De energierekening – januari 2026

Over deze publicatie

Met de gemeten prijzen van januari 2026 ligt de energierekening op jaarbasis gemiddeld 52 euro lager dan een jaar eerder. Vooral de verwachting dat het verbruik van gas en elektriciteit zal afnemen in 2026 zorgt voor een afname van de energierekening. Net als in voorgaande jaren zijn vastrecht en transport duurder geworden. Variabele leveringstarieven zijn ten opzichte van januari 2025 gedaald. Deze publicatie is gemaakt met medewerking van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en op verzoek van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

1. Inleiding

De energierekening van een gemiddeld huishouden bedroeg 1 993 euro op jaarbasis in januari 2026 en kwam daarmee 52 euro lager uit ten opzichte van een jaar eerder. Deze daling is vooral toe te schrijven aan een verwacht lager verbruik (47 euro) en iets lagere prijzen (5 euro). 

De energierekening van januari 2026 beschrijft wat een huishouden voor een heel jaar aan kosten kwijt is, gebaseerd op een inschatting van het totale jaarverbruik voor 2026 en de prijzen van januari 2026. Volgens de prognose van het PBL daalt het energieverbruik dit jaar: het gasverbruik naar 928 m3 en het nettoverbruik van elektriciteit naar 1 747 kilowattuur (kWh) in 2026. Leveringstarieven waren in januari 2026 ook lager door de variabele tarieven. De prijs van vastrecht is juist iets gestegen. Ook transporttarieven van zowel elektriciteit als gas zijn toegenomen. De leveringstarieven berekend voor de energierekening zijn gebaseerd op variabele en één- en meerjarige energiecontracten. Prijzen van dynamische elektriciteitscontracten worden apart in hoofdstuk 3 beschreven.

De spreiding in de energiekosten van huishoudens is groot, met name door verschillen in energieverbruik. Meerpersoonshuishoudens in grote, oude vrijstaande woningen die hoofdzakelijk met aardgas worden verwarmd geven het meeste uit aan energie: met het prijspeil van januari 2026 gemiddeld 3 370 euro per jaar. Ter vergelijking geven huishoudens in hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen gemiddeld nog geen derde daarvan uit, namelijk 1 020 euro per jaar. Dit komt doordat zij vaak geen kosten hebben voor een gasaansluiting en relatief veel zonnestroom kunnen terugleveren en salderen. De hier genoemde bedragen zijn exclusief eventuele terugleverkosten, die voor de groep hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen juist gemiddeld het hoogst zijn. 

Het artikel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 laten we zien hoe de energierekening verandert door de combinatie van veranderingen in prijs en verbruik. Ook wordt apart ingegaan op de hoogte en ontwikkeling van terugleverkosten van elektriciteit. Vervolgens gaan we in hoofdstuk 3 in op zuivere prijseffecten, waarbij we de nieuwste prijzen van januari 2026 vergelijken met die van een jaar eerder. Dit geeft antwoord op de vraag hoe de gemiddelde energieprijzen zich in de afgelopen twaalf maanden hebben ontwikkeld. Daarbij gaan we in op de wijzigingen in belastingen en andere prijscomponenten in de totale prijsverandering van energie voor huishoudens. Ook komt in hoofdstuk 3 de spreiding in de variabele leveringstarieven aan bod, net als de prijzen van dynamische elektriciteitscontracten. In hoofdstuk 4 laten we zien hoe de energierekening zich heeft ontwikkeld voor verschillende groepen van woningen. Tot slot staan aan het einde van deze publicatie toelichtingen met methodologische uitleg.

De in deze notitie gebruikte prijzen zijn de bedragen zoals consumenten deze moeten betalen. Dat betekent dat deze overal inclusief btw en andere belastingen zijn en zoals deze in het betreffende jaar betaald werden.

2. Energierekening van januari 2026 daalt door lager verbruik en iets lagere prijzen

De hoogte van de energierekening wordt bepaald door de tarieven voor levering, transport, belastingen en het verbruik. Het gemiddelde verbruik voor de jaren 2025 en 2026 is afkomstig van een prognose van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL); voor eerdere jaren zijn dit gerealiseerde verbruiken. Uitgaande van deze verbruikscijfers en de gemiddelde prijzen wordt de energierekening iets lager, van 2 046 euro op jaarbasis in januari 2025 naar 1 993 euro in januari 2026. Dit betekent afgerond een daling van 52 euro, relatief een daling van 2,5 procent. 

Figuur 2.1 toont de jaarlijkse energierekening in euro’s voor elke verslagmaand vanaf 2022. De grafiek is gebaseerd op maandelijks wijzigende prijzen en eens per jaar wijzigende verbruiken. Binnen het jaar, dus tussen januari en december, wijzigt het verbruik niet. Sinds april 2025 laat de grafiek een licht dalende energierekening zien.

2.1 Het maandelijkse verloop van de energierekening (bij een geraamd jaarverbruik)
JaarMaandGas 1) 2) (euro per jaar)Elektriciteit 2) (euro per jaar)
2022jan887450
2022feb937475
2022mrt959482
2022apr1026510
2022mei1071528
2022jun1094540
2022jul1145541
2022aug1175559
2022sep1270603
2022okt1493703
2022nov1939944
2022dec1959994
2023jan12541007
2023feb1235996
2023mrt1220984
2023apr1145944
2023mei1101927
2023jun1087921
2023jul1028896
2023aug1010889
2023sep1010890
2023okt1003886
2023nov1024899
2023dec1034903
2024jan1157931
2024feb1149929
2024mrt1138921
2024apr1102903
2024mei1059890
2024jun1055887
2024jul1046865
2024aug1059855
2024sep1060855
2024okt1081867
2024nov1094871
2024dec1094870
2025jan1122924
2025feb1136925
2025mrt1140921
2025apr1152915
2025mei1153908
2025jun1150906
2025jul1139908
2025aug1124908
2025sep1122909
2025okt1109915
2025nov1102916
2025dec1098916
2026jan1091902
1) Het gasverbruik is gecorrigeerd voor het weer, zie toelichting Weercorrectie gasverbruik. 2) In het bedrag voor gas en elektriciteit zit ook de vaste vermindering van de energiebelasting (heffingskorting) die op de elektriciteitsaansluiting wordt uitgekeerd. Deze is in alle jaren verdeeld over de gas- en elektriciteitsrekening naar rato van de betaalde belastingen in het voorgaande jaar. Meer informatie hierover is te lezen in het artikel Wijziging van de behandeling van de vermindering energiebelasting in de CPI.

Voor het gemiddeld verbruik per jaar gebruikt het CBS de tijdreeksen en prognoses van het PBL. Daarbij zijn de cijfers tot en met 2024 gebaseerd op het waargenomen energieverbruik zoals gerapporteerd door het CBS in de energiebalans. De cijfers over 2025 en 2026 zijn gebaseerd op de trend van het energieverbruik zoals door het CBS waargenomen in slimme-meterdata over de periode januari–augustus 2025 en een bewerking van de resultaten uit de Klimaat- en Energieverkenning (Klimaat- en Energieverkenning 2025 | Planbureau voor de Leefomgeving en Klimaat- en Energieverkenning 2024 | Planbureau voor de Leefomgeving).

Figuur 2.2 toont voor de jaren 2019 tot en met 2026 de gemiddelde verbruiken (zie toelichting ‘Gemiddeld gas- en elektriciteitsverbruik’). De gemiddelde aardgasverbruiken zijn gecorrigeerd voor het weer en worden dus niet beïnvloed door eventuele zachte of strenge winters. Het netto-elektriciteitsverbruik aan een woning wordt berekend door de brutolevering van elektriciteit aan de woning te verminderen met de zelf opgewekte elektriciteit die is teruggeleverd aan het openbare net. Het gemiddelde gas- en het netto-elektriciteitsverbruik zijn in de loop van de jaren gestaag gedaald. Met name in de periode 2022–2023 was een grote daling te zien ten opzichte van 2021 en de jaren daarvoor. Dit komt onder andere doordat huishoudens, als reactie op hoge energieprijzen, hun energieverbruik verlaagden. Ook zijn steeds meer woningen geïsoleerd en/of voorzien van een warmtepomp of stadsverwarming, waardoor minder aardgas nodig is om de woning te verwarmen. Nieuwbouw speelt daarbij ook een rol, omdat er sinds 2018 geen bouwvergunningen meer worden afgegeven voor woningen met aardgasaansluiting. De daling van het netto-elektriciteitsverbruik is met name toe te schrijven aan de toename van eigen opwek van zonnestroom. De verwachting is dat het aardgasverbruik na de sterke dalingen van 2022 en 2023, toen de prijsniveaus hoog waren, stabiliseert vanaf 2024. Hetzelfde geldt voor het netto-elektriciteitsverbruik. 

2.2 Het gemiddelde aardgas- en netto-elektriciteitsverbruik
 Gemiddeld weergecorrigeerd aardgasverbruik aardgaswoningen (m3/jaar)Netto-elektriciteitslevering (kWh/jaar)
201913142475
202012982433
202112942376
202210902024
20239371762
20249481741
2025, prognose9581774
2026, prognose9281747
Bron: CBS, PBL, niet gepubliceerd

Tabel 2.3 laat zien dat de verandering van 52 euro tussen januari 2025 en januari 2026 is opgebouwd uit veel verschillende wijzigingen. Deze zijn opgesplitst in prijs- en verbruikswijzigingen, waarbij aangetekend moet worden dat de vaste kosten alleen in prijs wijzigen, deze zijn verbruiksonafhankelijk. Dit betreffen de tarieven van transport, vastrecht (onderdeel van de levering) en de vermindering energiebelasting.

2.3 Verandering van de energierekening 2025-2026 bij een gemiddeld
jaarverbruik1) (euro)
Verandering t.o.v. januari 2025
Januari 2025PrijsVerbruikTotaalJanuari 2026
Gas
Transport24821021268
Levering691-36-18-55637
Energiebelasting67026-214674
Totaal jaarbedrag gas1 60910-40-291 580
Elektriciteit
Transport46710010477
Levering387-10-4-14372
Energiebelasting218-21-3-24194
Totaal jaarbedrag elektriciteit1 072-22-7-291 043
Algemeen
Belastingvermindering energiebelasting-635606-629
Totale energierekening2 046-5-47-521 993
1) De onderliggende bedragen tellen niet precies op tot het totaal door afronding.

Kosten voor het transport van elektriciteit namen in 2026 toe met 10 euro op jaarbasis, die van gas met 21 euro. Deze groei van transportkosten houdt al langer aan, in 2022 betaalden huishoudens nog 267 euro voor transport van elektriciteit. Voor transport van gas werd toen 191 euro per jaar betaald. In 2026 zorgde een hoger tarief van de energiebelasting op gas voor +26 euro prijseffect. Ook de lagere vermindering energiebelasting (+6 euro) zorgde voor een toename van de totale rekening. Dat de rekening in totaal lager uitkomt, is het gevolg van een naar verwachting afnemend verbruik (-47 euro), lagere (variabele) leveringstarieven voor gas (-36 euro prijseffect)  en elektriciteit (-10 euro prijseffect). Tot slot is het tarief van de energiebelasting op elektriciteit verlaagd, waardoor er een prijsdaling van 21 euro op de totale energierekening te noteren is. 

 

3. De ontwikkeling van de prijs van energie

Dit hoofdstuk richt zich alleen op de prijzen en prijsontwikkelingen van de energierekening. Daarvoor worden de prijzen tussen januari 2025 en januari 2026 vergeleken. De berekening gaat uit van een vast gemiddeld jaarverbruik (zie toelichting ‘Het berekenen van prijs- en verbruikseffecten’), zodat er een zuiver prijseffect berekend kan worden. Alleen het variabele deel is afhankelijk van het verbruik. De verschillen tussen januari 2025 en januari 2026 van de vaste componenten zijn per definitie prijsverschillen. We nemen een gemiddeld jaarverbruik omdat een consument in juni hetzelfde voorschotbedrag betaalt als in januari, ook al ligt het gasverbruik in de winter hoger dan in de zomer.

3.1 Nauwelijks prijsverandering van de energierekening

De gemiddelde energierekening daalde met 5 euro door prijsveranderingen, een geringe afname op het totaal. Achter deze kleine prijsdaling zitten wel enkele uiteenlopende wijzigingen. Net als een jaar eerder daalden de variabele leveringstarieven van elektriciteit en gas. Ook de energiebelasting van elektriciteit is in 2026 verlaagd, waardoor een huishouden, gerekend met het jaarverbruik, 37 euro minder kwijt is aan elektriciteit. Tegenover die daling staan een hoger vastrecht en hogere transportkosten. Per saldo levert dit een prijsdaling van 22 euro op voor elektriciteit op jaarbasis.

De totale rekening voor gas werd juist duurder ten opzichte van januari 2025. Dat kwam door hogere transportkosten, vastrecht en energiebelasting. De variabele leveringstarieven daalden wel. Per saldo levert dit een prijstoename van 10 euro op voor gas op jaarbasis.

De vermindering energiebelasting werd verlaagd naar 629 euro per 1 januari 2026. In 2025 bedroeg deze vermindering nog 635 euro. De optelsom van deze prijsveranderingen (-22 euro voor elektriciteit, 10 euro voor gas en 6 euro voor de vermindering energiebelasting) levert een totale prijsverandering van -5 euro op na afronding. 

3.1.1 Verandering van de energierekening bij een gemiddeld jaarverbruik door prijseffecten1) (euro)
Januari 20262)Prijsverandering t.o.v. januari 20253)
Gas
Transportkosten (vast)26821
Leveringskosten (vast)928
Leveringskosten (variabel)545-44
Energiebelasting67426
Totaal jaarbedrag gas1 58010
Elektriciteit
Transportkosten (vast)47710
Leveringskosten (vast)1116
Leveringskosten (variabel)262-16
Energiebelasting194-21
Totaal jaarbedrag elektriciteit1 043-22
Energiebelasting algemeen
Belastingvermindering energiebelasting-6296
Totale energierekening1 993-5
1) De onderliggende bedragen tellen niet precies op tot het totaal door afronding.
2) De prijzen van januari 2026 zijn berekend met een gemiddeld jaarverbruik over 2026 van 928 m3 gas en 1 747 kWh elektriciteit (raming van het Planbureau voor de Leefomgeving).
3) De prijsverandering is berekend met het gemiddelde jaarverbruik over 2025 en 2026 (zie toelichting ‘Het berekenen van prijs- en verbruikseffecten’).

3.2 Opnieuw minder verschil in variabele leveringstarieven

De tabel spreiding van energietarieven houdt bij hoe groot de spreiding is in het variabele leveringstarief. De spreiding geeft een indicatie voor de prijsverschillen van de energierekening tussen huishoudens. Verschillen die optreden tussen huishoudens als gevolg van een verschillend verbruik worden in hoofdstuk 4 toegelicht. De grafieken tonen de verschillen die huishoudens met een relatief duur (hier weergegeven door het 90e percentiel) contract meer kwijt zijn op jaarbasis dan huishoudens met een relatief goedkoop contract (10e percentiel). Een uitleg van de berekening van de spreiding van energietarieven wordt gegeven in hoofdstuk 3 van De Energierekening januari 2024. Het jaarbedrag is berekend met de geraamde jaarverbruiken van 2024, 2025 en 2026. Op jaarbasis was een huishouden in januari 2026 met een relatief duur gascontract 196 euro meer kwijt ten opzichte van een relatief goedkoop contract. In januari 2025 bedroeg dit verschil 215 euro. In augustus 2025 was sprake van een nog kleiner verschil, sinds dat moment nemen de verschillen tussen contracten juist weer toe. Voor elektriciteit geldt dit niet en zijn de verschillen gedurende 2025 en januari 2026 steeds kleiner geworden. In januari 2026 was het verschil het kleinst sinds de start van de meting, namelijk 123 euro tussen relatief dure en relatief goedkope contracten. Dynamische elektriciteitstarieven zijn niet meegenomen in deze analyse. Voor die tarieven geldt juist dat er nauwelijks verschillen tussen huishoudens zijn, omdat de tarieven gekoppeld zijn aan de per uur of per kwartier geldende marktprijs. In paragraaf 3.3 worden deze tarieven toegelicht.

3.2.1 Verschil in jaarrekening gas tussen 10e en 90e percentiel
JaarMaandVerschil (euro)
2024jan453
2024feb439
2024mrt432
2024apr390
2024mei365
2024jun339
2024jul311
2024aug284
2024sep261
2024okt240
2024nov239
2024dec222
2025jan215
2025feb218
2025mrt205
2025apr212
2025mei228
2025jun225
2025jul201
2025aug172
2025sep175
2025okt181
2025nov187
2025dec193
2026jan196

3.2.2 Verschil in jaarrekening elektriciteit tussen 10e en 90e percentiel
JaarMaandVerschil (euro)
2024jan277
2024feb265
2024mrt258
2024apr246
2024mei230
2024jun222
2024jul210
2024aug235
2024sep228
2024okt188
2024nov187
2024dec179
2025jan176
2025feb175
2025mrt170
2025apr166
2025mei165
2025jun161
2025jul151
2025aug146
2025sep139
2025okt135
2025nov134
2025dec127
2026jan123

3.3 Dynamische elektriciteitstarieven

De kenmerkende eigenschap van dynamische elektriciteitscontracten is het per uur of per kwartier wijzigen van de variabele leveringstarieven. Deze wijziging van tarieven wordt op de open markt voor elektriciteit bepaald. Inmiddels zijn alle grotere energiemaatschappijen in Nederland verplicht een dergelijk contract aan te bieden en in december 2025 had naar schatting 7 procent van de huishoudens een dynamisch elektriciteitscontract. Energiemaatschappijen vragen nog wel een opslag op dit leveringstarief, ook wel inkoopvergoeding genoemd. Voor het overige gedeelte wijken deze contracten niet af van de gebruikelijke vaste (één- of meerjarige) of variabele contracten. Dat betekent dat elk huishouden met zo’n contract ook vastrecht, transport en energiebelasting betaalt, en recht heeft op de vermindering energiebelasting. Net als voor de andere typen elektriciteitscontracten kan daarom een energierekening bepaald worden. Deze is wel met meer onzekerheid omgeven: huishoudens kunnen de hoogte van de energierekening beïnvloeden door vooral op duurdere of juist op goedkopere momenten elektriciteit af te nemen. In de Figuur 3.3.1 is de energierekening (op jaarbasis) voor de maanden januari 2025 – januari 2026 weergegeven. Op dit moment ontbreken gegevens over het consumptiepatroon van deze groep huishoudens. Daardoor weegt elk uur of kwartier gelijk in de berekening van het gemiddelde maandelijkse variabele leveringstarief. Er is gerekend met het netto-elektriciteitsverbruik zoals weergegeven in hoofdstuk 2, hoewel het moment van terugleveren van elektriciteit door zonnepaneeleigenaren ook de energierekening beïnvloedt. De dynamische elektriciteitsrekening bedraagt hier 392 euro, inclusief vermindering energiebelasting. Dit is 22 euro op jaarbasis lager dan gerekend met het gemiddelde van de vaste en variabele contracten. Die elektriciteitsrekening bedraagt 414 euro. Voor gas zijn op dit moment geen dynamische contracten uitgerekend. Het CBS verwacht deze vanaf volgend jaar wel te kunnen toevoegen aan dit artikel en de tabel gemiddelde prijzen.

3.3.1 Jaarrekening dynamische elektriciteitscontracten
JaarMaandJaarrekening dynamische elektriciteitscontracten (euro)
2025jan446
2025feb465
2025mrt392
2025apr356
2025mei331
2025jun339
2025jul382
2025aug354
2025sep360
2025okt370
2025nov366
2025dec353
2026jan392

4. Verschillen tussen huishoudens

Ieder huishouden ontvangt (minimaal) jaarlijks een energierekening, waarvan de hoogte niet alleen bepaald wordt door de prijs van energie, maar ook door het energieverbruik. Een hoger gas- of elektriciteitsverbruik leidt, bij een vergelijkbare prijs in het contract, tot een hogere energierekening. Het energieverbruik varieert per huishouden en hangt samen met kenmerken van de woning en de samenstelling en levensstijl van het huishouden. Dit laatste hoofdstuk geeft inzicht in de spreiding van de energierekening tussen en binnen groepen van woningen en hun bewoners, uitgaande van de energietarieven die in de vorige hoofdstukken zijn gepresenteerd. De analyses vinden plaats op het niveau van individuele woningen, omdat de afrekening van energie ook veelal op woningniveau plaatsvindt. Binnen de woning wordt alleen gekeken naar het aantal bewoners, ongeacht of deze bewoners één of meerdere huishoudens vormen.

Dit hoofdstuk spitst zich toe op woningen die hoofdzakelijk met aardgas of elektriciteit worden verwarmd. Voor woningen met stadswarmte wordt voor het eerst een indicatie van de energierekening gegeven op basis van nieuwe gegevens.

4.1 Energierekening van groepen woningen 2019–2026

Aardgaswoningen zijn woningen die hoofdzakelijk worden verwarmd met aardgas en zij maakten in 2024 bijna 83 procent van de totale woningvoorraad uit. Het CBS ontwikkelde op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (sinds 2024: het Ministerie van Klimaat en Groene Groei) tien herkenbare profielen van aardgaswoningen en hun bewonersklasse. De tien profielen van aardgaswoningen zijn tot stand gekomen door het groeperen van woningen op basis van gedetailleerde categorieën voor het aantal bewoners, bouwjaar, woonoppervlakte en woningtype, zoals in de bijbehorende StatLinetabel. Daarbij is een ‘rijwoning’ een samenvoeging van tussen-, hoek- of 2-onder-1-kapwoningen. Appartementen en vrijstaande woningen zijn apart onderscheiden. De aanduiding ‘oud’ in de profielen heeft betrekking op woningen met een bouwjaar tot 1992 en ‘nieuw’ duidt op woningen die zijn gebouwd in 1992 of daarna. ‘Kleine’ woningen zijn woningen met een woonoppervlak tot 100 m2, ‘middelgrote’ woningen hebben een oppervlak van 100 tot 150 m2 en ‘grote’ woningen zijn vanaf 150 m2. Bij het aantal bewoners, tot slot, wordt in de profielen onderscheid gemaakt tussen één bewoner en twee of meer bewoners. De tien profielen zijn samengesteld op basis van doorsneden van deze genoemde kenmerken. Bij het selecteren van de doorsneden is gezocht naar een overzichtelijk aantal herkenbare profielen die een goed beeld geven van de spreiding van de energierekeningen in Nederland. Heel kleine doorsneden zijn daarbij buiten de beschouwing gelaten. De tien profielen omvatten ongeveer drie kwart van alle aardgaswoningen in Nederland. In 2024 zijn er drie aanvullende profielen samengesteld, namelijk hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen, en appartementen en rijwoningen met stadswarmte. Het profiel van hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen omvatte in 2024 bijna 9 procent van de woningvoorraad. Het gaat om woningen die verwarmd worden middels een warmtepomp bekend vanuit een ISDE- of energielabelregistratie, of een warmtepomp of andere elektrische installatie die een sterk seizoensafhankelijk elektriciteitsverbruik vertoont gedurende het jaar. Woningen met hoofdzakelijk elektrische verwarming verwarmen soms bij met gas in koude maanden, bijvoorbeeld bij een warmtepomp in een hybride opstelling (vaak aangeduid met 'hybride warmtepomp'). Het CBS publiceert (nog) niet regulier over stadswarmteleveringen op individueel niveau. Op basis van een recente dataverkenning kan het CBS wel een schatting maken van de energierekening voor de twee profielen van stadswarmtewoningen. In dit hoofdstuk worden de cijfers over het energieverbruik en de energierekening van de verschillende profielen van aardgaswoningen en hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen getoond. De voorlopige cijfers over de profielen van stadswarmtewoningen krijgen aandacht in een apart tekstblok.

Sinds 2019 wordt elk jaar het gemiddeld aardgas- en elektriciteitsverbruik van de groepen aardgaswoningen gepubliceerd, met als meest recente jaar 2024. Figuur 4.1.1 en 4.1.2 tonen de ontwikkeling in het energieverbruik van de 10 aardgaswoningprofielen en de hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen vanaf 2019 (zie toelichting ‘Nieuwe methode voor bepaling energieleveringen aan woningen’). 

Figuur 4.1.1 laat zien dat het aardgasverbruik van de tien profielen van aardgaswoningen over de jaren 2019–2021 redelijk stabiel was, maar fors daalde in 2022 en 2023. In 2024 nam voor alle aardgasprofielen het aardgasverbruik weer iets toe ten opzichte van een jaar eerder. Er werd gemiddeld zo’n 3 procent meer verbruikt ten opzichte van 2023. De aardgasverbruiken zijn gecorrigeerd voor het weer, waardoor er geen sprake is van invloeden door een zachte of strenge winter. Deze cijfers tonen dus de ontwikkeling van aardgasverbruik als gevolg van enerzijds gedragsaanpassingen, zoals de thermostaat hoger of lager zetten, en anderzijds aanpassingen aan de woning zoals woningisolatie. Aardgasbesparing ten gevolge van het installeren van een hybride of volledig elektrische warmtepomp of het aansluiten op een warmtenet) komt niet terug in deze cijfers voor aardgaswoningen omdat deze woningen na overstappen op een warmtepomp of warmtenet vallen onder de categorie ‘hoofdzakelijk elektrisch verwarmd’ of de niet getoonde profielen met stadswarmtewoningen.  Dat effect wordt vooral duidelijk uit de groei van de groep hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen, van 1 procent in 2019 tot bijna 9 procent in 2024. Deze groep woningen is een mix van woningen met een volledig elektrische warmtepomp, een hybride warmtepomp, en woningen die op een andere manier hoofdzakelijk elektrisch verwarmd worden. Vanwege de complexe en snel veranderende samenstelling van de populatie elektrisch verwarmde woningen is het lastig om de ontwikkelingen van het gasverbruik van deze woningen te duiden.

4.1.1 Ontwikkeling weergecorrigeerd aardgasverbruik per groep woningen
 2019 (m3)2020 (m3)2021 (m3)2022 (m3)2023 (m3)2024* (m3)
Elektrisch verwarmde woning490450270290300280
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement650650650580530550
Een bewoner in oud, klein appartement860850850750670690
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement106010601060940840860
Een bewoner in oude, kleine rijwoning112011001110940830850
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning13301300132011209801010
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning13001270128010809601000
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning114011301130970870900
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning146014401450122010701110
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning207020202050172014701520
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning260025402540213017801850
* voorlopige cijfers

Het netto-elektriciteitsverbruik in Figuur 4.1.2 daalt voor de meeste profielen van woningen en bewoners van jaar op jaar. Dit vooral name door de toename van de eigen opwek van zonnestroom en is dus vooral zichtbaar bij woningen die daarvoor geschikt zijn. Zo was de daling van de netto-elektriciteitslevering in 2024 ten opzichte van 2021 het grootst onder profielen van (middelgrote) rijwoningen met meerdere bewoners en vrijstaande woningen, met ruim 30 procent. Voor profielen van appartementen met aardgas was de daling met 10 tot 15 procent het kleinst.

4.1.2 Ontwikkeling netto-elektriciteitsverbruik 1) per groep van aardgaswoningen
 2019 (kWh)2020 (kWh)2021 (kWh)2022 (kWh)2023 (kWh)2024* (kWh)
Elektrisch verwarmde woning262025802700221020102080
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement157015801580143013701350
Een bewoner in oud, klein appartement154015601570145014001390
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement223022702300211020502060
Een bewoner in oude, kleine rijwoning161015601540137012401190
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning188018301790158014101340
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning265025902560222019901920
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning295028402780228019301870
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning296028602800236020201950
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning353033803330275023302280
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning409038903820311026202580
1) Het netto elektriciteitsverbruik betreft de bruto elektriciteitslevering, verrekend met de eventuele teruglevering; indien de teruglevering groter is dan de levering is de netto-levering of het netto-verbruik op 0 kWh gesteld. * voorlopige cijfers

Het energieverbruik van woningen in 2025 en 2026 is nog niet bekend op microniveau. Daarom wordt, net als in Hoofdstuk 2, gebruikgemaakt van prognoses voor het energieverbruik in deze jaren. Het PBL heeft hiervoor een prognose gemaakt die is gebaseerd op CBS-data van slimme meters en een bewerking van resultaten van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van 2024 en 2025. Er is niet voldoende informatie om bij de prognose onderscheid te maken tussen woningen naar de benodigde kenmerken. Voor alle profielen van woningen wordt daarom aangenomen dat het energieverbruik met hetzelfde percentage verandert ten opzichte van 2024, gebaseerd op de ontwikkelingen in het gemiddelde verbruik, zoals weergegeven in Hoofdstuk 2. 

Volgens de prognose van PBL stijgt het gemiddelde aardgasverbruik ten opzichte van het referentiejaar 2024 eerst met 1,1 procent in 2025, waarna in 2026 een daling van 3,2 procent wordt verwacht. Voor het netto-elektriciteitsverbruik wordt ten opzichte van referentiejaar 2024 eerst een stijging van 1,8 procent in 2025 en daarna een daling van 1,5 procent in 2026 verwacht. Met andere woorden: in 2025 wordt een lichte stijging van zowel het netto-elektriciteits- en aardgasverbruik verwacht en in 2026 juist een lichte daling. Bij de inschatting van dit gasverbruik wordt uitgegaan van gemiddelde weersomstandigheden in Nederland; het gaat om voor het weer gecorrigeerde verbruiken. Het is belangrijk om te beseffen dat prognoses onzekerheden kennen. Het is bijvoorbeeld zeer onzeker hoe het stookgedrag zich ontwikkelt.

Met de landelijke jaargemiddelde energieprijzen voor de jaren 2021–2025, en voor 2025 en 2026 de januariprijzen en de verbruiksprognose (voor het gehele jaar), kan een indicatief beeld worden gegeven van de ontwikkeling in de gemiddelde energierekening per woningprofiel (zie Figuur 4.1.3 en Tabel 4.1.4). Hierbij zijn zowel de waargenomen veranderingen in de energieprijzen als de verwachte veranderingen in de energieverbruiken volgens de prognose van het PBL meegenomen. Ook is voor 2023 rekening gehouden met het prijsplafond. Er is hierbij geen rekening gehouden met eventuele effecten van het moment van afrekenen op de prijsplafondkorting (zie De energierekening januari 2024 | CBS voor een omschrijving van dit effect). Ook wordt, zoals in alle berekeningen, gewerkt met gemiddelde prijzen over alle contracten heen, omdat er geen informatie beschikbaar is over contractprijzen op individueel niveau. De onderliggende aanname bij deze berekeningen is dat contractprijzen willekeurig over alle profielgroepen zijn verdeeld zodat dit geen invloed heeft op het gemiddelde per groep. Prijsveranderingen hebben vooral veel effect op de energierekening als het energieverbruik in de periode ook hoog is. Voor zowel het aardgas- als netto-elektriciteitsverbruik geldt dat er met name in de wintermaanden veel energie van het net wordt afgenomen. Vanaf verslagjaar 2022 beschikt het CBS voor woningen met een slimme meter over het energieverbruik op maandbasis. Deze maandelijkse verbruiken zijn gebruikt om voor 2022–2025 gewogen gemiddelde prijzen te berekenen (zie de technische toelichting). Dat geeft een nauwkeurigere bepaling van de energierekening dan wanneer wordt gewerkt met een rekenkundig gemiddelde prijs, waarbij alle maanden even zwaar meewegen.

De gemiddelde energierekening per profiel is berekend door voor elke woning individueel de energierekening te berekenen, en daarna te middelen over alle woningen van een profiel. Merk op dat de energierekening voor januari 2025 in Tabel 4.1.4 niet overeenkomt met die voor geheel 2025 zoals weergegeven in Figuur 4.1.3. Dit komt doordat we in Figuur 4.1.3 de energierekening baseren op het gewogen gemiddelde prijspeil van 2025, tegenover het prijspeil van alleen de maand januari 2025 in Figuur 4.1.4. 

4.1.3 Indicatie gemiddelde energierekening naar woningprofiel 1) 2)
 2022 (euro per jaar)2023 met prijsplafond (euro per jaar)2024 (euro per jaar)2025 (euro per jaar)
Elektrisch verwarmde woning670111010301050
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement1010130013501400
Een bewoner in oud, klein appartement1250150015401590
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement1700198019902010
Een bewoner in oude, kleine rijwoning1490167017101750
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning1800195019702010
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning1940213021202150
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning1800197019802010
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning2170232022902310
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning2980313029502960
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning3650383034803480
1) Zie technische toelichting voor berekeningswijze. 2) De cijfers in deze figuur kunnen per profielgroep en per jaar afwijken van eerdere publicaties doordat er nu voor 2024 energieleveringen op microniveau beschikbaar zijn, terwijl eerder nog met prognoses werd gewerkt. Evenzo is de prognose voor de energieleveringen in 2025 nu waarschijnlijk preciezer doordat die gebaseerd is op recentere waarnemingen.

4.1.4 Indicatie van de energierekening op jaarbasis voor elk
woningprofiel bij prijsniveau januari 2025 en januari 2026 en
ingeschat verbruik voor 2025 en 20261) (euro)
Januari 2025Januari 2026Verschil in euro2)
Hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woning1 0601 020-40
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen:
Een bewoner in nieuw, klein appartement1 4001 380-20
Een bewoner in oud, klein appartement1 5901 560-30
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement2 0201 970-60
Een bewoner in oude, kleine rijwoning1 7601 730-30
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning2 0101 970-50
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning2 1602 100-60
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning2 0201 970-50
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning2 3202 250-70
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning2 9802 880-100
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning3 5003 370-130
1) De cijfers voor januari 2025 in deze tabel wijken per profielgroep af van eerdere publicaties doordat de prognose voor de energieleveringen in 2025 gebaseerd kan worden op recentere waarnemingen (microdata voor 2024 in plaats van 2023).
2) Door afronding kan dit bedrag afwijken van het verschil tussen de getoonde cijfers over januari 2025 en 2026.

Net als in eerdere jaren blijkt uit Figuur 4.1.3 en Tabel 4.1.4 dat van alle aardgaswoningen de eenpersoonshuishoudens in een klein, nieuw appartement het minst uitgeven aan energie, terwijl meerpersoonshuishoudens in grote, oude vrijstaande woningen de hoogste energierekening hebben. Uit Figuur 4.1.3 is te berekenen dat deze laatste groep in 2023 gemiddeld 2,9 keer zoveel uitgaf aan gas en elektriciteit dan de eenpersoonshuishoudens met een klein, nieuw appartement. Gemiddeld over 2025 nam dat verschil af tot 2,5 keer. Dit was per saldo het gevolg van de afschaffing van het prijsplafond in combinatie met een verhoging van de vaste kosten van ruim 160 euro. In januari 2026 is het verschil tussen het aardgaswoningprofiel met het hoogste en het laagste verbruik vergelijkbaar met 2025, namelijk een factor 2,4 (dit is te berekenen uit Tabel 4.1.4).

De verkleining van de verschillen in de energierekening voor aardgaswoningen met een hoog en een laag energieverbruik is vooral toe te schrijven aan een verhoging van de vaste jaarlijkse kosten (inclusief de vaste vermindering van de energiebelasting) met ongeveer 530 euro tussen 2022 en januari 2026. Enerzijds werden de vaste kosten voor levering en transport van elektriciteit en gas verhoogd, en anderzijds werd de vaste jaarlijkse teruggave van de energiebelasting verlaagd. Deze belastingvermindering, die ook bekend is als de ‘heffingskorting’, was in 2022 tijdelijk sterk verhoogd om de energierekening van huishoudens betaalbaar te houden. Per 1 januari 2023 werd de heffingskorting voor energiebelasting weer verlaagd en werd het beleid voor de betaalbaarheid van de energierekening vormgegeven via een prijsplafond voor de variabele tarieven tot een bepaald verbruik. In 2024 was er geen prijsplafond en is de vaste teruggave van de energiebelasting weer iets verhoogd, maar deze bleef per saldo onder het niveau van 2022. De grootste stijging van de vaste lasten tussen 2022 en januari 2026 wordt echter veroorzaakt door de stijging van de vaste leverings- en transportkosten van aardgas en (vooral) elektriciteit. Een stijging van de vaste lasten, onafhankelijk van het verbruik, pakt relatief nadelig uit voor huishoudens met een laag verbruik. Zij betalen relatief een groter deel van hun energierekening aan verbruiksonafhankelijke kosten.

De hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen hebben de laagste energierekening. Bij het prijspeil van januari 2026 bedraagt de energierekening van deze woningen gemiddeld 1 020 euro (exclusief eventuele terugleverkosten; zie paragraaf 4.2). Hiervoor zijn meerdere verklaringen. Ten eerste heeft de meerderheid van de hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen ook zonnepanelen. In 2024 had 71 procent van deze woningen zonnepanelen, meer dan elk van de profielen van woningen die hoofdzakelijk met aardgas worden verwarmd. Met zonnepanelen kan (een deel van) de elektriciteitsvraag worden gehaald uit de eigen opwek van zonnestroom. Met de salderingsregeling kan bovendien de teruggeleverde eigen opwek worden verrekend met de van het net afgenomen stroom. Er wordt dus alleen over de nettolevering leveringskosten en energiebelasting betaald. Voor 18 procent van deze woningen is de netto-elektriciteitslevering of het nettoverbruik zelfs 0 kWh (zie: Energielevering particuliere woningen naar woningkenmerken, 2019-2024 | CBS). Ten tweede speelt bij de hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen ook dat meer dan de helft ervan volledig aardgasvrij is. Het niet hebben van een (actieve) aansluiting voor aardgas levert met het prijspeil van januari 2026 een besparing op van ongeveer 360 euro aan vaste kosten. Tot slot zullen hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen vaker een betere energetische efficiëntie hebben dan de meer traditionele aardgaswoningen. Een warmtepomp verbruikt vanwege het hoge rendement veel minder energie en daarnaast gaat het vaker om nieuwbouwwoningen of woningen die zijn gerenoveerd voordat er een warmtepomp geïnstalleerd werd. Hierdoor zal de warmtevraag in deze woningen gemiddeld lager zijn dan in oudere woningen die nog niet of minder vergaand zijn gerenoveerd. 

Figuur 4.1.5 toont de opbouw van de energierekening naar vaste en variabele kosten voor de tien aardgasprofielen en de profielen van hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen en stadswarmtewoningen. Daarbij zijn de in het tekstblok hierboven beschreven cijfers over de energierekening van stadswarmtewoningen meegenomen. Stadswarmtewoningen hebben van alle woningen verhoudingsgewijs de hoogste verbruiksonafhankelijke kosten. Voor appartementen met stadswarmte gaat dit om zo’n 39 procent. Appartementen met aardgas zijn 16 tot 23 procent kwijt zijn aan vaste kosten. Voor hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen vormen de vaste kosten gemiddeld 11 procent van de totale energierekening. Anders dan bij aardgaswoningen of elektrisch verwarmde woningen, waar installaties als een cv-ketel of warmtepomp meestal in eigendom zijn, maken stadwarmtewoningen meestal gebruik van een gehuurde afleverset. Omdat installatie- en onderhoudskosten van een cv-ketel of warmtepomp niet worden meegerekend, kunnen de verbruiksonafhankelijke kosten van stadswarmtewoningen op basis van dit onderzoek niet goed worden vergeleken met die van andere woningen.

4.1.5 Opbouw gemiddelde energierekening naar woningprofiel 1), prijsniveau januari 2026
 Vaste kosten in euro (euro per jaar)Variabele kosten elektriciteit in euro (euro per jaar)Variabele kosten gas in euro (euro per jaar)Variabele kosten stadswarmte in euro (euro per jaar)
Rijwoning met stadsverwarming 2)79051001080
Appartement met stadsverwarming 2)7904700740
Elektrisch verwarmde woning 3)1205403600
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement3203507100
Een bewoner in oud, klein appartement3203608800
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement32054011100
Een bewoner in oude, kleine rijwoning32031011000
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning32035013000
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning32050012800
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning32049011600
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning32051014300
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning32060019600
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning32067023800
1) Door afronding kan het voorkomen dat de som van prijscomponenten niet overeen komt met de energierekening in Tabel 4.1.4. 2) De getoonde energierekening van stadswarmtewoningen is indicatief en op basis van voorlopige resultaten. 3) Elektrisch verwarmde woningen zonder aardgasaansluiting betalen geen vaste kosten voor aardgas. Deze woningen betalen enkel de vaste kosten voor elektriciteit. In combinatie met de vermindering energiebelasting betekent dat effectief dat de vaste kosten negatief zijn. Onder de groep elektrisch verwarmde woningen vallen echter ook woningen die naast elektriciteit óók aardgas gebruiken voor bijverwarming en/of tapwaterverwarming en/of koken. Om die reden zijn de gemiddelde vaste kosten positief.

Merk op dat voor de hier getoonde berekeningen is gewerkt met een prognose van het verbruik in 2025 en 2026, waarbij voor alle woningen is aangenomen dat het aardgas- en elektriciteitsverbruik met eenzelfde percentage verandert ten opzichte van het (waargenomen) verbruik in 2024 als in de landelijke prognose. Het is de vraag of dit een realistische aanname is, omdat huishoudens met een hoog verbruik mogelijk sterker reageren op schommelende marktprijzen dan huishoudens met een laag verbruik. Anderzijds hebben huishoudens met een laag inkomen gemiddeld ook een lager energieverbruik, en is de noodzaak tot besparen bij lagere inkomens groter. Ook zal de afname van het netto-elektriciteitsverbruik waarschijnlijk meer plaatsvinden bij eengezinswoningen omdat bij appartementen minder vaak zonnestroominstallaties (kunnen) worden aangebracht. Dit maakt het erg lastig om realistische aannames te doen voor de daadwerkelijke ontwikkeling van het verbruik per profielgroep. Pas als er gegevens over de daadwerkelijke verbruiken over 2025 en 2026 beschikbaar komen op woningniveau zal het mogelijk zijn om na te gaan hoe bij de verschillende profielgroepen het energieverbruik daadwerkelijk is veranderd.

4.2 Spreiding energierekening binnen groepen woningen

De longread over de energierekening sluit altijd af met een overzicht van de spreiding van de energierekening binnen profielgroepen bij het prijsniveau van de meest recente maand waarvoor de energieprijzen bekend zijn. Deze spreiding komt voort uit de variabele component van de energierekening: de kosten die verbonden zijn aan de (netto) geleverde hoeveelheid aardgas en elektriciteit. Daarnaast draagt ook het verschil tussen woningen met en zonder aardgasaansluiting binnen het profiel van hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen bij aan de variatie binnen dit profiel. 

Tabel 4.2.1 geeft deze spreiding weer voor het prijsniveau van januari 2026. Hierbij zijn de verbruiken, net als in Tabel 4.1.4, gebaseerd op een prognose van het verbruik in 2026. Deze spreiding is, zoals altijd, groot doordat in groepen met gemiddeld hoog verbruik er ook huishoudens zijn die relatief weinig energie verbruiken. En andersom zijn er in groepen met een relatief laag verbruik ook huishoudens die wel veel verbruiken, soms meer dan huishoudens in groepen met een relatief hoog verbruik. Binnen de groep hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen zijn er zelfs woningen met een negatieve energierekening – huishoudens krijgen dus geld toe – doordat er geen vaste kosten zijn voor de gasaansluiting en de netto-elektriciteitslevering 0 kWh bedraagt door de opwek en teruglevering van zonnestroom. Merk op dat bij deze berekeningen geen rekening is gehouden met eventuele terugleverkosten die vanaf eind 2023 door verschillende energiemaatschappijen zijn geïntroduceerd (zie hierna). In de praktijk zullen er daardoor in januari 2026 naar verwachting bijna geen woningen zijn met een negatieve energierekening.

De variatie in energierekeningen binnen de profielen hangt ook samen met factoren die niet meegenomen zijn in de afbakening van de groepen van woningen. Zo wordt er bijvoorbeeld niet expliciet rekening gehouden met de energetische kwaliteit van woningen. Nieuwe woningen zijn bij de bouw al energiezuinig opgeleverd, maar oudere woningen kunnen in de loop van de tijd verbeterd zijn. Daarnaast is er natuurlijk een relatie met de omvang van het huishouden: binnen de meerpersoonshuishoudens zal het energieverbruik van tweepersoonshuishoudens gemiddeld lager zijn dan dat van vierpersoonshuishoudens. 

4.2.1 Diverse spreidingsmaten voor de energierekening (exclusief
terugleverkosten), prijsniveau januari 2026 en ingeschat verbruik
voor 2026 (euro)
GemiddeldLaagste 10%Mediaan (50%)Hoogste 10%
Hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woning1 020-408202 210
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen:
Een bewoner in nieuw, klein appartement1 3808601 3601 940
Een bewoner in oud, klein appartement1 5609201 5102 240
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement1 9701 2201 8702 810
Een bewoner in oude, kleine rijwoning1 7301 0001 6602 520
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning1 9701 0901 8902 920
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning2 1001 2602 0303 010
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning1 9701 1801 9002 840
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning2 2501 3102 1803 280
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning2 8801 5902 7404 330
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning3 3701 7003 1905 150

De variatie in energierekeningen is in werkelijkheid nog groter dan uit Tabel 4.2.1 blijkt omdat de bedragen uitgaan van de gemiddelde prijzen in januari 2026. Afhankelijk van het daadwerkelijke contract dat huishoudens hebben met hun energieleverancier kan de rekening hoger of lager uitvallen. De bedragen in dit artikel geven wel een beeld van de verschillen in de energierekening van woningen in relatie tot belangrijke kenmerken van die woningen en hun bewoners.

Technische toelichting

De energierekening

De gemiddelde energierekening van januari beschrijft wat huishoudens gemiddeld moeten betalen voor het verbruik van energie in één jaar. Hierbij baseren we ons op de gemiddelde prijzen van januari en het verwachte jaarverbruik. Voor een huishouden dat precies evenveel energie verbruikt als het gemiddelde kan de hoogte van de energierekening wel hoger of lager uitpakken, afhankelijk van het contract met de energieleverancier. We kijken hier naar een gemiddelde energierekening, in de praktijk zal het voorkomen dat sommige huishoudens toch meer of minder zijn gaan uitgeven aan hun energierekening.

Het gebruik van gemiddelde prijzen

De StatLinetabel met consumentenprijzen voor gas en elektriciteit geeft de gemiddelde maandelijkse prijs van de verschillende componenten van de gas- en elektriciteitsrekening. De verschillende componenten zijn: belastingen, netwerk- en leveringstarieven. De leveringstarieven hebben een vaste component en een variabele.

Per component wordt een gemiddelde berekend, gebaseerd op de informatie van energieleveranciers over de tarieven die zij hanteren voor de verschillende contracten en het aantal aansluitingen (huishoudens). De prijzen van contracten verschillen bijvoorbeeld per leverancier, per looptijd, soort energie (groen of grijs), per dagdeel (dag- en nachtstroom of een enkele meter voor één tarief, of dynamisch) en contractduur. Bij het berekenen van het gemiddelde voor de prijscomponenten is door weging rekening gehouden met het gemiddelde aantal aansluitingen en de toen geldende prijzen in het voorgaande jaar voor de verschillende soorten contracten. Leveringstarieven van dynamische elektriciteitscontracten zijn apart weergegeven.

Van circa 82 procent van huishoudensaansluitingen worden elke maand de prijzen verzameld uit klantenbestanden van energieleveranciers. Voor dynamische contracten vindt handmatige en scraperwaarneming plaats. Het gebruik van deze prijzen voor het berekenen van de gemiddelde energierekening voor huishoudens levert een goede benadering voor heel Nederland op. 

Compensatiemaatregelen in 2023

In 2023 heeft de overheid het prijsplafond en de compensatie voor woningen met blokverwarming gehanteerd. De doorwerking hiervan op de energierekening is beschreven in de longread van februari 2024 De energierekening januari 2024 | CBS.

De wijze waarop de energierekening per woning inclusief prijsplafond wordt berekend is terug te vinden aan het einde van hoofdstuk 4 in het artikel over De energierekening van juni 2023. De gemiddelde prijs van contracten met een contractprijs tot aan de prijsplafondprijs zijn aanvullend berekend en zijn te vinden in het voorliggende artikel over de energierekening van januari 2024 in de toelichting ‘Gemiddelde prijzen en het prijsplafondDe energierekening januari 2024 | CBS, toelichting1.

Belastingen op energie

Er is, vanaf januari 2023, één specifieke heffing op energie: de energiebelasting. De opslag duurzame energie (ODE) is per januari 2023 afgeschaft en opgenomen in de energiebelasting. Energiebedrijven innen de energiebelasting voor elke verbruikte kilowattuur stroom en kubieke meter gas en dragen dit vervolgens af aan de overheid. Omdat de overheid energie als een basisbehoefte ziet, krijgt elk huishouden een vast belastingbedrag terug. Dit is de vermindering energiebelasting, ook wel heffingskorting genoemd. Deze vermindering wordt verrekend per elektriciteitsaansluiting. Omdat de vermindering compenseert voor de belasting op elektriciteit en gas wordt deze verdeeld over de gas- en elektriciteitsrekening naar rato van de betaalde belastingen. Ten slotte betaalt elk huishouden btw over de energierekening. De levering, het transport en de energiebelastingen vallen allemaal onder het hoge btw-tarief van 21 procent. In 2022 was het btw-tarief tijdelijk 9 procent. 

Het berekenen van prijs- en verbruikseffecten

De prijs van energie en het verbruik bepalen de hoogte van de energierekening. De totale gemiddelde verandering van de energierekening kunnen we uitsplitsen in prijs- en verbruikseffecten. Hiervoor gebruiken we de zogenoemde methode voor Bennet-indicatoren.

Als we de energierekening van januari 2026 vergelijken met die van januari 2025 dan kunnen we de totale verandering van de energierekening als volgt splitsen in een prijseffect en een verbruikseffect:

  • Voor het prijseffect houden we het verbruik constant. Het gehanteerde verbruik is het gemiddelde van het geraamde gebruik in 2025 en 2026.
  • Voor het verbruikseffect houden we de prijs constant. De gehanteerde prijs is het gemiddelde van januari 2025 en januari 2026.

De som van dit prijs- en verbruikseffect komt overeen met het totale verschil in de energierekening tussen januari 2025 en januari 2026. Voor de berekening van de energierekening in januari 2025 worden dan de prijzen van januari 2025 en het geraamde gemiddelde verbruik van 2025 genomen en voor de berekening van 2026 worden de prijzen van januari 2026 en het verbruik van 2026 genomen.

Het geraamde gemiddelde verbruik voor 2026 is 1 747 kWh elektriciteit en 928 m3 gas. Voor 2025 is het geraamde verbruik 1 774 kWh elektriciteit en 958 m3 gas.

Het verbruik heeft logischerwijs alleen effect op de variabele kosten die de gebruiker per kubieke meter gas of per kilowattuur elektriciteit betaalt en niet op de vaste kosten. De vaste kosten veranderen alleen in prijs, niet in hoeveelheid.

Gemiddelde prijzen en de CPI (consumentenprijsindex)

Net als voor de prijsindex van elektriciteit en gas ten behoeve van de CPI wordt voor de prijzen in dit artikel gebruik gemaakt van energiecontractgegevens van huishoudens. Ook worden dezelfde gegevens over belastingen en transportkosten ingezet. Hoewel beide statistieken gebruik maken van dezelfde bronnen, is de prijsmutatie die met beide bronnen berekend kan worden niet noodzakelijkerwijs hetzelfde. Dit komt door de stratificatie en de indexmethode die voor de CPI gebruikt worden. Daarbij houdt de CPI rekening met de eerste raming van het verbruik door het PBL, in plaats van de gemiddeldes genoemd in dit artikel voor de jaren 2021-2025 die bijstellingen bevatten ten opzichte van de eerste raming. Voor de CPI kan het verbruik niet tussentijds gewijzigd worden en moet aan het begin van het jaar al bepaald zijn om een zuivere prijsontwikkeling te meten.

Gemiddeld gas- en elektriciteitsverbruik 

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekent het gemiddelde gas- en elektriciteitsverbruik voor woningen volgens de methode die wordt gebruikt in de Klimaat- en energieverkenning (KEV). Het PBL gebruikt hiervoor ook CBS-statistieken om tot een gemiddeld energieverbruik per woning te komen voor historische jaren. Deze wijken vaak iets af van de gemiddelde verbruiken per woning die het CBS publiceert omdat de ene methode vanuit het totaal energieverbruik een gemiddelde berekent, terwijl de andere methode vanuit de microdata per woning gemiddelden berekent.

In de berekeningen van het PBL van het gemiddeld gasverbruik per bewoonde woning zijn woningen met een warmtenetaansluiting uitgesloten en wordt het totale gasverbruik gecorrigeerd voor verschillen in het weer (waaronder de temperatuur, zoninstraling, en wind; zie toelichting Weercorrectie gasverbruik). Om te komen tot het gemiddelde gasverbruik per bewoonde woning wordt het totale weergecorrigeerde gasverbruik van alle woningen in Nederland gedeeld door het aantal bewoonde woningen dat niet op een warmtenet zit.

Voor het gemiddelde netto-elektriciteitsverbruik wordt de opwekking met eigen zonnepanelen gesaldeerd met (afgetrokken van) de totale levering van het net. Om te komen tot de gemiddelde elektriciteitslevering per bewoonde woning wordt de gecorrigeerde totale levering van elektriciteit gedeeld door het totaal aantal bewoonde woningen in Nederland. Zelf opgewekte en verbruikte elektriciteit maakt geen onderdeel uit van het netto-elektriciteitsverbruik.

Voor de profielen van aardgaswoningen (Hoofdstuk 4) wordt in de methode van het CBS vanuit microdata het gemiddeld aardgas- en elektriciteitsverbruik berekend voor groepen van aardgaswoningen. Om te bepalen of een woning een aardgaswoning is wordt gekeken naar de hoofdverwarmingsinstallatie (zie ook Hoofdverwarmingsinstallaties woningen, 2022-2024 | CBS). Indien er sprake is van een individuele CV of van blokverwarming wordt een woning tot de aardgaswoningen gerekend. Deze afbakening wijkt wat af van de afbakening zoals hierboven beschreven voor de methode van de KEV. Daarnaast wordt in de methode van de KEV het gemiddeld elektriciteitsverbruik berekend over alle bewoonde woningen, terwijl in de benadering vanuit de microdata de (bewoonde) woningen met stadswarmte niet worden meegenomen, evenals woningen met 11 of meer geregistreerde bewoners.

Nieuwe methodes voor bepaling energieleveringen aan woningen 

Tussen rapportagejaar 2019 en 2020 hebben bij het CBS diverse methodologische vernieuwingen plaatsgevonden om de aardgas- en elektriciteitsleveringen aan woningen te bepalen. Doordat er meer informatie beschikbaar kwam over de hoofdverwarmingsinstallatie is de afbakening van de populatie aardgaswoningen verbeterd. Daarnaast bestonden er tot 2019 enkele honderdduizenden woningen waarvoor de gas- of elektriciteitslevering onbekend was. Tot slot is het onderscheid tussen woningen en bedrijven beter afgestemd op de (vernieuwde) Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Dankzij het verbeterd inzicht kan vanaf verslagjaar 2019 voor alle woningen een elektriciteits- en (indien relevant) gaslevering bepaald worden. 

Sinds 2024 beschikt het CBS over gegevens vanaf verslagjaar 2022 van het elektriciteit- en gasverbruik op maandbasis, voor woningen met een individuele slimme meter vanaf (Verbeterd inzicht in energieverbruik van woningen met slimme-metergegevens | CBS). Hiermee zijn in de tweede helft van 2024 de verbruikscijfers over verslagjaren 2022 en 2023 herzien.

Saldering van elektriciteitsleveringen 

We spreken in dit artikel voor het gemak over het energieverbruik van huishoudens, maar feitelijk betreft de informatie de energieleveringen aan woningen. Deze informatie is afkomstig van netbeheerders. Tot verslagjaar 2021 leverden sommige netbeheerders informatie over de gesaldeerde elektriciteitslevering, dus na correctie voor eventuele teruglevering bij zonnestroom. Andere netbeheerders leveren informatie over de niet-gesaldeerde leveringen. Bij oude, analoge meters is de levering altijd gesaldeerd omdat daarbij de meter terugloopt. Vanaf verslagjaar 2021 ontvangt het CBS voor het eerst zowel een standaardjaarafname (SJA) als een standaardjaarinvoeding (SJI) en is het mogelijk om op microniveau het onderscheid tussen levering (SJA) en teruglevering (SJI) te maken. Met deze nieuwe informatie zijn ook de elektriciteitsleveringen voor woningen op macroniveau bijgesteld. Ook zijn er in combinatie met informatie over zonnestroominstallaties op microniveau terugleveringen bijgeschat voor 2019 en 2020 zodat de tijdreeksen vanaf 2019 compleet zijn. De (netto-)verbruiken waarop de energierekeningen in het voorliggende artikel zijn gebaseerd wijken daarmee af van eerdere publicaties over de energierekening.

Weercorrectie gasverbruik 

Het grootste deel van het gasverbruik wordt gebruikt voor ruimteverwarming. In een jaar met een zachte winter gebruiken huishoudens hierdoor gemiddeld minder gas dan in een jaar met een strenge winter. Bij het berekenen van prijseffecten en de mogelijkheden voor energiebesparing wordt daarom vaak gewerkt met voor het weer gecorrigeerde gasverbruik. Hierbij wordt het daadwerkelijk gasverbruik omgerekend naar de hoeveelheid gas die verbruikt zou zijn als het weer in een jaar gemiddeld geweest zou zijn. Er zijn diverse correctiemethoden ontwikkeld. In dit artikel is het gasverbruik gecorrigeerd voor het weer met dezelfde methode als gebruikt in de Klimaat- en Energieverkenning. Met de herziening van de methodiek in 2022 wordt er behalve voor temperatuur ook gecorrigeerd voor zoninstraling en wind. Zie: Herziening weerscorrectie voor ruimteverwarming.

Gemiddelde prijs over een jaar berekend als rekenkundig of gewogen gemiddelde

De gemiddelde prijs voor een jaar zoals weergegeven in StatLine - Gemiddelde energietarieven voor consumenten komt tot stand door het rekenkundig gemiddelde te nemen over alle 12 maanden. Daarbij telt de prijs over alle maanden even zwaar mee. Aangezien het energieverbruik niet gelijk over het jaar verdeeld is, kan dat leiden tot een onder- of overschatting van de daadwerkelijke prijs die (gemiddeld) betaald is. Met de vanuit slimme meters beschikbare maandelijkse verbruiksdata is een gewogen gemiddelde prijs bepaald voor de jaren vanaf 2022. Bij het gewogen gemiddelde krijgt elke maandprijs een gewicht dat aangeeft hoeveel er in die maand relatief is verbruikt. Zo wegen de prijzen in de (winter)maanden met veel verbruik zwaarder mee in de jaarprijs dan de prijzen in maanden waarin relatief weinig wordt verbruikt. Bij abrupte prijsveranderingen kan er een groot verschil zijn tussen het gewogen en rekenkundig gemiddelde tarief, zoals in 2023 het geval was met respectievelijk 1,65 en 1,88 euro per m3 aardgas. In andere jaren was het verschil veel minder groot.

De gewogen gemiddelde energieprijzen zijn per jaar weergegeven in Tabel T.1

T.1 De gewogen gemiddelde energieprijzen per verslagjaar
Verslagjaar Tarief1) elektriciteit
(Euro per kWh)
Tarief1) aardgas
(Euro per m3)
20220,29171,3869
20232)0,44281,8754
20240,30391,3555
20253)0,27521,3285
1) Het gaat hier om het variabele deel van de energierekening; de prijs per kWh of m3 bestaat uit het variabele leveringstarief, de eventuele opslag duurzame energie (ODE; tot 2022) en de energiebelasting.
2) Voor verslagjaar 2023 wordt hier de gewogen energieprijs bóven het prijsplafond getoond. Onder de prijsplafondvolumes gold een gewogen-gemiddeld tarief van respectievelijk 0,3548 en 1,3035 euro per kWh en m3 aardgas.
3) Voor 2025 zijn de maandelijkse verbruiksdata nog niet bekend voor de maanden na augustus. Deze zijn voorlopig geschat op basis van de verbruiksdata van een jaar eerder. Deze cijfers worden volgend jaar licht bijgesteld op basis van de werkelijke verbruiken.