Auteur: Annelise Notenboom, Damien Fleur, Lisanne van Koperen, Sander van Schie, Elles van Timmeren

SRG-I Cohortonderzoek personen met loonkostensubsidie

Over deze publicatie

In dit onderzoek staan personen met een gestarte, lopende of beëindigde loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet (LKSP) of beëindigde forfaitaire loonkostensubsidie (LKSF) in het tweede halfjaar van 2021 centraal. Deze personen zijn door middel van sequentieanalyse tot en met twaalf maanden voor en twaalf maanden na de start, einde of het lopende peilmoment gevolgd. Er is gekeken naar veranderingen in type loonkostensubsidie, loonwaarde, uitkeringspositie en baankenmerken (soort contract, uurloon en gemiddeld gewerkte uren).

Samenvatting

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil graag inzicht in de ontwikkeling van het aantal loonkostensubsidies en de situatie van personen met een loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet of forfaitaire loonkostensubsidie qua uitkerings- en werksituatie over de tijd.

Centraal in dit onderzoek staan vier groepen personen, namelijk personen met een gestarte, beëindigde of lopende loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet (LKSP) of personen met een beëindigde forfaitaire loonkostensubsidie (LKSF). De verslagperiode is het tweede halfjaar van 2021, dus alle personen die een LKSP gestart of een LKSP of LKSF beëindigd hebben tussen 1 juli 2021 en 31 december 2021 maken deel uit van de populatie. Voor de lopende LKSP moet de voorziening de hele verslagperiode gelopen hebben, dus voor 1 juli zijn gestart en na 31 december zijn gestopt. Voor elke groep is gekeken naar de situatie in de twaalf maanden voor en na het peilmoment (startdatum, einddatum of 30 september 2021 in het geval van lopende voorzieningen). In al die maanden wordt een uitsplitsing gemaakt naar het ontvangen van LKSP of LKSF, loonwaarde, uitkeringspositie en, indien de persoon werkend is, het soort contract, gemiddeld gewerkte uren en het uurloon.

Uit het onderzoek blijkt dat bij ongeveer de helft van de beëindigde of gestarte LKSP waarschijnlijk geen sprake is van een daadwerkelijke beëindiging c.q. start, maar van een mogelijk onjuiste registratie. Gemeenten laten weten dat zij een deel van de LKSP beëindigen en weer opnieuw opstarten wanneer de hoogte van de loonkostensubsidie wijzigt als gevolg van de indexatie van het tarief. Het gaat dus eigenlijk niet om twee verschillende voorzieningen, maar één voorziening die tussentijds wordt beëindigd en weer opnieuw wordt gestart met een ander tarief.

In het vervolg van het onderzoek zijn daarom personen met een startende LKSP die één maand voorafgaand aan de start LKSP hebben en personen met een beëindigde LKSP die in de eerste opvolgende maand na beëindiging LKSP hebben niet meegenomen. Van deze personen is namelijk de verwachting dat het grotendeels gaat om onterecht gestarte en beëindigde loonkostensubsidies. Bij de lopende LKSP en beëindigde LKSF was het niet nodig om de groep te filteren.

Voor de personen met een gestarte LKSP wordt gekeken of er (ver) voor of bij de start van de LKSP al een baan is en of er sprake was van een voorafgaande LKSF of bijstand. Uit de sequentieanalyses blijkt dat de meeste LKSP gestart wordt vanuit een situatie waarin er nog helemaal geen LKS is. In ongeveer een derde van de gevallen wordt vanuit LKSF gestart. Op het moment van de start van de LKSP hebben de meeste personen een baan, waarvan een groot deel tevens zonder bijstandsuitkering. Een maand eerder heeft ongeveer de helft al een baan, maar deze mensen komen daarvoor veelal uit een niet-werkzame situatie. De rest van de personen is tot een maand voor de start van de LKSP nog niet werkzaam.

Bij beëindiging van de LKSP is een groot deel van de personen werkzaam, en zij blijven grotendeels werkzaam de maanden na het beëindiging van LKSP. Een kleinere groep heeft op het moment van beëindiging of de maand na beëindiging van de LKSP geen baan meer, maar had dat de maanden ervoor nog wel. Het grootste deel van deze subgroep ontvangt geen bijstand.

De meeste personen met een lopende LKSP werken en ontvangen geen bijstand. Bij de lopende LKSP neemt het aandeel mensen met een contract voor onbepaalde tijd en het uurloon toe naarmate de tijd verstrijkt. Door enkele methodologische keuzes en vertraging van aanlevering van (informatie over) voorzieningen is in de figuren ruis te vinden. Zo zijn er personen met een lopende voorziening, maar die op 30 september geen LKS voorziening of baan hebben.

Ten slotte wordt voor de LKSF gekeken in hoeverre deze beëindigde voorzieningen wordt opgevolgd door een LKSP of een andere uitkeringspositie. De sequentiefiguren tonen dat ongeveer de helft van de personen met een beëindigde LKSF in de maand erna een LKSP heeft. Deze eindigen relatief vaak binnen enkele maanden weer. Het komt ook voor dat de LKSF opgevolgd wordt door nog een LKSF. Mogelijk was de loonwaarde nog niet bepaald en was er daarom nog een extra periode forfaitaire LKS nodig. Een groot deel van de mensen werkt na de LKSF nog steeds. Ook in de maanden ervoor, als de LKSF nog loopt, werken de meesten. Voorafgaand aan de LKSF hebben de meesten geen baan. Vlak na beëindiging van de LKSF zijn er duidelijk meer mensen aan het werk. Een jaar later is ongeveer de helft nog werkzaam.

1. Inleiding

1.1 Achtergrond

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil graag inzicht in de ontwikkeling van het aantal loonkostensubsidies en de situatie van personen met een loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet of forfaitaire loonkostensubsidie qua uitkerings- en werksituatie over de tijd. Door de koppeling van de Statistiek Re-integratie door Gemeenten (SRG) met de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) en de Polisadministratie met daarin informatie over inkomstenverhoudingen van werkgevers en andere inhoudingsplichtigen, kan de situatie van personen met een loonkostensubsidie gemonitord worden.

1.2 Onderzoeksvragen

Vragen die SZW graag beantwoord zou willen zien gaan allereerst over de beëindiging van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet. SZW wil namelijk graag weten wat de reden is van beëindiging van de loonkostensubsidie. Daarbij kan gedacht worden aan een verandering van de loonwaarde vlak voor de beëindiging, een wijziging in de arbeidssituatie, of bijvoorbeeld een overgang van inkomen uit een bijstandsuitkering naar inkomen uit werk.

Daarnaast is SZW geïnteresseerd in de arbeidssituatie van personen met een startende loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet. Zo wil SZW weten of er ver voor, of bij de start van de loonkostensubsidie al een dienstverband is bij een werkgever of dat er sprake was van een forfaitaire loonkostensubsidie. Ook is het interessant om te weten of er voor of bij de start van de loonkostensubsidie nog sprake was van inkomen vanuit een bijstandsuitkering.

Daarbovenop wil SZW graag meer informatie over lopende loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet, waarbij deze gedurende een langere periode gevolgd kunnen worden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er bij personen met een lopende loonkostensubsidie gedurende de tijd wijzigingen plaatsvinden in de arbeidspositie. Zo zou de omvang van de arbeidsaanstelling kunnen toe- of afnemen en het contracttype kunnen wijzigen. Ook is het mogelijk dat de loonwaarde van personen met een loonkostensubsidie over de tijd toe- of afneemt. Specifiek voor de forfaitaire loonkostensubsidie wil SZW graag weten in hoeverre deze gevolgd wordt door een loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet of door een andere werk- of uitkeringspositie.

1.3 Leeswijzer

De publicatie is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt de methode beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitkomsten. In hoofdstuk 4 wordt de conclusie gegeven, gevolgd door enkele aanbevelingen voor vervolg van dit onderzoek of extra kwaliteitsonderzoek. In de bijlage staan alle sequentie figuren en bijbehorende statistieken, dus ook van de figuren die niet in hoofdstuk 3 besproken zijn.

2. Onderzoeksmethode

Dit rapport geeft via sequentieanalyses de patronen weer in het kader van de startende, lopende en beëindigde loonkostensubsidie voorzieningen. Personen worden gevolgd voor de periode twaalf maanden voor een peilmoment en de twaalf maanden erna. Het peilmoment is afhankelijk van de situatie (startende, lopende of beëindigde voorziening). Er is een kwaliteitsonderzoek gedaan naar mogelijk onterecht gestarte of beëindigde loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet.

2.1 Populatie en verslagperiode

Het cohort dat in dit onderzoek gevolgd wordt bestaat uit alle personen die op enig moment in de tweede helft van 2021 een loonkostensubsidie (LKS) hadden. Het onderzoek richt zich op de voorzieningen loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet (LKSP) en forfaitaire loonkostensubsidie (LKSF). De tijdelijke loonkostensubsidie blijft buiten beschouwing. De verslagperiode is het tweede halfjaar van 2021, dus 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021.

2.2 Operationalisatie

In het onderzoek worden alle personen meegenomen die in de verslagperiode een gestarte, lopende of beëindigde LKSP of beëindigde LKSF hadden. Qua operationalisatie voor de gestarte en beëindigde voorziening is aangesloten bij veel andere publicaties van team Sociale Zekerheid, zoals het project SRG-D1). Dit betekent dat iemand een gestarte LKSP heeft als de voorziening is aangeleverd in de maand van de startdatum en de startdatum van de voorziening in de verslagperiode ligt. Dit betekent dat de voorziening gestart of beëindigd moet zijn tussen 1 juli 2021 en 31 december 2021. Vertraagde informatie wordt niet meegenomen. Als een voorziening bijvoorbeeld in oktober voor het eerst wordt aangeleverd, maar met een startdatum in september, dan wordt deze voorziening niet opgenomen in het bestand als gestarte LKSP. Mocht een persoon meerdere voorzieningen gestart zijn in het tweede halfjaar van 2021, dan wordt de laatst gestarte voorziening gevolgd. De startdatum is het peilmoment van de voorziening in de verdere analyses. Een beëindigde LKSP of LKSF is een voorziening met een einddatum tussen 1 juli 2021 en 31 december 2021 waarbij de voorziening met de einddatum aangeleverd moet zijn in de maand van beëindiging. Als iemand meerdere voorzieningen beëindigd heeft in het halfjaar, dan wordt de laatst beëindigde voorziening gevolgd. De einddatum is het peilmoment dat in de rest van de analyses gehanteerd wordt. Bij de gestarte en beëindigde LKS verschilt de precieze datum die als peilmoment wordt gekozen dus tussen personen; de datum ligt wel altijd tussen 1 juli 2021 en 31 december 2021. Voor de lopende loonkostensubsidies wordt gekeken of de voorziening liep gedurende de hele verslagperiode, dus de startdatum ligt voor 1 juli 2021 en de einddatum na 31 december 2021. Daarnaast moet de voorziening zijn aangeleverd in de laatste maand van de verslagperiode. Als het peilmoment voor de verdere analyses wordt voor de lopende loonkostensubsidies 30 september 2021 gehanteerd. Voor iemand met meerdere lopende loonkostensubsidies op 30 september maakt het eigenlijk niet uit welke voorziening gekozen wordt, omdat het peilmoment altijd hetzelfde is. Er is gekozen om de langstlopende (eerst gestarte) voorziening te volgen.

Voor alle personen in dit onderzoek wordt maandelijks twaalf maanden voor en twaalf maanden na het peilmoment gekeken welke kenmerken van toepassing zijn. Het gaat daarbij om de volgende kenmerken: wel/geen LKSP en/of LKSF, uitkeringspositie (kruising van wel/geen baan en wel/geen bijstand), soort contract, uurloon, aantal gewerkte uren en loonwaarde. Daarbij gaat het aantal gewerkte uren om het aantal uren dat de persoon gemiddeld per week gewerkt heeft in de hele maand waarin het peilmoment valt.

2.3 Sequentieanalyse

Voor dit onderzoek naar personen met een LKS zal gebruik worden gemaakt van sequentieanalyses. Bij een sequentieanalyse kunnen alle gebeurtenissen gedurende de geobserveerde periode op individueel niveau meegenomen worden. In het huidige onderzoek betreft dit ontwikkelingspatronen in het hebben van een voorziening, het hebben van bijstand, arbeidskenmerken en de loonwaarde. Dit is een voordeel ten opzichte van het maken van tabellen, waarin enkel geaggregeerde aantallen op een bepaald tijdsmoment zichtbaar zijn en niet duidelijk is hoe individuele patronen verlopen2). Sequentieanalyse is ook een geschikte methode wanneer op voorhand niet duidelijk is welke patronen er verwacht kunnen worden. Het is dus een exploratieve methode om meer inzicht te krijgen in het verloop van een bepaalde situatie.

Uit de sequentieanalyses volgen per figuren met daarin de feitelijke patronen van elk achtergrondkenmerk voor elk individu met een loonkostensubsidie. Deze figuren worden in het rapport beschreven en geïnterpreteerd.

1) Zie bijvoorbeeld https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/24/srg-d-koppeling-srg-bus-en-polis-2022-q4.
2) Bron: Mattijssen, Van Gaalen en Büyükkececi (2022). Vroege loopbaan van jongeren op een nieuwe manier in kaart gebracht. Vroege loopbaan van jongeren op een nieuwe manier in kaart gebracht (cbs.nl).

3. Resultaten

Aan de hand van de figuren die volgen uit de sequentieanalyses worden de resultaten van vier groepen personen besproken in dit hoofdstuk:

  • Personen waarbij de LKSP gestart is in de verslagperiode (paragraaf 3.2)
  • Personen waarbij de LKSP beëindigd is in de verslagperiode (paragraaf 3.3)
  • Personen waarbij de LKSP gedurende de hele verslagperiode liep(paragraaf 3.4)
  • Personen waarbij de LKSF beëindigd is in de verslagperiode (paragraaf 3.5)

In de figuren stelt elke lijn een individu voor. Het figuur geeft direct een overzicht van de verscheidenheid aan verschillende patronen die er binnen de hele populatie voorkomen en welke patronen vaker voorkomen dan anderen. In het figuur wordt de situatie van het individu maandelijks vastgesteld. Daarbij zijn de personen gesorteerd op het peilmoment, dat is weergeven met een nul op de horizontale as. Voor de figuren over startende LKSP zijn de personen vervolgens gesorteerd op de maanden ervoor (dus van relatief peilmoment -1 naar -12) en dan op de achtereenvolgende maanden (dus van relatief peilmoment 1 naar 12). Bij alle andere figuren, dus over beëindigde LKSP en LKSF en lopende LKSP, is na de sortering op peilmoment 0 gesorteerd op de achtereenvolgende maanden en daarna pas op de maanden ervoor. De sortering maakt uit voor hoe de figuren er uit uiteindelijk uitzien. Een goede sortering maakt interpretatie van het figuur makkelijker en hangt af van waar de focus bij het bekijken van het figuur op ligt. Bij de startende LKSP is dat op de maanden voor de start, bij de andere figuren voornamelijk op de maanden na het peilmoment.

In paragraaf 3.1 worden eerst de resultaten van het kwaliteitsonderzoek besproken. Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van eerdere bevindingen bij het maken van de tabellenset die ook onder SRG-I valt. In het vervolg van de analyses (dus vanaf paragraaf 3.2) zijn enkele filteringen gedaan op basis van het kwaliteitsonderzoek. De sequentieanalyses zijn vervolgens opnieuw uitgevoerd.

3.1 Kwaliteitsonderzoek

Begin oktober 2023 is de tabellenset opgeleverd die hoort bij dit SRG-I onderzoek3). In deze tabellen viel op dat voorafgaand aan de start van de LKSP of na beëindiging van de LKSP veel personen een gevulde loonwaarde hadden. De loonwaarde kan alleen gevuld zijn indien de persoon een loonkostensubsidie (op grond van de Participatiewet of forfaitair) ontvangt. Het aandeel personen met een forfaitaire loonkostensubsidie was echter niet hoog genoeg om te kunnen verklaren waarom zoveel mensen een gevulde loonwaarde hadden terwijl de LKSP nog niet gestart of al beëindigd was. Dit deed vermoeden dat personen direct voorafgaand aan een startende of direct na een beëindigde LKSP nog een LKSP hadden. Bij het analyseren van de resultaten van de sequentieanalyses is daarom extra aandacht besteed aan dit fenomeen.

Het volgende figuur toont de situatie van personen met een startende LKSP. Te zien is dat ruim de helft (57 procent) van de personen in de maand direct voorafgaand aan de start van de LKSP (relatief peilmoment -1), ook al LKSP ontving, die vaak al meerdere maanden – zelfs tot een jaar – liep. Dit komt dus overeen met de eerste signaleringen die bij de tabellenset zijn waargenomen.

3.1.1_Gestarte_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie

Voor de beëindigde LKSP is een vergelijkbaar patroon te zien, zie figuur 3.1.2. In de maand na de beëindiging van de LKSP heeft ongeveer de helft van de personen (53 procent) nog steeds een LKSP. Hoewel er wel een afnemende trend te zien is in de maanden volgend op de beëindiging van de LKSP, behoudt toch een groot deel van de personen de LKSP tot een jaar na beëindiging van de initiële voorziening. Het is dus niet waarschijnlijk dat hier sprake is van administratieve vertraging waardoor de LKSP per ongeluk een maand later nog steeds wordt aangeleverd terwijl het eigenlijk beëindigd is. Op basis van dit figuur rijst het vermoeden dat gemeenten in een substantieel deel van de gevallen direct na het einde van de LKSP een nieuwe LKSP starten.

3.1.2_Beëindigde_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie

Het is mogelijk dat de personen waarbij twee LKSP voorzieningen elkaar opvolgen bij een andere werkgever aan de slag zijn gegaan. Echter roept het hoge aantal de vraag of op het aantal gestarte en beëindigde loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet wel juist is. De verwachting is namelijk dat het niet zó vaak zal voorkomen dat twee LKSP voorziening elkaar opvolgen.

Kwaliteitsonderzoek naar de oorzaak van hoge aantallen gestarte en beëindigde LKS

Gegeven de observatie dat bij een startende LKSP voorziening er voorafgaand al LKSP is en bij beëindigde LKSP er opvolgend een LKSP voorziening is, is er een kwaliteitsonderzoek gedaan. De resultaten en conclusies worden in de huidige sectie besproken.
Er zijn 3 045 personen met een startende LKSP die de maand ervoor ook LKSP hadden en 2 389 personen met een beëindigde LKSP die de maand erna ook LKSP hadden. Gekeken naar de berichtgevers heeft 90 procent van alle berichtgevers minimaal één startende LKSP met voorafgaande LKSP of beëindigde LKSP met opvolgende LKSP. Voor 65 procent van alle berichtgevers geldt dat minimaal de helft van de gestarte of beëindigde voorzieningen aangeleverd is met respectievelijk een voorafgaande of opvolgende LKSP. Het was in dit onderzoek niet mogelijk om te kijken of er een wijziging van berichtgever of gemeente heeft plaatsgevonden rondom de start of het einde van de LKSP. In een vervolgonderzoek is het interessant om hier naar te kijken, want dit zou een mogelijke verklaring kunnen zijn voor het direct opvolgen van twee loonkostensubsidies.

De loonwaarde van de 3 045 personen met een startende LKSP die de maand ervoor ook LKSP hadden, blijft in 92 procent van de gevallen gelijk. Er zijn 246 personen waarbij de loonwaarde wel wijzigt. Als er een verschil is, dan was de loonwaarde bij de start in de meeste gevallen hoger dan de maand ervoor. Bij bijna de helft van de gevallen gaat het om een verschil in loonwaarde tot en met tien procentpunten. Daarnaast had 11 procent eerst geen loonwaarde en de maand erna wel, of andersom.

Van de 2 389 personen met een beëindigde LKSP die de maand erna ook LKSP hebben blijft de loonwaarde voor 91 procent van de personen gelijk. Er zijn er 208 personen waarbij de loonwaarde wijzigt. Bij iets meer dan de helft lag de loonwaarde in de maand van beëindiging lager dan in de maand erna. Bij bijna 40 procent van de gevallen gaat het om een verschil in loonwaarde tot en met tien procentpunten. Bij 12 procent was er in een van de twee maanden geen loonwaarde.

Het CBS heeft al eerder contact met berichtgevers gehad over de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en naar aanleiding van dit kwaliteitsonderzoek is er opnieuw met enkele gemeenten gesproken. Uit deze contacten bleek dat sommige gemeenten de LKSP beëindigen en weer opnieuw starten wanneer de hoogte van de loonkostensubsidie wijzigt als gevolg van de indexatie van het tarief. Dit betekent dat er in die gevallen in werkelijkheid geen sprake is van twee opeenvolgende loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet, maar van dezelfde voorziening die tussentijds wordt beëindigd en weer opnieuw wordt opgestart. De beëindigde LKS en daarop volgende startende LKS worden niet onder hetzelfde registratienummer aangeleverd aan het CBS. Daarom lijken het in de registratie twee afzonderlijke, unieke voorzieningen. Om deze reden zijn de ‘twee’ voorzieningen (die dus eigenlijk één voorziening zijn) in de sequentiefiguren opgenomen als beëindigde en startende voorzieningen.

Op basis van de analyses van dit onderzoek kan niet met zekerheid gezegd worden welk aandeel van de beëindigde en gestarte LKS-voorzieningen onterecht beëindigd en gestart zijn vanwege indexering. Door de manier waarop de data is opgebouwd voor de sequentieanalyse was in dit onderzoek niet mogelijk om te kijken naar de exacte begin- en einddatum van de voorzieningen. Het zou dus kunnen dat er personen zijn waarbij er enkele dagen tussen de twee voorzieningen zitten. Dit zou dan waarschijnlijk een daadwerkelijk nieuw gestarte LKSP zijn en niet een nieuw gestarte LKSP omdat de gemeente de indexering moet verwerken. De verwachting is dat als het gaat om een wijziging vanwege indexering dat het gemeentenummer hetzelfde blijft, net als de loonwaarde.

Gegeven het feit dat het gemeentenummer in geen van de gevallen wijzigt en de loonwaarde slechts beperkt wijzigt in de onderzochte groepen, suggereert dat een belangrijk deel van de beëindigde LKSP die in de maand erna gevolgd worden door een startende LKSP onterecht beëindigd en opnieuw gestart wordt. In het vervolg van de analyses en figuren worden de twee groepen daarom niet meegenomen, omdat deze groepen de resultaten sterk vertekenen. Dit betekent dat personen met een startende LKSP waarbij er ook LKSP is in de maand ervoor en personen met een beëindigde LKSP met een LKSP in de maand erna in de rest van de analyses buiten beschouwing zijn gelaten.

3.2 Gestarte LKSP zonder voorafgaande LKSP

Personen die een LKSP starten maar de maand ervoor óók een LKSP hadden zijn niet meegenomen in de volgende analyses, omdat de verwachting is dat de voorzieningen van die personen grotendeels beëindigd en opnieuw gestart zijn in verband met wijzigingen rondom de indexering van de LKSP. Na filtering zijn er 2306 personen met een gestarte LKSP in het tweede halfjaar van 2021.

Figuur 3.2.1 toont de sequentieanalyse voor personen met een gestarte LKSP waar er één maand voor de start nog geen LKSP was. De verwachting was dat veel loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet (LKSP) starten vanuit een forfaitaire loonkostensubsidie (LKSF) omdat er tijd nodig is om de loonwaarde te bepalen. Het meest voorkomende patroon blijkt echter te zijn dat er een LKSP wordt gestart zonder voorafgaande LKS (dus geen LKSP én geen LKSF, oranje stromen in de figuur). In ongeveer een derde van de gevallen wordt de LKSP gestart vanuit LKSF. Zoals verwacht duurt de LKSF in de meeste gevallen maximaal zes maanden, hoewel het ook wel soms voorkomt dat er nog langer sprake was van LKSF. Mogelijk zijn dit twee LKSF voorzieningen die elkaar opvolgen. In sommige gevallen was er in een van de eerdere maanden ook al een LKSP, maar dit komt niet vaak voor.

3.2.1_Gestarte_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie_zonder_voorafgaande_LKSP

De vraag is of er (ver) voor de start van de LKSP al een baan was en of de startende personen een bijstandsuitkering hadden. In figuur 3.2.2 is de uitkeringspositie opgenomen. Dit is de unieke combinatie van het al dan niet hebben van een baan en bijstandsuitkering. Op het moment van de start van de LKSP hebben de meeste personen een baan, waarvan een groot deel tevens zonder bijstandsuitkering. Dit is volgens de verwachting bij een startende loonkostensubsidie. De kleine groep personen die bij de start nog geen baan hebben, hebben dat over het algemeen in de maanden erna wel (te zien aan de licht- en donkerblauwe stromen vanaf peilmoment 1 voor de personen die op peilmoment 0 niet werkend zijn). Dat er op het startmoment nog geen baan is, komt daarom waarschijnlijk door administratieve vertraging. De loonkostensubsidie is dan wel al door de gemeente geregistreerd, maar de bijbehorende baan is nog niet in de registers opgenomen. Een maand voor de start van de LKSP heeft ongeveer de helft al een baan (licht- en donkerblauw), maar deze mensen komen wel veelal uit een niet-werkzame situatie. De rest van de personen is tot een maand voor de start van de LKSP nog niet werkzaam (oranje en groene stromen in de maanden voor de start (dus -12 tot en met -1).

3.2.2_Gestarte_LKSP_naar_uitkeringspositie_zonder_voorafgaande_LKSP

3.3 Beëindigde LKSP zonder opvolgende LKSP

Personen met een beëindigde LKSP die opgevolgd werd door nog een LKSP, zijn niet meegenomen in de volgende analyses, omdat de verwachting is dat de voorzieningen van die personen grotendeels beëindigd en opnieuw gestart zijn in verband met wijzigingen rondom de indexering van de LKSP. Na filtering zijn er 2157 personen met een beëindigde LKSP in het tweede halfjaar van 2021.

Er zijn 2157 personen die een LKSP hebben beëindigd en de maand erna geen LKSP meer hebben. Figuur 3.3.1 toont dat een klein deel direct na beëindiging van de LKSP een LKSF ontvangt. Deze duurt tot zes maanden en mensen stromen dan terug naar de LKSP. Mogelijk wordt er een LKSF opgestart omdat de persoon een andere baan is gestart of de mogelijkheden van de persoon zijn veranderd, wat in beide gevallen zal leiden tot een nieuwe inschatting van de loonwaarde. Na de inschatting wordt er in veel gevallen weer een LKSP gestart, waarbij het kan zijn dat de persoon een andere loonwaarde heeft. Bij de grootste groep, die direct na einde van de LKSP geen LKSP of LKSF heeft, neemt het aantal met een LKS toe in de loop van de maanden. In de meeste gevallen is dit opnieuw een LKSP, maar ook LKSF komt voor.

3.3.1_Beëindigde_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie_zonder_voorafgaande_LKSP

Figuur 3.3.2 toont dat op het moment van de beëindiging van de LKSP een groot deel van de personen werkzaam is en werkzaam blijft. Een kleinere groep heeft op het moment van beëindiging of de maand na beëindiging van de LKSP geen baan meer, maar had dat de maanden ervoor nog wel. Waarschijnlijk komt dit verschil doordat in de administratie de baan al opgezegd is, maar de voorziening nog niet.

3.3.2_Beëindigde_LKSP_naar_uitkeringspositie_zonder_voorafgaande_LKSP

Figuur 3.3.3 toont de contractstatus bij beëindiging van de LKSP. Mensen kunnen een contract voor bepaalde of onbepaalde tijd hebben, of geen contract hebben als zij alsnog het werk verliezen. Op het moment van beëindiging van LKSP heeft het grootste deel van de mensen een contract voor bepaalde tijd en een kleiner deel een contract voor onbepaalde tijd. Het kleinste deel heeft op moment van beëindiging geen contract meer maar voor beëindiging meestal wel een contract. Dit komt waarschijnlijk doordat de administraties van beëindigen van werk en LKSP niet volledig op elkaar aansluiten, want het is logischer dat de LKSP eindigt in dezelfde maand als dat de baan eindigt. Een maand na beëindiging van LKSP heeft ongeveer een kwart van de mensen geen werk meer. Het grootste deel daarvan had bij beëindiging van de LKSP een contract voor bepaalde tijd. Na beëindiging van LKSP neemt bij de mensen met een contract voor bepaalde tijd het aandeel met een contract voor onbepaalde tijd toe. Bij een kleiner deel verandert bij beëindiging van LKSP het contract voor onbepaalde tijd naar een contract voor bepaalde tijd. Bij de personen die op moment van beëindiging geen contract hadden is te zien dat een aantal van deze personen na het peilmoment weer werk hebben en dan met name met een contract voor bepaalde tijd.

3.3.3_Beëindigde_LKSP_naar_soort_contract_zonder_voorafgaande_LKSP

Figuur 3.3.4 toont het gemiddeld aantal gewerkte uren van de mensen met een beëindigd LKSP. Een kleine meerderheid van de mensen bij wie LKSP eindigt werkt meer dan 25 uur op het moment dat LKSP eindigt. De eerste maand na beëindiging verliest een kwart van de mensen het werk. Mensen die bij beëindiging van de LKSP geen werk meer hebben, werkten relatief minder uren. Mensen bij wie de LKSP, maar niet het werk eindigt, werkten relatief meer uren voor en na beëindiging van LKSP. Bij de groep die geen werk heeft bij de beëindiging van de LKSP loopt het aantal mensen met een baan en gewerkte uren in de maanden na beëindiging weer langzaam op.

3.3.4_Beëindigde_LKSP_naar_gemiddeld_gewerkte_uren_zonder_voorafgaande_LKSP

In figuur 3.3.5 zijn de personen met een beëindigde LKSP weergegeven naar loonwaarde. Na de beëindiging heeft een groot deel geen loonwaarde meer. Dit is logisch aangezien zij dan geen loonkostensubsidie meer hebben. Wanneer personen weer een LKSP hebben wordt ook de loonwaarde weer gevuld. De meeste personen gaan dan terug naar de loonwaarde die zij bij beëindiging ook hadden. Er lijken weinig grote wijzigingen te zijn in loonwaarde voorafgaand aan de beëindiging.

3.3.5_Beëindigde_LKSP_naar_loonwaarde_zonder_voorafgaande_LKSP

3.4 Lopende LKSP

Er zijn 17315 personen die een lopende LKSP hebben in de verslagperiode, dus van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021. Voor deze personen ligt peilmoment 0 op 30 september 2021. In figuur 3.4.1 zijn de personen met een lopende LKSP weergegeven naar type loonkostensubsidie. Er is weinig variatie. De meeste personen hebben zowel een jaar voor als een jaar na het peilmoment een LKSP. Wanneer de voorziening loopt na een LKSF blijft de LKSP bijna altijd doorlopen.

Opvallend in het figuur zijn de personen zonder LKS tussen peilmoment -3 en +2. Dit is opvallend omdat de voorziening een begindatum moet hebben voor juli 2021 en einddatum na december 2021. Dit zou inhouden dat de voorziening tussen peilmoment -3 en +3 altijd moet lopen. Echter is er naast de selectie op begin- en einddatum nog een tweede voorwaarde gebruikt die stelt dat de voorziening in de laatste maand van de verslagperiode aangeleverd moet zijn (december 2021, peilmoment +3). Dan kan het gebeuren dat door vertraging van aanleveren er voorzieningen zijn die voor het eerst in december 2021 zijn aangeleverd, maar die volgens de begin- en einddatum lopend zijn in de hele verslagperiode van het onderzoek. Echter, deze begin- en einddatum worden niet meer verwerkt in de gegevens over eerdere maanden. Zodra gebruik wordt gemaakt van transactiebestanden die vanaf verslagjaar 2023 beschikbaar zijn, zal dit mogelijk niet of in veel mindere mate voorkomen.

3.4.1_Lopende_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie

Uit figuur 3.4.2 blijkt dat dat de meeste personen met een lopende LKSP werkend zijn zonder bijstand. Dit is voor het grootste deel gedurende de hele periode zo. Het deel dat een jaar voor het peilmoment, dus op 30 september 2020, niet werkzaam was met bijstand, is een jaar later wel werkend en ontvangt geen bijstandsuitkering meer. De personen die bijstand ontvangen naast de baan blijven dat over het algemeen de hele periode ontvangen. Daarnaast is te zien dat na het peilmoment 30 september 2021 de groep die niet werkt en geen bijstand ontvangt toeneemt. Er is ook nog een heel klein deel dat op het peilmoment geen werk heeft, terwijl dat niet de verwachting is indien er een lopende LKSP voorziening is. Dit kan duiden op een kwaliteitsissue in de SRG. Soms blijven gemeenten voorziening aanleveren die eigenlijk langer geleden al beëindigd zijn. Zodra gebruik wordt gemaakt van de transactiebestanden die vanaf verslagjaar 2023 beschikbaar zijn, zal dit mogelijk niet of in veel mindere mate voorkomen.

3.4.2_Lopende_LKSP_naar_uitkeringspositie

Figuur 3.4.3 toont het type contract indien er op het peilmoment (30 september 2021) een lopende voorziening is. Voor deze personen is gekeken wat voor type contract zij hadden in de twaalf maanden voor en na het peilmoment. Het figuur toont dat de verdeling onbepaald/bepaalde tijd contract ongeveer gelijk is op het peilmoment, maar dat er een trend is naar een contract voor onbepaalde tijd. Met name het aantal personen met een contract voor bepaalde tijd neemt af, veel van hen krijgen een contract voor onbepaalde tijd of stoppen met werken. Bijna alle personen met een contract voor onbepaalde tijd houden dit contract ook. Een klein deel heeft na twaalf maanden geen werk meer. Dit zijn bijna alleen personen die al lange tijd aan het werk waren. De personen die op het peilmoment 30 september 2021 geen contract hebben, hebben daarvoor ook geen contract of een contract voor bepaalde tijd. Na het peilmoment is er vaak ook geen contract maar neemt het aantal met een contract over tijd wel toe. Zoals besproken bij figuur 3.4.2, zijn degenen zonder contract op het peilmoment waarschijnlijk veroorzaakt door kwaliteitsissues in de SRG data.

3.4.3_Lopende_LKSP_naar_soort_contract

Naast een wijziging in soort contract vindt er na verloop van tijd ook bij een aantal mensen een wijziging in het uurloon plaats (zie figuur 3.4.4). Een deel van de groep die op het peilmoment minder dan 10 euro per uur verdiende gaat de maanden erna geleidelijk aan meer verdienen, namelijk 10 tot 15 euro per uur. De groepen die 15 tot 20 euro of meer dan 20 euro verdienden blijven dit veelal in de maanden erna ook verdienen. Mogelijk heeft deze trend te maken met algemene loonstijgingen die in de loop der tijd zijn doorgevoerd. Ook in deze figuur zijn personen te zien die op peilmoment 30 september 2021 geen baan hebben.

3.4.4_Lopende_LKSP_naar_uurloon

3.5 Beëindigde LKSF

Figuur 3.5.1 toont dat ongeveer de helft van de personen bij wie een LKSF eindigt de maand erna een LKSP heeft. Sommige personen hadden deze voorziening al op het moment van de beëindiging, wat waarschijnlijk betekent dat de LKSP alvast is opgestart. Ongeveer de helft van de loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet die na een LKSF gestart wordt, eindigt binnen enkele maanden weer. In sommige gevallen wordt de LKSF gevolgd door nóg een LKSF. Mogelijk is dit gedaan omdat de loonwaardebepaling nog niet uitgevoerd kon worden in de eerste maanden en er extra tijd nodig was om tot een goede bepaling van de loonwaarde te komen. In deze gevallen loopt de LKSF maximaal zes maanden. Er zijn dan ook maar weinig forfaitaire loonkostensubsidies die veel langer dan zes maanden duren. Voor een ander groot deel van de personen is er na de beëindiging van de LKSF voorziening geen LKS voorziening meer, maar over tijd neemt daar het aantal personen met een LKSF of LKSP weer toe. Als er gekeken wordt naar figuur 3.5.2 waar de meesten na beëindiging van de LKSF een baan hebben, wekt dit de suggestie dat een aantal personen na beëindiging LKSF een baan hebben zonder LKS voorziening.

3.5.1_Beëindigde_LKSF_naar_type_loonkostensubsidie

Figuur 3.5.2 toont dat een groot deel van de mensen werkend is als de LKSF eindigt. Ook in de vijf tot zes maanden daarvoor zijn de meesten werkend. Nog verder terug in de tijd hebben de meesten geen baan. Na de LKSF zijn er duidelijk meer mensen aan het werk. Een maand na de beëindiging is het merendeel werkend zonder bijstand. Een jaar later is dit ongeveer de helft.

3.5.2_Beëindigde_LKSF_naar_uitkeringspositie

3) https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/40/srgi-cohortonderzoek-personen-met-lks-tweede-helft-2021.

4. Conclusie en aanbevelingen

Dit onderzoek geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal loonkostensubsidies en de situatie van personen met een loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet of forfaitaire loonkostensubsidie qua uitkerings- en werksituatie over de tijd. Uit het onderzoek blijkt dat bij ongeveer de helft van de beëindigde of gestarte LKSP waarschijnlijk geen sprake is van een daadwerkelijke beëindiging c.q. start, maar van een mogelijk onzuivere registratie. Deze bevinding vergt nader onderzoek (zie ook de aanbevelingen). Aangezien de (vermoedelijk) onterecht gestarte en beëindigde LKSP de resultaten sterk vertekenen, zijn deze achterwege gelaten bij het maken van de plots en het analyseren van de resultaten.

Bij beëindiging van de LKSP is een groot deel van de personen werkzaam, en zij blijven grotendeels werkzaam in de maanden na het beëindiging van LKSP. Een kleinere  groep heeft op het moment van beëindiging of de maand na beëindiging van de LKSP geen baan meer, maar had dat de maanden ervoor nog wel. Het grootste deel van deze subgroep ontvangt geen bijstand.

Bij de start van een LKSP voorziening heeft ongeveer een derde van de mensen vooraf een LKSF voorziening. De grootste groep had echter voor de start van LKSP geen loonkostensubsidie. Een maand voor de start van de LKSP heeft ongeveer de helft al een baan, maar deze mensen komen wel veelal uit een niet-werkzame situatie. De rest van de personen is tot een maand voor de start van de LKSP nog niet werkzaam.

De meeste personen met een lopende LKSP werken en ontvangen geen bijstand. Bij de lopende LKSP neemt het aandeel mensen met een contract voor onbepaalde tijd en het uurloon toe naarmate de tijd verstrijkt.

Na beëindiging van de LKSF voorziening hebben de meeste personen daarna een LKSP voorziening, maar ook heeft een behoorlijk deel geen enkele LKS voorziening meer. Als gekeken wordt naar de uitkeringspositie na beëindiging van LKSF is te zien dat de meeste personen werk hebben. Dit suggereert dat na beëindiging van de LKSF een persoon vaak een LKSP voorziening krijgt of dat de persoon na het beëindigen van de LKSF zonder LKS voorziening aan het werk is.

Uit het onderzoek komen enkele aanbevelingen naar voren:

  • Er is verder kwaliteitsonderzoek nodig naar de beëindigde en gestarte voorzieningen die vermoedelijk onjuist geregistreerd zijn en in werkelijkheid lopende voorzieningen betreffen. In dat onderzoek kunnen de volgende vragen aan bod komen: Wat zijn de overwegingen van gemeenten om voorzieningen om de administratie op deze wijze uit te voeren? Bij welke softwarepakketten komen deze onterechte start en beëindigingen voor? Bij hoeveel LKSP voorzieningen zijn de datums van start en einde aansluitend, en kan zodoende een beter beeld van de hoeveelheid onterechte registraties verkregen worden? Zijn er aanpassingen mogelijk in softwarepakketten of in de gemeentelijke werkwijze waardoor wijzigingen bij een lopende LKSP makkelijker kunnen doorgevoerd worden?
  • Het is de eerste keer dat dit onderzoek, waarbij mensen met LKS in de tijd gevolgd worden, uitgevoerd is. Het onderzoek kan herhaald worden om te weten hoe robuust de patronen en resultaten zijn. In het huidige onderzoek zijn op een vrij grove wijze alle (vermoedelijk) onterechte gestarte en/of beëindigde LKSP uit de analyses gelaten. In een volgend onderzoek zou deze filtering preciezer kunnen, door bijvoorbeeld een filtering toepassen op aansluitende datums in plaats van aansluitende maanden of door rekening te houden met gelijke loonwaarde. Ook zou dan gekeken kunnen worden naar wijzigingen van berichtgever of gemeente.
  • Uit de resultaten komt naar voren dat bij beëindiging van LKSP een belangrijk deel van de mensen aan het werk blijft. De vraag is of zij dezelfde baan houden, maar nu uitvoeren zonder LKSP, of een andere baan hebben gevonden waar zij geen LKSP voor nodig hebben. Om dit te onderzoeken, zou informatie over de baan of werkgever kunnen worden toegevoegd.
  • Bij lopende LKSP zijn er personen die in de periode dat de voorziening zou moeten lopen geen voorziening LKSP hebben. Dit komt deels door vertraagde aanlevering en deels door keuzes in de onderzoeksmethode. In een vervolgonderzoek kan de methodologie wellicht nog scherper gesteld worden. Dit zal wel nog meer onderzoek vereisen. Tevens is er bij de personen met een lopende voorziening soms geen baan. Hiervoor is aanvullend kwaliteitsonderzoek nodig om te bekijken waar dit aan ligt. Het kan bijvoorbeeld te maken hebben met vertraagde beëindiging van LKSP voorzieningen.
  • De resultaten van dit onderzoek kunnen goed weergegeven worden in een dashboard, zodat de lezer zelf kan kiezen welke figuren hij of zij wil zien. Een dashboard is dynamischer dan een rapport omdat de lezer zelf kan selecteren welke figuren getoond worden en op welke manier deze gesorteerd worden. Bij een dashboard kunnen op een meer flexibele manier achtergrondkenmerken, kruisingen of extra verdiepende analyses worden toegevoegd, zonder dat het overzicht verloren gaat.

Bijlage

Figuren

In deze bijlage worden voor de gestarte LKSP, beëindigde LKSP, lopende LKSP en beëindigde LKSF alle sequentiefiguren weergegeven, dus ook de figuren die niet zijn besproken. Voor elk achtergrondkenmerk wordt voor de gestarte en beëindigde LKSP een figuur getoond voor de gehele populatie en de gefilterde populatie op voorafgaande LKSP.

Gestarte LKSP

0101_Gestarte_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie

0102_Gestarte_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie_zonder_voorafgaande_LKSP

0103_Gestarte_LKSP_naar_uitkeringspositie

0104_Gestarte_LKSP_naar_uitkeringspositie_zonder_voorafgaande_LKSP

0105_Gestarte_LKSP_naar_soort_contract

0106_Gestarte_LKSP_naar_soort_contract_zonder_voorafgaande_LKSP

0107_Gestarte_LKSP_naar_uurloon

0108_Gestarte_LKSP_naar_uurloon_zonder_voorafgaande_LKSP

0109_Gestarte_LKSP_naar_gemiddeld_gewerkte_uren

01010_Gestarte_LKSP_naar_gemiddelde_gewerkte_uren_zonder_voorafgaande_LKSP

01011_Gestarte_LKSP_naar_loonwaarde

01012_Gestarte_LKSP_naar_loonwaarde_zonder_voorafgaande_LKSP

Beëindigde LKSP

01013_Beëindigde_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie

01014_Beëindigde_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie_zonder_opvolgende_LKSP

01015_Beëindigde_LKSP_naar_uitkeringspositie

01016_Beëindigde_LKSP_naar_uitkeringspositie_zonder_opvolgende__LKSP

01017_Beëindigde_LKSP_naar_soort_contract

01018_Beëindigde_LKSP_naar_soort_contract_zonder_opvolgende__LKSP

01019_Beëindigde_LKSP_naar_uurloon

01020_Beëindigde_LKSP_naar_uurloon_zonder_opvolgende__LKSP

01021_Beëindigde_LKSP_naar_gemiddeld_gewerkte_uren

01022_Beëindigde_LKSP_naar_gemiddelde_gewerkte_uren_zonder_opvolgende__LKSP

01023_Beëindigde_LKSP_naar_loonwaarde

01024_Beëindigde_LKSP_naar_loonwaarde_zonder_opvolgende__LKSP

Lopende LKSP

01025_Lopende_LKSP_naar_type_loonkostensubsidie

01026_Lopende_LKSP_naar_uitkeringspositie

01027_Lopende_LKSP_naar_soort_contract

01028_Lopende_LKSP_naar_uurloon

01029_Lopende_LKSP_naar_gemiddeld_gewerkte_uren

01030_Lopende_LKSP_naar_loonwaarde

Beëindigde LKSF

01031_Beëindigde_LKSF_naar_type_loonkostensubsidie

01032_Beëindigde_LKSF_naar_uitkeringspositie

01033_Beëindigde_LKSF_naar_soort_contract

01034_Beëindigde_LKSF_naar_uurloon

01035_Beëindigde_LKSF_naar_gemiddeld_gewerkte_uren

01036_Beëindigde_LKSF_naar_loonwaarde

Inlichtingen

Vragen over deze publicatie kunnen gestuurd worden aan het CBS onder vermelding van het referentienummer PR002334/4 SRG-I.