Autochtone moeders maken vaker gebruik van kraamzorg dan allochtone moeders

8-1-2013 09:30

In de periode 2001-2011 maakte gemiddeld 95 procent van de vrouwen van 15 tot 50 jaar die in de voorgaande twee jaar waren bevallen gebruik van kraamzorg. Dit percentage is behoorlijk stabiel gebleven in de periode 2001-2011. Wel zijn vrouwen steeds minder vaak hele dagen zorg gaan gebruiken. Vrouwen van niet-westerse afkomst gebruikten minder vaak kraamzorg dan autochtone en westers allochtone vrouwen, en namen ook minder dagen of uren en minder vaak hele dagen kraamzorg af. Het aandeel niet-westers allochtone vrouwen dat gebruik maakt van kraamhulp is door de jaren heen wel gestegen. De ondervraagde vrouwen zijn over het algemeen heel tevreden over de ontvangen kraamzorg.

1. Inleiding

In Nederland hebben pas bevallen vrouwen recht op kraamzorg. Kraamverzorgenden zorgen de eerste acht dagen na de bevalling in de thuissituatie voor moeder en kind. Ook nemen zij een deel van het huishouden op zich en zorgen zij voor eventuele andere kinderen. Een belangrijke taak van de kraamzorg is ook het geven van voorlichting over bijvoorbeeld (borst)voeding, wiegendood, meeroken, veiligheid in huis en het gebruik van vitamine K (ActiZ, BTN, ZN, NBvK en Sting (2008)).

In de Gezondheidsenquête van het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt sinds 1981 naar het gebruik van kraamzorg gevraagd. Over de jaren 1979 tot en met 1982 is al eerder een artikel verschenen (Van den Brekel, 1984). In die tijd werd aan zo’n twee derde van de kraamvrouwen kraamzorg verstrekt.
Dit artikel richt zich op de periode 2001-2011. Gekeken wordt naar de trend in de tijd in het gebruik van hele dagen versus enkele uren kraamzorg, en het aantal dagen zorg. Ook wordt onderzocht of er een verband is tussen het gebruik van kraamzorg en achtergrondkenmerken als leeftijd en herkomst van de moeder, de plaats van de bevalling en stedelijkheid.

Eind vorige eeuw bestond er veel onrust rond de kraamzorg. Er was een tekort aan kraamverzorgenden en de kwaliteit van de zorg zou onder de maat zijn. In opdracht van toenmalig minister van Volksgezondheid Els Borst voerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een inspectieonderzoek uit naar de aard, omvang en kwaliteit van de kraamzorg in Nederland. Speciale aandacht werd besteed aan kraamzorg aan allochtone vrouwen. In het rapport dat naar aanleiding hiervan in 2001 verscheen werd onder andere geconcludeerd dat het kwaliteitsbeleid en de toegankelijkheid van een aanzienlijk deel van de kraamorganisaties onvoldoende was. Ook bleek de pas ingevoerde verkorte opleiding tot kraamverzorgende niet altijd goed aan te sluiten op de praktijk. Wat betreft kraamzorg aan allochtone vrouwen werd geconcludeerd dat de voorlichting over de noodzaak, de preventieve belangen en de mogelijkheden van kraamzorg onvoldoende bij allochtone vrouwen terechtkwamen (Inspectie voor de Gezondheidszorg, 2001). Ook eerdere studies (El Fakiri, 1998; Korfker, 2002) concludeerden dat Turkse en Marokkaanse vrouwen niet goed bekend waren met het Nederlandse systeem van kraamzorg. Er bleek onduidelijkheid over wat kraamzorg precies inhoudt, hoeveel het kost en hoe het werkt. Een deel van de vrouwen bleek geen kraamzorg te hebben gebruikt omdat ze zich te laat hadden ingeschreven. Voor een ander deel bleek het afzien van kraamhulp echter een bewuste keuze: zij gaven aan al genoeg hulp van familie te hebben of wilden liever geen ‘vreemde’ in huis. Allochtone vrouwen kozen dan ook vaker voor minder uren zorg. Het afzien van kraamzorg door allochtone vrouwen kan als problematisch worden gezien omdat de kraamzorg ook een belangrijke voorlichtende functie heeft. Vrouwen die geen kraamzorg hadden ontvangen bleken minder kennis te hebben over risicofactoren voor wiegendood en over het gebruik van vitamine K (Korfker, 2002). De inspectie van de Gezondheidszorg deed in haar rapport dan ook de aanbeveling om de voorlichting gericht op allochtone gezinnen over de noodzaak van kraamzorg breed en divers aan te pakken.

In dit artikel zal daarom ook specifiek worden gekeken naar het kraamzorggebruik van allochtone vrouwen. Kan geconcludeerd worden dat er tien jaar na de conclusies uit het inspectierapport iets veranderd is?

2. Methode

In dit onderzoek worden de gegevens over kraamzorg gebruikt die in de periode 2001-2011 met behulp van de Gezondheidsenquête van het CBS zijn verzameld. De Gezondheidsenquête is een jaarlijkse steekproef uit de Nederlandse bevolking, met uitzondering van personen in instellingen en tehuizen. Jaarlijks beantwoordden gemiddeld 260 vrouwen de vragen over kraamzorg.

Aan alle vrouwen van 15 tot en met 49 jaar is gevraagd of zij in de twee jaar voorafgaand aan de enquête zijn bevallen, en zo ja, hoe vaak. Per bevalling is vervolgens gevraagd of er na de geboorte gebruik is gemaakt van kraamzorg. Bij de interpretatie van de gegevens moet er rekening mee worden gehouden dat door het vragen naar de afgelopen twee jaar de cijfers niet uitsluitend betrekking hebben op bevallingen in de periode 2001-2011, maar op bevallingen in de periode 1999 tot en met 2011. Hoewel er voor elke bevalling in de twee jaar voorafgaand aan het interview gevraagd wordt naar het gebruik van kraamzorg, wordt in dit artikel alleen gerapporteerd over de laatste bevalling. Hiermee wordt 96 procent van alle bevallingen omvat.

In de periode 2001-2009 is er na de vraag of er gebruik is gemaakt van kraamzorg gevraagd of er van hele dagen of enkele uren zorg gebruik is gemaakt, of die zorg ook huishoudelijke hulp inhield, en hoeveel dagen zorg er zijn afgenomen. Vanaf 2010 is alleen gevraagd naar het totaal aantal uren zorg. Wel is vanaf 2010 ook gevraagd om een rapportcijfer te geven voor de genoten zorg.

Het gebruik van kraamzorg is onderzocht naar verscheidene achtergrondkenmerken. Een daarvan is de herkomstgroepering. Hierbij worden allochtonen en autochtonen onderscheiden. Met ‘allochtoon’ wordt bedoeld een persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Niet-westerse allochtonen zijn personen van wie ten minste één ouder is geboren in Afrika, Latijns-Amerika of Azië (inclusief Turkije maar exclusief Indonesië en Japan). Alle andere allochtonen zijn westerse allochtonen. Bij het achtergrondkenmerk stedelijkheidsgraad worden vijf categorieën onderscheiden: zeer sterk stedelijk, sterk stedelijk, matig stedelijk, weinig stedelijk en niet stedelijk.

Om te testen of verschillen tussen de groepen statistisch significant zijn, zijn oneway ANOVA’s gebruikt met Tukey-correcties voor de post hoc-vergelijkingen. Er wordt alleen gerapporteerd over groepen met minimaal 50 waarnemingen. Om de relatie tussen de verschillende verklarende factoren te onderzoeken is Multiple Classifiation Analysis gebruikt.

3. Resultaten

3.1 Trend in de tijd

Van de vrouwen van 15 tot 50 jaar die in 2001 tot en met 2011 mee hebben gedaan aan de CBS Gezondheidsenquête is ieder enquêtejaar 10 à 11 procent de afgelopen twee jaar bevallen. In totaal zijn dat 3009 vrouwen. Daarvan beviel gemiddeld 96 procent 1 keer; de overige 4 procent beviel 2 of 3 keer.

Na de laatste bevalling heeft 95 procent van de vrouwen van 15 tot 50 jaar die de afgelopen twee jaar zijn bevallen gebruik gemaakt van kraamzorg. Dit percentage is over de jaren 2001-2011 behoorlijk stabiel. Er zijn wat jaarlijkse schommelingen, maar er is geen significante trend in de tijd voor het percentage vrouwen dat gebruik maakt van kraamzorg.
Gemiddeld maakten vrouwen in de periode 2001-2009 bijna 7 dagen gebruik van kraamzorg. Ook dit aantal bleef stabiel in de tijd. Van de vrouwen die kraamzorg afnamen, gebruikte 59 procent hele dagen zorg en gaf de overige 41 procent aan enkele uren per dag zorg te hebben gebruikt. Dit percentage veranderde wel in de loop van de jaren: vrouwen zijn minder vaak hele dagen zorg gaan gebruiken. In 2001 gebruikte 65 procent hele dagen zorg, in 2009 was dat 51 procent. Vrouwen die hele dagen zorg kregen gaven vaker aan dat ze de hoeveelheid kraamzorg hebben gehad waar ze behoefte aan hadden dan moeders die maar enkele uren per dag kregen (90 procent versus 77 procent).

Percentage vrouwen naar uren kraamzorg, 2001-2009
Percentage vrouwen naar uren kraamzorg, 2001-2009

Aan de moeders die geen hele dagen maar enkele uren kraamhulp per dag hebben gehad, is gevraagd of de kraamzorg naast de verzorging van moeder en kind ook beperkt huishoudelijke hulp omvatte. Gemiddeld over de jaren was dat zo in 69 procent van de gevallen. Dit percentage neemt toe in de loop van de tijd. In 2001 omvatte de kraamhulp in 58 procent van de gevallen ook beperkt huishoudelijke hulp, tegen 77 procent in 2009.

In 2010 en 2011 zijn de vragen naar kraamzorg in de Gezondheidsenquête gewijzigd. Hierdoor is er niet meer gevraagd naar of een moeder hele dagen kraamzorg ontving en hoeveel dagen dat waren, maar is gevraagd naar het aantal gebruikte uren. Gemiddeld over 2010 en 2011 gebruikten vrouwen 39,5 uur kraamzorg. Het aantal uren verschilt niet significant tussen de twee jaren.

3.2 Plaats van bevalling

Of en hoeveel uur kraamhulp een vrouw krijgt aangeboden hangt af van de plaats van de bevalling. Als moeder en kind na de bevalling in het ziekenhuis moeten blijven, dan worden er per ziekenhuisdag uren in mindering gebracht. Van de vrouwen die thuis bevielen gebruikte 99 procent kraamzorg, tegen 94 procent van de vrouwen die in het ziekenhuis bevielen. Voor 2001-2009 gold dat moeders die thuis bevielen vaker hele dagen kraamzorg gebruikten (70 procent) dan moeders die in het ziekenhuis bevielen (58 procent). Ook ontvingen moeders die thuis waren bevallen meer dagen kraamzorg: 7,7 dagen tegenover 6,6 dagen voor vrouwen die in het ziekenhuis waren bevallen. Voor 2010-2011 gold dat vrouwen die thuis bevielen gemiddeld 44,3 uur zorg gebruikten. Vrouwen die in het ziekenhuis bevielen gebruikten 38,1 uur.

3.3 Leeftijd en herkomst moeder

Moeders in de jongste leeftijdsgroep, van 15 tot en met 24 jaar, gebruikten in de periode 2001-2011 minder vaak kraamzorg dan moeders in de oudere leeftijdsgroepen. Van de moeders van 15-24 jaar gebruikte 87 procent kraamzorg, tegen gemiddeld 95 procent in de andere leeftijdsgroepen. Van de jongste groep moeders gebruikten er ook veel minder hele dagen kraamzorg in de periode 2001–2009: 36 procent tegenover gemiddeld 60 procent bij de andere leeftijdsgroepen. Moeders uit de jongste leeftijdsgroep bevielen wat vaker in het ziekenhuis, maar dat verklaart het verschil in het percentage dat kraamhulp gebruikte en het percentage dat hele dagen zorg gebruikte maar voor een klein deel. Het aantal dagen kraamzorg verschilde niet. Ook voor 2010-2011 lijkt het aantal uren kraamzorg minder te zijn in de jongste leeftijdsgroep, maar de aantallen respondenten in de leeftijdsgroepen zijn te klein om een significant verschil te kunnen aantonen.

Percentage vrouwen dat gebruik maakt van kraamzorg naar leeftijd, 2001-2011

Percentage vrouwen dat gebruik maakt van kraamzorg naar leeftijd, 2001-2011

Van de moeders met een niet-westers allochtone achtergrond maakte 86 procent gebruik van kraamzorg in de periode 2001-2011. Dat is een kleiner percentage dan van de autochtone vrouwen (96 procent) en vrouwen met een westers allochtone achtergrond (94 procent).
Ook in de aandelen vrouwen die hele dagen zorg gebruikten of slechts enkele uren is er een groot verschil tussen de herkomstgroepen. Van de autochtone moeders gebruikte 66 procent hele dagen zorg, tegen 46 procent van de westers allochtone vrouwen en 25 procent van de niet-westers allochtone vrouwen. Niet-westers allochtone moeders gebruikten met gemiddeld 6,2 dagen ook minder dagen zorg dan autochtone vrouwen (7,0 dagen) en westers allochtone vrouwen (6,5 dagen).
In 2010-2011 gebruikten niet-westers allochtone vrouwen met gemiddeld 29,0 uur ook minder uren kraamhulp dan autochtone vrouwen (41,9 uur) en westers allochtone vrouwen (38,2 uur). Niet-westers allochtone vrouwen bevallen vaker dan autochtone vrouwen in het ziekenhuis, maar dit kan de verschillen in het gebruik van kraamhulp maar voor een klein deel verklaren.

Door de jaren heen is een groter aandeel niet-westers allochtone vrouwen gebruik gaan maken van kraamhulp. In 2001-2003 gebruikte 77 procent van de niet-westers allochtone vrouwen kraamzorg, in 2007-2009 was dat 91 procent en in 2010-2011 was dat 89 procent.
Voor autochtone en westers allochtone vrouwen is er geen significante verandering in de tijd te zien. Niet-westers allochtone vrouwen bleven in de loop der jaren net zo vaak enkele uren in plaats van hele dagen hulp gebruiken. Bij autochtone vrouwen daalde het aandeel dat hele dagen zorg gebruikt van 73 procent in 2001-2003 naar 52 procent in 2007-2009. Ook lijkt er alleen bij autochtone vrouwen een lichte daling in het aantal uren kraamzorg te zijn.

Percentage vrouwen dat gebruik maakt van kraamzorg naar herkomstgroep, 2001-2011
Percentage vrouwen dat gebruik maakt van kraamzorg naar herkomstgroep, 2001-2011

3.4 Stedelijkheidsgraad

Vrouwen die in zeer sterk verstedelijkte gebieden wonen maakten minder vaak gebruik van kraamzorg dan vrouwen die in matig, weinig, of niet verstedelijkte gebieden wonen, met 91 procent tegenover gemiddeld 96 procent  in de periode 2001-2011. Ook wat betreft het aandeel vrouwen dat gebruik maakt van hele dagen zorg vallen de zeer sterk stedelijke gebieden op: een flink kleiner percentage vrouwen uit deze gebieden maakte in 2001-2009 gebruik van hele dagen zorg, namelijk 32 procent. Hoe minder verstedelijkt, hoe vaker hele dagen zorg werden gebruikt. Voor de niet-verstedelijkte gebieden is het percentage vrouwen dat gebruik maakte van hele dagen zorg bijvoorbeeld 76 procent. Voor het aantal dagen zorg (2001-2009) is de relatie met stedelijkheid minder rechtlijnig, maar ook hier geldt dat vrouwen uit de zeer sterk verstedelijkte gebieden minder dagen zorg gebruikten (6,4 dagen) dan bijvoorbeeld vrouwen uit de sterk (7,0 dagen) of weinig (7,1 dagen) verstedelijkte gebieden. Ook in het aantal uren zorg (2010-2011) is te zien dat vrouwen uit de zeer sterk verstedelijkte gebieden minder uren zorg gebruikten dan in de minder dan zeer sterk verstedelijkte gebieden: 34,6 uur tegenover gemiddeld 40,9 uur.

Dat vrouwen in de zeer sterk verstedelijkte gebieden minder vaak gebruik maakten van kraamzorg komt met name doordat deze vrouwen relatief vaker van allochtone afkomst zijn en, in mindere mate, doordat zij vaker in het ziekenhuis bevallen. Na correctie voor deze twee factoren is het verschil in stedelijkheid verdwenen voor het percentage vrouwen dat gebruik maakt van kraamzorg, en voor het aantal dagen en het aantal uren zorg. Voor het percentage vrouwen dat gebruik maakt van hele dagen versus enkele uren per dag blijft er na correctie wel nog een (kleiner) verschil bestaan. Er is een verschil in leeftijdsverdeling tussen de stedelijkheidsgebieden, maar dat kan de gevonden verschillen in kraamzorggebruik niet verklaren.

3.5 Tevredenheid over de zorg

In 2010-2011 is aan vrouwen die gebruik hebben gemaakt van kraamzorg gevraagd welk rapportcijfer zij die zorg zouden geven. De ondervraagde vrouwen zijn over het algemeen erg tevreden over de ontvangen kraamzorg: gemiddeld gaven ze de kraamzorg na de laatste bevalling een 8,1. Er zijn bijna geen onvoldoendes uitgedeeld: maar liefst 97 procent gaf een 6 of hoger als rapportcijfer. Er was geen verschil in dit percentage tussen vrouwen van verschillende leeftijdsgroepen of van verschillende herkomstgroepen. Niet-westers allochtone vrouwen geven een iets minder hoog cijfer dan westers allochtone vrouwen: een 7,8 ten opzichte van een 8,4. Dit verschil is echter net niet significant (p = .054).

Percentage vrouwen naar rapportcijfer voor de kraamzorg
Percentage vrouwen naar rapportcijfer voor de kraamzorg

4. Conclusie

Met een aandeel van 95 procent maakte de overgrote meerderheid van de vrouwen van 15-50 jaar die in de twee jaar voorafgaand aan de enquête zijn bevallen bij de laatste bevalling gebruik van kraamzorg. Dit percentage is over de jaren 2001-2011 behoorlijk stabiel gebleven, en dat geldt ook voor het aantal dagen dat kraamzorg is ontvangen. Wel nam het percentage vrouwen dat hele dagen zorg gebruikte af.

Of en hoeveel kraamhulp een vrouw gebruikt hangt af van de plaats van de bevalling. Na een ziekenhuisbevalling gebruiken vrouwen minder vaak kraamzorg. Als zij wel kraamzorg gebruiken, nemen zij minder uren en minder dagen af en minder vaak hele dagen zorg.

Moeders uit de jongste leeftijdsgroep, van 15-24 jaar, gebruikten minder vaak kraamzorg en ook minder vaak hele dagen zorg dan de moeders in de oudere leeftijdsgroepen. Het feit dat jonge moeders wat vaker in het ziekenhuis bevallen kan dat verschil niet geheel verklaren.

Zoals ook in de inleiding gesteld is specifiek gekeken naar het verschil in gebruik van kraamzorg door de verschillende herkomstgroepen. Hierbij werden vergelijkbare resultaten gevonden met die uit eerdere onderzoeken (El Fakiri, 1998; Korfker, 2002). Van de niet-westers allochtone vrouwen maakt een kleiner deel gebruik van kraamzorg dan van de autochtone vrouwen en de vrouwen met een westers allochtone achtergrond. Niet-westers allochtone vrouwen gebruikten opvallend minder vaak hele dagen zorg, en ook het aantal dagen en uren dat zij kraamzorg gebruikten was minder. Niet-westers allochtone vrouwen bevallen vaker dan autochtone vrouwen in het ziekenhuis, maar dit kan het verschil maar voor een klein deel verklaren.

Relevant was ook de vraag of het gebruik van kraamzorg door niet-westers allochtone vrouwen de afgelopen tien jaar is toegenomen, mogelijk mede door de aanbevelingen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg uit 2001 (Inspectie voor de Gezondheidszorg, 2001). Inderdaad is door de jaren heen een groter aandeel vrouwen met niet-westers allochtone achtergrond gebruik gaan maken van kraamhulp. Dit aandeel blijft met 89 procent echter nog altijd achter bij de 96 procent onder autochtone vrouwen. Het aantal dagen dat zorg werd gebruikt en het percentage vrouwen dat hele dagen versus enkele uren zorg gebruikte veranderden niet voor niet-westers allochtone vrouwen. Er blijven daar flinke verschillen bestaan tussen de herkomstgroepen. Een voorzichtige conclusie luidt dan ook dat niet-westers allochtone vrouwen wat betreft het gebruik van kraamzorg een inhaalslag aan het maken zijn, maar dat die nog (lang) niet gestreden is.

Dat een kleiner percentage vrouwen in de zeer sterk verstedelijkte gebieden gebruik maakt van kraamzorg en dat zij ook minder dagen en uren zorg gebruiken blijkt verklaard te kunnen worden doordat deze vrouwen vaker van allochtone afkomst zijn en, in mindere mate, doordat zij vaker in het ziekenhuis bevallen. Dat zij ook minder vaak hele dagen zorg gebruiken kan niet door deze twee factoren alleen worden verklaard. Mogelijk is hier de oorzaak dat er in 2008 en in mindere mate in 2009 een tekort aan kraamzorg was in onder andere de Randstad en in en om enkele grote steden in Noord-Brabant (ActiZ, BTN, ZN, NBvK en Sting, 2008).

Ondanks de zorgen en onrust rondom de kraamzorg, zijn de gebruikers van kraamzorg bijna allemaal tevreden: zij gaven de ontvangen zorg een dikke 8 als rapportcijfer.

Marieke Houben – van Herten

Bronnen

StatLine, Bevalling, lengte en gewicht bij geboorte, borstvoeding

Literatuur

  • ActiZ, BTN, ZN, NBvK en Sting, 2011, Eindevaluatie. Plan van aanpak arbeidscapaciteit kraamzorg 2008-2010.
  • ActiZ, KNOV, LVG, Sting, BTN en ZN, 2008, Indicatieprotocol kraamzorg, versie 3. Instrument voor toekenning van kraamzorg: Partusassistentie en kraamzorg gedurende de kraamperiode.
  • Brekel, E.JG. v.d., 1984, Bevallingen en kraamzorg, 1979-1982. Maandbericht gezondheidsstatistiek 3(6), blz. 5-17.
  • El Fakiri, F., I Kulu Glasgow, M.G. Weide en M. Foets, 1998, Verschillen in gezondheid en zorg. Turkse en Marokkaanse vrouwen over kraamzorg. Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde 76(1), blz. 13. 
  • Inspectie voor de Gezondheidszorg, 2001, Kraamzorg. Kwaliteit, toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid.
  • Korfker, D.G., K.C. Herschderfer, J.B. de Boer, en S.E. Buitendijk, 2002, Eindrapport Kraamzorg voor allochtonen, een onderzoek naar kraamzorg bij Turkse en Marokkaanse vrouwen. TNO Preventie en Gezondheid, Leiden.