Auteur: André Mares

De Nederlandse economie in 2023

Over deze publicatie

"De Nederlandse economie” is een reeks artikelen waarin actuele macro-economische fenomenen worden beschreven en geduid. De artikelen zijn grotendeels gebaseerd op de uitkomsten van de nationale rekeningen. Deze editie is het economisch jaaroverzicht van 2023.

Samenvatting

De Nederlandse economie groeide in 2023 met 0,1 procent. Dat is een stuk minder dan in de voorgaande twee jaar toen de economie sterk herstelde van de coronadip in 2020. De groei was ook kleiner dan gemiddeld in de Europese Unie. De overheidsconsumptie leverde de grootste bijdrage aan de groei in 2023. Verder is kenmerkend voor 2023 dat het bruto binnenlands product in de eerste drie kwartalen van 2023 daalde ten opzichte van het voorgaande kwartaal. Drie kwartalen achter elkaar met krimp komt zelden voor. 

Het conjunctuurbeeld kantelde in juli 2022 en de verslechtering zette in 2023 en begin 2024 door. Sinds april 2023 is het conjunctuurbeeld negatief. Zowel consumenten als producenten waren eind 2023 en begin 2024 negatief. Ondanks de laagconjunctuur bleef de arbeidsmarkt in 2023 krap en stegen de cao-lonen met 6,1 procent, bijna tweemaal zoveel als in 2022, terwijl de inflatie juist afnam.  De huizenprijzen stegen sinds juni 2023 weer.

1. Inleiding

In dit artikel wordt de economische ontwikkeling van Nederland in 2023 beschreven op basis van de uitkomsten van de nationale rekeningen. Dit is het officiële boekhoudkundig systeem waarmee de huishouding van Nederland wordt berekend en gepubliceerd door het CBS. De informatie wordt aangevuld met cijfers over de arbeidsmarkt, de inflatie en de woningmarkt uit andere CBS-bronnen. Op deze manier ontstaat een compleet en samenhangend macro-economisch beeld van Nederland in 2023. Het gaat hierbij dus om de totalen van de Nederlandse economie. Het beeld voor individuele huishoudens en bedrijven kan verschillen. 

Allereerst zal de ontwikkeling van de Nederlandse economie in 2023 in grote lijnen worden geschetst aan de hand van het bruto binnenlands product (bbp) en de bestedingscategorieën. In paragraaf 3 wordt de Nederlandse groei afgezet tegen die van verschillende buitenlandse economieën. In paragraaf 4 wordt ingezoomd op de ontwikkeling van het bedrijfsleven aan de hand van de toegevoegde waarde. Vervolgens wordt kort de arbeidsmarkt behandeld. De inflatie en de woningmarkt komen aan bod in paragraaf 6 en 7. Het artikel wordt afgesloten met het meest recente conjunctuurbeeld, inclusief de vertrouwensindicatoren van consumenten en producenten.

2. Economische groei en bestedingen

De Nederlandse economie is in 2023, voor prijsveranderingen gecorrigeerd, met 0,1 procent gegroeid. Dat was een stuk minder dan in 2021 en 2022, toen de economie met een groei van respectievelijk 6,2 en 4,3 procent sterk herstelde van de coronapandemie in 2020. Twee jaar op rij met deze groeicijfers waren deze eeuw nog niet voorgekomen. De bescheiden groei in 2023 ging samen met een hoge inflatie en een gestegen rente. Verder was het volume van de wereldhandel lager dan in 2022.

Vorig jaar was het eerste jaar sinds 2020 zonder lockdowns en coronamaatregelen. Toch had corona nog wel een positief effect op het groeicijfer van 2023. Want in 2022 gold er tot halverwege januari in Nederland nog een harde lockdown. Daarna werd de samenleving geleidelijk opengesteld en in maart 2022 vervielen de laatste coronamaatregelen. 

De economie kan groeien doordat er meer wordt gewerkt en/of doordat werkenden productiever zijn geworden. In 2023 was de groei van de economie volledig toe te schrijven aan een stijging van de werkgelegenheid. De arbeidsproductiviteit, hier berekend als het bbp per gewerkt uur, was 0,6 procent lager dan in 2022. De toename van het aantal gewerkte uren kwam uit op 0,7 procent. 

Figuur 2.1 Bruto binnenlands product (volume), arbeidsproductiviteit en gewerkte uren
JaarBbp (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Arbeidsproductiviteit (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Gewerkte uren (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
20101,32,1-0,7
20111,60,60,9
2012-1-0,1-0,9
2013-0,10,8-0,9
20141,40,70,7
2015211
20162,2-0,22,3
20172,90,52,3
20182,4-0,32,7
20192-0,72,6
2020-3,90,1-4
20216,22,83,3
20224,30,43,9
20230,1-0,60,7

Het bbp daalde in de eerste drie kwartalen van 2023 met respectievelijk 0,5 procent, 0,4 procent en 0,3 procent ten opzichte van het voorgaande kwartaal. In het vierde kwartaal steeg het bbp weer met 0,3 procent. Drie kwartalen achter elkaar met krimp ten opzichte van een kwartaal eerder komt zelden voor. De laatste keer was tijdens de kredietcrisis in 2008 en 2009. Toen daalde het bbp in de laatste twee kwartalen van 2008 en in het eerste kwartaal 2009. De totale krimp in die drie kwartalen was wel groter dan in de eerste drie kwartalen van 2023.

Ondanks drie kwartalen waarin de economie kromp, was het totale bbp in 2023 iets groter dan in 2022. Dat komt doordat het bbp in het vierde kwartaal 2022 hoger was dan gemiddeld in 2022. Dat wordt het overloopeffect genoemd, het verschil tussen het bbp in het laatste kwartaal van het jaar en het gemiddelde bbp van dat jaar. Doordat het bbp na het vierde kwartaal 2022 drie kwartalen achter elkaar daalde, was het bbp in het vierde kwartaal 2023 wel lager dan in het vierde kwartaal 2022.

Figuur 2.2 Bruto binnenlands product (volume)
Perioden  % (% verandering t.o.v. kwartaal eerder)
20081e kwartaal0,3
20082e kwartaal0,5
20083e kwartaal-0,1
20084e kwartaal-0,7
20091e kwartaal-3,6
20092e kwartaal0
20093e kwartaal0,4
20094e kwartaal0,6
20101e kwartaal-0,2
20102e kwartaal0,4
20103e kwartaal0,4
20104e kwartaal1,1
20111e kwartaal0,6
20112e kwartaal-0,1
20113e kwartaal0
20114e kwartaal-0,6
20121e kwartaal-0,2
20122e kwartaal0,1
20123e kwartaal-0,4
20124e kwartaal-0,7
20131e kwartaal0,3
20132e kwartaal-0,2
20133e kwartaal0,6
20134e kwartaal0,6
20141e kwartaal-0,1
20142e kwartaal0,6
20143e kwartaal0,3
20144e kwartaal0,9
20151e kwartaal0,6
20152e kwartaal0,3
20153e kwartaal0,3
20154e kwartaal0
20161e kwartaal0,9
20162e kwartaal0,2
20163e kwartaal1,1
20164e kwartaal0,8
20171e kwartaal0,5
20172e kwartaal0,9
20173e kwartaal0,7
20174e kwartaal0,7
20181e kwartaal0,5
20182e kwartaal0,7
20183e kwartaal0,1
20184e kwartaal0,5
20191e kwartaal0,8
20192e kwartaal0,3
20193e kwartaal0,2
20194e kwartaal0,6
20201e kwartaal-1,3
20202e kwartaal-8,3
20203e kwartaal6,4
20204e kwartaal0,6
20211e kwartaal1,2
20212e kwartaal3
20213e kwartaal2,1
20214e kwartaal0,7
20221e kwartaal0,5
20222e kwartaal1,7
20223e kwartaal0,2
20224e kwartaal0,6
20231e kwartaal-0,5
20232e kwartaal-0,4
20233e kwartaal-0,3
20234e kwartaal0,3

Het bbp is opgebouwd uit de consumptie van huishoudens, de overheidsconsumptie, de investeringen en de uitvoer minus de invoer (de handelsbalans). Net als het bbp was het volume van bijna alle bestedingscategorieën aan het eind van 2023 lager dan in het begin. Dat gold vooral voor de uitvoer van goederen en diensten en de investeringen in vaste activa. De consumptie door huishoudens daalde ook in de eerste drie kwartalen, maar die daling werd in het vierde kwartaal nog bijna goedgemaakt, doordat consumenten weer substantieel (1,8 procent) meer kochten dan een kwartaal eerder. Alleen de overheidsconsumptie nam in 2023 gestaag toe.

De overheidsconsumptie is van alle bestedingen ook het sterkst toegenomen ten opzichte van het vierde kwartaal 2019. Verder valt op dat de investeringen in vaste activa eind 2023 slechts iets boven het niveau van voor corona lagen. Het bbp was 6 procent groter dan in het vierde kwartaal van 2019. De cijfers zijn voor seizoeneffecten en prijsveranderingen gecorrigeerd. 

Figuur 2.3 Bestedingen naar categorie (volume, seizoen- en werkdaggecorrigeerd)
   Consumptie overheid (2019-IV=100)Uitvoer goederen en diensten (2019-IV=100)Consumptie huishoudens (2019-IV=100)Investeringen (2019-IV=100)
4e kwartaal100100100100
20201e kwartaal100,59997,7100,6
20202e kwartaal98,388,786,791,1
20203e kwartaal102,395,19496,6
20204e kwartaal102,497,393,898,2
20211e kwartaal103,9100,590,4100,2
20212e kwartaal106,5102,196,399,2
20213e kwartaal106,2104,4100,998,6
20214e kwartaal107,1103,610199,7
20221e kwartaal106,5105,5101,799
20222e kwartaal107,1107,9103102,1
20223e kwartaal107,8107,8104101
20224e kwartaal109,1108,4105,2102,8
20231e kwartaal109,5108,2104,8104,8
20232e kwartaal110,5106,8103,1104,8
20233e kwartaal111,6104,7102,9102,2
20234e kwartaal112,1105104,7100,1

De consumptie door de overheid droeg ook het meest bij aan de jaargroei van 0,1 procent in 2023. Daarnaast leverden de investeringen en de consumptie door huishoudens een positieve bijdrage. De bijdrage van het handelssaldo was echter negatief. Zowel de uitvoer als de invoer van goederen en diensten was lager dan in 2022. 

De overheidsconsumptie groeide in 2023 met 3 procent ten opzichte van 2022. Dat is vooral  toe te schrijven aan hogere uitgaven van het Rijk en gemeenten, en hogere zorgkosten, onder meer door hogere personeelskosten. 

Huishoudens consumeerden vorig jaar meer dan een jaar eerder, maar de groei viel terug van 6,6 procent in 2022 naar 0,4 procent in 2023. In 2022 was de consumptie door huishoudens ondanks een hoge inflatie nog de groeimotor. Huishoudens gaven vorig jaar, voor prijsveranderingen gecorrigeerd, meer uit aan diensten zoals horeca, recreatie, cultuur, vervoer en communicatie. De groei van de consumptie van diensten in 2023 was wel een stuk lager dan in 2022.

Aan goederen gaven consumenten net als in 2022 minder uit dan een jaar eerder. Ze kochten minder voedings- en genotmiddelen dan in 2022. Ook aan duurzame goederen, vooral aan spullen voor de woning, gaven huishoudens minder uit dan een jaar eerder. Verder verbruikten huishoudens vorig jaar 11 procent minder aardgas dan in 2022, hoewel de winters wat temperatuur betreft vergelijkbaar waren. Wel waren de gasprijzen in 2023 in verhouding nog hoog. 

In 2023 zijn de investeringen in vaste activa met 1,8 procent gegroeid. Er werd vooral meer geïnvesteerd in personenauto’s, overig wegvervoer (opleggers, vrachtwagens, etc.), vliegtuigen en machines. De investeringen in woningen waren echter lager dan in 2022.

De uitvoer van goederen en diensten kromp in 2023 met 1,3 procent. Er zijn met name minder goederen uitgevoerd. Vooral de export van chemische producten, voedings- en genotmiddelen, metaal, rubber en kunststof droeg bij aan de krimp. De bijdrage van de export van machines en aardolieproducten was het meest positief. De export van Nederlands fabricaat kromp met 2,8 procent, de wederuitvoer (de uitvoer van eerder ingevoerde producten) kwam 0,6 procent lager uit. 

Uit de wereldhandelsmonitor van het Central Planbureau blijkt dat het wereldhandelsvolume in 2023 bijna 2 procent lager was dan in 2022. Daarnaast werden Nederlandse producenten in de loop van 2023 steeds negatiever over hun buitenlandse orders. Ook daalde bij Nederlands belangrijkste handelspartner, Duitsland, de productie van de industrie en het producentenvertrouwen in 2023. 

De invoer van goederen en diensten was 0,8 procent lager dan een jaar eerder. De daling van de uitvoer was groter dan die van de invoer. Hierdoor had het handelssaldo een negatieve bijdrage aan de economische groei. 

Figuur 2.4 Bestedingen naar categorie (volume)
Categorie2023 (% verandering t.o.v. jaar eerder)2022 (% verandering t.o.v. jaar eerder)
Bruto binnenlands product0,14,3
Invoer goederen en diensten-0,83,8
Consumptie overheid31,6
Investeringen in vaste activa1,81,8
Consumptie huishoudens0,46,6
Uitvoer goederen en diensten-1,34,5

3. Internationaal

De groei van de Nederlandse economie in 2023 was kleiner dan gemiddeld in de Europese Unie. Gemiddeld groeiden de economieën van de EU met 0,5 procent. In 2022 presteerde de Nederlandse economie nog beter dan gemiddeld in de EU. Van de grote economieën in de EU groeide die van Spanje in 2023, met 2,5 procent, het hardst. De Duitse economie, de grootste van Europa, kromp met 0,3 procent. De economische groei in het Verenigd Koninkrijk was in 2023 en 2022 gelijk aan die in Nederland. In buurland België kwam de groei in 2023 uit op 1,5 procent. 

Vergeleken met het vierde kwartaal 2019, het laatste kwartaal voor corona, was de Nederlandse economie eind 2023 per saldo 6 procent groter. Dat was meer dan gemiddeld in de EU, en ook meer dan in België, Italië, Spanje, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. In dat laatste land was de groei, met 0,1 procent, marginaal.

Van de drie grote economische blokken groeide de economie in China met 5,2 procent het hardst. Ook de economische groei van de Verenigde Staten was, met 2,5 procent, groter dan die van de EU. In beide landen was de groei ook groter dan in 2022, in tegenstelling tot de EU.

Figuur 3.1 Economische groei in enkele Europese landen en in de drie grote economische blokken
 2023 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)2022 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Spanje2,55,8
België1,53
Frankrijk0,92,5
Italië*0,73,7
Nederland0,14,3
VK0,14,3
Duitsland-0,31,8
China5,23
VS2,51,9
EU27*0,53,4
Bron: CBS, Eurostat, ONS, BEA
* 2023 op basis van seizoengecorrigeerde kwartaalcijfers

4. Bedrijven en instellingen

Alles wat in Nederland aan waarde wordt toegevoegd door middel van productie telt op tot het bbp in basisprijzen. De bruto toegevoegde waarde (het verschil tussen productie en verbruik van energie, materialen en diensten) van bedrijven en instellingen groeide in 2023 met 0,2 procent. De toegevoegde waarde van bedrijven plus het saldo van productgebonden belastingen en subsidies telt op tot het bbp in marktprijzen, waarmee de groei van de economie wordt berekend. 

De bedrijfstak overheid, onderwijs en zorg (vooral overheid en zorg) en de zakelijke dienstverlening droegen van alle bedrijfstakken het meest bij aan de groei van de economie in 2023. Deze bedrijfstakken groeiden weliswaar niet het hardst, maar drukten vanwege hun omvang een grote stempel op de economische ontwikkeling. De delfstoffenwinning en de bedrijfstak handel, horeca, vervoer en opslag leverden de grootste negatieve bijdrage.

Figuur 4.1 Toegevoegde waarde naar bedrijfstak (volume, basisprijzen)
 2023 (% verandering t.o.v. jaar eerder)2022 (% verandering t.o.v. jaar eerder)
Cultuur, sport, recreatie
en overige diensten
625,9
Energiebedrijven2,95,9
Verhuur en handel onroerend goed2,84,2
Bouwnijverheid2,52,9
Zakelijke dienstverlening2,58,9
Overheid, onderwijs en zorg2,52,6
Informatie en communicatie-0,13,8
Industrie-0,63,8
Handel, horeca, vervoer en opslag-1,86,7
Landbouw, bosbouw en visserij-2,2-2,9
Financiële instellingen-4-0,5
Water en afval-4,1-4,7
Delfstoffenwinning-29,4-11,7

De toegevoegde waarde van de bedrijfstak cultuur, sport, recreatie en overige diensten groeide in 2023 met 6 procent het hardst van alle bedrijfstakken. In 2022 groeide deze bedrijfstak ook het hardst van alle bedrijfstakken. Toen was de groei 25,9 procent. Die sterke groei volgde op de forse krimp in 2020 en de kleine groei in 2021. De toegevoegde waarde van deze bedrijfstak lag in 2023 ongeveer 7 procent boven het niveau van voor corona.

De zakelijke dienstverlening groeide in 2023 met 2,5 procent. Vooral de specialistische zakelijke dienstverlening (zoals management- en adviesbureaus, en architecten- en ingenieursbureaus) en de reisbranche droegen bij aan de economische groei in 2023. In de bedrijfstak handel, horeca, vervoer en opslag lag de toegevoegde waarde vorig jaar 1,8 procent lager dan in 2022. Dat is toe te schrijven aan de branche vervoer en opslag. De toegevoegde waarde van de horeca groeide wel. 

De krimp van de goederenexport is terug te zien in de productie van de industrie. In 2023 was de toegevoegde waarde van de industrie 0,6 procent lager dan in 2022. Deze krimp volgt op twee jaar met groei. Ondanks materiaaltekorten en leveringsproblemen veerde de industrie in 2021 krachtig op van de coronadip in 2020. In 2022 zette de groei door, vooral door sterke groeicijfers van de machine-industrie. 

Ook in 2023 noteerde de machine-industrie een vergelijkbare groei als in de voorgaande twee jaar. De krimp van de productie vorig jaar is vooral toe te schrijven aan de chemische, de metaal- en de rubber- en kunststofindustrie. De industrie had in 2023 onder meer te maken met een teruglopende vraag, personeelstekorten, een hoge rente en nog steeds relatief hoge energieprijzen. De export van Nederlands product kromp in 2023 met 2,8 procent. Het producentenvertrouwen is sinds april 2023 negatief. Fabrikanten waren vooral negatief over hun orderportefeuille en voorraden gereed product. 

Figuur 4.2 Toegevoegde waarde industrie (volume, basisprijzen)
JaarProductie (% verandering t.o.v. jaar eerder)
2020-2,3
202110,4
20223,8
2023-0,6

In 2023 zijn, niet gecorrigeerd voor zittingsdagen, 3.272 bedrijven en instellingen, inclusief eenmanszaken, failliet verklaard. Dat is 52 procent meer dan in 2022. Toen bedroeg het aantal faillissementen 2.145. In vrijwel alle bedrijfstakken gingen er meer bedrijven failliet dan in 2022. Het aantal faillissementen in 2023 was echter nog steeds lager dan in 2019, het laatste volledige jaar voor corona. 

De piek in het aantal faillissementen, van 9.431, werd tijdens de eurocrisis in 2013 bereikt. Het laagste aantal sinds de start van de statistiek in 1981 werd in 2021 genoteerd, namelijk 1.818. Dat in coronatijd relatief weinig bedrijven failliet werden verklaard, is niet los te zien van de noodsteun van de overheid.

Figuur 4.3 Aantal faillissementen van bedrijven en instellingen (incl. eenmanszaken)
JaarAantal
20107147
20116883
20128346
20139431
20147621
20156006
20165012
20173867
20183633
20193792
20203177
20211818
20222145
20233272

Het vertrouwen van het niet-financiële bedrijfsleven is al negen achtereenvolgende kwartalen negatief. Ook aan het begin van 2024 waren ondernemers negatief, maar minder dan in de voorgaande zeven kwartalen. In bijna alle bedrijfstakken was het vertrouwen negatief. Alleen ondernemers in de informatie en communicatie en de zakelijke dienstverlening waren licht positief gestemd. Het ondernemersvertrouwen geeft de stemming van het Nederlandse niet-financiële bedrijfsleven weer over de ontwikkeling van het economische klimaat in de afgelopen en komende drie maanden.

Figuur 4.4 Ondernemersvertrouwen
JaarMaandOndernemersvertrouwen
2019jan4
2019apr2,4
2019jul0,9
2019okt-4,6
2020jan-1,6
2020apr-51,9
2020jul-22,8
2020okt-15,9
2021jan-11,4
2021apr0
2021jul11,9
2021okt12,9
2022jan-0,6
2022apr-9,9
2022jul-12,5
2022okt-22,2
2023jan-13,2
2023apr-8,1
2023jul-8,3
2023okt-10,1
2024jan-7,7
Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW

5. De arbeidsmarkt

In 2023 telde Nederland gemiddeld 359 duizend werklozen. Dat is 9 duizend meer dan in 2022. Het werkloosheidspercentage steeg van 3,5 procent in 2022 naar 3,6 procent in 2023. De toename van de werkloosheid in 2023 is vooral toe te schrijven aan jongeren van 15 tot 25 jaar. Ook bij 25- tot 45-jarigen was het aantal werklozen wat groter. Onder 45-plussers was de werkloosheid echter opnieuw lager dan een jaar eerder. Het gaat bij het aantal werklozen om mensen zonder betaald werk die hier recent naar hebben gezocht en direct beschikbaar zijn om aan de slag te gaan. 

Tijdens de eurocrisis in 2014 bereikte de werkloosheid een piek met 762 duizend. Daarna liep tot 2020 het aantal werklozen gestaag terug. In 2020 nam door de coronacrisis de werkloosheid tijdelijk toe. Het steunbeleid van de overheid voorkwam een sterkere stijging van de werkloosheid en met het snelle economische herstel werd in de laatste maanden van 2020 de dalende trend van de werkloosheid weer opgepakt. Hierdoor waren er in 2021 al weer minder werklozen dan in 2019. Aan deze daling kwam in 2023 een eind, maar het aantal werklozen bleef lager dan voor corona.

Figuur 5.1 Aantal werklozen (15 tot 75 jaar)
JaarWerkloze beroepsbevolking (x 1 000)
2003500
2004576
2005597
2006525
2007466
2008427
2009489
2010547
2011544
2012622
2013754
2014762
2015724
2016646
2017546
2018459
2019423
2020465
2021408
2022350
2023359

De netto-arbeidsparticipatie, het deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar dat betaald werk heeft, was in 2023 opnieuw hoger dan een jaar eerder. Met 73,1 procent was de netto-arbeidsparticipatie ook op het hoogst sinds de reeks in 2003 is gestart. De toename van de arbeidsdeelname was relatief het sterkst bij 45-plussers en jongeren tot 25 jaar. Bij 25- tot 45-jarigen was de stijging gering.

Figuur 5.2 Netto-arbeidsparticipatie (15 tot 75 jaar)
Jaar15 tot 25 jaar (%)25 tot 45 jaar (%)45 tot 75 jaar (%)
201972,88659,1
202069,985,759,3
202171,786,459,7
202275,587,361,2
202376,587,562,3

Ook in 2023 was de arbeidsmarkt krap. In het laatste kwartaal van 2023 stonden tegenover elke 100 werklozen opnieuw 114 vacatures. De spanning op de arbeidsmarkt was in de tweede helft van 2023 wel lager dan in de zes kwartalen daarvoor. Daarnaast lag zowel het aantal banen, het aantal werkzame personen als het aantal gewerkte uren in 2023 hoger dan in 2022. 

Figuur 5.3 Spanning op de arbeidsmarkt
JaarkwartaalVacatures (vacatures per 100 werklozen)
20141e kwartaal13
20142e kwartaal14
20143e kwartaal15
20144e kwartaal16
20151e kwartaal17
20152e kwartaal18
20153e kwartaal19
20154e kwartaal20
20161e kwartaal22
20162e kwartaal23
20163e kwartaal26
20164e kwartaal28
20171e kwartaal32
20172e kwartaal36
20173e kwartaal40
20174e kwartaal45
20181e kwartaal50
20182e kwartaal54
20183e kwartaal57
20184e kwartaal60
20191e kwartaal66
20192e kwartaal68
20193e kwartaal66
20194e kwartaal67
20201e kwartaal56
20202e kwartaal43
20203e kwartaal41
20204e kwartaal45
20211e kwartaal56
20212e kwartaal78
20213e kwartaal93
20214e kwartaal106
20221e kwartaal134
20222e kwartaal142
20223e kwartaal120
20224e kwartaal122
20231e kwartaal122
20232e kwartaal122
20233e kwartaal114
20234e kwartaal114

De combinatie van een krappe arbeidsmarkt en een hoge inflatie leidde tot hogere loonstijgingen. In 2023 lagen de cao-lonen gemiddeld 6,1 procent hoger dan in 2022. Deze toename is bijna een verdubbeling van de ontwikkeling van het jaar ervoor, toen de lonen nog met 3,2 procent stegen. De cao-loonstijging in 2023 is de grootste in ruim veertig jaar tijd. De reële loonontwikkeling voor heel 2023 was echter negatief (-1,6 procent). Dit betekent dat de lonen minder hard stegen dan de prijzen. 

In het laatste kwartaal van 2023 lagen de cao-lonen 6,9 procent hoger dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Al twee jaar achtereen was de cao-loonstijging elk kwartaal groter. De reële cao-loonontwikkeling was in vierde kwartaal van vorig jaar 3,6 procent. In de eerste drie kwartalen van 2023 was reële cao-loonontwikkeling negatief. 

Figuur 5.4 Cao-loonontwikkeling
JaarKwartaalCao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen (% verandering t.o.v. een jaar eerder)Reële cao-loonontwikkeling (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
20131e kwartaal1,4-1,6
20132e kwartaal1,2-1,6
20133e kwartaal1-1,8
20134e kwartaal0,9-0,7
20141e kwartaal0,9-0,2
20142e kwartaal0,9-0,1
20143e kwartaal0,90
20144e kwartaal10,1
20151e kwartaal1,31,1
20152e kwartaal1,40,5
20153e kwartaal1,40,6
20154e kwartaal1,50,8
20161e kwartaal1,81,2
20162e kwartaal1,81,8
20163e kwartaal22
20164e kwartaal1,81,1
20171e kwartaal1,3-0,2
20172e kwartaal1,30
20173e kwartaal1,40
20174e kwartaal1,50,1
20181e kwartaal1,80,6
20182e kwartaal1,80,3
20183e kwartaal2,10,1
20184e kwartaal2,20,2
20191e kwartaal2,3-0,2
20192e kwartaal2,6-0,1
20193e kwartaal2,70
20194e kwartaal2,80,1
20201e kwartaal31,4
20202e kwartaal2,81,4
20203e kwartaal31,7
20204e kwartaal2,81,7
20211e kwartaal2,20,5
20212e kwartaal2,20,4
20213e kwartaal1,90,2
20214e kwartaal1,9-1,2
20221e kwartaal2,7-0,9
20222e kwartaal3-2,6
20223e kwartaal3,5-3,5
20224e kwartaal3,7-6,1
20231e kwartaal5,5-5,2
20232e kwartaal5,8-3,4
20233e kwartaal6,3-1,4
20234e kwartaal6,93,6

6. Inflatie

Prijzen van consumentengoederen- en diensten waren in 2023 gemiddeld 3,8 procent hoger dan een jaar eerder. In 2022 was de inflatie 10,0 procent. Net als in 2022 hadden in 2023 vooral de prijsontwikkelingen van voeding en energie invloed op de inflatie. De inflatie zonder energie en motorbrandstoffen kwam in 2023 gemiddeld uit op 6,5 procent. Dat was een jaar eerder 5,1 procent. 

Om de hoge inflatie van de afgelopen jaren te beteugelen heeft de Europese Centrale Bank sinds de zomer van 2022 de beleidsrente in tien stappen verhoogd, tot 4 procent. Dat is de hoogste stand sinds de start van de euro.

Figuur 6.1 Inflatie
JaarInflatie (% verandering van de CPI t.o.v. jaar eerder)
20101,3
20112,3
20122,5
20132,5
20141
20150,6
20160,3
20171,4
20181,7
20192,6
20201,3
20212,7
202210
20233,8

In 2023 droeg vooral de prijsontwikkeling van voedingsmiddelen bij aan de inflatie. Voeding was vorig jaar gemiddeld 12,1 procent duurder dan een jaar eerder. De prijsstijging op jaarbasis is daarmee nog iets hoger dan in 2022, toen voedingsmiddelen 10,8 procent duurder werden in een jaar tijd. De voedingsmiddelen met de grootste prijsstijging in 2023 waren suiker (35,2 procent) en olijfolie (20,7 procent). Ook de prijs van brood nam meer dan gemiddeld toe, brood- en graanproducten waren 15,5 procent duurder dan in 2022.

Naast voedingsmiddelen droeg ook een bezoek aan een restaurant of café (inclusief afhaalmaaltijden) relatief veel bij aan de inflatie in 2023. Restaurants en cafés waren in 2023 gemiddeld 8,8 procent duurder dan een jaar eerder. In 2022 was de prijsstijging 7,9 procent. De prijsstijgingen van voeding en een bezoek aan restaurant en café namen vooral in de loop van 2022 toe. De piek werd bereikt omstreeks maart 2023. Daarna namen de prijsstijgingen van beide groepen weer af. 

Figuur 6.2 Prijsontwikkeling voedingsmiddelen, restaurants en cafés
   Restaurants, cafés en dergelijke (% verandering van de CPI t.o.v. jaar eerder)Voedingsmiddelen (% verandering van de CPI t.o.v. jaar eerder)
2022jan5,74,3
2022feb64,9
2022mrt66,2
2022apr78,5
2022mei7,49,1
2022jun7,811,2
2022jul8,312,3
2022aug8,613,1
2022sept8,912,8
2022okt9,214
2022nov9,615,7
2022dec9,917
2023jan9,117,6
2023feb10,118,4
2023mrt10,418,4
2023apr10,215,9
2023mei9,615,2
2023jun9,213,1
2023jul8,511,7
2023aug8,39,7
2023sept8,19,4
2023okt7,97,9
2023nov7,56,3
2023dec6,84,1

Energie (gas, elektriciteit en stadsverwarming) was in 2023 gemiddeld 37,0 procent goedkoper dan in 2022. Dit komt vooral door de hoge prijzen in 2022. In de loop van 2022 namen de energieprijzen in de CPI fors toe, met een piek in oktober 2022. Mede daardoor werd er in die periode een hele hoge inflatie gemeten. De prijzen van energie in de CPI waren in 2023 een stuk lager dan in 2022.

Voor het meten en verwerken van de energieprijzen in de CPI gebruikt het CBS vanaf juni 2023 een nieuwe methode. Op 30 juni publiceerde het CBS een achtergrondartikel waarin het in meer detail uitlegt wat de overstap betekent voor de CPI, de inflatie en het gebruik van de CPI voor indexeringsdoeleinden.

7. Woningmarkt

Een bestaande koopwoning was in 2023 gemiddeld 2,9 procent goedkoper dan in 2022. Voor het eerst in tien jaar was de gemiddelde prijs lager dan in het voorgaande jaar. Een korte periode van dalende huizenprijzen lijkt echter voorbij.

De prijsindex bestaande koopwoningen bereikte in juli 2022 het hoogste niveau sinds de meting in 1995 begon. De stijgende prijzen hingen samen met de lage hypotheekrente, de schaarste op de woningmarkt, en de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting voor starters, maar ook met de lage werkloosheid en de hogere arbeidsparticipatie. In de loop van 2022 liepen hypotheekrente en inflatie op, waardoor de financieringsruimte van kopers afnam. Sinds augustus 2022 begonnen de huizenprijzen te dalen ten opzichte van een maand eerder. 

Nog geen jaar later, vanaf juni 2023, stegen de prijzen van bestaande koopwoningen elke maand weer. De woningmarkt was onverminderd krap. De werkloosheid bleef laag en veel werkenden hebben een stevige loonsverhoging gehad de afgelopen tijd. Zo waren de cao-lonen in het laatste halfjaar van 2023 gemiddeld 6,6 procent hoger dan een jaar eerder. 

Figuur 7.1 Prijsindex bestaande koopwoningen
JaarMaand 2020=100 (2020=100)
201077,5
201077,7
201077,4
201078
201077,5
201077,6
201078
201077,8
201077,5
201077,2
201076,9
201076,8
201176,7
201176,5
201176,6
201176,4
201176,2
201176,1
201176,2
201175,7
201175,2
201175
201174,4
201173,7
201273,9
201273,6
201272,8
201272,1
201271,8
201272,5
201269,9
201269,4
201269
201268,9
201269,1
201268,8
201366,8
201367,6
201367,6
201366,8
201366
201365,6
201366,3
201366,4
201366,3
201366,2
201366
201366,3
201466,6
201466,6
201466,5
201466,9
201466,9
201467,2
201467,7
201467,8
201467,7
201467,9
201467,8
201468,1
201568,3
201568,5
201568,6
201568,8
201568,9
201569,3
201569,9
201569,9
201570,4
201570,6
201570,7
201570,5
201671,2
201671,3
201671,8
201672
201672,4
201672,9
201673,6
201674,3
201674,9
201674,9
201675,2
201675,6
201776,3
201776,5
201777,4
201777,6
201778,3
201779
201779,7
201780,5
201780,8
201781,4
201781,8
201782,1
201883,1
201884
201884,3
201884,7
201885,5
201886,2
201887
201888,2
201888,5
201888,8
201889,7
201889,2
201990,7
201990,5
201990,9
201991,4
201991,8
201992,2
201993,2
201993,3
201993,9
201994,4
201994,9
201995
202096,4
202096,7
202097,5
202098,3
202099,1
202099,3
2020100,3
2020101,1
2020102,1
2020103
2020103,3
2020102,9
2021105,4
2021106,6
2021108,3
2021109,4
2021111,7
2021113,7
2021116,4
2021118,9
2021120,7
2021121,8
2021124
2021123,7
2022127,4
2022127,9
2022129,3
2022130,7
2022132,3
2022132,4
2022132,9
2022132,7
2022131,7
2022130,9
2022129,6
2022126,5
2023128,2
2023126,4
2023125,9
2023124,6
2023124,6
2023124,9
2023125,6
2023126,4
2023127,2
2023128,1
2023128,7
2023129
Bron: CBS, Kadaster

Het aantal woningtransacties bedroeg in 2023 ruim 182 duizend. Dat is 5,5 procent minder dan een jaar eerder. Ook in 2022 en 2021 waren er minder woningtransacties dan een jaar eerder.

Figuur 7.2 Aantal woningtransacties bestaande koopwoningen
JaarAantal woningtransacties
2010126127
2011120739
2012117261
2013110094
2014153511
2015178293
2016214793
2017241860
2018218491
2019218595
2020235511
2021226087
2022193103
2023182403

In 2023 zijn ruim 73 duizend nieuwbouwwoningen opgeleverd. Dat is iets minder dan de bijna 75 duizend nieuwbouwwoningen uit 2022, maar ligt wel boven het gemiddelde van ruim 61 duizend nieuwbouwwoningen in de afgelopen tien jaar. De daling van het aantal nieuwbouwwoningen in 2023 komt overeen met een dalende trend in het aantal vergunde nieuwbouwwoningen in de afgelopen twee jaar. Van 2019 tot 2021 liep dit aantal nog op, maar sindsdien is het cijfer afgenomen.

Vorig jaar is voor bijna 55 duizend nieuw te bouwen woningen een vergunning afgegeven. Dat is 15 procent minder dan in 2022. Het aantal vergunde nieuwbouwwoningen is een indicator voor het aantal woningen dat in de nabije toekomst gebouwd zal worden. De gemiddelde doorlooptijd vanaf de vergunningverlening tot realisatie is ongeveer twee jaar. 

Figuur 7.3 Nieuwbouwwoningen, vergund en opgeleverd
JaarVergund (x 1 000)Opgeleverd (x 1 000)
201327,249,3
201441,345,2
201555,648,4
201653,654,8
201769,763
20187066,6
201958,171,5
202067,270
202175,871,2
202264,574,6
202354,873,3

8. Conjunctuurbeeld

Het CBS bepaalt het conjunctuurbeeld aan de hand van de Conjunctuurklokindicator. Dit is het ongewogen gemiddelde van 12 indicatoren (exclusief het bbp) in de Conjunctuurklok van het CBS. Hierin zitten enkele vertrouwensindicatoren, bestedingscategorieën en indicatoren over de arbeidsmarkt. De conjunctuurklokindicator wordt elke maand aangevuld en bijgesteld met de nieuwste informatie.

Door de coronacrisis in 2020 raakte Nederland in een diepe laagconjunctuur. Al vrij snel veerde de Nederlandse economie op en in augustus 2021 was het conjunctuurbeeld volgens de conjunctuurklokindicator van het CBS weer positief. De opgaande fase van de conjunctuur hield aan tot juli 2022. De inval van Rusland in Oekraïne in februari 2022 leverde opnieuw verstoringen in de economie op. De oorlog zorgde onder meer voor extra druk op de energieprijzen, bovenop de prijsstijgingen die ontstonden door het snelle herstel van de economie na de coronacrisis. Sinds juli 2022 verslechterde de conjunctuur onafgebroken en vanaf april 2023 is het conjunctuurbeeld weer negatief. 

Figuur 8.1 Conjunctuurklokindicator (ongewogen gemiddelde van de indicatoren (excl. bbp) in de Conjunctuurklok)
jaarmaandcyclus (afwijking van de langetermijntrend (=0))
20180,75
20180,8
20180,83
20180,83
20180,85
20180,85
20180,84
20180,85
20180,85
20180,82
20180,82
20180,78
20190,74
20190,71
20190,68
20190,65
20190,63
20190,61
20190,58
20190,54
20190,51
20190,48
20190,42
20190,5
20200,39
20200,31
20200,2
2020-0,35
2020-1,04
2020-1,99
2020-2
2020-1,32
2020-1,16
2020-0,95
2020-0,87
2020-0,61
2021-0,72
2021-0,92
2021-0,86
2021-0,71
2021-0,47
2021-0,29
20210,01
20210,4
20210,48
20210,58
20210,67
20210,71
20220,66
20220,36
20220,51
20220,6
20220,74
20220,77
20220,72
20220,71
20220,61
20220,49
20220,43
20220,33
20230,23
20230,12
20230,02
2023-0,09
2023-0,23
2023-0,35
2023-0,46
2023-0,6
2023-0,67
2023-0,72
2023-0,81
2023-0,86
2024-0,91
2024-1

Het consumentenvertrouwen kreeg in 2020 door corona een flinke klap. Een paar maanden na het uitbreken van corona trad een aarzelend herstel in. Dat hield aan tot eind 2021. Na het weer opengaan van de economie kon het aanbod de inhaalvraag niet bijbenen met lange wachttijden, tekorten, arbeidsmarktkrapte en inflatie tot gevolg. Door de oorlog in Oekraïne steeg de inflatie in 2022 verder naar recordhoogtes en daalde het consumentenvertrouwen in september 2022 naar het laagste niveau ooit gemeten. Vanaf november 2022 krabbelde het vertrouwen van consumenten weer langzaam op. De stijgende trend zette in 2023 en begin 2024 door. Maar nog steeds is het consumentenvertrouwen laag en amper minder negatief dan tijdens de eerste coronamaanden in 2020.

Figuur 8.2 Consumentenvertrouwen, seizoengecorrigeerd
jaarmaandsaldo (gemiddelde van de deelvragen)
201824
201823
201824
201825
201823
201823
201823
201821
201818
201815
201813
20189
20191
2019-2
2019-3
2019-3
2019-3
2019-1
20191
2019-1
2019-2
2019-1
2019-2
2019-2
2020-2
2020-2
2020-3
2020-23
2020-31
2020-27
2020-26
2020-29
2020-28
2020-30
2020-26
2020-19
2021-19
2021-19
2021-18
2021-14
2021-9
2021-3
2021-4
2021-6
2021-5
2021-10
2021-20
2021-26
2022-28
2022-30
2022-39
2022-48
2022-47
2022-50
2022-51
2022-54
2022-59
2022-59
2022-56
2022-52
2023-49
2023-44
2023-39
2023-37
2023-38
2023-39
2023-39
2023-40
2023-39
2023-38
2023-33
2023-29
2024-28
2024-27

Het producentenvertrouwen laat de afgelopen jaren een ander beeld zien. Net als het consumentenvertrouwen begon het producentenvertrouwen eind 2021 weer te dalen. De industriële ondernemers bleven, in tegenstelling tot de consumenten, in 2022 per saldo positief. Maar de dalende trend hield in 2023 aan en in april 2023 waren producenten voor het eerste sinds maart 2021 weer negatief, terwijl de trend van het consumentenvertrouwen in 2023 stijgend was.