Rendementen en CO2-emissie van elektriciteitsproductie in Nederland, update 2017

© ANP
Bij de productie van elektriciteit wordt in veel gevallen gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen, wat leidt tot emissies van CO2. Voor evaluatie van energie- en klimaatbeleid is het nuttig om het fossiele energieverbruik en de CO2-emissies per eenheid geproduceerde elektriciteit te berekenen. Deze omrekening is verre van triviaal, onder andere omdat de productie van elektriciteit vaak wordt gecombineerd met andere activiteiten zoals de productie van warmte.

Bij de productie van elektriciteit wordt in veel gevallen gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen, wat leidt tot emissies van CO2. Voor evaluatie van energie- en klimaatbeleid is het nuttig om het fossiele energieverbruik en de CO2-emissies per eenheid geproduceerde elektriciteit te berekenen. Deze omrekening is verre van triviaal, onder andere omdat de productie van elektriciteit vaak wordt gecombineerd met andere activiteiten zoals de productie van warmte.

Harmelink Consulting, Agentschap NL, ECN, CBS en PBL (2012) hebben mogelijke methodes voor de berekening van het fossiel (en nucleair) energieverbruik per eenheid geproduceerde/verbruikte elektriciteit en de CO2-emissie per eenheid geproduceerde/verbruikte elektriciteit beschreven en twee standaard methodes voorgesteld:

  • Een gemiddelde methode: de integrale methode
  • Een marginale methode: de referentieparkmethode

In de notitie “Berekening van de CO2-emissies, het primair fossiel energiegebruik en het rendement van elektriciteit in Nederland” worden deze methodes beschreven en wordt aangegeven voor welke doeleinden deze gebruikt kunnen worden.

Update 2017

De notitie Harmelink et al. (2012) bevat cijfers tot en met het verslagjaar 2010. Sindsdien bepaalt CBS ieder jaar opnieuw de cijfers over de rendementen en CO2-emissies van elektriciteitsproductie. In dit CBS bericht zijn de gegevens over 2017 aan de reeks toegevoegd (tabel 1).

Uit de tabel volgt dat het rendement op fossiele brandstoffen volgens beide methoden in 2017 is toegenomen ten opzichte van 2016. Enerzijds komt dat doordat de kolencentrales relatief weinig draaiden, mede als gevolg van de uitgebruiknames van twee oude kolencentrales op de Maasvlakte medio 2017. Anderzijds draaiden de gascentrales, met gemiddeld een hoger rendement dan de kolencentrales, juist vaker. Het vaker draaien van de gascentrales was een gevolg van diverse ontwikkelingen op de internationale markten voor elektriciteit, aardgas en steenkool.

De stijging van het rendement volgens de integrale methode werd versterkt door een toename van de productie van hernieuwbare elektriciteit. Hernieuwbare elektriciteit telt wel in de teller van deze berekening maar niet in de noemer.

Volgens beide methoden is de CO2-emissie per eenheid geproduceerde elektriciteit duidelijk afgenomen. Dat heeft te maken met de afgenomen productie van elektriciteit uit steenkool, terwijl die uit aardgas toenam. Steenkool heeft een veel hogere CO2-emissie per joule gebruikte brandstof dan aardgas.