SDG 17 Partnerschap

SDG 17 heeft een ander karakter dan de andere SDG’s. Voor het bereiken van de SDG’s is samenwerking tussen landen, overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties enorm belangrijk. Het is moeilijk om die samenwerking (statistisch) te meten.

  • Nederland haalt de OESO-norm voor ontwikkelingshulp niet in 2024.
  • De invoer uit lage-inkomenslanden neemt toe.
  • De landvoetafdruk daalt trendmatig, is laag binnen de EU-27 maar blijft ongeveer driemaal de oppervlakte van Nederland.

Het dashboard en de indicatoren

SDG 17 Partnerschap om doelstellingen te bereiken

Algemeen

0,6%
van het bruto nationaal inkomen in 2024
5e
van 27
in EU
in 2024
Ontwikkelingshulp
1,5%
van het bbp in 2024
6e
van 27
in EU
in 2024
Overdrachten
€ 61
per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025
De langjarige trend is stijgend (stijging brede welvaart)
Invoer van goederen uit lageinkomenslanden
€ 1 226
per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025
Invoer van goederen uit lagemiddeninkomenslanden
15,6%
voor het eerst ingeschreven eerstejaars (bachelor of master) in 2025
De langjarige trend is stijgend (stijging brede welvaart)
Wo-studenten uit niet-EER-landen
28,0
ton per inwoner in 2023
7e
van 27
in EU
in 2023
Grondstofvoetafdruk A)
0,6
hectare per inwoner in 2023
De langjarige trend is dalend (stijging brede welvaart)
4e
van 27
in EU
in 2023
Landvoetafdruk A)
12,2
ton CO2-equivalenten per inwoner in 2023
16e
van 27
in EU
in 2023
Broeikasgasvoetafdruk A)
SDG 17 Partnerschap om doelstellingen te bereiken
Thema Indicator Waarde Trend Positie in EU Positie op EU-ranglijst
Algemeen Ontwikkelingshulp 0,6% van het bruto nationaal inkomen in 2024 5e van 27 in 2024 bovenste kwart van de ranglijst
Algemeen Overdrachten 1,5% van het bbp in 2024 6e van 27 in 2024 bovenste kwart van de ranglijst
Algemeen Invoer van goederen uit lageinkomenslanden € 61 per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025 stijgend (stijging brede welvaart)
Algemeen Invoer van goederen uit lagemiddeninkomenslanden € 1 226 per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025
Algemeen Wo-studenten uit niet-EER-landen 15,6% voor het eerst ingeschreven eerstejaars (bachelor of master) in 2025 stijgend (stijging brede welvaart)
Algemeen Grondstofvoetafdruk A) 28,0 ton per inwoner in 2023 7e van 27 in 2023 bovenste kwart van de ranglijst
Algemeen Landvoetafdruk A) 0,6 hectare per inwoner in 2023 dalend (stijging brede welvaart) 4e van 27 in 2023 bovenste kwart van de ranglijst
Algemeen Broeikasgasvoetafdruk A) 12,2 ton CO2-equivalenten per inwoner in 2023 16e van 27 in 2023 midden van de ranglijst

De focus ligt hier op de vorming en het behoud van partnerschappen, om zo de andere doelstellingen te helpen bereiken. (Internationale) samenwerking is onmisbaar om de capaciteit en middelen vrij te maken om de duurzame-ontwikkelingsagenda uit te voeren. Dit vereist samenhangend beleid, een coöperatieve omgeving en de bereidheid tot het aangaan van nieuwe mondiale partnerschappen. Het gaat er bij SDG 17 om welk effect ontwikkelingen in Nederland op andere landen hebben.

Voor de meeste doelen van SDG 17 zijn geen goed meetbare indicatoren beschikbaar. Overal ter wereld worstelen statistische bureaus met de vraag hoe SDG 17 beter meetbaar te maken is. Voor deze SDG monitort het CBS momenteel maar een klein aantal subdoelen. Daardoor is er niet, zoals bij de andere SDG’s, een indeling naar middelen en mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en beleving. Ook kan daardoor geen algemeen beeld gegeven worden van de richting van de ontwikkeling van deze SDG. De beschrijving van trends en posities betreft zodoende alleen de belangrijkste uitkomsten van de individuele indicatoren.

Met het geven van officiële ontwikkelingshulp (ODA) stond Nederland in 2024 aan de bovenkant van de EU-ranglijst (5e van de 27 landen). In dat jaar was de ontwikkelingshulp 0,6 procent van het bruto nationaal inkomen (bni). In 1970 kwamen VN-leden overeen jaarlijks 0,7 procent van hun bni aan ontwikkelingssamenwerking te besteden (de OESO-norm). Landen die de OESO-norm wel halen zijn Luxemburg, Zweden en Denemarken. Lonen en salarissen verdiend in Nederland door mensen die niet in Nederland wonen (niet-ingezetenen), samen met overschrijvingen van mensen die in Nederland wonen (ingezetenen) naar niet-ingezetenen bedroegen 1,5 procent van het bbp. Ook hierbij stond Nederland in 2024 aan de bovenkant van de EU-ranglijst (6e van de 27 landen). De werkelijke effecten op brede welvaart ‘elders’ hangen af van de manier waarop de ontvanger het geld besteedt. De aanname is dat ontwikkelingshulp en inkomensoverdrachten een positieve bijdrage leveren aan de bestaansmogelijkheden in de ontvangende landen.

Nederland, met zijn grote zeehavens, heeft vanuit het verleden intensieve handelsrelaties met andere landen. Om een indruk te geven waar de effecten gevoeld worden, zijn de landen waarmee Nederland handelt ingedeeld in vier groepen: lageinkomenslanden, lagemiddeninkomenslanden, hogemiddeninkomenslanden en hogeinkomenslanden. Deze indeling is gemaakt door de Wereldbank en is gebaseerd op het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking van een land. Bij SDG 17 ligt de focus op ondersteuning van lage- en lagemiddeninkomenslanden. De invoerwaarde is voor inflatie gecorrigeerd met een nieuwe methode, alle bedragen in de dashboards zijn uitgedrukt in prijzen van het jaar 2020.

De trend voor invoer uit lage-inkomenslanden is omgeslagen van stabiel naar stijgend. Daarnaast is deze invoer in 2025 sterk toegenomen met 12,7 procent. De trend voor invoer van goederen uit lagemiddeninkomenslanden is stabiel. Invoer vanuit lage-inkomenslanden en lagemiddeninkomenslanden is laag vergeleken met andere landen. Uit Elders blijkt dat het overgrote deel van de goedereninvoer juist uit hoge- en hogemiddeninkomenslanden komt. Samen nemen deze twee landengroepen meer dan 90 procent van de invoerstroom voor hun rekening. Deze invoercijfers bevatten ook wederuitvoer: goederen die hier worden ingevoerd en vervolgens in (vrijwel) onbewerkte staat weer worden uitgevoerd.

Naast bijdragen aan de economie in andere landen kan Nederland ook kennis overdragen, onder andere via studenten. Bij SDG 17 gaat het specifiek om studenten uit landen buiten de Europese Economische Ruimte (EER, oftewel de 27 EU-lidstaten plus Noorwegen, IJsland en Liechtenstein). In 2025 was 15,6 procent van de nieuwe wo-studenten afkomstig uit niet-EER-landen. Dit aandeel stijgt trendmatig. Een toename van Engelstalige studieprogramma’s en het aantal internationale studenten wordt beschouwd als gunstig voor de brede welvaart elders in de wereld. De brede welvaartseffecten kunnen ook voor Nederland zelf positief zijn: buitenlandse studenten die in Nederland blijven en gaan werken, zullen bijdragen aan de Nederlandse economie.

Voetafdrukken meten de hoeveelheid hulpbronnen waarop beslag gelegd wordt en de effecten daarvan op natuur, klimaat en andere aspecten van brede welvaart die wereldwijd worden veroorzaakt door de consumptie door huishoudens en overheid in Nederland. Zo meet de grondstofvoetafdruk de hoeveelheid grondstoffen (biomassa, fossiele brandstoffen, metalen en niet-metaal mineralen) die wereldwijd wordt verbruikt ten behoeve van consumptie in Nederland. Bij de landvoetafdruk gaat het om de hoeveelheid land die wereldwijd nodig is en bij de broeikasgasvoetafdruk om de hoeveelheid broeikasgassen (koolstofdioxide, methaan en distikstofoxide) die wereldwijd wordt uitgestoten.

De landvoetafdruk daalt trendmatig. In 2023 was voor de consumptiebehoefte van iedere inwoner 0,6 hectare land nodig. Dit komt neer op ongeveer driemaal de oppervlakte van Nederland. Hiermee staat Nederland op de 4e plek binnen de EU-27, Nederland gebruikt dus relatief weinig land voor zijn consumptie. De trend voor de Nederlandse broeikasgasvoetafdruk is stabiel. In 2023 werd per inwoner 12,2 ton CO2-equivalenten uitgestoten. De grondstofvoetafdruk daalde in 2023 met 11,7 procent vergeleken met 2022. In 2023 werd per inwoner wereldwijd 28 ton aan biomassa, fossiele brandstoffen, metalen en niet-metaal mineralen verbruikt voor de Nederlandse consumptie. In 2023 was de Nederlandse grondstofvoetafdruk relatief laag binnen de EU (7e van de 27 landen). Dit beeld past bij de observatie in SDG 12 Verantwoorde consumptie en productie dat vergeleken met de EU het binnenlands materiaalverbruik per hoofd van de bevolking relatief laag is en de grondstoffenproductiviteit relatief hoog. Een relatief lage voetafdruk vergeleken met andere EU-landen laat waarschijnlijk een te positief beeld zien. De landen van de EU zijn net als Nederland hoge-inkomenslanden met een hogere voetafdruk op milieu en klimaat dan de meeste andere landen in de wereld.