SDG 1 Geen armoede
SDG 1 gaat over het streven dat in 2030 niemand meer in extreme armoede leeft. Hierbij gaat het ook om sociale bescherming, gelijke economische rechten en hogere weerbaarheid tegen financiële schokken van met name arme en kwetsbare mensen.
- De financiële middelen van huishoudens zijn toegenomen.
- De relatieve armoede en het risico op armoede zijn laag vergeleken met andere EU-landen.
- Meer mensen maakten zich in 2025 zorgen over hun financiële toekomst.
Het dashboard en de indicatoren
Middelen en mogelijkheden
in EU
in 2024
in EU
in 2024
Uitkomsten
in EU
in 2025
in EU
in 2025
in EU
in 2025
Beleving
| Thema | Indicator | Waarde | Trend | Positie in EU | Positie op EU-ranglijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Middelen en mogelijkheden | Gemiddeld besteedbaar inkomen | € 41 900 per huishouden (gestandaardiseerd, in prijzen 2024) in 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | 5e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Middelen en mogelijkheden | Mediaan besteedbaar inkomen | € 36 500 per huishouden (gestandaardiseerd, in prijzen 2024) in 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | 5e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Middelen en mogelijkheden | Mediane koopkrachtontwikkeling | 3,6% verandering van koopkracht in 2024 | |||
| Middelen en mogelijkheden | Mediaan vermogen van huishoudens | € 135 500 per huishouden (prijzen 2024), op 1 januari 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | ||
| Uitkomsten | Risico op armoede of sociale uitsluiting | 15,8% van de bevolking in 2025 | dalend (stijging brede welvaart) | 3e van 13 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Uitkomsten | Dakloze mensen | 30 van elke 10 000 inwoners (18-64) hadden geen woonruimte in 2024 | |||
| Uitkomsten | Relatieve armoede | 13,4% van de bevolking leeft onder Europese armoedegrens (60% mediane inkomen) in 2025 | 3e van 13 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Uitkomsten | Inkomenstekort | 16,0% verschil tussen EU-armoedegrens en mediane inkomen armen in 2025 | 2e van 13 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Uitkomsten | Kinderen in armoede | 2,8% maakt deel uit van een arm gezin in 2024 | dalend (stijging brede welvaart) | ||
| Uitkomsten | Langdurig armen | 0,7% maakt deel uit van een huishouden dat 3 jaar of meer arm is in 2024 | dalend (stijging brede welvaart) | ||
| Uitkomsten | Geregistreerde problematische schulden | 8,6% van alle huishoudens heeft problematische schulden op 1 januari in 2025 | |||
| Beleving | Zorgen over financiële toekomst | 28,1% van de bevolking van 18+ maakt zich veel zorgen in 2025 |
Uitleg dashboard, kleuren en noten
Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op de financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben en de eventuele ondersteuning daarbij. Voor de beschikbare financiële middelen wordt gekeken naar inkomen, vermogen en naar de ontwikkeling van de koopkracht. De beschikbare financiële middelen zijn, gecorrigeerd voor inflatie, gebaseerd op het prijspeil in 2024.
Zowel het gemiddelde als het mediane gestandaardiseerde besteedbaar inkomen zijn trendmatig gestegen. Het gemiddelde gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per huishouden kwam in 2024 uit op 41 900 euro. De mediaan (36 500 euro in 2024) ligt onder het gemiddelde, omdat de zeer hoge inkomens het gemiddelde omhoogtrekken. De mediaan houdt in dat de helft van de huishoudens minder dan dit bedrag aan inkomen heeft en de andere helft juist meer. Nederland heeft bij beide indicatoren een positie bovenaan de EU-ranglijst (5e van 27 in 2024).
Het mediane vermogen stijgt trendmatig, maar is de laatste paar jaar niet verder gestegen. Op 1 januari 2024 bedroeg het mediane vermogen van huishoudens 135 500 euro; dat is slechts 200 euro hoger dan op 1 januari 2022. De prijzen zijn in diezelfde periode sterk gestegen, waardoor het mediane vermogen van huishoudens na correctie voor prijsveranderingen is gedaald. De daling hangt ook samen met de instroom van Oekraïners, die nauwelijks tot geen (in Nederland geregistreerd) vermogen hadden.
In 2024 steeg de koopkracht van de Nederlandse bevolking in doorsnee met 3,6 procent. Dit is de hoogste koopkrachtstijging in meer dan twintig jaar. De koopkrachtstijging is niet gelijk verdeeld. Mensen in werknemershuishoudens gingen er het meest op vooruit. De koopkracht van zelfstandigen steeg minder vanwege verlaging van belastingvoordelen. Bijstandshuishoudens hadden de laagste koopkrachtstijging, onder andere door de beëindiging van de energietoeslag. Huishoudens met kinderen gingen er in doorsnee meer op vooruit dan huishoudens zonder kinderen.
Gebruik betreft het gebruik van de financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben en van verschillende vormen van ondersteuning. Er zijn voor deze categorie geen indicatoren die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.
Uitkomsten hebben betrekking op mensen die in armoede leven en op de vervulling van basisbehoeften, zoals veilige en betaalbare zelfstandige woonruimte. Na vijf jaar daling steeg de armoede volgens de Nederlandse methode in 2024 naar 3,1 procent van de bevolking. Het aandeel mensen dat drie jaar of meer in een arm huishouden leeft daalt nog wel en kwam uit op 0,7 procent. Dit komt neer op 131 duizend mensen. In 2024 stopte de energietoeslag, maar werden de huurtoeslag en het kindgebonden budget verruimd. Ook was er sprake van een sterke cao-loonstijging en meer belastingkorting voor werkenden. Toch hebben deze maatregelen de stijging van de armoede in 2024 (van 2,7 procent naar 3,1 procent) niet voorkomen. Het aandeel minderjarige kinderen in een arm gezin neemt af en is in 2024 gelijk aan 2,8 procent (93 duizend minderjarige kinderen). In 2018, het begin van de reeks van armoedecijfers, was dit aandeel nog 8,7 procent. Waar armoede in de bevolking als geheel toenam, was dit voor gezinnen met kinderen niet het geval door een verhoging van het kindgebonden budget.
Er zijn verschillende definities van armoede. Het wereldwijde SDG-doel van 2,15 dollar per persoon per dag (in prijzen van 2017) is voor de Nederlandse context veel te laag en daarom niet relevant. In 2024 is een nieuwe armoedemeting geïntroduceerd door het CBS, Nibud en SCP, die aansluit bij de situatie in Nederland. Volgens deze meting is een huishouden arm als na het betalen van de woon-, energie- en zorglasten te weinig inkomen en direct te besteden vermogen overblijft voor andere basisbehoeften. Voor internationale vergelijkingen is de zogenoemde Europese armoedegrens gangbaar, die uitgaat van relatieve armoede. Deze Europese armoedegrens meet het deel van de bevolking dat risico loopt op armoede. De grens is bepaald op 60 procent van het mediane inkomen van de gehele bevolking.
Vergeleken met andere EU-landen is het risico op armoede of sociale uitsluiting in Nederland laag. Het aandeel van de Nederlandse bevolking dat materieel is achtergesteld, risico loopt op armoede of leeft in een huishouden met weinig of geen werk, was 15,8 procent van de bevolking in 2025 (2,8 miljoen mensen). Dit percentage laat een licht dalende trendmatige ontwikkeling zien. Het aandeel van de bevolking in een huishouden met een inkomen dat lager is dan 60 procent van het mediane besteedbaar inkomen in Nederland (het armoederisico volgens de Europese armoededefinitie), heeft geen stijgende of dalende trend. Het betrof in 2025 13,4 procent van de bevolking. Vergeleken met andere EU-landen is het percentage laag (3e van de 13 landen in 2025). Ook het inkomenstekort is met 16,0 procent laag vergeleken met andere EU-landen (2e van de 13 in 2025). Deze indicator geeft de intensiteit van de armoede weer. Ze wordt berekend door de afstand tussen de Europese armoedegrens en het mediane inkomen van huishoudens met een armoederisico te meten, uitgedrukt als percentage van de armoedegrens.
Op 1 januari 2025 had 8,6 procent van de huishoudens een geregistreerde problematische schuld. Dat betekent een afname ten opzichte van een jaar eerder. In de periode van 2021 tot 2024 nam het aandeel huishoudens met geregistreerde problematische schulden nog toe.
In januari 2024 sliepen 30 van elke 10 duizend inwoners van 18 tot 65 jaar op straat, in laagdrempelige opvang of tijdelijk bij familie of vrienden. Het aantal dakloze mensen neemt toe sinds 2022. Ruim 80 procent hiervan was man en 32 procent van de dakloze mensen bevond zich in een van de vier grote steden (Rotterdam, Amsterdam, Den Haag of Utrecht). Hierin is de afgelopen jaren weinig veranderd.
Beleving gaat over de ervaren financiële situatie en of mensen zich zorgen maken over hun financiële toekomst. In 2025 nam het aandeel van de bevolking dat zich veel zorgen maakt over de financiële toekomst weer toe tot 28,1 procent. Vanaf het begin van de meting in 2013 daalde dit percentage tot 2021, waarna het in 2022 en 2023 hoger lag. In deze jaren was de inflatie uitzonderlijk hoog. Na een afname in 2024, steeg het percentage in 2025.