipatie lag op het hoogste niveau ooit.

Het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp) liep in het eerste kwartaal van 2025 voor het eerst in jaren terug, en dit zette de rest van het jaar door. Vanaf 1 januari 2025 is er een aangescherpte handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst. De opheffing van het handhavingsmoratorium is een van de maatregelen die het kabinet neemt om de balans op de arbeidsmarkt te herstellen. Het aantal zzp’ers is in 2025 met 62 duizend gedaald. In het eerste halfjaar kwam dat vooral doordat relatief veel zzp’ers verder gingen als werknemer. In het tweede halfjaar startten er daarnaast vooral ook minder mensen als zzp’er dan voorheen. Er waren in 2025 ook 10 duizend minder zelfstandigen met personeel dan in 2024.

Figuur 5.2 Zelfstandigen zonder personeel, 15 tot 75 jaar
JaarZelfstandige zonder personeel (zzp) (x 1 000)
2013894
2014916
2015936
2016960
2017986
2018999
20191019
20201054
20211078
20221176
20231230
20241262
20251200

In 2025 waren er 390 duizend openstaande vacatures in Nederland. Voor het derde opeenvolgende jaar was het aantal vacatures lager dan een jaar eerder. In 2022 werd de hoogste stand ooit bereikt, met 444 duizend. Daarna nam het aantal vacatures af, maar zijn er nog steeds relatief veel vacatures.

Figuur 5.3 Openstaande vacatures
JaarOpenstaande vacatures (x 1 000)
201395,1
2014108,2
2015129,7
2016155,9
2017200,6
2018248,3
2019281,1
2020221,3
2021313,4
2022444,4
2023423,7
2024403,7
2025390

Veranderingen in de situatie op de arbeidsmarkt zijn terug te zien in de verhouding tussen het aantal vacatures en het aantal werklozen. Het aantal werklozen nam in 2025 toe, terwijl het aantal vacatures afnam. Hierdoor nam de spanning op de arbeidsmarkt in 2025 verder af, maar is de krapte nog steeds relatief groot. In het tweede kwartaal van 2022 was de spanning op de arbeidsmarkt op zijn hevigst, met 142 openstaande vacatures per 100 werklozen. Toen piekte het aantal vacatures en bereikte het aantal werklozen een laagterecord sinds 2003. In het derde kwartaal van 2025 dook het aantal vacatures per 100 werklozen voor het eerst in vier jaar weer onder de 100.

Figuur 5.4 Spanning op de arbeidsmarkt, seizoengecorrigeerd
JaarKwartaalVacatures per 100 werklozen (vacatures per 100 werklozen) (vacatures per 100 werklozen)
20161e kwartaal22
20162e kwartaal23
20163e kwartaal26
20164e kwartaal28
20171e kwartaal32
20172e kwartaal36
20173e kwartaal40
20174e kwartaal45
20181e kwartaal50
20182e kwartaal54
20183e kwartaal57
20184e kwartaal60
20191e kwartaal66
20192e kwartaal68
20193e kwartaal66
20194e kwartaal67
20201e kwartaal56
20202e kwartaal43
20203e kwartaal41
20204e kwartaal45
20211e kwartaal56
20212e kwartaal78
20213e kwartaal93
20214e kwartaal106
20221e kwartaal134
20222e kwartaal142
20223e kwartaal120
20224e kwartaal122
20231e kwartaal121
20232e kwartaal121
20233e kwartaal113
20234e kwartaal114
20241e kwartaal110
20242e kwartaal108
20243e kwartaal106
20244e kwartaal108
20251e kwartaal101
20252e kwartaal101
20253e kwartaal97
20254e kwartaal93

6. Huishoudens

Met het netto reëel beschikbaar inkomen (rbi) van huishoudens kan een indruk verkregen worden van de mate waarin huishoudens weten te profiteren van de economische groei. In 2025 hadden huishoudens 2,7 procent meer te besteden dan in 2024. De stijging is groter dan de economische groei van 1,8 procent en ook groter dan de gemiddelde stijging van het rbi in de afgelopen dertig jaar, die uitkomt op 1,6 procent. De groei van het rbi is vooral toe te schrijven aan een hogere beloning van werknemers.

Verder speelde mee dat de betaalde belastingen relatief laag waren. Door de tegenbewijsregeling krijgen huishoudens 2,1 miljard euro van hun, over 2024, verschuldigde belasting in box 3 terug.

Het netto reëel beschikbaar inkomen is het inkomen van huishoudens na aftrek van belastingen en premies en gecorrigeerd voor prijsveranderingen. Dit betreft naast loon ook inkomen uit vermogen (rente, dividend) en uitkeringen, zoals pensioenen en werkloosheidsuitkeringen. Het gaat om al het inkomen van alle huishoudens samen.

De totale (nominale) beloning van werknemers was vorig jaar 6,4 procent groter dan in 2024. Het aantal banen van werknemers groeide met 1,5 procent, terwijl de cao-lonen 5,0 procent hoger waren. Het gemengd inkomen, voornamelijk inkomen van zelfstandigen, lag 0,8 procent hoger.

Daarnaast hebben huishoudens 5,8 procent meer aan uitkeringen ontvangen. Dat komt vooral doordat uitkeringen vaak zijn gekoppeld aan het minimumloon, dat ten opzichte van een jaar eerder met 5,6 procent toenam. Verder stegen de uitkeringen ook doordat meer personen een pensioenuitkering ontvingen en de pensioenen werden verhoogd. Tegenover de hogere beloning stond dat huishoudens 3,9 procent meer belastingen en sociale premies betaalden.

Figuur 6.1 Netto reëel beschikbaar inkomen huishoudens
 Rbi (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
20163,3
20170,5
20183,2
20192,8
20201,7
20211,6
20220,8
20231,9
20242,5
20252,7

Per inwoner was de stijging van het netto reëel beschikbaar inkomen iets kleiner dan voor alle huishoudens samen, aangezien de Nederlandse bevolking in 2025 met 0,5 procent groeide. Een inwoner van Nederland had in 2025 gemiddeld 2,2 procent meer te besteden dan in 2024. In 2024 was dat 1,8 procent. Het bbp per hoofd van de bevolking groeide met 1,3 procent. De inkomensgroei in 2025 ondersteunde de groei van de consumptie door huishoudens, maar die bleef met 1,0 procent per inwoner wel achter bij die van het rbi.

De spaarquote (vrijwillige besparingen als percentage van beschikbaar inkomen) van huishoudens steeg in 2025 naar 17,3 procent. Sinds 1995 lag deze quote alleen in de coronajaren 2020 en 2021 hoger. De hoge spaarquote wijst erop dat huishoudens in 2025 relatief terughoudend waren in hun consumptieve bestedingen. Mogelijk spelen de onzekerheid door geopolitieke spanningen, de nog relatief hoge inflatie in 2025 en de ontwikkelingen op de woningmarkt hierin een rol. De vrije besparingen worden niet alleen gebruikt om te sparen, aandelen te kopen of schulden af te lossen, maar ook om te investeren in nieuwbouwwoningen en verbouwingen.

Figuur 6.2 Beschikbaar inkomen, bbp en consumptie huishoudens per hoofd van de bevolking, voor prijsveranderingen gecorrigeerd
 Beschikbaar inkomen (2015=100)Bbp (2015=100)Consumptie huishoudens (2015=100)
2015100100100
2016102,8101,9100,8
2017102,7104,1102,5
2018105,3105,8104,3
2019107,6107,6104,7
2020108,8102,897,7
2021110108,7101,5
2022109,8113,1107,5
2023110,8111,3107,3
2024112,8111,8107,8
2025115,2113,2108,8

Huishoudens hebben in 2025 relatief veel gespaard. Eind 2025 hadden ze ruim 540 miljard euro aan spaartegoeden en overige deposito’s staan bij Nederlandse en buitenlandse banken. Dat is een toename van 8,1 procent (ofwel ruim 40 miljard euro) ten opzichte van een jaar eerder. De laatste keer dat de spaartegoeden relatief harder groeiden was in 2003, toen de tegoeden met 9,4 procent groeiden.

Figuur 6.3 Spaartegoeden en overige deposito's
JaarSpaartegoeden en overige deposito's (mld euro)
2000154,1
2001171,5
2002187,5
2003205,2
2004220
2005231,3
2006242,2
2007261,4
2008280,8
2009296
2010305,9
2011320,8
2012339,9
2013342,5
2014336,8
2015341,2
2016347,2
2017350,5
2018356,6
2019369,3
2020393,6
2021408,7
2022432,3
2023464,6
2024*500,2
2025*540,4

De stijging van de cao-lonen met gemiddeld 5,0 procent in 2025 is lager dan in de twee jaren ervoor, maar wel een van de hoogste in de afgelopen veertig jaar. De hoge loonstijgingen van de laatste jaren zijn een reactie op de inflatiepiek van 2022. De voor inflatie gecorrigeerde loonontwikkeling kwam in 2025 uit op 1,6 procent. Dat is lager dan in 2024. De lonen stijgen sinds het vierde kwartaal van 2023 harder dan de inflatie. In de twee jaar daarvoor was de inflatie daarentegen hoger dan de loonstijging.

Figuur 6.4 Cao-loonontwikkeling
JaarKwartaalCao-lonen per uur
inclusief bijzondere beloningen (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Reële cao-loonontwikkeling (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
20191e kwartaal2,3-0,2
20192e kwartaal2,6-0,1
20193e kwartaal2,70
20194e kwartaal2,80,1
20201e kwartaal31,4
20202e kwartaal2,81,4
20203e kwartaal31,7
20204e kwartaal2,81,7
20211e kwartaal2,20,5
20212e kwartaal2,20,4
20213e kwartaal1,90,2
20214e kwartaal1,9-1,2
20221e kwartaal2,7-0,9
20222e kwartaal3-2,6
20223e kwartaal3,5-3,5
20224e kwartaal3,7-6,1
20231e kwartaal5,6-5,1
20232e kwartaal5,8-3,3
20233e kwartaal6,3-1,4
20234e kwartaal6,83,5
20241e kwartaal6,64,1
20242e kwartaal6,43,8
20243e kwartaal6,83,1
20244e kwartaal6,52,5
20251e kwartaal5,41,7
20252e kwartaal5,31,7
20253e kwartaal4,61,6
20254e kwartaal4,61,7
20261e kwartaal4,52

Net als in 2024 waren de prijzen van consumentengoederen en diensten in 2025 gemiddeld 3,3 procent hoger dan een jaar eerder. De prijsontwikkelingen van huisvesting, voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken hadden de grootste bijdrage aan de inflatie in 2025. Inflatie is de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (CPI) ten opzichte van het voorgaande jaar.

Figuur 6.5 Inflatie
JaarJaarmutatie CPI (% verandering van de CPI t.o.v. jaar eerder)
20160,3
20171,4
20181,7
20192,6
20201,3
20212,7
202210
20233,8
20243,3
20253,3

De prijsontwikkeling van huisvesting wordt in de CPI voor zowel huurwoningen als eigen woningen gemeten aan de hand van de ontwikkeling van de woninghuren. De huren worden elk jaar in juli vastgesteld. In 2025 waren de woninghuren gemiddeld 5,1 procent hoger dan in 2024. In 2024 bedroeg de gemiddelde huurstijging 3,7 procent.

Ook voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken hadden een grote bijdrage aan de inflatie in 2025. De producten met de grootste prijsstijgingen in 2025 waren rund- en kalfsvlees (23,0 procent), koffie (20,3 procent), cacao (18,8 procent), chocolade (18,4 procent) en boter (11,2 procent).

De prijsontwikkeling van vliegtickets had in 2025 een drukkend effect op de inflatie. Vliegtickets waren in 2025 gemiddeld 7,2 procent goedkoper dan in 2024. Ook een mobiel abonnement (-6,7 procent) en benzine (-2,4 procent) waren in 2025 goedkoper dan een jaar eerder.

Niet alleen de inflatie was gelijk aan die in 2024, ook de prijsstijging van bestaande koopwoningen was nagenoeg hetzelfde. De prijsontwikkeling van koopwoningen zit niet in het inflatiecijfer, omdat een koopwoning wordt gezien als een investering en niet als een consumptiegoed. Een bestaande koopwoning was in 2025 gemiddeld 8,6 procent duurder dan een jaar eerder. In 2024 bedroeg de stijging 8,7 procent. Het aantal woningen dat in Nederland van eigenaar wisselde was in 2025 opnieuw groter dan een jaar eerder. In 2025 bedroeg het aantal woningtransacties 238 695. Dat is 15,6 procent meer dan een jaar eerder. Alleen in 2017 lag het aantal transacties hoger (241 860).

Figuur 6.6 Prijsontwikkeling en aantal transacties bestaande koopwoningen
JaarMaandPrijsindex (2020=100)Aantal woningtransacties (12-maands voortschrijdend gemiddelde) (2020=100)
201671,279,8
201671,381,2
201671,882,4
20167284
201672,485,5
201672,986,7
201673,687,2
201674,389,1
201674,991,1
201674,991,6
201675,293,2
201675,694,8
201776,396,9
201776,598,2
201777,4100,6
201777,6100,7
201778,3102,5
201779104,2
201779,7104,3
201780,5104,6
201780,8104,5
201781,4105,7
201781,8106,3
201782,1106,8
201883,1106,6
201884105,9
201884,3105,1
201884,7104,9
201885,5104,2
201886,2102,7
201887102,5
201888,2102,6
201888,5100,7
201888,8100,2
201889,799,6
201889,296,5
201990,796,1
201990,595,8
201990,994,4
201991,494,9
201991,895,5
201992,294,2
201993,294,9
201993,394,3
201993,995,1
201994,495,1
201994,995,1
20199596,5
202096,497,6
202096,797,6
202097,598,4
202098,399
202099,198,4
202099,399,4
2020100,3100,1
2020101,199,9
2020102,1100,9
2020103102,3
2020103,3102,4
2020102,9104
2021105,4107,1
2021106,6107,7
2021108,3110,6
2021109,4110,7
2021111,7109,7
2021113,7109,7
2021116,4108,1
2021118,9107,4
2021120,7106
2021121,8103,4
2021124102,3
2021123,799,8
2022127,495,2
2022127,994
2022129,389,8
2022130,788,5
2022132,388,3
2022132,487,4
2022132,986,3
2022132,785,9
2022131,785,9
2022130,985,3
2022129,684,9
2022126,585,3
2023128,284,9
2023126,483,9
2023125,983,7
2023124,682,3
2023124,682,1
2023124,982,5
2023125,681,8
2023126,481,6
2023127,280,9
2023128,181,3
2023128,781,3
202312980,5
2024130,581,1
2024131,882
2024132,782,3
2024133,983,6
2024135,484,7
2024137,183,8
202413985,5
2024140,586,3
2024141,787
2024142,888,1
2024144,189,3
2024143,191,2
2025145,592,7
2025145,793,8
2025146,794,3
2025147,695,7
2025148,596,6
2025149,898,5
2025150,999,6
2025151,6100,3
2025151,6102,2
2025152,3103,8
2025152,8103,9
2025151,4105,4
2026153,3105,8
2026153,5106,4
Bron: CBS, Kadaster

De woninghypotheekschuld van huishoudens nam in 2025 toe met 48,1 miljard euro vergeleken met een jaar eerder. Doordat de huizenprijzen stegen en er meer woningen werden verkocht, liep de hypotheekschuld sterker op dan in 2024. De economie groeide nominaal minder hard dan de schuldtoename, waardoor de hypotheekschuld als percentage van het bbp toenam, van 79,2 procent in 2024 naar 79,4 procent in 2025.

Figuur 6.7 Hypotheekschuld huishoudens
JaarHypotheekschuld (% bbp)
200077,3
200179,3
200283
200388,8
200492,2
200595,1
200696
200797
200897,7
2009106
2010106,9
2011106,6
2012107,1
2013104,4
2014102,6
2015100,7
201699,4
201796,8
201894,1
201990,6
202094,3
202190,5
202284,2
202381,1
202479,2
202579,4

Het inkomen (rbi) dat huishoudens te besteden hebben, is al twaalf jaar achter elkaar hoger dan het jaar ervoor. Ook is de economie de afgelopen jaren gegroeid, de werkloosheid nog relatief laag, werkten er niet eerder in Nederland zoveel mensen als in 2025 en is de overheidsschuld al jaren relatief laag.

Toch was het consumentenvertrouwen in maart 2026 al tachtig maanden onafgebroken negatief. De laatste keer dat consumenten positief waren, was in juli 2019. Zo’n lange periode waarin consumenten negatief zijn, is sinds het begin van het onderzoek in april 1986 niet eerder voorgekomen. De op een na langste periode telde 48 maanden, en was van april 2002 tot april 2006.

Al voor corona zakte het consumentenvertrouwen onder de nul. Af en toe leek herstel op te treden, maar viel het vertrouwen toch weer weg, zoals in 2022 toen Rusland Oekraïne binnenviel en afgelopen maart toen de Verenigde Staten en Israël eind februari 2026 Iran bombardeerden. Consumenten waren in maart 2026 vrijwel even negatief als tijdens de eerste coronamaanden in 2020.

Figuur 6.8 Consumentenvertrouwen, seizoengecorrigeerd
 jaarConsumentenvertrouwen (gemiddelde van de deelvragen)
2019juli 1
2019augustus-1
2019september-2
2019oktober-1
2019november-2
2019december-2
2020januari-2
2020februari-2
2020maart-3
2020april-23
2020mei-31
2020juni-27
2020juli-26
2020augustus-29
2020september-28
2020oktober-30
2020november-26
2020december-19
2021januari-19
2021februari-19
2021maart-18
2021april-14
2021mei-9
2021juni-3
2021juli-4
2021augustus-6
2021september-5
2021oktober-10
2021november-20
2021december-26
2022januari-28
2022februari-30
2022maart-39
2022april-48
2022mei-47
2022juni-50
2022juli-51
2022augustus-54
2022september-59
2022oktober-59
2022november-56
2022december-52
2023januari-49
2023februari-44
2023maart-39
2023april-37
2023mei-38
2023juni-39
2023juli-39
2023augustus-40
2023september-39
2023oktober-38
2023november-33
2023december-29
2024januari-28
2024februari-26
2024maart-22
2024april-21
2024mei-22
2024juni-23
2024juli-24
2024augustus-24
2024september-21
2024oktober-22
2024november-25
2024december-26
2025januari-28
2025februari-32
2025maart-34
2025april -37
2025mei-37
2025juni-36
2025juli-32
2025augustus-32
2025september-32
2025oktober-27
2025november-21
2025december-21
2026januari-23
2026februari-24
2026maart-30

7. Overheid

De overheidsuitgaven stegen in 2025, net als de laatste jaren, sneller dan het bbp. Met een stijging van 32 miljard euro kwamen de uitgaven over 2025 uit op 529 miljard euro. De overheidsinkomsten zijn in 2025 met 22 miljard euro gestegen tot 510 miljard euro. De uitgaven waren 19 miljard hoger dan de inkomsten. Dat komt overeen met een tekort over 2025 van 1,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Een jaar eerder was dat 0,7 procent.

Figuur 7.1 Overheidssaldo
JaarOverheidssaldo (% bbp) (% bbp)EMU-norm (% bbp) (% bbp)
20160,2-3
20171,4-3
20181,5-3
20191,9-3
2020-3,7-3
2021-2,3-3
20220-3
2023-0,4-3
2024-0,7-3
2025-1,6-3

De overheidsschuld is eind 2025 uitgekomen op 524 miljard euro. Dat is 32 miljard euro hoger dan eind 2024. Dat komt neer op een stijging van ongeveer 1 800 euro per inwoner. De overheidsschuld steeg sneller dan het bbp. De schuldquote steeg hierdoor van 43,8 procent van het bbp eind 2024, naar 44,4 procent eind 2025.

Het overheidssaldo en de overheidsschuld zijn de belangrijkste indicatoren voor de toestand van de overheidsfinanciën. Volgens het Groei- en Stabiliteitspact voor eurolanden mag het tekort van de overheid niet boven de 3 procent van het bbp en de schuld van de overheid niet boven de 60 procent van het bbp uitkomen. Deze normen vormen de basis van de Europese begrotingsregels voor lidstaten.

Figuur 7.2 Schuldquote
JaarSchuldquote (% bbp) (% bbp)EMU-norm (% bbp) (% bbp)
201660,960
20175660
201851,660
201947,760
202053,460
202150,560
202248,460
202345,860
202443,860
202544,460

8. De natuur als fundament voor de economie

In de voorgaande paragrafen is de economische ontwikkeling van Nederland beschreven op basis van het kernstelsel van de nationale rekeningen. Een van de belangrijkste indicatoren van de nationale rekeningen is het bruto binnenlands product (bbp). Het bbp geeft een indicatie voor de materiële welvaart van een land. Naast deze materiële welvaart zijn echter ook andere aspecten van het leven en de samenleving belangrijk voor de welvaart.

De milieurekeningen (CBSa) en de natuurlijk kapitaalrekeningen (CBSb) van het CBS brengen de interacties tussen economie en de leefomgeving in kaart, waaronder de transitie naar een circulaire economie, en maken zo de inbedding van de economie en het bbp in onze leefomgeving inzichtelijk. Daarnaast publiceert het CBS de Monitor Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals, waarin alle aspecten van de economie in combinatie met sociale en maatschappelijke statistieken overzichtelijk naast elkaar worden gezet. Bij het CBS zijn deze statistieken volledig geïntegreerd in of consistent gemaakt met de nationale rekeningen.

Als alleen naar het bbp wordt gekeken voor de economische ontwikkelingen, dan wordt er bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Om productie en consumptie mogelijk te kunnen maken, maken landen gebruik van grondstoffen die min of meer vrij beschikbaar zijn in de natuurlijke leefomgeving (bijvoorbeeld hout uit bossen of water en zand uit rivieren). Natuurlijke hulpbronnen zijn echter schaars en niet onbeperkt beschikbaar. Tegelijkertijd oefent de economie druk uit op de natuur in de vorm van uitstoot en vervuiling. Deze interactie zorgt voor uitputting van de aarde, zoals het opraken van grondstoffen en de achteruitgang van ecosystemen, zodat deze hun functie als leverancier van grondstoffen en ecosysteemdiensten minder goed kunnen vervullen.

Omschakeling naar een circulaire economie (CBSc) is een manier om door vermindering van het materiaalgebruik de milieu-impact te verlagen. Ook maakt dit de economie minder afhankelijk van buitenlandse natuurlijke hulpbronnen.

De interacties tussen economie en natuur worden het meest zichtbaar in de materiaalstromen waarop de economie drijft. Onderstaand stroomdiagram laat zien dat er in 2022 in Nederland 88 miljard kilo aan grondstoffen gewonnen werd, vooral biomassa en zand en grind. Daarnaast werd ook 266 miljard kilo geïmporteerd als ruwe of bewerkte grondstoffen en 16 miljard kilo afval en secundaire grondstoffen om in Nederland te recyclen (vooral biomassa). Met bewerkte grondstoffen worden zowel materialen in de vorm van halffabricaten (plastics, plaatstaal of andere basismaterialen) als eindproducten die direct geconsumeerd worden bedoeld.

In Nederland worden deze grondstoffen gebruikt in de productie van goederen voor de export en binnenlandse consumptie, verbrand om energie op te wekken, of direct geconsumeerd. Een deel van de goederen belandt na eenmalig gebruik in het afval en gaat daarmee verloren als grondstof (zoals plastic zakjes), een ander deel belandt in de voorraden (zoals bouwmaterialen, auto’s en wegen). Uit die voorraden komt ook weer een deel in het afval terecht. Van het afval wordt tot slot 37 miljard kilo gerecycled.

Naast deze in totaal 370 miljard kilo aan directe grondstoffeninzet, werd ook nog 149 miljard kilo aan grondstoffen en materialen ingevoerd om meteen weer geëxporteerd te worden, zonder bewerking in Nederland, waarmee het totaal uitkomt op 519 miljard kilo grondstoffen die in 2022 de Nederlandse economie instroomden.

Materiaalstromen in NederlandFiguur 8.1 Materiaalstromen in Nederland, miljard kilo, 2022 Import 415 Wederuitvoer 149 Export 337 Binnenlandse winning 88 Import afval voor recycling 16 Recycling 53 Materiaal verwerking 407 Materiaal gebruik 171 Voorraden 122 Afval 60 Energetisch gebruik 60 Kort-cyclisch product 48 Verlies 111 Legenda Biomassa Fossiel Metaal Mineraal Biomassa Fossiel Metaal Mineraal Figuur 8.1 Materiaalstromen in Nederland, miljard kilo, 2022 Wederuitvoer 149 Import 415 Export 337 Legenda Binnenlandse 88 Import afval 16 Materiaal 407 Materiaal 171 Afval 60 Energetisch 60 Kort-cyclisch 48 Verlies 111 Recycling 53 Voorraden 122 winning voor recycling verwerking gebruik product gebruik
Materiaalstromen in Nederland
from to substance quantity
Wederuitvoer Export Biomassa 32
Metaal 16
Niet-metaal mineralen 8
Fossiele energiedragers 93
Import afval voor recycling Recycling Biomassa 10
Metaal 2
Niet-metaal mineralen 3
Fossiele energiedragers 1
Import Materiaalverwerking Biomassa 57
Metaal 28
Niet-metaal mineralen 27
Fossiele energiedragers 154
Import Wederuitvoer Biomassa 32
Metaal 16
Niet-metaal mineralen 8
Fossiele energiedragers 93
Binnenlandse winning Materiaalverwerking Biomassa 43
Metaal 0
Niet-metaal mineralen 30
Fossiele energiedragers 15
Recycling Materiaalverwerking Biomassa 21
Metaal 3
Niet-metaal mineralen 27
Fossiele energiedragers 2
Materiaalverwerking Energetisch gebruik Biomassa 9
Metaal 0
Niet-metaal mineralen 0
Fossiele energiedragers 51
Energetisch gebruik Verlies Biomassa 9
Metaal 0
Niet-metaal mineralen 0
Fossiele energiedragers 51
Materiaal gebruik Kortcyclisch product Biomassa 47
Metaal 0
Niet-metaal mineralen 0
Fossiele energiedragers 1
Kortcyclisch product Afval Biomassa 9
Metaal 0
Niet-metaal mineralen 0
Fossiele energiedragers 0
Kortcyclisch product Verlies Biomassa 37
Metaal 0
Niet-metaal mineralen 0
Fossiele energiedragers 1
Afval Verlies Biomassa 7
Metaal 1
Niet-metaal mineralen 2
Fossiele energiedragers 2
Afval Recycling Biomassa 11
Metaal 1
Niet-metaal mineralen 24
Fossiele energiedragers 1
Afval Export Biomassa 7
Metaal 2
Niet-metaal mineralen 1
Fossiele energiedragers 1
Materiaalverwerking Export Biomassa 41
Metaal 17
Niet-metaal mineralen 26
Fossiele energiedragers 93
Materiaalverwerking Materiaal gebruik Biomassa 71
Metaal 15
Niet-metaal mineralen 58
Fossiele energiedragers 27
Materiaal gebruik Voorraad Biomassa 24
Metaal 15
Niet-metaal mineralen 58
Fossiele energiedragers 26
Voorraad Afval Biomassa 16
Metaal 4
Niet-metaal mineralen 27
Fossiele energiedragers 4

Om dit systeem van productie en consumptie mogelijk te maken, zijn echter nog veel meer grondstoffen nodig dan bovenstaand diagram weergeeft. De materialen en grondstoffen die worden ingevoerd, zorgen namelijk ook in het buitenland voor druk op het milieu. Dit komt onder andere doordat materiaalgebruik nodig is om de grondstoffen te winnen en te vervoeren, zoals machines en vrachtwagens. Als alle grondstoffen die nodig zijn om de jaarlijkse productie en consumptie in Nederland mogelijk te maken bij elkaar worden opgeteld, resulteert dat in een productiegrondstofvoetafdruk van 1 040 miljard kilo. Dat is bijna drie keer zo hoog als het directe gebruik van grondstoffen (370 miljard kilo).

Naast het verbruik aan grondstoffen, leiden economische activiteiten in Nederland ook tot de uitstoot van broeikasgassen, waterverbruik, landgebruik en biodiversiteitsverlies in binnen- en buitenland. Ook deze voetafdrukken zijn relatief groot ten opzichte van andere landen. Ondanks tal van klimaatmaatregelen zijn de voetafdrukken van de Nederlandse productie en consumptie nog niet verlaagd (met uitzondering van specifieke categorieën zoals fossiele brandstoffen). De voetafdrukken van metalen en mineralen zijn sinds 2014 zelfs toegenomen. Dit heeft te maken met de energietransitie, omdat voor de bouw van windmolens en zonnepanelen enorme hoeveelheden metalen en lithium nodig zijn.

Figuur 8.2 Grondstofvoetafdruk van de Nederlandse consumptie
 Bruto investeringen (2014 = 100)Metalen (2014 = 100)Mineralen (2014 = 100)Bbp (2014 = 100)Biomassa (2014 = 100)Fossiele brandstoffen (2014 = 100)
2014100100100100100100
2016117,4120,4110104,6100,3103,8
2018128,3118,4111,9109,998,799,6
2020134,3129,5126,8108,196,797,2
2021137,5133,3133,1114,996,294,9

Naast grondstoffen levert de natuur ook allerlei ecosysteemdiensten, die in de raming van het bbp een gegeven zijn. Deze ecosysteemdiensten omvatten onder meer producerende diensten zoals voedselvoorziening, regulerende diensten zoals natuurlijke waterzuivering en bestuiving, maar ook culturele diensten zoals recreatie en toerisme in de natuur. Een nieuwe manier om de bijdrage van de natuur aan de economie inzichtelijk te maken is de berekening van de gebruikswaarde van deze ecosysteemdiensten (CBS, 2025a). Deze gebruikswaarde blijft grotendeels buiten beeld in de gangbare economische statistieken, maar laat zien hoe belangrijk de natuur is voor de economie. In 2022 bedroeg de waarde van deze diensten 10,8 miljard euro.

Figuur 8.3 Gebruikswaarde ecosysteemdiensten (werkelijke prijzen)
 Producerende diensten (mld euro)Regulerende diensten (mld euro)Culturele diensten (mld euro)
20161,580,965,98
20171,451,026,57
20181,251,067,19
20191,261,017,35
20201,21,056,78
20211,241,078,94
20221,271,028,53
 

Het belang van de natuur is groter dan alleen de directe monetaire gebruikswaarde. Om ook in de toekomst gebruik te kunnen maken van de ecosysteemdiensten van de natuur is het belangrijk dat de kwaliteit en veerkracht van ecosystemen intact blijft. Dit wordt ook gemeten in de natuurlijke kapitaalrekeningen (CBSb). De druk die de Nederlandse economie hier en nu legt op de natuur gaat ten koste van de mogelijkheden van latere generaties om eenzelfde niveau van welvaart te bereiken als de mensen die nu leven, en van de welvaart van mensen elders op de wereld.

De Monitor Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals (CBSd) laten bijvoorbeeld zien dat er sprake is van een dalende trend in de biodiversiteit op de middellange termijn. Daarnaast laat de monitor zien dat Nederland tot de EU-landen behoort met het grootste fosfor- en stikstofoverschot, en de meeste cumulatieve CO2-emissies.

Uiteindelijk hebben deze zaken ook invloed op de planetaire grenzen (CBS, 2025b). Dit zijn negen randvoorwaarden waarbinnen de aarde leefbaar blijft voor mens en natuur. Worden deze overschreden, dan is de verwachting dat dit een groot effect zal hebben op de manier van leven, de omgeving en de gezondheid. Het CBS heeft afgelopen jaar verkennend onderzoek gedaan naar hoe de impact van de Nederlandse economie op deze grenzen gemeten kan worden. Er zijn echter nog geen cijfers over de mate waarin de Nederlandse economie verantwoordelijk is voor de overschrijding van de grenzen.

9. Tot slot

Geopolitieke spanningen en de (wisselende) handelstarieven door de Verenigde Staten leidden in 2025 tot grote onzekerheid. De Nederlandse economie groeide echter met 1,8 procent gestaag door, na een groei van 1,1 procent in 2024. De Nederlandse groei was hoger dan die van de EU-landen samen en de ons omringende landen. Dat is vooral te danken aan de overheidsconsumptie en -investeringen.

De consumptie door huishoudens droeg in 2025 het meest bij aan de economische groei. De consumptiegroei werd ondersteund door de toename van het netto reëel beschikbaar inkomen van huishoudens met 2,7 procent. Wel bleef de groei van de consumptie met 1,5 procent hierbij achter. Huishoudens waren in 2025 relatief terughoudend in hun consumptieve bestedingen. Het consumentenvertrouwen is al tachtig maanden onafgebroken negatief, de langste periode sinds het begin van het onderzoek.

Het totaal aantal gewerkte uren van werknemers en zelfstandigen kromp in 2025 voor het eerst in vijf jaar. Doordat de economie wel groeide, was de arbeidsproductiviteit, het bbp per gewerkt uur, 2,4 procent hoger dan in 2024. Die stijging volgde op twee jaar waarin de arbeidsproductiviteit daalde. Het aantal werklozen groeide voor het derde jaar op rij en het aantal vacatures kromp voor het derde jaar op rij. De spanning op de arbeidsmarkt nam hierdoor af, maar bleef relatief hoog.

In 2025 groeide de industrie van alle Nederlandse bedrijfstakken het sterkst. Dat is onder meer toe te schrijven aan de wereldhandel die, ondanks alle onzekerheid, gestaag doorgroeide. De Nederlandse industrie is sterk afhankelijk van de export die drie kwart van de toegevoegde waarde uitmaakt.

In 2025 kwam het overheidstekort uit op 1,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Een jaar eerder was dat 0,7 procent. De overheidsschuld steeg van 43,8 naar 44,4 procent van het bbp. Beide indicatoren voldoen aan de Europese normen.

Een belangrijke indicator van de nationale rekeningen is het bruto binnenlands product (bbp). Dat geeft een indicatie voor de materiële welvaart van een land. Naast deze materiële welvaart zijn echter ook andere aspecten van het leven en de samenleving belangrijk voor de welvaart, zoals de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, de materiaalstromen binnen de economie, de uitstoot van broeikasgassen, waterverbruik, landgebruik en biodiversiteitsverlies in binnen- en buitenland en de gebruikswaarde van ecosysteemdiensten.

Bronnen

CBSa, Hoe zijn milieu en economie verbonden? Dossier Milieu en economie.

CBSb, Natuurlijk kapitaal.

CBSc, Dossier circulaire economie.

CBSd, Monitor Brede Welvaart en SDG's.

CBS (2025a), De gebruikswaarde van natuur in Nederland.

CBS (2025b), Planetaire grenzen.

Central Statistics Office, Modified GNI.

CPB (maart 2026), Wereldhandelsmonitor.

DNB (december 2025), Najaarsraming.